Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2701 
 
Datum uitspraak:22-09-2026
Datum gepubliceerd:29-09-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.367.957/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Rechtsmacht Nederlandse rechter tot treffen van voorlopige maatregelen (art. 15 Brussel II ter). Schorsing ouderlijk gezag en voogdij over ongeboren kind (art. 1:268 BW en art. 1:2 BW).
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.367.957/01
zaaknummer rechtbank: C/13/781515 / FA RK 26-148

beschikking van de meervoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak van



[de moeder]


hierna: de moeder,


[de vader] ,

hierna: de vader,
beiden zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
verzoekers in hoger beroep,
hierna gezamenlijk: de ouders,
advocaat: mr. B.A. Huijgen te Amsterdam,

en


de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, (regio [plaats B] , locatie [plaats B] ),
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2026 in [plaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, hierna: de GI.





1De zaak in het kort


1.1
De rechtbank heeft de ouders geschorst in de uitoefening van het gezag over (de toen nog ongeboren) [minderjarige 1] en de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] .



1.2
De ouders zijn het hiermee niet eens. Volgens de ouders komt de Nederlandse rechter in deze procedure geen rechtsmacht toe en is hij daarom niet bevoegd om te oordelen over de verzochte schorsing in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] . Indien de Nederlandse rechter wel bevoegd is hierover te oordelen, wensen de ouders zelf het gezag over [minderjarige 1] uit te oefenen. De raad is het wel eens met de beschikking van de rechtbank.






2De procedure in hoger beroep


2.1
De ouders zijn op 22 april 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).



2.2
De raad heeft op 19 mei 2026 een verweerschrift ingediend.



2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- op 13 juli 2026 een bericht van de GI van 10 juli 2026.



2.4
De zitting heeft op 23 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Huijgen, namens de ouders;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De ouders zijn, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet in persoon ter zitting verschenen.



2.5
Na de zitting heeft de raad op verzoek van het hof een mail van de raad van 24 april 2026 ingediend, met als bijlage het definitieve raadsrapport van dezelfde datum. De advocaat van de ouders is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Binnen de gestelde termijn is geen reactie ontvangen.






3De feiten


3.1
De ouders hebben vijf minderjarige kinderen, te weten:
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018, hierna: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2019, hierna: [minderjarige 3] ;
- [minderjarige 4] , geboren [in] 2023, hierna: [minderjarige 4] ;
- [minderjarige 5] , geboren [in] 2025 in [plaats B] , hierna: [minderjarige 5] , en
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2026 in [plaats] .



3.2
De ouders en de kinderen hebben (in ieder geval) de Franse nationaliteit.



3.3
Blijkens het raadsrapport van 15 april 2026 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op 11 december 2020 in Frankrijk uit huis geplaatst. [minderjarige 4] is op 2 februari 2024 in Frankrijk uit huis geplaatst. [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen op dit moment in Frankrijk in verschillende pleeggezinnen. De ouders hebben geen contact met deze kinderen.



3.4

[minderjarige 5] verblijft sinds 25 maart 2025 in een pleeggezin in Nederland. De eerste periode heeft er wekelijks omgang plaatsgevonden tussen de ouders en [minderjarige 5] , sinds juni 2025 niet meer. Inmiddels woont [minderjarige 5] in een perspectiefbiedend pleeggezin.



3.5
Bij beschikking van 19 juni 2025 is [minderjarige 5] onder toezicht gesteld van de GI tot 25 december 2025. Bij beschikking van 16 december 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 25 juni 2026.



3.6
De raad heeft bij verzoekschrift van 8 januari 2026 de rechtbank primair verzocht de ouders te schorsen in hun gezag over de toen nog ongeboren [minderjarige 1] . Subsidiair heeft de raad verzocht een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken voor een periode van drie maanden en het nog ongeboren kind vanaf diens geboorte uit huis te plaatsen in een neutraal pleegezin voor een periode van drie maanden



3.7
Bij beschikking van 9 januari 2026, die is hersteld bij beschikking van 14 januari 2026, heeft de kinderrechter de toen nog ongeboren [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken en de GI gemachtigd om [minderjarige 1] na zijn geboorte voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een neutraal pleeggezin.
De beslissing op het primaire verzoek van de raad om het gezag van de ouders over de toen nog ongeboren [minderjarige 1] te schorsen is toen door de kinderrechter aangehouden.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op het primaire verzoek van de raad - en voor zover thans van belang - de ouders geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over hun (toen nog) ongeboren kind met ingang van 23 januari 2026, en de GI belast met de voorlopige voogdij over het (on)geboren kind. Verder heeft de rechtbank bepaald dat aan de GI alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van het toen nog ongeboren kind toekomen.



