Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2638 
 
Datum uitspraak:08-09-2026
Datum gepubliceerd:16-09-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.353.132
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Burenrecht. De manier waarop de woningen van partijen aan elkaar zijn gebouwd leidt tot een veelheid aan problemen. Vorderingen over en weer met betrekking tot onder andere mandeligheid, ladderrecht en hinder. Partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Wetsartikelen; 5:37 BW, 5:50 BW, 5:54 BW, 5:56 BW, 5:62 BW, 6:174 BW.
Trefwoorden:belastingrecht
perceel
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)

zaaknummer : 200.353.132/01

zaak rechtbank Noord-Holland : C/15/329690 / HA ZA 22-404


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026


in de zaak van




1 [appellant 1] ,

2. [appellant 2] ,

beiden wonend in [plaats] ,
appellanten,
incidenteel geïntimeerden,
advocaat: mr. B.J. Meruma te Amsterdam,

tegen




1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

beiden wonend in [plaats] ,
geïntimeerden,
incidenteel appellanten,
advocaat: mr. R. Odink te Heerlen.


Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.





1De zaak in het kort

Partijen zijn buren van elkaar. De manier waarop hun woningen aan elkaar zijn gebouwd, leidt tot een veelheid aan problemen. Het hof komt tot een gedeeltelijk ander oordeel dan de rechtbank en geeft partijen over en weer op onderdelen gelijk, met compensatie van de proceskosten.





2Het geding in hoger beroep


[appellanten] zijn bij dagvaarding van 11 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 december 2024, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie en verweerders in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en houdende vermeerdering/verbetering van eis, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens houdende reactie op de gewijzigde eis;
- akte zijdens [geïntimeerden] , met producties;
- akte zijdens [appellanten]

Ten slotte is arrest gevraagd.





3Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten in deze zaak vastgesteld. Met de grieven I en II in incidenteel hoger beroep wijzen [geïntimeerden] op enige fouten in die feitenvaststelling. [appellanten] hebben deze correcties niet bestreden. Aldus gecorrigeerd en aangevuld met andere onomstreden feiten zijn de vaststaande feiten samengevat de volgende.

a. [appellanten] zijn eigenaar van een woning met grond aan [straat] [nummer] in [plaats] .

b. [geïntimeerden] zijn eigenaar van een woning met grond aan [straat] [nummer] in [plaats] .

c. De woning met nummer [nummer] was de oorspronkelijke woning. De toenmalige eigenaresse, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), heeft in 1973 de woning uitgebouwd met een kantoor. In 1982 zijn het perceel en de bebouwing gesplitst in twee woningen met grond met huisnummers [nummer] en [nummer] . Tussen de woningen ligt een bij [nummer] behorende patio. Na de patio vormt een gedeelte van de, vanaf de straat gezien, rechterzijmuur van [nummer] tevens de linkerzijmuur van een berging, die eveneens behoort bij [nummer] .

d. In 1998 heeft [naam 1] het perceel met huisnummer [nummer] verkocht aan haar zoon, [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Omstreeks deze tijd heeft [naam 2] deze woning verbouwd door er een verdieping op te zetten, een dakterras te maken, dat grenst aan de huiskamer en op eigen terrein, maar tegen de achtergevel van nummer [nummer] aan, een buitentrap te bouwen, die vanuit de achtertuin toegang geeft tot het dakterras.

e. In 2008 heeft [naam 1] het perceel met huisnummer [nummer] verkocht. Die nieuwe eigenaren hebben het in 2016 aan [appellanten] verkocht.

f. Eveneens in 2008 heeft [naam 2] het perceel met huisnummer [nummer] verkocht aan [geïntimeerden]

g. In 2022 heeft het Kadaster de erfgrens tussen de percelen van partijen gereconstrueerd.

h. De rechtbank Noord-Holland heeft op verzoek van [geïntimeerden] een deskundige benoemd om een voorlopig deskundigenbericht uit te brengen over schade aan de woning van [geïntimeerden] , die volgens hen is veroorzaakt door [appellanten] Het rapport is op 23 oktober 2023 uitgebracht.





