Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:2391 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:02-07-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.347.266
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Aannemingsovereenkomst zonneboilersysteem. Gesteld toerekenbaar tekortschieten doordat: (1) een ongeschikt boilervat is geïnstalleerd, (2) de zonnecollectoren niet naar behoren functioneren en (3) een 4 PV-panelensysteem had moeten worden geadviseerd in plaats van een zonnecollectorensysteem. Alleen het verwijt ter zake het boilervat doel. Bekrachtiging.
Trefwoorden:dagloon
taxatie
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.347.266
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 421429


arrest van 21 april 2026


in de zaak van




[appellant]


die woont in [woonplaats1]
(hierna: [appellant] )
advocaat: mr. P. Thole

en



[geïntimeerde] , handelend onder de naam [naam1]

die woont in [woonplaats2]
(hierna: [geïntimeerde] )
advocaat: mr. R.H.M. Bus





1Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 3 december 2024 heeft op 16 januari 2025 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de memorie van grieven, met productie;


de memorie van antwoord;


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 24 februari 2026 is gehouden.


Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.




2De kern van de zaak


2.1.

[geïntimeerde] heeft [appellant] geïnformeerd en geadviseerd over mogelijkheden om zijn huis te verduurzamen. [geïntimeerde] heeft vervolgens in opdracht van [appellant] een warmtepompinstallatie met een hygiëneboiler en een zonnecollectorensysteem geplaatst. Volgens [appellant] werkt het systeem niet naar behoren. Het water in de boiler wordt onvoldoende verwarmd, waardoor er te weinig warm tapwater wordt geleverd en er regelmatig moet worden bijverwarmd. [geïntimeerde] heeft na klachten daarover van [appellant] instellingen aangepast en een tweede, elektrisch, boilervat geplaatst. [appellant] heeft daarna laten weten dat het systeem nog steeds niet functioneert. In zijn opdracht heeft ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (hierna: ZNEB) een onderzoek uitgevoerd naar het functioneren van het systeem. ZNEB concludeert dat [geïntimeerde] installatietechnisch is tekortgeschoten. In opdracht van [geïntimeerde] heeft Installatietechnisch Advies Combinatie (hierna: IAC) een contra-expertise uitgevoerd. IAC concludeert onder meer dat het type boilervat naar alle waarschijnlijkheid ongeschikt is in combinatie met een warmtepomp en zonnecollectoren. In deze procedure stelt [appellant] zich op het standpunt dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten doordat: (1) een ongeschikt boilervat is geïnstalleerd, (2) de zonnecollectoren niet naar behoren functioneren en (3) [geïntimeerde] een 4 PV-panelensysteem had moeten adviseren in plaats van een zonnecollectorensysteem. [geïntimeerde] betwist dat hij is tekortgeschoten.



2.2.

[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van € 25.353,51, met veroordeling van [geïntimeerde] in de buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten, met wettelijke rente. Aan deze vordering heeft [appellant] de hiervoor genoemde tekortkomingen ten grondslag gelegd. Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:


i) € 11.335,60 voor vergoeding van de kosten om de ongeschikte hygiëneboiler te laten vervangen door een geschikt boilervat en het zonneboilersysteem te laten vervangen door een 4 PV-panelensysteem;


ii) € 6.232,56 voor vergoeding van gevolgschade (de optelsom van: (a) € 2.945,- (investeringsverschil); (b) € 2.775,- (technische ruimte uit- en inruimen); (c) € 303,83 (boren gaten / graven sleuven); (d) € 208,73 (inkomstenderving));


iii) € 5.212,50 voor vergoeding van gemiste energieopwekking;


iv) € 50,- voor vergoeding van kosten ‘bankafschriften ten behoeve van betaalbewijs’;


v) € 2.522,85 voor vergoeding van de kosten van het expertiserapport van ZNEB.





2.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft betwist dat hij een ongeschikt type boilervat heeft geïnstalleerd en in verband daarmee € 3.500,- van het onder post (i) bedoelde bedrag toegewezen, omdat partijen het erover eens zijn dat dit de kosten voor vervanging van het boilervat zijn. Ook is [geïntimeerde] in de buitengerechtelijke kosten van [appellant] veroordeeld voor een bedrag van € 574,75 incl. BTW. Voor het overige zijn de vorderingen afgewezen. [appellant] is als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.



