|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.356.301 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | IE-Rechten Software | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF
zaak-/rolnummer rechtbank Rotterdam: C/10/616075/KG ZA 21-249
zaaknummer: 200.356.301/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2026
inzake
1de rechtspersoon naar buitenlands [appellant 2] ,
gevestigd te [plaats 1] , North Carolina, Verenigde Staten van Amerika,
advocaat: mr. T.S. Jansen te Amsterdam,
2. [appellant 1],
wonend [plaats 1] , North Carolina, Verenigde Staten van Amerika,
advocaat: mr. P.A. Josephus Jitta,
appellanten,
tevens incidenteel geïntimeerden,
tegen:
[geïntimeerde] . (voorheen genaamd [geïntimeerde] ),
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellante,
advocaat: mr. A.P. Meijboom.
1Het geding na verwijzing door de Hoge Raad
Partijen worden hierna ter ene zijde [appellant 1] en [appellant 2] genoemd en ter andere zijde [geïntimeerde] .
Bij arrest van 25 oktober 2024 heeft de Hoge Raad onder zaaknummer 23/02578 de in deze zaak door het gerechtshof Den Haag onder zaaknummer 200.296.959 gewezen arrest van 23 mei 2023 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.
[geïntimeerde] heeft de zaak vervolgens bij dit hof ingeleid met een memorie na verwijzing, met producties.
[appellant 1] heeft een antwoord memorie na verwijzing genomen, met een productie.
[appellant 2] heeft een antwoord memorie na verwijzing, tevens voorwaardelijk appel, met producties genomen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Namens [geïntimeerde] is de zaak nader toegelicht door mr. Meijboom voornoemd en mr. V. van Druenen, advocaat te Amsterdam. Namens [appellant 1] en [appellant 2] is de zaak nader toegelicht door mr. Jansen voornoemd alsmede door mrs. M.C. Hoeba en J. van Hemel, advocaten te Amsterdam, respectievelijk door mr. Josephus Jitta voornoemd en mr. J.H. Wolf, advocaat te Amsterdam, zulks aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.
Vervolgens is arrest gevraagd.
2Feiten
Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest onder 2.1 (i tot en met ix) heeft vermeld, waar nodig aangevuld met andere feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.
( i) [geïntimeerde] en [appellant 1] houden zich bezig met het leveren van producten en diensten op het gebied van identiteitsbeveiliging van e-mailadressen. [appellant 2] heeft [appellant 1] opgericht en was in ieder geval tot 7 februari 2021 bestuurder van deze rechtspersoon. Thans is hij tezamen met zijn echtgenote S.C. [appellant 2] nog steeds meerderheidsaandeelhouder in [appellant 1] .
(ii) In 2016 hebben [geïntimeerde] en [appellant 1] een overeenkomst gesloten met betrekking tot het gebruik en de distributie van door [appellant 1] ontwikkelde software. Onderdeel van de gemaakte afspraken was dat [geïntimeerde] een licentie verkreeg op deze software en zij abonnementen daarop mocht verkopen in Europa, Rusland en Afrika en dat [appellant 1] en/of [appellant 2] een optierecht verkregen op een meerderheidsbelang in [geïntimeerde] . Dit optierecht is op 13 juli 2018 door [appellant 2] uitgeoefend, waarbij tussen [appellant 2] en de oprichter/aandeelhouder van [geïntimeerde] , The Digital Xpedition Holding B.V. (hierna: TDX) een zogenoemde exit agreement is gesloten.
(iii) Vanaf medio 2018 heeft (ook) [geïntimeerde] de software verder ontwikkeld. Vanaf november 2019 is alleen nog de aldus aangepaste en uitgebreide versie van de software te verkrijgen.
(iv) Tussen partijen is een geschil ontstaan over deze aangepaste en uitgebreide versie van de software (hierna: de +software), meer in het bijzonder over het antwoord op de vraag aan wie het auteursrecht daarop toekomt.
( v) De Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 7 september 2021 een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij [geïntimeerde] over de periode 2016-2020. Dit onderzoek is in september 2022 geëindigd en daarop is door de Ondernemingskamer op 14 november 2022 een eindbeslissing genomen (ECLI:NL:GHAMS:2022:3212) die inhoudt dat [appellant 2] verantwoordelijk is voor bij [geïntimeerde] opgetreden wanbeleid erin bestaande dat hij (in zijn hoedanigheden van enerzijds bestuurder van [appellant 1] en anderzijds meerheidsaandeelhouder van [geïntimeerde] ) de belangen van [appellant 1] heeft laten prevaleren boven die van [geïntimeerde] .