4Procedure bij de rechtbank


4.1

[appellanten] hebben samengevat in conventie bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I.A. voor recht te verklaren dat de scheidingsmuur vanaf de patio tot de achtergevel niet mandelig is, maar het exclusieve eigendom is van [appellanten] ;
I.B: althans, als die muur mandelig is, [geïntimeerden] te verbieden die muur te gebruiken op een wijze die schade veroorzaakt en [geïntimeerden] te veroordelen tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden op eigen kosten en tot betaling van een schadevergoeding wegens schade aan de mandelige muur;
II. voor recht te verklaren dat de huidige locatie van de trap onnodig inbreuk maakt op de privacy van [appellanten] en voor onrechtmatige overlast zorgt en [geïntimeerden] te veroordelen tot verplaatsing en verwijdering daarvan;
III. voor recht te verklaren dat de schutting van [geïntimeerden] voor schade heeft gezorgd en [geïntimeerden] te veroordelen tot verwijdering daarvan;
IV. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] met een vuurkorf, groenbak, waterbak, bloembak en terraslicht voor onrechtmatige overlast zorgt en [geïntimeerden] te veroordelen tot verwijdering van die zaken en het beëindigen van de hinder;
V. [geïntimeerden] te veroordelen tot mee te werken aan het vastleggen van zodanige erfdienstbaarheden dat partijen zonder elkaar onnodige hinder te bezorgen gebruik kunnen maken van hun woningen en de wederzijdse rechten en plichten duidelijk zijn;
VI. [geïntimeerden] te veroordelen tot inschrijving van die erfdienstbaarheden in de registers;
VII. [geïntimeerden] te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van zaken op of aan de muren van [appellanten] ;
VIII. [geïntimeerden] te veroordelen tot het verlenen van toegang tot hun perceel aan [appellanten] voor het verrichten van gewoon onderhoud;
IX. een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag;
X. en voorwaardelijk, als de rechtbank de muur mandelig oordeelt: [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van € 1.158,90, zijnde de helft van de door [appellanten] gemaakte kosten voor mandelige zaken.



4.2
In reconventie hebben [geïntimeerden] bij de rechtbank samengevat gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat de muur die de woningen van partijen scheidt over de volle lengte mandelig is;
II. voor recht te verklaren dat het badkamerraam en het raam in de patio van [appellanten] strijdig zijn met artikel 5:50 BW en [appellanten] te veroordelen die binnen acht weken daarmee in overeenstemming te brengen door ze vast te zetten en te voorzien van melkglas, althans
voor recht te verklaren dat [appellanten] met die ramen een onrechtmatige inbreuk maken op de privacy van [geïntimeerden] en [appellanten] te veroordelen die ramen binnen acht weken vast te zetten en van melkglas te voorzien,
steeds op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag;
III. voor recht te verklaren dat [appellanten] aansprakelijk zijn voor de schade die [geïntimeerden] hebben geleden aan hun bergingsmuur ten bedrage van € 2.000,= en deze schade aan [geïntimeerden] dienen te vergoeden.