2.4.
De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen, waarbij [appellant] zijn vordering voor zover zij ziet op post (i) heeft vermeerderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] daarop een nadere toelichting gegeven. In plaats van het eerder gevorderde bedrag voor vergoeding van de kosten voor aanpassing van het systeem vordert hij daarvoor primair € 35.015,84. Dat bedrag is gebaseerd op een door KlimaatConcept (handelsnaam van Essenka B.V.) uitgebrachte offerte voor het plaatsen van een nieuwe installatie. Subsidiair wordt de oorspronkelijke vordering tot vergoeding van de kosten van aanpassing van het systeem naar een 4 PV-panelensysteem gehandhaafd en stelt [appellant] dat voor de vervanging van het boilervat een hoger bedrag moet worden toegewezen.



2.5.
Het hof is van oordeel dat de gewijzigde eis onvoldoende is onderbouwd en is het verder met de rechtbank eens dat alleen het verwijt ter zake het boilervat doel treft. Er is geen aanleiding daarvoor een hoger bedrag toe te wijzen dan door de rechtbank is bepaald. Het hof zal het vonnis van de rechtbank dan ook in stand laten en licht dat hierna toe.






3De toelichting op de beslissing van het hof


Waarvan het hof uitgaat



3.1.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.8 onder de vaststaande feiten aangenomen dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden in overleg tussen partijen het aantal en de plaats van de zonnecollectoren is gewijzigd (drie op de oostzijde in plaats van twee op de zuidzijde). Daartegen komt [appellant] in hoger beroep op. Het aantal en de plaats van de zonnecollectoren is volgens [appellant] al vóór de uitvoering van de werkzaamheden besproken en vastgelegd. De uitvoering van de werkzaamheden is conform de in rechtsoverweging 2.7 genoemde offerte geweest. [geïntimeerde] heeft dit vervolgens bevestigd, zodat het hof daarvan uitgaat. Het hof gaat verder uit van de feiten zoals vastgesteld in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.21 van het vonnis van 12 juni 2024 van de rechtbank, nu [appellant] daartegen geen andere bezwaren (grieven) heeft geformuleerd.


KlimaatConcept en de eisvermeerdering




3.2.
In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis vermeerderd. Hij heeft een offerte van KlimaatConcept overgelegd waarin een totaalbedrag van € 35.015,84 incl. BTW (€ 28.938,71 excl. BTW) wordt genoemd en vordert nu vergoeding van dat bedrag. Daarbij stelt hij dat inmiddels duidelijk is geworden dat sprake is van nog meer gebreken en dat de kosten van herstel hoger zijn geworden. Wat die gebreken zijn, is door [appellant] niet nader toegelicht. Hij heeft volstaan met het citeren van een aantal ‘waarnemingen’ van KlimaatConcept. Ook is de stijging van de kosten niet geconcretiseerd. In de offerte van KlimaatConcept is het geoffreerde bedrag op geen enkele manier nader gespecificeerd. Niet duidelijk is welke werkzaamheden met welke kosten gepaard gaan. Ook is niet duidelijk in hoeverre deze werkzaamheden nodig zijn als gevolg van een tekortschieten van [geïntimeerde] en hoe zij zich verhouden tot de oorspronkelijke ontwerpvraag. Over dat laatste schrijft KlimaatConcept in haar ‘analyse huidige situatie’: “Ik stel vast dat de huidige bodemenergie centrale is opgebouwd uit prima componenten maar dat er in de opstelling en in het ontwerp een aantal zaken spelen die zorgen dat de installatie niet functioneert als wellicht bedoeld. Uiteraard heb ik de originele ontwerpvraag niet meegekregen maar ik kan mij voorstellen dat met name de functionaliteit van de warmteproductie niet is geworden wat ervan was verwacht. (…)” Het komt erop neer dat [appellant] een geheel nieuwe, deels andere en/of uitgebreidere, installatie wenst en de veel hogere kosten daarvan (de aanschafwaarde van het door [geïntimeerde] in opdracht van [appellant] geplaatste systeem was € 7.865,70 incl. BTW) op [geïntimeerde] wil afwentelen.