(vi) Bij brief van 22 januari 2021 heeft [appellant 1] aan [geïntimeerde] bericht dat zij de samenwerking per 1 februari 2021 wenst te beëindigen en dat zij [geïntimeerde] vanaf die datum geen toegang meer verschaft tot haar systemen tenzij [geïntimeerde] , in ruil voor een licentie, haar auteursrecht op de +software aan [appellant 1] overdraagt.
(vii) Op 22 januari 2021 heeft [appellant 1] de toegang van [geïntimeerde] tot haar systemen geblokkeerd. [geïntimeerde] had daardoor geen (directe) toegang meer tot de gegevens van het overgrote deel van haar klanten.
(viii) [appellant 1] heeft niet voldaan aan sommaties om een einde te maken aan de blokkade.
(ix) [geïntimeerde] heeft vervolgens de bestanden (inclusief de software en de +software) die nodig zijn om haar bedrijf te blijven voeren op een apart platform (‘instance’) geplaatst. Deze eigen ‘instance’ is op 8 maart 2021 ‘live’ gegaan.
( x) [geïntimeerde] heeft op 29 januari 2021 een kort geding aanhangig gemaakt tegen [appellant 1] en [appellant 2] . [appellant 1] en [appellant 2] zijn in die procedure niet verschenen; tegen hen is verstek verleend.
(xi) Bij het (verbeterde) verstekvonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [geïntimeerde] in zoverre toegewezen dat:
- ( a) [appellant 1] is geboden om, bij wijze van ordemaatregel gedurende het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek, de overeenkomst na te komen en is verboden om deze gedurende die periode te beëindigen;
- ( b) [appellant 1] is geboden om de blokkade op te heffen totdat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
- ( c) [appellant 2] is veroordeeld om zich te onthouden van iedere handeling - zelf of via [appellant 1] - die de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] belemmert, totdat duidelijkheid bestaat over de inhoud en reikwijdte van de aan [geïntimeerde] verstrekte licentie en de eigendom van de IE-rechten op de software;
alles op straffe van verbeurte van dwangsommen.
(xii) [appellant 1] en [appellant 2] zijn in verzet gekomen tegen de veroordeling bij verstek. In het vonnis in verzet heeft de voorzieningenrechter het verstekvonnis ten aanzien van de hiervoor onder xi met (a) en (c) weergegeven beslissingen bekrachtigd en de met (b) weergegeven beslissing aangepast, in die zin dat aan het gebod een voorwaarde is verbonden. De door [geïntimeerde] bij wege van eisvermeerdering ingestelde vorderingen zijn afgewezen.
(xiii) Partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in verzet. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd, in de zin dat zij nu ook vordert een gebod aan [appellant 1] om de overeenkomst onverkort na te komen en een verbod om de overeenkomst te beëindigen totdat hierover in de bodemprocedure tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] bindend is beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
(xiv) Op 8 september 2021 zijn met een beroep op de exit regeling en op basis van een daartoe strekkende voorziening van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Rotterdam de aandelen in [geïntimeerde] door [appellant 2] teruggeleverd aan TDX.
(xv) Het hof Den Haag heeft het verstekvonnis en het vonnis in verzet bekrachtigd voor zover daarbij het meer of anders gevorderde is afgewezen, heeft het verstekvonnis en het vonnis in verzet voor het overige vernietigd, en heeft de vorderingen van [geïntimeerde] (geheel) afgewezen. Daarbij achtte het hof redengevend, kort samengevat, dat als gevolg van door [geïntimeerde] zelf getroffen maatregelen zij bij de door haar gevorderde voorzieningen onvoldoende spoedeisend belang had.
Het hof Den Haag heeft in zijn arrest voorts geoordeeld dat de vorderingen van [geïntimeerde] erop afstuiten dat het evenwicht in de overeenkomst als gevolg van de teruglevering van de aandelen fundamenteel is verstoord en serieuze twijfel bestaat of in een bodemprocedure wel zal kunnen worden geoordeeld dat [appellant 1] nog gehouden is om haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen. (rov. 4.4 en 4.5)
(xvi) De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Den Haag vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen.