4.3
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat de scheidingsmuur tot de patio mandelig is en vanaf de patio het exclusieve eigendom van [appellanten] is. De vordering van [appellanten] onder I.A. is daarom toegewezen en de vordering van [geïntimeerden] onder I afgewezen. Verder heeft de rechtbank in conventie geoordeeld dat de situatie met de trap, de vuurkorf, de groenbak, de waterbak, de bloembak en het terraslicht niet onrechtmatig is en de daarop betrekking hebbende vorderingen II en IV van [appellanten] afgewezen. De aanwezigheid van de schutting op de scheidingsmuur heeft de rechtbank wel onrechtmatig geoordeeld, zodat vordering III van [appellanten] is toegewezen. De vorderingen V en VI van [appellanten] zijn als te vaag afgewezen, evenals vordering VII. Vordering VIII inzake het ladderrecht is afgewezen omdat [appellanten] niet voldoende concreet hadden gesteld dat [geïntimeerden] zich niet houden aan hun wettelijke plicht op grond van artikel 5: [nummer] BW. Aan vordering X in conventie is de rechtbank niet toegekomen.
In reconventie heeft de rechtbank het badkamerraam en het raam in de patio van [appellanten] niet onrechtmatig geoordeeld, zodat vordering II van [geïntimeerden] is afgewezen. Vordering III van [geïntimeerden] is afgewezen, omdat [geïntimeerden] onvoldoende hadden gesteld en onderbouwd dat [appellanten] schade hebben toegebracht aan hun eigendom en/of dat de herstelkosten € 2.000,= zijn.

[geïntimeerden] zijn in de kosten van het geding in conventie en reconventie veroordeeld.






5Vordering in hoger beroep


5.1

[appellanten] vordert dat het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover daarbij hun vorderingen zijn afgewezen en dat alsnog, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht wordt verklaard dat de huidige locatie van de trap een onnodige inbreuk maakt op de privacy van [appellanten] en voor onrechtmatige overlast zorgt en derhalve vast te stellen dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de belangen van [appellanten] , met veroordeling van [geïntimeerden] tot verplaatsing dan wel verwijdering van de trap op zodanige wijze dat niet langer meer sprake zal zijn van onnodige inbreuken op de rechten van [appellanten] ;
2. voor recht wordt verklaard dat de huidige locatie van de trap een onnodige inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [appellanten] , met veroordeling van [geïntimeerden] tot verplaatsing dan wel verwijdering van de trap op zodanige wijze dat deze op geen enkele wijze is bevestigd aan, tegen of in de (buiten)gevels van [appellanten] ;
3. [geïntimeerden] wordt veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden en wordt verboden om zaken te bevestigen aan, tegen of in de buitengevels van [appellanten] en wordt geboden reeds geplaatste zaken binnen veertien dagen na betekening van dit arrest te verwijderen en verwijderd te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,= per dag of dagdeel dat [geïntimeerden] hiermee in gebreke blijven met een maximum van € 50.000,=;
4. [geïntimeerden] op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag met een maximum van € 50.000,= wordt veroordeeld tot het verlenen van toegang aan [appellanten] tot het perceel van [geïntimeerden] teneinde [appellanten] in de gelegenheid te stellen om normaal onderhoud, dan wel werkzaamheden uit te voeren vanaf hun perceel, waarbij wordt bepaald dat [appellanten] ten aanzien van de halfjaarlijkse inspectie ten minste drie weken van tevoren per e-mail een schriftelijk verzoek zal indienen met daarin drie mogelijke data en dat [appellanten] ten aanzien van het lappen van de ramen ten minste drie dagen van tevoren per e-mail een schriftelijk verzoek zal indienen;
5. wordt bepaald dat [geïntimeerden] verantwoordelijk zijn voor het deugdelijk onderhoud van hun dak voor zover dit oversteekt op het perceel van [appellanten] ,
alles met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de procedure.



5.2

[geïntimeerden] heeft de vorderingen van [appellanten] bestreden en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis, voor zover door [appellanten] bestreden, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief de nakosten en met rente.
In incidenteel hoger beroep hebben [geïntimeerden] gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen voor zover daarbij de reconventionele vorderingen van [geïntimeerden] zijn afgewezen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, die vorderingen toe te wijzen en [appellanten] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief de kosten van het deskundigenbericht en inclusief de nakosten en met rente. Bij wege van eisvermeerdering hebben Ploch subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat de muur niet mandelig is, gevorderd te verklaren voor recht dat de door [naam 2] gerealiseerde overschrijding van de erfgrens, bestaande in de bevestiging van de trap aan de muur, van het dakterras op de muur en van de zaken bevestigd in de bergingsmuur, onder de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig is in de zin van artikel 5:54 lid 1 BW, althans dat afbraak daarvan niet kan worden gevorderd en te bepalen dat [appellanten] gehouden zijn de bestaande toestand te dulden, tegen betaling van een door het hof vast te stellen schadevergoeding.