3.3.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gewijzigde eis bij gebrek aan een voldoende onderbouwing niet toewijsbaar is. Dat betekent dat de oorspronkelijke vordering tot vergoeding van kosten van vervanging van het boilervat en aanpassing van het systeem naar een 4 PV-panelensysteem ter beoordeling voorligt.


(1) Ongeschikt boilervat




3.4.
Onderdeel van die vergoeding, is een bedrag voor vervanging van het boilervat. In hoger beroep staat als onbestreden vast dat [geïntimeerde] een ongeschikt type boilervat bij [appellant] heeft geïnstalleerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] een bedrag van € 3.500,- moet betalen voor de vervanging van de hygiëneboiler door een geschikt boilervat. Dat bedrag is gebaseerd op het expertiserapport van IAC en instemming daarmee van [appellant] . [appellant] komt in hoger beroep tegen dit oordeel op. Hij stelt niet te hebben bevestigd dat dit de (actuele en volledige) kosten zijn. Een vat kostte destijds mogelijk € 3.500,-, maar daar komen nog kosten bij voor onder andere het demonteren en afvoeren van het oude vat en het installeren van het nieuwe vat. Bovendien zouden er in de bestaande situatie twee boilervaten moeten worden geplaatst, zo volgt uit het rapport van ZNEB.



3.5.

[appellant] maakt niet duidelijk wat de kosten voor vervanging van de hygiëneboiler door een geschikt boilervat dan wel zouden zijn. Hij volstaat met een verwijzing naar het rapport van ZNEB. Daarin worden twee verschillende scenario’s geschetst. Een eerste scenario is herstel van het huidig systeem, waarbij volgens ZNEB inderdaad twee boilervaten ter vervanging van de hygiëneboiler zouden moeten worden geplaatst. Daarvoor wordt daarin een bedrag van € 7.787,- begroot. De vordering van [appellant] is evenwel niet op herstel gestoeld, maar op aanpassing van het systeem naar een 4 PV-panelensysteem. In dat scenario gaat ZNEB ervan uit dat met één boilervat kan worden volstaan en worden de kosten daarvoor begroot op € 4.316,-. Hierna zal worden toegelicht dat [appellant] geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten voor aanpassing van het systeem naar een 4 PV-panelensysteem. Al daarom kan niet van dit bedrag worden uitgegaan. Tegenover het rapport van ZNEB staat het rapport van IAC. Daarin wordt aangenomen dat ook in de huidige situatie bij vervanging van de hygiëneboiler met één boilervat kan worden volstaan. Dat sluit ook aan bij wat partijen steeds voor ogen heeft gestaan. IAC merkt daarbij op dat plaatsing van twee boilers, zoals door ZNEB voorgesteld, tot hogere energiekosten leidt door warmteverlies. Het is aan [appellant] te stellen en te onderbouwen dat onjuist is dat bij vervanging met één boilervat kan worden volstaan. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. Het hof verwijst in dat verband ook naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de rechtbank, waarin staat: “De rechter vraag of het warmwatersysteem aan de wensen van [appellant] voldoet als een ander boilervat is geïnstalleerd. [appellant] : Ja, dat klopt. Dan ben ik tevreden.” Voor de hoogte van de kosten daarvan heeft het hof geen andere aanknopingspunten dan wat in het rapport van IAC staat: “De kosten voor het afkoppelen en verwijderen van de twee bestaande vaten en het plaatsen van een nieuwe aangepaste buffer zullen ca. € 3.000 exclusief btw bedragen.” Er is dan ook geen aanleiding de vergoeding van de kosten voor vervanging van het boilervat in hoger beroep op een hoger bedrag te bepalen dan de rechtbank heeft gedaan.


