|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2801 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 25/792 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | In geschil is of de WOZ-waarde, na de door de rechtbank toegepaste vermindering, te hoog is vastgesteld en of de rechtbank terecht geen vergoedingen heeft toegekend van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van kosten van een taxatieverslag. | | Trefwoorden | : | perceel | | | taxatie | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/792
21 juli 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Veldhuisen)
tegen de uitspraak van 19 februari 2025 in de zaak met kenmerk AMS 23/1497 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 1063 te Amsterdam (hierna: de woning) voor het jaar 2022 (hierna ook: de WOZwaarde) vastgesteld op € 602.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 aan belanghebbende bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde verlaagd naar € 507.000.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak als volgt op het beroep beslist:
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
stelt de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2022 vast op
€ 425.000,-;
bepaalt dat de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarde wordt verminderd;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte verschotten van € 19,54 voor de uitdraaien van het Kadaster.
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht € 50,- aan eiser moet vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft op 2 april 2025 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
De woning heeft de volgende objectkenmerken. Het gaat om een vrijstaande woning uit 1900 met een berging, grotendeels opgetrokken uit hout met daarover een aangebrachte afwerklaag en met een zadeldak met dakpannen. Het woonoppervlak is 89 m2, het perceel heeft een oppervlakte van 240 m2.
3Geschil in hoger beroep
In geschil is of de WOZ-waarde van € 425.000 te hoog is vastgesteld en of de rechtbank terecht geen vergoedingen heeft toegekend van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van kosten van een taxatieverslag.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist (waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’):
“7. Eiser vindt dat de heffingsambtenaar met de vastgestelde waarde van € 507.000,-
de WOZ-waarde te hoog heeft vastgesteld. Volgens eiser zou de WOZ-waarde moeten worden vastgesteld op € 200.000,-.”
8. Ter zitting is besproken dat het aantal vierkante meters van de woning wordt vastgesteld op 89 m2. Ook de m2-prijs (€ 3.150,- voor het woningdeel) is niet langer in geschil. Verder heeft de heffingsambtenaar naar aanleiding van de door eiser overlegde tekening geconcludeerd dat er inderdaad geen sprake is van een zolder in dit object, dus dat deze vervalt. De heffingsambtenaar heeft tevens de KOUDVL-factoren allemaal vastgesteld op slecht. Uitgaande van al deze aanpassingen komt de heffingsambtenaar uit op een WOZ-waarde van € 425.000,-. Dat is de waarde die nu voorligt en waar de rechtbank een oordeel over zal vellen.
9. Ter zitting is daarnaast besproken dat verkoop 3 ( [B-straat] 2) de best vergelijkbare verkoop is. Dit is dan ook de verkoop die de rechtbank bij de beoordeling zal betrekken.
10. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
11. Aangezien de heffingsambtenaar ter zitting aan veel van de door eiser gestelde punten tegemoet is gekomen is het beroep gegrond.
Toetsingskader
12. De waarde die moet worden vastgesteld is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meestbiedende koper als de woning op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop is aangeboden.[voetnoot 3: Zie de wetsgeschiedenis van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ.] De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
13. Om te beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, moet de rechtbank beoordelen of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser, en zo ja, of de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning.
14. Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of eiser de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Als ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
15. De rechtbank is van oordeel, dat gelet op verkoop 3, de WOZ-waarde van € 425.000,- voor het object van eiser voldoende is onderbouwd. Verkoop 3 heeft een gecorrigeerde transactieprijs op de waardepeildatum van € 427.000,-. Er is door de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met het verschil in oppervlakte tussen de kavel van verkoop 3 met 360 m2 ten opzichte van 240 m2 van de woning van eiser, nu de kavelprijs van verkoop 3 op € 217.000,- ligt en van het object van eiser op € 160.000,-. Ook de slechtere ligging is door de heffingsambtenaar tot uitdrukking gekomen in de m2prijs voor het neutrale woningdeel € 3.150,-, wat stuk lager is dan de € 3.884,- die voor verkoop 3 staat. Verkoop 3 is zelfs 63 m2 kleiner qua oppervlakte, dan het object van eiser. Verkoop 3 is goed vergelijkbaar en is er door de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen.
16. De rechtbank is van oordeel, dat gelet op verkoop 3, de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van € 425.000,- voldoende is onderbouwd.