5.3

[appellanten] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover door [geïntimeerden] bestreden en afwijzing van de nieuwe subsidiaire vordering, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incidentele hoger beroep.






6Beoordeling


6.1

[appellanten] hebben drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Deze hebben betrekking op de vordering tot verwijdering/verplaatsing van de buitentrap en op de vordering tot verwijdering van zaken aan de buitengevels van [appellanten] [geïntimeerden] hebben zes grieven tegen het vonnis aangevoerd. Daarvan hebben de eerste twee betrekking op de feitenvaststelling (hiervoor al behandeld) en de derde op een onjuiste beschrijving van de feitelijke situatie onder de beoordeling, die hiervoor onder 3.c. reeds is gecorrigeerd. De overige grieven betreffen de vraag of de scheidingsmuur vanaf de patio mandelig is.


De mandeligheid van de scheidingsmuur en de daarmee samenhangende vorderingen




6.2

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg verklaringen overgelegd van [naam 1] en [naam 2] , inhoudend dat naar hun mening de scheidingsmuur voor en na de patio mandelig is. Met grief IV in incidenteel hoger beroep voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de verklaring van de echtgenoot van [naam 1] afkomstig zou zijn. De rechtbank heeft dat echter niet overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de verklaringen blijkt dat het ten tijde van de splitsing de bedoeling was van [naam 1] en haar echtgenoot (de vader van [naam 2] ) om de muur mandelig te doen zijn. Voor het oordeel van het hof over de mandeligheid is die verklaring echter hoe dan ook niet relevant.



6.3
De rechtbank heeft overwogen dat artikel 5:62 lid 2 BW bepaalt dat de scheidingsmuur die twee gebouwen of werken die aan verschillende eigenaars toebehoren, gemeen hebben, gemeenschappelijk eigendom en mandelig zijn, maar dat die situatie zich in dit geval niet voordoet, omdat ter zitting is gebleken dat de berging niet meer is dan een soort afdekking van een brandgang, gecreëerd door muurtjes tussen de bestaande muren te zetten. Tegen dit oordeel richt zich grief V in incidenteel hoger beroep. [geïntimeerden] betwisten dat de berging slechts een afgedichte brandgang is. Zij wijzen erop dat de berging vier muren heeft, een plafond, deuren en een plavuizen vloer. Bij hun laatste akte hebben zij een verklaring overgelegd van [naam 2] , met daaraan gehecht bouwtekeningen uit 1973 en 1982 die waren gevoegd bij de aanvragen van bouwvergunningen in die jaren (voor uitbouw respectievelijk splitsing). Uit die tekeningen blijkt dat in 1973 de ruimte waar thans de berging is gevestigd, in gebruik werd genomen als hal met daarin de toegang naar het kantoor en dat in 1982 diezelfde ruimte, na verplaatsing van de voorwand, in gebruik werd genomen als berging.



6.4

[appellanten] hebben in hun antwoordakte aangevoerd dat het feit dat de ingang van de berging is verplaatst door het optrekken van een nieuw wandje, juist bevestigt dat de berging een met kunststof wandjes afgedichte brandgang is. Zij verwijzen hierbij naar een foto in het deskundigenbericht waarop het nieuwe wandje te zien is. Verder hebben zij aangevoerd dat de muur geheel op hun perceel staat en dat in 1973 en in 1982 beide delen van het gebouw dezelfde eigenaar hadden, zodat de scheidingsmuur niet mandelig kon zijn.