(2) Functioneren van de zonnecollectoren




3.6.
De rechtbank heeft bij gebrek aan belang in het midden gelaten of de zonnecollectoren niet naar behoren functioneren, zoals [appellant] stelt. Ook tegen dat oordeel heeft [appellant] bezwaren. Het hof stelt hier voorop dat het verwijt dat het zonnecollectorensysteem niet juist werkt als gevolg van iets anders dan het ongeschikte boilervat, onvoldoende is onderbouwd. [appellant] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt wat daaraan verder schort. ZNEB heeft in haar rapport opgemerkt dat zij het functioneren van het zonnecollectorensysteem niet heeft kunnen controleren. Haar conclusie dat het systeem niet goed blijkt te functioneren, lijkt te zijn gebaseerd op mededelingen van [appellant] . Het gebrek aan een voldoende onderbouwing van de stelling dat de zonnecollectoren niet naar behoren functioneren, staat al eraan in de weg dat in verband daarmee een vergoeding aan [appellant] wordt toegekend.



3.7.
Het hof is overigens van oordeel dat, ook als het verwijt gegrond zou zijn, dit niet tot toewijzing van het gevorderde kan leiden en licht dat hierna toe.



3.8.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [appellant] gevorderde schadevergoeding niet in causaal verband staat met het verwijt dat de zonnecollectoren niet naar behoren functioneren. De gevorderde schadevergoeding is niet gebaseerd op herstel van de zonnecollectoren, maar op de kosten die zijn begroot voor het vervangen van de zonnecollectoren door 4 PV-panelen.



3.9.

[appellant] komt in hoger beroep tegen dat oordeel op. Hij stelt dat de omstandigheid dat niet het beoogde rendement wordt behaald per definitie meebrengt dat er sprake is van schade en dat deze schade los staat van de vraag of er herstel wordt verlangd of aanpassing van het zonnecollectorensysteem naar een 4 PV-panelensysteem. Daarnaast is volgens [appellant] beide keren sprake van een investeringsverschil. Het hof begrijpt dat [appellant] hiermee bedoelt te stellen dat de schadeposten gemiste energieopwekking (post (iii)) en investeringsverschil (post (ii) onder (a)) wél in causaal verband staan met het verwijt omtrent het functioneren van de zonnecollectoren. Wat betreft de gemiste energieopwekking, heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte aangenomen dat het hier gaat om schade doordat niet direct een 4 PV-panelensysteem is geplaatst. Het gaat om schade doordat de zonnecollectoren niet goed functioneren en een onjuist boilervat is geplaatst. Voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling - en dus te laat - heeft [appellant] verder gesteld dat ook de gevolgschade gelegen in het uit- en inruimen van de technische ruimte (post (ii) onder (b)) in causaal verband staat met dit verwijt. Ook deze kosten moeten volgens [appellant] in beide scenario’s (herstel of aanpassing) worden gemaakt. Dat het causaal verband ten aanzien van de overige schadeposten ontbreekt, wordt in hoger beroep niet bestreden.



3.10.
Met [appellant] wil het hof aannemen dat de gevolgschade gelegen in de gemiste energieopwekking en (zoals te laat is gesteld) de kosten voor het uit- en inruimen van de technische ruimte wél in causaal verband staan met het (onvoldoende onderbouwde) verwijt dat het zonnecollectorensysteem niet naar behoren functioneert. Beide schadeposten zijn evenwel onvoldoende concreet onderbouwd, zoals ook door [geïntimeerde] is aangevoerd, en kunnen ook daarom niet worden toegewezen. Aan de gevorderde vergoeding van € 5.212,50 voor gemiste energieopwekking ligt kennelijk een door [appellant] zelf gemaakte berekening ten grondslag, maar die is niet overgelegd. Ook andere stukken waaruit van (de omvang van) gemiste energieopwekking en kosten daarvan blijkt, zijn niet overgelegd. De vergoeding van € 2.775,- voor kosten voor het uit- en inruimen van de technische ruimte komt terug in de beide ramingen van ZNEB. ZNEB heeft mede op basis van een opgave van [appellant] aangenomen dat hij vijf mandagen aanwezig moet zijn en op die dagen een netto dagloon van € 555,- incl. BTW derft. [appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit van zijn dagloon blijkt. Ook is niet concreet onderbouwd dat hij vijf mandagen aanwezig moet zijn.