4.2
De ouders verzoeken in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de raad niet-ontvankelijk is, dan wel subsidiair de verzoeken van de raad (alsnog) af te wijzen.



4.3
De raad verzoekt het door de ouders ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren, dan wel af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.






5De motivering van de beslissing


Rechtsmacht en het toepasselijke recht



5.1
Het hof dient allereerst te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om over deze zaak te oordelen en zo ja, welk recht van toepassing is.


De standpunten




5.2
De ouders stellen zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en dat Nederlands recht van toepassing is. Volgens hen bevonden zij zich ten tijde van indiening van het inleidende verzoekschrift van de raad, op 8 januari 2026, niet meer in Nederland. Zij doorkruisten voor 8 januari 2026 Nederland en hebben nooit de bedoeling of intentie gehad zich hier te vestigen. De ouders hebben de Franse nationaliteit, een Duits telefoonnummer en zij voelen zich niet met Nederland verbonden. [minderjarige 1] is bovendien in [plaats] geboren en hij verbleef daar na zijn geboorte op grond van een Luxemburgse kinderbeschermingsmaatregel. Ook kan geen rechtsmacht worden ontleend aan de spoedbevoegdheid van artikel 15 van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-ter), nu [minderjarige 1] zich ten tijde van het inleidend verzoek van de raad niet in Nederland bevond. [minderjarige 1] was toen nog niet geboren.
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de ouders toegelicht dat hij ongeveer één week voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank op 23 januari 2026 voor het laatst contact heeft gehad met de ouders. De ouders hebben hem toen medegedeeld dat zij zich niet meer in Nederland bevonden maar in [plaats] . Ook gaven zij aan dat [minderjarige 1] inmiddels was geboren. De advocaat van de ouders is niet in staat om te zeggen waar de ouders zich op 8 januari 2026 precies bevonden.



5.3
De raad voert aan dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat het Nederlandse recht van toepassing is. De ouders waren op 16 december 2025 aanwezig bij een zitting van de rechtbank Amsterdam en verbleven toen in elk geval in Nederland. Daarom mocht de raad ervan uitgaan dat de ouders zich ten tijde van het indienen van het verzoek nog in Nederland bevonden. Na die datum hebben de ouders geen duidelijkheid meer willen verschaffen over hun verblijfplaats. Voor zover niet kan worden vastgesteld waar [minderjarige 1] zich bevond, mag de Nederlandse rechter zich in ieder geval bevoegd achten op grond van de spoedbevoegdheid van artikel 15 Brussel II-ter. Een ongeboren kind kan op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als reeds geboren worden aangemerkt, voor zover zijn belang dit vordert. Ook worden de belangen van het kind mede beschermd door artikel 3 van het IVRK. Deze bepalingen rechtvaardigen dat reeds vóór de geboorte van [minderjarige 1] een kinderbeschermingsmaatregel kan worden getroffen.
Ter zitting in hoger beroep heeft de raad toegevoegd dat de ouders stelselmatig geen duidelijkheid hebben gegeven over hun verblijfplaats. De raad ging bij indiening van het inleidend verzoekschrift op 8 januari 2026 ervan uit dat de ouders in een caravan in Nederland verbleven en dat [minderjarige 1] inmiddels was geboren. Ze zijn voor het laatst gesignaleerd in die caravan, vlak voor de indiening van het verzoekschrift. Daarom mag worden uitgegaan van de laatst bekende verblijfplaats van de ouders, te weten Nederland.


De beoordeling




5.4
Het verzoek valt binnen het materiële toepassingsgebied van Brussel II-ter, aangezien het betrekking heeft op de ouderlijke verantwoordelijkheid als bedoeld in art. 1, lid 1 aanhef en onder b en lid 2 aanhef en onder a van genoemde verordening. Ook valt de procedure binnen het formele toepassingsgebied van Brussel II-ter, nu deze procedure een grensoverschrijdend karakter heeft en betrekking heeft op verschillende lidstaten van de Europese Unie, te weten Nederland, Frankrijk en [plaats] .