6.5
Met de overgelegde bouwtekeningen hebben [geïntimeerden] naar het oordeel van het hof overtuigend aangetoond dat de berging wel degelijk meer is dan een overdekte brandgang en al sinds 1973 functioneert als een relevant en eigenstandig onderdeel van het gebouwgedeelte dat thans nummer [nummer] is. De plavuizen op de vloer van de (thans:) berging wijzen daar ook op. De omstandigheid dat de voorwand in 1982 is verplaatst doet aan het voorgaande niet af. Op grond van het bepaalde in artikel 5:62 lid 2 BW is de scheidingsmuur vanaf de patio derhalve mandelig geworden, toen nummer [nummer] in 1998 los van nummer [nummer] werd verkocht, ook al staat de scheidingsmuur geheel op het perceel van [appellanten]



6.6
Grief V in incidenteel hoger beroep slaagt en de vordering van [geïntimeerden] tot verklaring voor recht (hiervoor genoemd onder 4.2 sub I en in hoger beroep gehandhaafd) is toewijsbaar, voor zover die betreft het muurgedeelte vanaf de patio. Als [geïntimeerden] hebben beoogd hun beroep op mandeligheid door verjaring, dat is te vinden in grief VI in incidenteel beroep, ook te doen slaan op het muurgedeelte langs de patio, faalt dat betoog, omdat het hof niet is gebleken dat ook maar één van de handelingen waaruit volgens [geïntimeerden] het langjarige bezit van de opvolgende eigenaren van nummer [nummer] zou moeten blijken, betrekking heeft op dat muurgedeelte.



6.7
De mandeligheid van het muurgedeelte vanaf de patio heeft tot gevolg dat de vordering van [appellanten] tot verwijdering van zaken van hun buitengevels met betrekking tot dit muurgedeelte niet toewijsbaar is. In de toelichting op hun grief 3 in principaal hoger beroep hebben [appellanten] namelijk uiteengezet dat het hun hier met name gaat om het dakterras van [geïntimeerden] , dat rust op en is ingebalkt in de scheidingsmuur, en op de verf op de muur van de berging en de haken daarin. De vordering tot verwijdering van deze zaken is echter gebaseerd op de stelling dat de muur vanaf de patio het exclusieve eigendom van [appellanten] is en die stelling is hiervoor onjuist gebleken. Aan de subsidiaire vordering van [geïntimeerden] op grond van artikel 5:54 BW komt het hof met betrekking tot deze zaken dus niet toe.



6.8
Voor het - zich thans voordoende - geval zou worden geoordeeld dat de scheidingsmuur vanaf de patio mandelig is, hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,= vanwege boorgaten die bij het isoleren van de spouw door [appellanten] zijn aangebracht. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. In hoger beroep hebben [geïntimeerden] al hun reconventionele vorderingen gehandhaafd, maar tegen de zelfstandig dragende motivering dat zij niet hebben onderbouwd dat de schade € 2.000,= is, hebben zij niets aangevoerd. Ook het hof wijst deze vordering daarom af.


6.9.1
Eveneens voor het geval zou worden geoordeeld dat de scheidingsmuur vanaf de patio mandelig is, hebben [appellanten] gevorderd dat het [geïntimeerden] wordt verboden de muur te gebruiken op een wijze die tot schade leidt en dat [geïntimeerden] worden veroordeeld tot betaling van € 3.599,75, zijnde de helft van de door [appellanten] betaalde herstelkosten. Daarnaast hebben zij onder dezelfde voorwaarde gevorderd dat [geïntimeerden] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.158,90, zijnde de helft van de door [appellanten] gemaakte kosten voor mandelige zaken.