Gelijkheidsbeginsel
17. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en stelt dat de objecten genoemd in zijn taxatieverslag soortgelijke objecten zijn. Ditzelfde geldt voor het object [A-straat] 1057, dat volgens het WOZ-waardeloket op de waardepeildatum een WOZ-waarde van € 265.000,- had.
18. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de door eiser genoemde objecten niet vergelijkbaar zijn. Het zijn geen identieke woningen, nu het bouwjaar, de oppervlakte, de KOUDVL en het soort woning (vrijstaand, 2-onder-1 kap etc.) niet overeenkomen met het object van eiser. De rechtbank ziet dit ook. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Immateriële schade
19. Eiser heeft aanspraak gemaakt op een schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn.[voetnoot 4: Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).] Eiser heeft op 11 april 2022 een pro forma bezwaarschrift ingediend, dat op 11 april 2022 is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft op 16 januari 2023 een uitspraak op bezwaar genomen.
20. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, had in deze procedure dus uiterlijk op 11 april 2024 uitspraak moeten worden gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 19 februari 2025. Dit levert een termijnoverschrijding op van 11 maanden op. Deze overschrijding valt, gelet op het feit dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar heeft geduurd, deels toe te rekenen aan de heffingsambtenaar. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar daarom tot de betaling van een bedrag van € 500,- aan eiser als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade. De rest van de termijnoverschrijding valt te wijten aan de rechtbank. De rechtbank zal de Staat dan ook veroordelen tot het betalen van € 500,- aan eiser.
Conclusie en gevolgen
22. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de WOZ-waarde van de woning van eiser vast te stellen op € 425.000,-.
23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
24. Op vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in verband met het optreden van de gemachtigde, heeft eiser geen recht. Al vaker is geoordeeld dat de gemachtigde niet als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend.[voetnoot 5: Zie de uitspraken van het Hof Amsterdam van 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1599, 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2295, en 16 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1336.] De rechtbank volgt hier de uitgezette lijn van het Hof Amsterdam. Zij merkt hierbij op dat de eiser in onderhavige zaak, de heer [X] , woonachtig is op [A-straat] 1075. Het object van deze procedure is [A-straat] 1063 en het kantoor dan wel briefadres van de gemachtigde bevindt zich op [A-straat] 1049. Aangezien het Hof Amsterdam al eerder heeft vastgesteld dat [X] tot de directe kring van de gemachtigde behoort, wijst de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 1 onder a Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) af.
25. Voor wat betreft het op 19 november 2024 ingebracht taxatieverslag, merkt de rechtbank op dat dit verslag niet heeft geleid tot een ander oordeel over de WOZ-waarde van de woning. Voor een deel van de referentieobjecten is gebruikt gemaakt van WOZ-waardes in plaats van verkoopprijzen en andere objecten liggen niet eens in de buurt van de woning, wat ze minder geschikt maakt dan de verkopen van de heffingsambtenaar. Het taxatieverslag heeft al met al nauwelijks gewicht in de bewijsschaal gelegd.[voetnoot 6: Zie hieromtrent ook de uitspraak van het Hof Amsterdam van 13 augustus 2024, ECLI:NL:2024:2296.] Ook heeft de rechtbank twijfels of het taxatieverslag, het verslag is van een deskundige. Op het verslag staat de naam A. van Velsen, als degene die de woning heeft opgenomen. Over het wel of niet bestaan van Van Velsen is al langer discussie.[voetnoot 7: Zie de uitspraak van het Hof Amsterdam van 31 januari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:408.] De rechtbank ziet gelijkenissen met betrekking tot de lay-out van dit verslag die ook gemachtigde gebruikt en vindt het in navolging van het Hof, ook opmerkelijk dat er bij het taxatieverslag uittreksels van het Kadaster zijn gevoegd. Van een taxateur zou mogen worden verwacht dat hij voor een taxatie zelf de benodigde informatie opvraagt. Ter zitting heeft de gemachtigde hieromtrent enkel als reactie gegeven dat deze kwestie nog loopt bij de Hoge Raad. Gelet op de twijfel omtrent de deskundigheid van dit rapport die hierdoor is ontstaan bij de rechtbank wijst zij vergoeding van dit taxatieverslag af.[voetnoot 8: Artikel 1 onder b Bpb, Hof Amsterdam 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2296.]
26. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte verschotten van € 19,54 voor de uitdraaien van het Kadaster.”
5Beoordeling van het geschil
Standpunten partijen
WOZ-waarde
5.1.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep verwezen naar alle in bezwaar en beroep aangedragen gronden. In die stukken heeft belanghebbende op het volgende gewezen:
- de woning is gebouwd omstreeks 1900 en dus niet in 1992 zoals in het taxatieverslag en ook later in het ‘Intern waarde advies’ van de heffingsambtenaar is vermeld;
- die rapporten vermelden ten onrechte een oppervlakte van de woning van 100 m2 terwijl deze 89 m2 bedraagt;
- de rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat de prijs per m2 van € 3.150 niet langer in geschil zou zijn;
- de rechtbank heeft het gelijkheidsbeginsel ten onrechte niet toegepast. In dat verband wijst belanghebbende met name op [A-straat] 1053;
- de woning betreft een slooprijp object in slechte staat.
5.1.2.
Daarnaast acht belanghebbende het toepassen van vaste percentages voor de secundaire objectkenmerken geen juiste methode; volgens belanghebbende dient per object door opname op de locatie te worden bepaald in welke staat het object verkeert. Volgens belanghebbende moet in dit geval niet alleen worden gekeken naar de waarde per waardepeildatum, maar ook naar de toestandsdatum, omdat de woning binnen een jaar tijd kan zijn verslechterd. Daarbij heeft belanghebbende aangegeven dat het zijn keuze kon zijn om de woning weliswaar in goede staat aan te kopen, maar deze daarna niet meer te onderhouden, te slopen om er vervolgens een nieuwe woning te bouwen. Eigenlijk heeft het object volgens belanghebbende een negatieve waarde vanwege met de sloop samenhangende kosten. Belanghebbende wijst voorts op een taxatie door Van Velsen die op een waarde uitkomt van € 200.000.
5.1.3.
De heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb omdat geen deugdelijk onderzoek is gedaan naar het object, naar sloopkosten, naar fundering, oppervlakte en vergelijkbaarheid. Ook de rechtbank heeft geen onderzoek gedaan, niet om bewijs gevraagd en geen beoordeling gegeven; daarmee is niet voldaan aan de eis van hoor en wederhoor. Belanghebbende heeft aangeboden bewijs te leveren, maar dat is door de rechtbank geweigerd.
5.2.1.
De heffingsambtenaar is het met belanghebbende eens dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de waarde van het object (per m2) wel in geschil was in de beroepsfase. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof toegelicht hoe de in de uitspraak van de rechtbank in aanmerking genomen waarde per m2 is af te leiden van de door de rechtbank verlaagde waarde van € 425.000. Er is uitgegaan van het wel bruikbare vergelijkingsobject dat een waarde heeft van € 3.884 per m2. Op die waarde is een vermindering toegepast voor de secundaire objectkenmerken kwaliteit en onderhoud, die niet als gemiddeld maar als slecht zijn gewaardeerd. Dit houdt een vermindering van de waarde in van 4 x 5%. Daarnaast is de ligging niet op gemiddeld maar op matig gewaardeerd hetgeen een vermindering van de waarde van 1 x 7,3% inhoudt. Deze percentages zijn al weer enige jaren terug door de gemeente aangepast; er is nog geen aanleiding om deze wederom aan te passen.
5.2.2.
De heffingsambtenaar heeft betwist dat de WOZ-waarde van de woning na vermindering door de rechtbank, te hoog is. Daartoe heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat in de in eerste aanleg ingebrachte matrix twee van de drie vergelijkingsobjecten niet goed met de woning vergelijkbaar waren, maar dat het object aan de [B-straat] 2 te Amsterdam (verkoop 3) daarmee wel goed vergelijkbaar is. Voorts heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat er door de rechtbank reeds rekening mee is gehouden dat de staat en het onderhoud van de woning slecht zijn, en dat de ligging matig is.
In dat verband heeft de taxateur van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof toegelicht dat in de door de rechtbank verminderde waarde, evenals de gemachtigde heeft gesteld, is uitgegaan van een woonoppervlak van 89 m2 en dus niet van 100 m2.
Oordeel Hof
5.3.1.