3Beoordeling
3.1.
Dat de Nederlandse rechter (in beginsel) internationaal bevoegd is om van de zaak tussen partijen kennis te nemen is door de bodemrechter bij tussenvonnis van 14 december 2022 aangenomen (rechtbank Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2022:11082) op grond van het bepaalde in artikel 6 aanhef en sub e Rv (tav [appellant 2] ) en artikel 7 lid 1 Rv (tav [appellant 1] ). Het hof sluit zich daarbij aan en merkt voorts op dat, zoals het hof Den Haag in zijn hierna onder 3.2 genoemde arrest van 20 februari 2024 heeft overwogen, ook het bepaalde in artikel 6 aanhef en sub a Rv in deze zaak voor het aannemen van die bevoegdheid ten aanzien van [appellant 1] grondslag biedt.
De rechtbank heeft weliswaar blijkens haar tweede tussenvonnis van 20 december 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:13081) in het door [appellant 1] gedaan beroep op litispendentie aanleiding gezien om de bodemzaak aan te houden, maar dat dit beroep erin zal resulteren dat de bodemrechter zich wat het geschil met [appellant 1] betreft daadwerkelijk onbevoegd zal verklaren is vooralsnog onzeker, althans is daarover zijdens [appellant 1] niet zodanige duidelijkheid verschaft dat dit het hof aanleiding geeft om, wat de internationale bevoegdheid betreft, afstemming met de in het eerste tussenvonnis genomen beslissing achterwege te laten.
3.2.
De vraag naar het toepasselijk recht is door het hof Den Haag niet besproken. De desbetreffende rechtsoverweging is in het middel van cassatie onder 1.4 aan de orde gesteld en ligt in hoger beroep nog open. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis in verzet (rov. 4.6) overwogen dat de vordering jegens [appellant 1] is gegrond op nakoming van een tussen partijen gesloten distributieovereenkomst en dat, in het licht van de gewone verblijfplaats van [geïntimeerde] als distributeur, op grond van artikel 4 lid 1 Rome 1 Vo Nederlands recht van toepassing is. Het hof sluit zich bij de desbetreffende rechtsoverweging aan. Het hof acht voldoende aannemelijk dat, zoals ook het hof Den Haag in zijn arrest van 20 februari 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:312) tussen (onder meer) [geïntimeerde] en [appellant 1] heeft aangenomen, de rechtsverhouding van partijen als distributierelatie moet worden gekwalificeerd, Dat, zoals zijdens [appellant 1] wordt betoogd, partijen een rechtskeuze voor het Amerikaans recht zijn overeengekomen is voorshands onvoldoende aannemelijk.
Ook wat de vordering jegens [appellant 2] betreft sluit het hof zich aan bij hetgeen de voorzieningenrechter met betrekking tot het toepasselijk recht heeft overwogen (rov. 4.5). Aangenomen moet worden dat de schade zich met name in Nederland voordoet waar het bedrijf van [geïntimeerde] gevestigd is. Het hof wijst voorts op hetgeen de bodemrechter in het tweede tussenvonnis (rov. 4.13) met betrekking tot de handelwijze van [appellant 2] heeft overwogen, waarbij van de toepasselijkheid van het Nederlands recht wordt uitgegaan.
3.3.
In hun respectieve memories van grieven zijn door [appellant 1] en [appellant 2] geen grieven aangevoerd waarin op voldoende duidelijke wijze wordt betoogd dat in eerste aanleg het spoedeisend belang bij de door [geïntimeerde] gevorderde voorzieningen ontbrak. Dat [appellant 1] in haar memorie van antwoord in incidenteel appel heeft aangevoerd dat aan het vereiste van spoedeisendheid niet is voldaan valt niet aan te merken als een zodanige grief en dit verweer is, mede gelet op de twee conclusieregel, ook tardief voorgesteld. Dit geldt ook voor de door [appellant 2] bij memorie van antwoord na verwijzing voorgestelde (voorwaardelijke) grief 0.
Mede gelet op de inhoud van het in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2024 zal derhalve van de aanwezigheid spoedeisend belang bij de in eerste aanleg gevorderde voorzieningen worden uitgegaan.
3.4.