5.5
In artikel 15 Brussel II-ter, voor zover van belang, is bepaald dat in spoedeisende gevallen de gerechten van een lidstaat bevoegd zijn voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin het recht van die lidstaat voorziet, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is ten gronde te beslissen, mits het kind zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt.



5.6
Het verzoek van de raad strekte ertoe – zo begrijpt het hof – in elk geval een beschermingsmaatregel als bedoeld in artikel 15 Brussel II-ter te verkrijgen die onmiddellijk, dan wel direct na de geboorte van [minderjarige 1] in zou gaan, zodat direct de noodzakelijke bescherming aan [minderjarige 1] kon worden geboden. De rechtbank heeft blijkens rechtsoverweging 5.11 van de bestreden beschikking bedoeld het verzoek tot schorsing van het gezag van de ouders toe te wijzen vanaf de geboorte van het kind (onderstreping hof).



5.7
Na 23 januari 2026, de datum van de bestreden beschikking, is gebleken dat [minderjarige 1] is geboren [in] 2026. Ten tijde van de indiening van het inleidende verzoek was hij dus nog niet geboren. Het hof gaat ervan uit dat art 15 Verordening Brussel II-ter ook een grond biedt voor het aannemen van bevoegdheid in een geval als dit, waarbij al vóór de geboorte een maatregel wordt verzocht om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige, direct na diens geboorte, weg te nemen. Artikel 15 lid 1 van de Verordening ziet op te nemen maatregelen voorzien in het recht van de desbetreffende lidstaat. Ten tijde van de indiening van het inleidende verzoek was de moeder hoogzwanger. De door de raad verzochte voorlopige maatregel is naar Nederlands recht - zo nodig met toepassing van art 1:2 BW – in beginsel mogelijk.



5.8
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is waar het nog ongeboren kind verbleef ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift op 8 januari 2026. Het hof ziet aanleiding om voor de beantwoording van deze vraag aansluiting te zoeken bij de plaats waar de moeder zich ten tijde van het indienen van het verzoek bevond. De feitelijke aanwezigheid van een ongeboren kind op het grondgebied van een lidstaat kan vóór de geboorte immers niet los worden gezien van de fysieke, feitelijke aanwezigheid van de moeder.
Ten aanzien van de plaats waar de moeder zich feitelijk bevond ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift op 8 januari 2026 overweegt het hof als volgt. De ouders zijn afkomstig uit Frankrijk. Zij hebben wisselend verklaard over het moment waarop zij Frankrijk hebben verlaten, dit zou omstreeks april 2024 zijn geweest. Vervolgens hebben zij enige tijd in Duitsland verbleven voordat zij naar Nederland kwamen. De ouders hebben in [plaats C] gewoond totdat zij uit hun woning zijn gezet. Sinds de geboorte van [minderjarige 5] in maart 2025 waren de ouders dakloos en verbleven zij eerst in een auto en vervolgens in een caravan. Ook hebben de ouders enige tijd in Nederland in detentie verbleven. Vaststaat dat de ouders op 16 december 2025 zijn verschenen ter zitting bij de rechtbank Amsterdam in een procedure betreffende [minderjarige 5] en zich op dat moment dus in Nederland bevonden. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat de ouders daarna geen openheid van zaken meer wilden geven over hun verblijfplaats. De GI heeft verklaard dat de moeder op 1 januari 2026 met een Duits telefoonnummer via Whatsapp contact heeft opgenomen over de omgang met [minderjarige 5] . Op 14 januari 2026 heeft de moeder via Whatsapp de GI bericht dat de ouders onderweg waren naar Italië. Vanaf 15 januari 2026 heeft zij elk contact met de GI verbroken. De advocaat van de ouders heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij niet kan zeggen waar de moeder zich op 8 januari 2026 bevond en van de ouders overigens geen toestemming heeft gekregen daarover te verklaren.
Het hof stelt dan ook vast dat geen objectieve gegevens voorhanden zijn die het standpunt van de ouders dat de moeder Nederland reeds vóór 8 januari 2026 had verlaten ondersteunen. Ook zijn er geen concrete aanwijzingen dat zij zich op die datum in een andere (lid)staat bevond.