6.9.2
Het gevorderde verbod is niet toewijsbaar. Het rapport van Top Expertise van 3 augustus 2020 noemt de wijze waarop de balustrade van het dakterras van nummer [nummer] is aangebracht als (mogelijk) oorzaak van lekkage bij [appellanten] Dit is echter een situatie die in 1998 door [naam 2] in het leven is geroepen en dus niet door [geïntimeerden] en die inmiddels is verholpen. Daarop kan dus nu niet een algemeen verbod aan [geïntimeerden] worden gebaseerd. Dat [geïntimeerden] afgezien daarvan de muur op schadetoebrengende wijze hebben gebruikt is het hof niet gebleken. Uit het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige leidt het hof af dat deze de vochtigheid van de muur ter plaatse van de berging beschouwt als een probleem voor [geïntimeerden] en niet als een gevaar voor de muur zelf. Voor een algemeen verbod aan [geïntimeerden] ziet het hof onder deze omstandigheden geen aanleiding.



6.9.3
Het gevorderde bedrag van € 3.599,75 ziet op de kosten van het herstel van bovengenoemde lekkage. [geïntimeerden] hebben betwist dat de wijze waarop hun balustrade is gebouwd de oorzaak was van de door [appellanten] ondervonden lekkage. Zij betogen dat uit het rapport van Top Expertise die veroorzaking ook niet klip en klaar blijkt en dat een en ander had kunnen worden vastgesteld bij gelegenheid van de door [appellanten] verrichte verbouwing aan het dak, wat echter niet is gebeurd. Nu [geïntimeerden] aldus gemotiveerd hebben betwist dat de lekkage de door [appellanten] gestelde oorzaak had en [appellanten] dat niet hebben bewezen of te bewijzen aangeboden, is de vordering tot betaling van de helft van de herstelkosten niet toewijsbaar.



6.9.4
Het gevorderde bedrag van € 1.158,90 heeft betrekking op een badkamerraam en een patioraam en op het isoleren van de spouw. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom [geïntimeerden] zouden moeten meebetalen aan werkzaamheden aan een badkamerraam, nu de badkamer blijkens de overgelegde tekeningen, geen raam heeft in het mandelige deel van de muur. Hetzelfde geldt voor het patioraam. Wat betreft het isoleren van de spouw geldt dat [appellanten] niet duidelijk hebben gemaakt waarom deze vernieuwing noodzakelijk was. Aannemelijk is dat [appellanten] bij deze keuze het eigen wooncomfort op het oog hadden. Voor het aanspreken van [geïntimeerden] voor een bijdrage biedt 5:65 BW dan geen basis.


De onrechtmatigheid van de aanwezigheid van de buitentrap





6.10
Met de grieven 1 en 2 in principaal hoger beroep komen [appellanten] op tegen de afwijzing van hun vordering tot verwijdering van de buitentrap. Grief 1 houdt in dat de aanwezigheid van de trap in strijd is met het eigendomsrecht van [appellanten] en met het burenrecht (artikel 5:50 BW). Grief 2 houdt in dat [geïntimeerden] door het specifieke gebruik dat zij van de trap maken, onrechtmatige hinder toebrengen aan [appellanten]



6.11

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [appellanten] met de aanpassing in hoger beroep van hun vordering met betrekking tot de buitentrap een ontoelaatbare nieuwe rechtsstrijd aangaan. Dit betoog wordt verworpen. In hoger beroep mag een partij haar vorderingen en de gronden daarvan in beginsel wijzigen en de beperkte aanpassing van de vordering met betrekking tot de buitentrap geeft geen aanleiding daarover in dit geval anders te denken.



6.12
Zoals onder de feiten reeds is vermeld, is de buitentrap aangebouwd tegen de achtergevel van de woning van [appellanten] , dus niet tegen het mandelige gedeelte van de scheidingsmuur. De achtergevel is exclusief eigendom van [appellanten] Uit het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige (bladzijde 17) blijkt dat de trap met bouten aan de muur is bevestigd en dat in het buitenspouwblad van de muur een metalen profiel is opgenomen. Dit gebruik van andermans muur is zonder toestemming niet toegestaan. Uit de door [geïntimeerden] in eerste aanleg overgelegde verklaringen van [naam 1] en [naam 2] blijkt dat [naam 1] heeft ingestemd met de wijze waarop [naam 2] de trap heeft gebouwd. Die toestemming heeft echter, nu die niet in de openbare registers is ingeschreven, geen werking tegenover de rechtsopvolgers van [naam 1] .