3.11.
Dat het investeringsverschil, dat door ZNEB is begroot op € 2.945,-, in causaal verband staat met het (onvoldoende onderbouwde) verwijt dat het zonnecollectorensysteem niet naar behoren functioneert, is niet goed navolgbaar. Het gaat daarbij immers om het bedrag dat [appellant] minder had hoeven te betalen als direct een 4 PV-panelensysteem was geadviseerd en geplaatst. Dat sluit veeleer aan bij het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] hem niet goed heeft geadviseerd (zie hierna) dan bij enig gebrek aan de geplaatste zonnecollectoren.


(3) Het geadviseerde zonnecollectorensysteem




3.12.

[appellant] verwijt [geïntimeerde] verder dat een onjuist systeem is geadviseerd. Volgens [appellant] zijn de investeringskosten niet binnen de technische levensduur terug te verdienen. [geïntimeerde] had een 4 PV-panelensysteem moeten adviseren in plaats van een zonnecollectorensysteem, welk systeem wel ruimschoots binnen de levensduur kan worden terugverdiend. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt wijst [appellant] opnieuw naar het rapport van ZNEB. [appellant] stelt dat hij in dat geval ook voor een 4 PV-panelensysteem zou hebben gekozen.



3.13.
Tussen partijen is in geschil of de wens om de investering binnen de technische levensduur terug te verdienen vooraf ter sprake is gekomen en in de advisering is betrokken. [appellant] stelt dat dit is besproken. Dat is door [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank betwist. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen in hoger beroep is opgenomen dat [geïntimeerde] heeft gezegd dat de investering binnen de norm en in ieder geval binnen de levensduur moest worden terugverdiend. Ter gelegenheid van de daaropvolgende inhoudelijke mondelinge behandeling na de wisseling van processtukken heeft [geïntimeerde] duidelijk gemaakt dat dit niet weergeeft wat hij heeft bedoeld te zeggen en dat hij niet heeft bedoeld zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt te verlaten. Dat sluit ook aan bij de inhoud en strekking van het verweer dat in de memorie van antwoord is gevoerd. Daarvan gaat het hof dan ook uit.



3.14.
Anders dan [appellant] stelt, kan de uitlating van [geïntimeerde] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling na aanbrengen niet worden aangemerkt als een gerechtelijke erkentenis waarmee afstand is gedaan van het recht de stelling van [appellant] te betwisten (art. 154 Rv). Het hof stelt voorop dat een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsvindt op een moment waarop nog geen sprake is geweest van een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten en in beginsel geen inhoudelijk karakter heeft. Zij is bedoeld om inlichtingen te verkrijgen, met partijen te onderzoeken of een oplossing (schikking) kan worden bereikt en waar nodig met partijen te overleggen over het vervolg van de procedure. In die context past terughoudendheid bij het aannemen van een gerechtelijke erkentenis. Partijen moeten niet te snel worden gebonden aan uitlatingen die zij vooruitlopend op de nog schriftelijk te wisselen stukken doen. Wil sprake zijn van een gerechtelijke erkentenis, dan is vereist dat de erkenning uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] ook gezegd dat hij een andere installatie zou hebben geadviseerd als [appellant] een zo kort mogelijke terugverdientijd wilde. Die uitlating duidt erop dat het volgens [geïntimeerde] niet duidelijk was dat de terugverdientijd voor [appellant] van belang was. Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] met zijn uitlatingen tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen heeft bedoeld uitdrukkelijk en ondubbelzinnig als waar te erkennen dat besproken is dat de investering binnen de norm en in ieder geval binnen de levensduur moest worden terugverdiend.



3.15.

[appellant] stelt dat hij aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt dat ook het financieel rendement van het gekozen systeem voor hem belangrijk was. Het ligt op zijn weg deze stelling voldoende te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. [appellant] stelt dat dit ook blijkt uit het adviesrapport van [geïntimeerde] , maar maakt daarbij niet duidelijk waarop hij concreet doelt. Het hof deelt niet de opvatting van [appellant] dat terugverdientijd altijd een overwegende rol speelt en daarom zonder meer een essentieel onderdeel van de aanbieding en advisering is, dus ook als daarover niet uitdrukkelijk is gesproken. Evenmin kan worden aangenomen dat ten aanzien daarvan op een installateur steeds een waarschuwingsplicht rust. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] was om, als dit voor hem van doorslaggevend belang was, vragen aan [geïntimeerde] te stellen over de snelheid waarmee het gekozen systeem financieel terug te verdienen was of welk systeem financieel het meeste rendement zou opleveren. Daarvoor heeft hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voldoende gelegenheid gehad. Als juist is dat het geadviseerde zonnecollectorensysteem niet binnen de technische levensduur kan worden terugverdiend, wat [geïntimeerde] betwist, rechtvaardigt dat in deze omstandigheden dus niet de conclusie dat het advies reeds daarom onjuist is geweest. Dat [geïntimeerde] tegenover [appellant] tekortgeschoten is door een zonnecollectorensysteem te adviseren in plaats van een 4 PV-systeem is door [appellant] dan ook onvoldoende onderbouwd.