5.9
De bevoegdheidsregels van Brussel II-ter strekken ertoe bevoegdheid toe te kennen aan de rechter van de lidstaat die het best in staat is de belangen van het kind te beoordelen en te beschermen. Dat de ouders geen duidelijkheid wensen te verschaffen over hun feitelijke verblijfplaats, kan niet tot gevolg hebben dat een (ongeboren) kind iedere effectieve rechterlijke bescherming wordt onthouden. Het beschermingskarakter van Brussel II-ter, in het bijzonder artikel 15, brengt mee dat in een spoedeisende situatie waarin een beschermingsmaatregel noodzakelijk is, een bevoegde rechter moet kunnen worden aangewezen. Voorkomen dient te worden dat een kind in spoedeisende situaties zonder effectieve rechterlijke bescherming blijft.
Vast staat dat de moeder zich in elk geval rondom de ziekenhuisopname van [minderjarige 5] in maart 2025 in Nederland bevond en dat zij zich niet lang voor het indienen van het inleidende verzoekschrift hier nog steeds bevond. Zij was immers aanwezig ter terechtzitting van 16 december 2025. Niet bekend is waar zij zich sindsdien ophield, maar bij gebreke van andersluidende – verifieerbare – informatie moet het ervoor worden gehouden dat zij zich op 8 januari 2026 en ook nog enige tijd daarna (nog steeds) in Nederland bevond. Genoemde – objectieve – aanknopingspunten vormen daarvoor de basis. Naar eigen zeggen was de moeder na de indiening van het inleidende verzoekschrift op 14 januari 2026 op doorreis naar Italië. De advocaat van ouders heeft ter zitting verklaard dat hij ongeveer één week voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank op 23 januari 2026 voor het laatst contact heeft gehad met de ouders. De ouders hebben hem toen medegedeeld dat zij zich niet meer in Nederland bevonden maar in [plaats] . Het hof kan dit alles niet vaststellen: een onderbouwing ontbreekt. Naar het oordeel van het hof is de Nederlandse rechter dan ook de meest aangewezen rechter om - op grond van artikel 15 Brussel II-ter - van een verzoek betreffende een spoedeisende voorlopige maatregelkennis te nemen. Dat [minderjarige 1] uiteindelijk [in] 2026 in [plaats] is geboren en aldaar ook kinderbeschermingsmaatregelen zijn getroffen, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de beoordeling van de bevoegdheid op grond van artikel 15 Brussel II-ter is immers bepalend of het kind zich ten tijde van het aanhangig maken van het verzoek in Nederland bevond. Die beoordeling dient plaats te vinden naar de situatie op 8 januari 2026. De conclusie is dat op die datum de Nederlandse rechter op grond van voornoemde bepaling bevoegd was van het verzoek van de raad kennis te nemen.



5.10
Het toepasselijke recht wordt bepaald door het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV 1996). Nu het hof de Nederlandse rechter bevoegd acht om over de zaak te oordelen is Nederlands recht, zijnde het interne recht, van toepassing op grond van artikel 15 HKV 1996. Van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om op grond van artikel 15 lid 2 HKV 1996 bij wijze van uitzondering het recht van een andere staat toe te passen, is niet gebleken.


De schorsing van het gezag van de ouders over [minderjarige 1]



De standpunten




5.11
De ouders voeren aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:268 BW. De rechtbank heeft haar oordeel grotendeels gebaseerd op de situatie van de oudere kinderen en op informatie uit Frankrijk, zonder voldoende onderzoek te doen naar de actuele situatie van [minderjarige 1] . De ouders betwisten dat sprake was van een acute en ernstige bedreiging die een schorsing van het gezag rechtvaardigt. Ook voldoet de maatregel niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat er had kunnen worden volstaan met een minder ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel. De schorsing van het gezag van de ouders heeft zeer verstrekkende gevolgen. De rechtbank heeft de beoordeling mede gebaseerd op rapportages uit Frankrijk. Deze rapportages zeggen echter niets over hoe de situatie van de ouders in Nederland was. Er is te weinig onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel had kunnen volstaan. Op dit moment verblijven de twee jongste kinderen van de ouders in Nederland, terwijl de drie oudste kinderen in Frankrijk verblijven. Het recht van de ouders en de kinderen op hun gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM wordt daardoor ernstig beperkt.
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de ouders verklaard dat de ouders zich door de Nederlandse autoriteiten ongerechtvaardigd behandeld voelen. Als gevolg van de door de GI gedane aangifte tegen de ouders van onttrekking aan het gezag kunnen de ouders zich niet vrij verplaatsen, hetgeen het contact met de kinderen verder bemoeilijkt. De ouders zijn hier meermaals voor aangehouden in [plaats] .