Dat een zodanig spoedeisend belang inderdaad aanwezig was ten tijde van het op 1 februari 2021 gewezen verstekvonnis ligt ook voor de hand. Voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] de toegang van [geïntimeerde] tot haar systemen op 22 januari 2021 (opnieuw)
had geblokkeerd en [geïntimeerde] daardoor geen (adequate) toegang meer had tot de ondersteunende platforms en daarop opgeslagen gegevens waaronder e-mailberichten en agenda’s en dat kort daarop ook haar toegang tot de klantgegevens op het zogenoemde Saas-platform is geblokkeerd. Dat [geïntimeerde] daarmee in de dienstverlening jegens haar klanten en bedrijfsvoering ernstig werd belemmerd ligt in de rede. Dat genoemde gevolgen van de blokkade(s) ten tijde van het vonnis in verzet door eigen toedoen van [geïntimeerde] op adequate wijze waren verholpen wordt door deze laatste gemotiveerd betwist en is niet zodanig aannemelijk dat dit de gevolgtrekking rechtvaardigt dat er ten tijde van de beslissing op het verzet (of reeds voordien) grond was om de bij verstek toegewezen voorzieningen wat de achterliggende periode betreft in tijdsduur te beperken dan wel wegens het verder ontbreken van het vereiste spoedeisend belang wat de na het vonnis in verzet gelegen periode betreft niet in stand te laten. Niet valt in te zien dat de uitkomst van de cassatieprocedure, althans de wijze waarop deze is ingezet, tot deze laatste gevolgtrekking leidt: het hof wijst in dit verband op het slot van alinea 1.3 van het cassatiemiddel alsmede naar het arrest van de Hoge Raad rov. 3.5 slot en rov. 3.6.
3.5.1.
Voldoende aannemelijk is dat het niet nakomen door [appellant 1] van de door haar met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst gedurende ten minste de periode dat het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek plaatsvond en het beletten door [appellant 1] van de toegang van [geïntimeerde] tot haar systemen, in de gegeven omstandigheden jegens [geïntimeerde] wanprestatie opleverde en dat in de blokkades, gelet op zijn betrokkenheid daarbij, tevens een door [appellant 2] jegens [geïntimeerde] persoonlijk gepleegde onrechtmatige daad was gelegen.
Het hof verwijst in dit verband naar het reeds genoemde uitvoerig gemotiveerde tweede tussenvonnis van de rechtbank te Rotterdam in de bodemzaak, waarin deze, onder verwijzing naar onder meer het verslag van de door de Ondernemingskamer aangestelde onderzoeker, tot de conclusie komt dat de drie opvolgende blokkades jegens [geïntimeerde] onrechtmatig waren (rov. 4.11). Voorts verwijst het hof naar het reeds genoemde arrest (in kort geding) tussen onder meer [geïntimeerde] en [appellant 1] van 20 februari 2024 waarin in rov. 5.14 tot en met 5.17 uitvoerig aandacht is besteed aan het karakter van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de opzegbaarheid daarvan, waarbij het hof onder meer overweegt dat in geval van beëindiging van de relatie (in ieder geval) een redelijke termijn in acht moet worden genomen. Hoewel aan dit arrest geen gezag van gewijsde toekomt acht het dit hof de desbetreffende overwegingen overtuigend en daarmee niet zonder betekenis voor het onderhavige geding.
3.5.2.
Weliswaar is de bodemzaak tegen [appellant 1] door de rechtbank aangehouden en heeft de motivering met name betrekking op de zaak tegen [appellant 2] , doch uit de desbetreffende overwegingen van de rechtbank valt niet anders te concluderen dan dat [appellant 1] haar contractuele verplichtingen jegens [geïntimeerde] schond door in de gegeven omstandigheden met inachtneming van een termijn van een week de overeenkomst te beëindigen en [geïntimeerde] niet langer tot haar systemen toe te laten.
Op grond van het feitenmateriaal is voldoende aannemelijk dat partijen een als langdurige duurovereenkomst aan te merken relatie zijn aangegaan. In het licht daarvan waren het door de voorzieningenrechter in het verstekvonnis onder 3.2 toegewezen gebod tot nakoming en verbod tot beëindiging van de relatie gerechtvaardigd te achten en gaat het hof er voorshands van uit dat de hierboven onder 3.5.1 bedoelde redelijke termijn daarmee niet werd overschreden. Anders dan [appellant 1] en [appellant 2] bepleiten biedt het geschil tussen partijen over, kort samengevat, het auteursrecht op de +software voorshands onvoldoende aanleiding om hier anders over te oordelen.