6.13
Daarbij komt het volgende. [geïntimeerden] hebben geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de aanwezigheid van het badkamerraam niet onrechtmatig is. Het hof dient daarvan dus uit te gaan. Dat zo zijnde staat het bepaalde in artikel 5:50 BW eraan in de weg dat de buitentrap van [geïntimeerden] zo vlak langs het badkamerraam van [appellanten] loopt.



6.14
Bij de vraag of de vordering tot verwijdering van de trap op grond van het voorgaande toewijsbaar is, komt het aan op een weging van de belangen over en weer. Wat betreft de belangen van [geïntimeerden] geldt dat de mogelijkheid om via de trap het dakterras te bereiken vanuit de tuin voor [geïntimeerden] weliswaar nuttig is, zeker als voorwerpen van en naar het dakterras moeten worden gebracht, maar niet onontbeerlijk. Het dakterras is immers ook bereikbaar vanuit de huiskamer. De stelling dat een familielid dat slecht ter been is, de buitentrap gebruikt om in de huiskamer te komen, omdat de draai in de trap binnen lastig is te nemen, acht het hof onvoldoende overtuigend en in ieder geval niet heel zwaarwegend. Bovendien hebben [geïntimeerden] niet voldoende gemotiveerd waarom de trap eventueel, als zij een buitentrap willen behouden, niet op een andere plaats in hun achtertuin zou kunnen worden aangelegd. Aan de kant van [appellanten] speelt naast hun principiële belang bij respectering van hun rechten als eigenaar, de omstandigheid dat door de verankering van de trap in de muur geluiden die het gevolg zijn van het gebruik van die trap zullen doorklinken in de woning. Het feit dat de trap langs de badkamer loopt, een ruimte waar privacy van groot belang is, versterkt dit bezwaar nog. Een dergelijke bouwwijze is acceptabel tussen familieleden die goed zijn met elkaar, zoals kennelijk [naam 1] en haar zoon, maar niet tussen buren met een gespannen relatie. In het midden kan blijven of de wijze waarop de trap door [geïntimeerden] wordt gebruikt, als onrechtmatige hinder kan worden beschouwd. Voor toewijzing van de vordering tot verwijdering van de trap is die kwalificatie niet vereist. De belangen over en weer afwegende is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] de trap moeten verwijderen. Voor een gebod om de trap te verplaatsen ziet het hof geen reden; die keuze is aan [geïntimeerden] Het door [geïntimeerden] gedane beroep op artikel 5:54 BW wordt verworpen.



6.15
In de vordering tot verwijdering van de trap (hiervoor weergegeven onder 5.1 sub 1 en 2) staat geen termijn genoemd en ook geen dwangsom. Het hof begrijpt echter dat het de bedoeling is van [appellanten] dat de termijn en de dwangsom in de onder 5.1 sub 3 genoemde vordering ook te doen gelden voor de vordering tot verwijdering van de buitentrap. Die buitentrap is immers ook een zaak die aan de buitengevel van [appellanten] is bevestigd, als bedoeld in de vordering onder 5.1. sub 3. Aan [geïntimeerden] zal een langere termijn worden verleend om de trap te verwijderen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en verder gemaximeerd.


Het ladderrecht van [appellanten]




6.16
In hoger beroep hebben [appellanten] hun in eerste aanleg ingestelde vordering inzake het ladderrecht gepreciseerd en aangevoerd dat [geïntimeerden] , anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel degelijk hun wettelijke plicht op grond van 5:56 BW verzaken door toegang te weigeren. In reactie hierop hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat de onderlinge verhouding intussen zeer gespannen is, zodat van hen niet kan worden gevergd dat [naam 3] zelf bij hen over de vloer komt in verband met het ladderrecht. Uit deze reactie leidt het hof af dat [geïntimeerden] inderdaad het ladderrecht niet ten volle respecteren. Hetgeen [geïntimeerden] ter verdediging daarvan hebben aangevoerd is niet toereikend. Gelet op de gespannen verhouding is het echter wel van belang dat de uitoefening van het ladderrecht door [appellanten] aan duidelijke regels wordt gebonden. [appellanten] hebben dat zelf ook voorgesteld.