5.12
De raad stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:268 lid 1, aanhef en onder a BW. Ten tijde van de bestreden beschikking bestond een ernstig vermoeden dat aan de gronden voor beëindiging van het gezag als bedoeld in artikel 1:266 BW was voldaan. De raad verwijst daarbij naar de (in het verleden) bestaande zorgelijke en onveilige opvoedingssituatie van de oudere kinderen en de omstandigheid dat de ouders herhaaldelijk uit het contact met de hulpverlening raakten. Zodra er voor de oudere kinderen en [minderjarige 5] kinderbeschermingsmaatregelen werden uitgesproken, onttrokken de ouders zich aan het zicht van de hulpverlening. De ouders verleenden geen medewerking aan de betrokken instanties en zij hebben geen duidelijkheid verschaft over hun verblijfplaats of toekomstplannen. Hierbij verwijst de raad naar de bevindingen in het spoedrapport van 8 januari 2026. De schorsing van het gezag van de ouders was noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 1] weg te nemen. Een voorlopige ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing was in dit geval ontoereikend, omdat deze maatregelen uitgaan van een situatie waarin de ouders invulling kunnen geven aan hun gezag. Een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn immers gericht op een terugplaatsing van het kind bij de ouders. Volgens de raad ontbreekt een dergelijk opvoedperspectief ten aanzien van [minderjarige 1] . Uitsluitend een schorsing van het gezag, met de voorlopige voogdij bij de GI, bood voldoende waarborgen om onmiddellijk na de geboorte alle noodzakelijke beslissingen in het belang van [minderjarige 1] te kunnen nemen zonder afhankelijk te zijn van de toestemming van de ouders.



5.13
De GI sluit zich aan bij het standpunt van de raad. De ouders zijn al voor langere tijd moeilijk bereikbaar voor de GI. De ouders reageerden niet op verzoeken van de GI om toestemming voor belangrijke beslissingen ten aanzien van [minderjarige 5] . Inmiddels hebben de ouders het contact met de hulpverlening geblokkeerd. De GI achtte het daarom noodzakelijk dat direct na de geboorte van [minderjarige 1] beslissingen over zijn verzorging en opvoeding konden worden genomen, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de toestemming van de ouders. De ouders tonen geen zelfreflectie. In Nederland woonden de ouders in een caravan waarbij niet duidelijk was of er aansluiting op water en elektriciteit was, hetgeen geen goede situatie is om een kind in te laten opgroeien.
Verder ligt het perspectief van [minderjarige 5] en [minderjarige 1] volgens de GI in Nederland. [minderjarige 5] zal opgroeien in het pleeggezin waar hij nu verblijft en ook voor [minderjarige 1] is een perspectiefbiedend pleeggezin in Nederland gevonden. [minderjarige 5] en [minderjarige 1] verblijven op dit moment in pleeggezinnen in dezelfde regio en de pleegouders van beide kinderen staan open voor contact tussen hen onderling, en voor contact van hen met [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in Frankrijk. De drie oudere kinderen van de ouders weten echter niet van het bestaan van [minderjarige 5] en [minderjarige 1] af. De huidige jeugdbeschermer van [minderjarige 5] en [minderjarige 1] heeft geprobeerd een videobelgesprek met de ouders in te plannen voor omgang met de kinderen. De ouders zijn echter niet verschenen op de afspraak.


De beoordeling




5.14
Op grond van artikel 1:268 lid 1, aanhef en onder a. BW kan de rechter een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a of b BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Uit artikel 1:268 lid 3 BW volgt dat, indien de schorsing beide ouders betreft, de rechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, met de voorlopige voogdij over de minderjarige belast. De gecertificeerde instelling heeft de bevoegdheden van een voogd.