Het Hof stelt voorop dat in de uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar is aangegeven dat naar aanleiding van het bezwaar is uitgegaan van een woning die is gebouwd in 1900. Tevens is naar aanleiding van het bezwaar aanleiding gevonden de waarde te verlagen vanwege de algehele bouwkundige staat waarbij het onderhoud is gesteld op slecht en de kwaliteit en ligging op matig. De rechtbank heeft die waarde verder verminderd aangezien zoals ook door de taxateur van de gemeente ter zitting van het Hof is toegelicht, een slechte staat is toegekend aan voorzieningen en daarnaast is vastgesteld dat, anders dan het ‘Intern waarde advies’ vermeldt, een zolder ontbreekt en is uitgegaan van een woonoppervlak van 89 m2. Tevens is door de rechtbank vastgesteld dat het object [B-straat] 2 te Amsterdam goed vergelijkbaar is met de woning, in tegenstelling tot de beide andere in de waardering betrokken objecten.
5.3.2.
Ook het Hof acht [B-straat] 2 te Amsterdam een goed vergelijkingsobject met name nu het eveneens uit hout is opgetrokken en is gesticht in vrijwel hetzelfde bouwjaar (1899) met vrijwel vergelijkbare secundaire objectkenmerken. Het Hof acht ook in voldoende mate rekening gehouden met de staat van de kwaliteit, het onderhoud en de ligging van de woning. En ondanks dat door belanghebbende een vergunning voor de sloop van de woning is aangevraagd om nieuwbouw te kunnen realiseren, acht het Hof het, evenals de rechtbank, niet aannemelijk dat sprake is van een slooprijp pand. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar geloofwaardig heeft verklaard en anders dan belanghebbende, dat het pand in 2022 nog werd bewoond. Tevens stelt het Hof vast dat, zoals het gemachtigde ter zitting van het Hof heeft voorgehouden, ten aanzien van de woning in een andere procedure van de gemachtigde in 2017 is verklaard dat de woning zich in een onberispelijke staat bevond (Hof Amsterdam 21 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5432). Het Hof acht het juist dat is uitgegaan van de waardepeildatum 1 januari 2021 en niet van de toestand per ultimo 2021, aangezien niet aannemelijk is dat de toestand van de woning in het jaar is gewijzigd zodanig dat niet van de waardepeildatum zou kunnen worden uitgegaan.
Het Hof acht het door belanghebbende overgelegde taxatieverslag van Van Velsen niet bruikbaar in het kader van de voorgeschreven vergelijkingsmethode, aangezien in dat verslag ten onrechte geen gerealiseerde transactieprijzen, maar slechts WOZ-waarden zijn vergeleken.
5.3.3.
Belanghebbende heeft ook in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel het rapport van Van Velsen ingebracht. Het Hof acht met dat rapport en ook met hetgeen belanghebbende overigens heeft gesteld, niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Ten einde met succes een beroep op dit beginsel te kunnen doen dient het in het kader van een waardering op grond van de Wet WOZ, te gaan om identieke woningen waarbij de onderlinge verschillen tussen de woning en de objecten waarmee wordt vergeleken verwaarloosbaar zijn (vgl. Hoge Raad 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8942, BNB 2005/298, r.o. 3.2 en HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9489, r.o 3.3.2 e.v.). Dat sprake is van identieke objecten acht het Hof evenwel niet aannemelijk geworden, zodat reeds op die grond belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen.
5.3.4.
Als meer algemeen standpunt heeft belanghebbende naar voren gebracht dat de heffingsambtenaar de onderlinge waardeverschillen niet mag waarderen met de zogenoemde KOUDVL factoren, maar dat er per object een zelfstandige opname moet plaatsvinden. Het Hof verwerpt dit standpunt. De waardering van bepaalde voor alle woningen door een gemeente vastgestelde secundaire objectkenmerken, in dit geval door middel van de KOUDVL factoren, draagt bij aan het verschaffen van inzicht in de wijze waarop bestaande onderlinge verschillen tussen met elkaar te vergelijken onroerende zaken worden gewaardeerd. Eerst indien aannemelijk is dat een woning niet meer vergelijkbaar is met andere in de markt verkochte woningen en aannemelijk is dat het gaat om een uitzonderlijk object met uitzonderlijke kenmerken, kan een opname van het object aangewezen zijn. Aangezien niet aannemelijk is dat hiervan sprake is, verwerpt het Hof belanghebbendes standpunt dat de heffingsambtenaar in dit geval de waardering niet mede mocht baseren op de KOUDVL factoren.