3.5.3.
Daarnaast volgt uit de overwegingen van de rechtbank dat [appellant 2] door zijn bijdrage aan de blokkades persoonlijk onrechtmatig handelde jegens [geïntimeerde] . Dat de ondertekening door [appellant 2] van een verklaring op 9 februari 2021 dat hij terugtrad als CEO, President, CFO en Treasurer van [appellant 1] meebracht dat er vanaf dat moment geen grond meer was voor de jegens hem in het verstekvonnis onder 3.5 uitgesproken veroordeling is door hem onvoldoende feitelijk toegelicht. Ook zijn stelling dat het beleid in [appellant 1] reeds voordien geheel werd bepaald door een Board of Directors, waarvan [appellant 2] zelf geen deel uitmaakte (zoals [appellant 2] bij memorie van antwoord na verwijzing aanvoert) vindt geen (behoorlijke) steun in enig feitenmateriaal.
Voldoende aannemelijk is dan ook dat [appellant 2] steeds invloed had op de gang van zaken in de bedrijfsvoering van [appellant 1] en dat hij het beleid in de onderneming waarvan hij oprichter en medeaandeelhouder was in ieder geval feitelijk mede bepaalde. Aangenomen moet worden dat er derhalve ook na 9 februari 2021 gegronde vrees was voor belemmering van de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] door zijn toedoen. Het hof verwijst naar hetgeen in het vonnis in verzet daaromtrent onder 4.12 is overwogen en sluit zich daarbij aan.
3.5.4.
Het voorgaande brengt mee dat voor de door [geïntimeerde] jegens [appellant 1] en [appellant 2] gevorderde en in het verstekvonnis toegewezen voorzieningen in inhoudelijk opzicht voldoende (rechts)grond aanwezig was en het beroep van [appellant 1] en [appellant 2] op het ontbreken daarvan faalt.
3.6.
Mede gelet op het in deze zaak en in de bodemzaak gevoerde debat moet voor [appellant 2] voldoende duidelijk zijn wat onder het niet belemmeren van de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] moet worden verstaan. Zijn verweer dat dit begrip te vaag zou zijn wordt verworpen.
3.7.
In het vonnis in verzet heeft de voorzieningenrechter de in het verstekvonnis onder 3.3 jegens [appellant 1] toegewezen voorziening in die zin gewijzigd dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat [geïntimeerde] vanaf 1 juni 2021 maandelijks 20% van de inkomsten uit de verkoop van de software aan [appellant 1] afdraagt en het verstekvonnis in zoverre vernietigd. Tegen deze beslissing is de tweede grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel gericht. De grief slaagt. Het feitenmateriaal biedt voldoende grond voor de gevolgtrekking dat, zoals [geïntimeerde] onder verwijzing naar haar productie 48 betoogt, door partijen de afspraak is gemaakt dat de tegenprestatie voor aan [geïntimeerde] verschafte toegang tot de systemen van [appellant 1] bestond uit het aan [appellant 1] en [appellant 2] verstrekte optierecht om een meerderheidsbelang in [geïntimeerde] te verwerven en dat er geen afspraken zijn gemaakt die inhielden dat door deze laatste daarnaast een vergoeding/afdracht diende te worden betaald. [geïntimeerde] heeft in dit verband aangevoerd en door [appellant 1] is niet gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] voor het recht om [appellant 1] software in het aangewezen territoir te distribueren ook nimmer een vergoeding aan [appellant 1] heeft betaald en [appellant 1] tot in de brief van 22 januari 2021 daarop ook nooit aanspraak heeft gemaakt. Vast staat dat op basis van dit optierecht door [appellant 2] aandelen in [geïntimeerde] zijn verkregen.
Gelet hierop was er onvoldoende grond voor het amenderen van de oorspronkelijke voorziening door het opnemen van de genoemde voorwaarde en kan het vonnis in verzet in zoverre niet in stand blijven.
3.8.