5.15
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:268 lid 5 BW vervalt de schorsing in de uitoefening van het gezag na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking waarin de schorsing is uitgesproken, tenzij vóór het verstrijken van die termijn een verzoek tot beëindiging van het gezag is ingediend.
Ter zitting in hoger beroep heeft het hof de raad verzocht toe te lichten of, en zo ja wanneer, een dergelijk verzoek bij de rechtbank is ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft de raad op 23 juli 2026 na de zitting per e-mail stukken toegezonden, waaronder een rapport van de raad van 22 april 2026. Omdat daaruit niet bleek of het verzoek daadwerkelijk bij de rechtbank was ingediend, heeft het hof ambtshalve nadere informatie bij de rechtbank ingewonnen. Uit de op 24 juli 2026 ontvangen e-mail van de rechtbank is gebleken dat de raad het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige 5] en [minderjarige 1] op 17 april 2026 heeft ingediend. Het hof heeft de advocaat van ouders vervolgens in de gelegenheid gesteld hierop uiterlijk 3 augustus 2026 te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat vóór het verstrijken van de in artikel 1:268 lid 5 BW bedoelde termijn een verzoek tot beëindiging van het gezag is ingediend. De schorsing van het gezag is daarom niet van rechtswege vervallen.



5.16
Het hof overweegt dat een ongeboren kind op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als reeds geboren worden aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Die bepaling kan ook van toepassing zijn in geval van schorsing van ouders in de uitoefening van het gezag als bedoeld in artikel 1:268 BW. Het hof stelt evenwel voorop dat een schorsing van het gezag een zeer ingrijpende maatregel is. De maatregel ontneemt de ouders tijdelijk de mogelijkheid om gezagsbeslissingen over hun kind te nemen en dient daarom, mede gelet op artikel 8 EVRM, te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De maatregel is slechts gerechtvaardigd indien minder vergaande kinderbeschermingsmaatregelen in de gegeven omstandigheden onvoldoende bescherming kunnen bieden.
Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking was voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:268 lid 1, aanhef en onder a, BW en dat dat ook op dit moment nog zo is. De schorsing is noodzakelijk. Het hof overweegt daartoe als volgt.



5.17
Reeds vóór de geboorte van [minderjarige 1] bestonden ernstige zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de ouders, de omstandigheden waaronder hij zou worden geboren en de plek waar hij direct na zijn geboorte zou verblijven. De ouders hadden zich gedurende langere tijd aan het zicht van de betrokken instanties onttrokken, waren voor de betrokken instanties niet of nauwelijks bereikbaar en verschaften geen duidelijkheid over hun verblijfplaats. Zij werkten niet mee aan het onderzoek van de raad of aan de uitvoering van de ten aanzien van [minderjarige 5] getroffen kinderbeschermingsmaatregelen. Ook de advocaat van de ouders mocht geen duidelijkheid verschaffen over hun verblijfplaats en was ter zitting bij de rechtbank in de veronderstelling dat [minderjarige 1] al was geboren.
Er bestond dan ook geen zicht op het verloop van de (vergevorderde) zwangerschap van de moeder, de omstandigheden waaronder [minderjarige 1] zou worden geboren en de plaats waar hij na zijn geboorte zou verblijven. Gelet op de ernstige zorgen over de ouders, hun zwervende bestaan, hun verleden van drugsgebruik, structureel huiselijk geweld en crimineel gedrag en de reeds bestaande kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van [minderjarige 5] , bestond de noodzaak om onmiddellijk na de geboorte de mogelijkheid te hebben passende bescherming aan [minderjarige 1] te bieden. Onder deze omstandigheden bestond ten tijde van de bestreden beschikking een ernstig vermoeden dat aan de gronden voor beëindiging van het gezag als bedoeld in artikel 1:266 BW was voldaan en dat sprake was van een acute en ernstige bedreiging voor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] die onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakte.