6.17

[appellanten] willen zes keer per jaar de ramen lappen en twee keer per jaar de staat van hun woning inspecteren vanaf het perceel van [geïntimeerden] Het hof acht dit niet bovenmatig. Het drie dagen van tevoren verzoeken van toegang voor ramen lappen acht het hof redelijk, evenals het voorstel om in verband met de inspectie drie weken van tevoren drie data voor te stellen. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat het hof ook het maximale aantal keren ramen lappen zal vermelden. Voor het opleggen van een dwangsom ziet het hof op dit moment onvoldoende aanleiding. Naar het oordeel van het hof hebben partijen in dit verband behoefte aan duidelijke regels, niet aan stokken achter de deur. Het opleggen van een dwangsom zou de verhouding verder kunnen verslechteren.


Het onderhoud van het uitstekende dak van [geïntimeerden]




6.18
De vordering om te bepalen dat [geïntimeerden] verantwoordelijk zijn voor het deugdelijk onderhoud van hun dak voor zover dit oversteekt op het perceel van [appellanten] , wordt afgewezen, omdat toewijzing daarvan niets zou toevoegen aan de reeds bestaande situatie dat [geïntimeerden] zelf het noodzakelijke onderhoud dienen te verrichten van alle delen van hun opstal en op grond van het bepaalde in artikel 6:174 BW jegens derden aansprakelijk zijn voor alle schade die ontstaat door eventueel gebrekkig onderhoud daarvan.


De overige vorderingen van [geïntimeerden]




6.19
Zoals vermeld hebben [geïntimeerden] in hoger beroep toewijzing gevorderd van al hun reconventionele vorderingen. Daarvan resteert nu nog de hiervoor onder 4.2 sub II. vermelde vordering met betrekking tot het badkamerraam en het patioraam. [geïntimeerden] hebben geen grieven aangevoerd tegen de gronden waarop de afwijzing van deze vorderingen berust. Het bestreden vonnis zal daarom in zoverre worden bekrachtigd.


Slotsom, kosten en bewijsaanbod




6.20
Het principaal en het incidenteel hoger beroep hebben beide gedeeltelijk succes. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de vorderingen over en weer worden ten dele toegewezen. Het hof ziet geen aanleiding voor bewijslevering, omdat geen van partijen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. De proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie en van het principaal en incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld.






7Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de scheidingsmuur tot de patio en vanaf de patio tot de achtergevel van [appellanten] mandelig is;

verklaart voor recht dat de huidige locatie van de trap een onnodige inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [appellanten] ;

veroordeelt [geïntimeerden] tot verwijdering van de trap binnen twee maanden na betekening van dit arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag met een maximum van € 25.000,=;

veroordeelt [geïntimeerden] tot het verlenen van toegang tot hun perceel aan [appellanten] voor het verrichten van normaal onderhoud of werkzaamheden aan hun woning, waarbij geldt dat [appellanten] aan [geïntimeerden] maximaal zes keer per jaar, steeds minimaal drie dagen van tevoren, toegang kunnen vragen voor het lappen van de ramen en maximaal twee keer per jaar toegang kunnen vragen voor het uitvoeren van een inspectie, waartoe zij minimaal drie weken van tevoren drie data zullen voorstellen;

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen in eerste aanleg (conventie en reconventie) en in principaal en incidenteel hoger beroep;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mrs. mr. J.C.W. Rang, mr. E.K. Veldhuijzen van Zanten en mr. A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
Link naar deze uitspraak