Geen cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel van het hof Den Haag dat ten tijde van het arrest van dat hof (23 mei 2023) geen spoedeisend belang bij de in eerste aanleg toegewezen voorzieningen meer bestond. Reeds gelet op hetgeen in het arrest van de Hoge Raad onder 3.3 tot 3.4 is overwogen kunnen deze voorzieningen, zoals [geïntimeerde] in haar memorie na verwijzing (onder 4.1) toegeeft, vanaf de datum van de uitspraak van het hof Den Haag niet in stand blijven. Dit hof ziet echter aanleiding om dit tijdstip naar 8 september 2021 te vervroegen, zijnde het tijdstip waarop de aandelen in [geïntimeerde] door [appellant 2] aan TDX zijn (terug)geleverd. Het hof Den Haag heeft in dit verband geoordeeld dat gelet op de in rov. 4.5 van zijn arrest genoemde omstandigheden er aanleiding is om er rekening mee te houden dat het evenwicht in de overeenkomst door die teruglevering fundamenteel verstoord is en daarmee aan serieuze twijfel onderhevig is of in de bodemprocedure wel zal worden geoordeeld dat [appellant 1] gehouden is om haar verplichtingen uit de overeenkomst (nog) na te komen. Dit hof sluit zich bij dit (in cassatie niet bestreden) oordeel aan en zal de in het verstekvonnis toegewezen voorzieningen slechts in stand laten tot 8 september 2021. Voor een nadere voorziening als bij memorie na verwijzing bij wege van vermeerdering van eis door [geïntimeerde] gevorderd is derhalve reeds hierom geen plaats.
3.9.
[geïntimeerde] heeft in haar memorie na verwijzing wederom de door haar in hoger beroep gevorderde veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] tot betaling van dwangsommen aan de orde gesteld, ook voor zover deze door [appellant 1] zouden zijn verbeurd op grond van de dwangsomveroordeling bij arrest van het hof Den Haag van 20 februari 2024 in een ander kort geding (zie hiervoor onder 3.2 en 3.5.1). [geïntimeerde] ziet daarbij echter over het hoofd dat de vraag of dwangsommen zijn verbeurd dient te worden voorgelegd aan de rechter die krachtens artikel 438 Rv bevoegd is om van een daartoe strekkend executiegeschil kennis te nemen en de hoogte van de verbeurde dwangsommen vast te stellen. Blijkens het bepaalde in artikel 438 Rv is dit in geen van de hierbedoelde gevallen het hof Amsterdam, rechtdoende in kort geding. Het hof wijst in dit verband ook op hetgeen de Hoge Raad aan het slot van rov. 3.4 heeft opgemerkt.
3.10.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de in het (verbeterde) verstekvonnis uitgesproken veroordelingen in stand dienen te worden gelaten met dien verstande dat de daarin getroffen voorzieningen slechts tot 8 september 2021 van kracht blijven. Het vonnis in verzet kan niet in stand blijven, voor zover daarbij onder 5.1 het verstekvonnis is vernietigd en onder 5.2 het gebod aan [appellant 1] van een voorwaarde is voorzien. Voorts is in het vonnis in verzet niet duidelijk gemotiveerd waarom de voorzieningenrechter aanleiding heeft gezien de veroordeling jegens [appellant 2] in het vonnis in verzet opnieuw uit te spreken onder oplegging van (gelijke) dwangsom, terwijl het verstekvonnis daarin wat betreft onderdeel 5.2 van het dictum wordt bekrachtigd en over eventueel op grond van overtreding daarvan verbeurde dwangsommen geen uitspraak wordt gedaan. Het hof ziet onvoldoende grond voor een dergelijke dubbele veroordeling, ook op dit punt kan het vonnis in verzet niet in stand blijven. Het hof ziet hierin aanleiding om het vonnis in verzet geheel te vernietigen en op het verzet te beslissen als hierna te doen, waarbij gelet op de uitkomst de kosten van de verzetprocedure zullen worden gecompenseerd. Ten slotte zullen ook de kosten van het hoger beroep, gelet op de uitkomst daarvan, worden gecompenseerd.
4Beslissing
Het hof:
- vernietigt het tussen partijen in verzet gewezen vonnis van de voorzieningenrechter te Rotterdam van 31 mei 2021 en opnieuw rechtdoende;
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 1 februari 2021 zoals verbeterd bij herstelvonnis van 2 februari 2021, met dien verstande dat de gelding van de daarin onder 3.2, 3.3 en 3.5 uitgesproken veroordelingen in tijdsduur wordt beperkt tot 8 september 2021;
- compenseert de kosten van de verzetprocedure in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
- compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, D. Kingma en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 augustus 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|