Kosten bankafschriften en kosten expertiserapport




3.16.
De door [appellant] gevorderde schadevergoeding ter hoogte van € 50,- voor ‘kosten bankafschriften ten behoeve van betaalbewijs’ (post (iv)) heeft de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing afwezen omdat daarop geen toelichting is gegeven. In hoger beroep heeft [appellant] daarop wel een korte toelichting gegeven, maar er zijn geen stukken overgelegd waaruit van de betaling van het bedoelde bedrag blijkt. Daarmee is deze schadepost ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd.



3.17.
De gevorderde schadevergoeding voor de kosten voor het expertiserapport van ZNEB ter hoogte van € 2.522,85 (post (v)) heeft de rechtbank afgewezen, omdat de kosten door zijn rechtsbijstandsverzekeraar zijn vergoed. [appellant] heeft daarom geen schade geleden. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft als gesubrogeerd verzekeraar een zelfstandig vorderingsrecht. Gesteld noch gebleken is dat de vordering aan [appellant] is gecedeerd. In hoger beroep stelt [appellant] dat algemeen bekend is dat een rechtsbijstandsverzekeraar de bevoegdheid geeft om namens haar expertisekosten te innen, dan wel dat sprake is van cessie, en dat dit ook volgt uit de polisvoorwaarden. Dat de vordering aan [appellant] is gecedeerd of dat hij op grond van de polisvoorwaarden tot inning bevoegd is, wordt door [geïntimeerde] betwist. [appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit van cessie blijkt en ook de polisvoorwaarden zijn niet overgelegd. Daarmee heeft hij ook deze stelling onvoldoende concreet onderbouwd.


Overige gevolgschade




3.18.
Ten overvloede overweegt het hof dat ook voor de gevorderde vergoeding van € 303,83 voor de kosten van het boren van gaten en graven van sleuven (post (ii) onder (c)) en van de inkomstenderving van € 208,73 (post (ii) onder (d)) een toereikende onderbouwing ontbreekt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] voor een toelichting op eerstgenoemd bedrag nog wel verwezen naar zijn productie 9 bij de inleidende dagvaarding. Dat is een brief van de rechtsbijstandsverzekeraar aan [geïntimeerde] van 3 december 2020. Achter die brief zit een brief van 22 november 2020, van [appellant] aan zijn rechtsbijstandsverzekeraar, met bijlagen. Bij de laatste bijlage zit een kostenopstelling die sluit op € 303,83. Onduidelijk is wie deze opstelling heeft gemaakt en waarop zij is gebaseerd. [appellant] heeft toegelicht dat het gaat om kosten die door een derde zijn gemaakt. Een factuur of bewijs van betaling is door [appellant] niet overgelegd.


BIK en proceskosten




3.19.
Het voorgaande brengt mee dat ook tevergeefs wordt opgekomen tegen de beslissing omtrent de buitengerechtelijke incassokosten. Ook de beslissing ten aanzien van de proceskosten van de procedure bij de rechtbank zal het hof in stand laten. De rechtbank heeft [appellant] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in die kosten kunnen veroordelen.


Bewijs




3.20.

[appellant] heeft geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.


De conclusie




3.21.
Slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.



3.22.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).





4De beslissing

Het hof:


4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 12 juni 2024;



4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 798 aan griffierecht
€ 7.056 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (3 procespunten x het toepasselijke tarief IV)



4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;



4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, en;



4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. G.D. Hoekstra, K. Mans en M.F.A. Evers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.




















HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Link naar deze uitspraak