5.18
Een minder vergaande maatregel, zoals een voorlopige ondertoezichtstelling al dan niet gepaard gaande met een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing bood onder de genoemde omstandigheden onvoldoende bescherming. Deze maatregelen laten het gezag immers bij de ouders, terwijl juist onzeker was of zij bereikbaar en in staat zouden zijn om tijdens en na diens geboorte de voor [minderjarige 1] noodzakelijke gezagsbeslissingen te nemen. Daarbij komt dat de onbekende verblijfplaats van de ouders een effectieve uitvoering van een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing naar verwachting ernstig zou bemoeilijken. Dat risico werd bevestigd door de ervaringen met [minderjarige 5] , waarbij de ouders onder meer geen toestemming verleenden voor de hielprik en inmiddels volledig uit contact zijn met de hulpverlening. Tegen deze achtergrond was de schorsing van het gezag, met benoeming van een gecertificeerde instelling als voorlopige voogd, noodzakelijk. Het hof acht deze maatregel daarom, ondanks het ingrijpende karakter ervan, in de gegeven omstandigheden noodzakelijk en proportioneel.



5.19
Voor zover de raad aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat reeds vóór de geboorte vaststond dat het toekomstperspectief van [minderjarige 1] definitief niet meer bij de ouders lag, volgt het hof de raad daarin niet. De vraag of het toekomstperspectief van [minderjarige 1] reeds vanaf zijn geboorte definitief niet meer bij de ouders ligt, hoeft voor de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de gronden van art. 1;268 lid 1 aanhef en onder a BW, niet te worden beantwoord. De schorsing van het gezag betreft een voorlopige spoedmaatregel waarvoor een ernstig vermoeden als bedoeld in genoemde wetsbepaling, volstaat. De maatregel leent zich niet voor een definitief oordeel over zijn toekomstperspectief of over de vraag of een hereniging van [minderjarige 1] met de ouders uiteindelijk mogelijk is. Die vragen dienen te worden beoordeeld in de procedure tot beëindiging van het gezag.



5.20
Na zijn geboorte [in] 2026 verbleef [minderjarige 1] in een (crisis)pleeggezin in [plaats] . Hij is op 18 juni 2026 door tussenkomst van de Luxemburgse en Nederlandse autoriteiten naar Nederland overgebracht en verblijft sindsdien in een pleeggezin. De GI heeft ter zitting toegelicht dat de overplaatsing heeft plaatsgevonden op basis van de onderhavige voorlopige voogdijmaatregel, in overleg met de Nederlandse en Luxemburgse autoriteiten.
De huidige stand van zaken geeft geen aanleiding thans anders te oordelen over de noodzaak tot schorsing van de ouders in de uitoefening van het gezag. Er bestaat immers nog steeds geen duidelijkheid over de verblijfplaats van de ouders. Evenmin is gebleken dat het contact tussen de ouders en de hulpverlening is hersteld; de gezinsmanager is nog steeds door de moeder geblokkeerd. Zolang de ouders onbereikbaar blijven, kunnen alleen daarom al noodzakelijke gezagsbeslissingen voor [minderjarige 1] door hen niet tijdig en in zijn belang worden genomen.



5.21
Uit de stukken maakt het hof op dat na de geboorte van [minderjarige 1] ook de Luxemburgse autoriteiten kinderbeschermingsmaatregelen hebben getroffen. In het rapport van de raad van 22 april 2026 staat vermeld dat meteen na de geboorte van [minderjarige 1] door de Luxemburgse rechter een voorlopige kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken en de ouders in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] zijn geschorst.
De inhoud, reikwijdte en huidige rechtsgevolgen van die maatregelen zijn het hof niet bekend. Het hof kan daarom niet vaststellen of deze maatregelen de in Nederland getroffen schorsing van het gezag hebben vervangen, anderszins aan de werking daarvan afdoen of overbodig maken. Voor zover de in Nederland getroffen schorsing van het gezag nog rechtsgevolg heeft, is niet gebleken dat de omstandigheden die tot de schorsing van het gezag hebben geleid inmiddels zodanig zijn gewijzigd dat deze maatregel niet langer noodzakelijk is.



5.22
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verzoeken van de ouders in hoger beroep worden afgewezen en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. Dit betekent dat de schorsing van het gezag van de ouders blijft voortduren tot de rechtbank heeft beslist op het verzoek van de raad om het gezag van de ouders over [minderjarige 1] te beëindigen.







6De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2026, in de zaak met zaaknummer C/13/781515 / FA RK 26-148.


Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Overmars, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 22 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Link naar deze uitspraak