5.3.5.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Hof de waarde van de woning na de door de rechtbank toegepaste vermindering, niet te hoog acht vastgesteld. In zoverre treft het hoger beroep geen doel.
Proceskostenvergoeding
Standpunten partijen
5.4.1.
De rechtbank heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen onder r.o. 24 afgewezen met verwijzing naar uitspraken van dit Hof. Die uitspraken zijn gebaseerd op uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van eind 2021 en begin 2022 uitgesproken door eenzelfde meervoudige kamer. Gemachtigde bestrijdt die uitspraken van het Hof aangezien ten onrechte is geoordeeld dat de gemachtigde alleen voor ‘eigen entiteiten’ en familieleden optreedt. Die oordelen zijn echter alleen op aannames gebaseerd, er liggen geen vaststaande feiten aan ten grondslag. In eerdere procedures is reeds door het Hof vastgesteld dat ondergetekende voor meerdere rechtszoekenden heeft opgetreden en optreedt, aldus belanghebbende.
5.4.2.
De gemachtigde stelt dat de rechtbank geen gelegenheid heeft geboden om onder geheimhouding, met inachtneming van de privacy wetgeving, stukken te kunnen overleggen die kunnen aantonen dat gemachtigde ook voor andere rechtzoekenden optreedt dan diegenen die bij de rechtbank en dit Hof bekend zijn.
5.5.1.
De heffingsambtenaar onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding toekomt omdat de gemachtigde niet als professionele dienstverlener optreedt.
Oordeel Hof
5.6.1.
Het Hof acht het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het niet toekennen van een proceskostenvergoeding juist alsmede de gronden waarop het berust en maakt dit tot de zijne. Het Hof voegt hier het volgende aan toe. Zoals de gemachtigde genoegzaam bekend is wordt hij door de rechtbank en ook door dit Hof in uitspraken van de afgelopen jaren niet als een professionele bijstandsverlener aangemerkt. Hiervan uitgaande ligt het dan op de weg van gemachtigde om bewijs aan te dragen op grond waarvan kan worden beoordeeld of gemachtigde zijn stelling dat hij wel moet worden aangemerkt als een professionele bijstandsverlener, aannemelijk maakt. Tot op heden heeft hij daarvan, ook in de onderhavige zaak, geen bewijs bijgebracht.
5.6.2.
De gemachtigde heeft in dat verband gesteld dat hij bij de rechtbank een bewijsaanbod had gedaan, maar dat door de rechtbank werd geweigerd. Het Hof overweegt dat uit de processtukken niet valt op te maken dat de rechtbank een aanbod tot bewijs heeft geweigerd. Wel is het zo dat indien de gemachtigde eerst ter zitting bij de rechtbank dit bewijsaanbod heeft gedaan, zoals de gemachtigde voor dit Hof ook in de onderhavige zaak heeft gedaan, dat aanbod zoals ook nu in hoger beroep tardief is aangezien de gemachtigde voldoende tijd heeft gehad om dit bewijs eerder bij te brengen dan met het aanbieden daarvan te wachten tot het laatste moment ter zitting bij de rechtbank respectievelijk het Hof. Het Hof heeft gemachtigde deze gang van zaken ter zitting van het Hof voorgehouden, maar daarop is geen verklaring gevolgd voor het eerst in het laatste stadium van het onderzoek in hoger beroep doen van evenbedoeld – niet nader geconcretiseerd – bewijsaanbod. Daarvan uitgaande verwerpt het Hof belanghebbendes standpunt in dezen.
5.6.3.
Het oordeel van de rechtbank om eveneens geen vergoeding toe te kennen voor het door van Velsen opgestelde taxatieverslag acht het Hof juist, alsmede de gronden waarop het berust. Het Hof acht ook ten aanzien van Van Velsen niet aannemelijk dat sprake is van een professionele bijstandsverlener (taxateur). Het Hof wijst in dit verband ook op zijn uitspraken van 31 januari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:408 en 409, alsmede op het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:337, en op de uitspraken van dit Hof van 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2296, en van 5 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:520 en het daarop volgende arrest van 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:461.
Slotsom
5.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, N. Djebali en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|