|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:3582 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 04-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.345.621 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Contractenrecht. Uitleg. Is de pilot tussen een veevoederbedrijf en een varkenshouder al of niet stilzwijgend voortgezet? | | Trefwoorden | : | varkens | | | varkenshouderij | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.345.621
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 426941
arrest van 2 juni 2026
in de zaak van
AgruniekRijnvallei Voer B.V.
die is gevestigd in Wageningen
die hoger beroep heeft ingesteld
die bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie
hierna: AR Voer
advocaat mr. T.A. Timmermans
tegen
1 [de varkenshouder] Werfkampen V.O.F.
die is gevestigd in Raamsdonksveer
2. [de varkenshouder]
die woont in [woonplaats]
3. [de varkenshouder] B.V.
die is gevestigd in Raamdonksveer
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie, eisende partijen in voorwaardelijke reconventie
hierna: [de varkenshouder] V.O.F., [de varkenshouder] en [de varkenshouder] B.V., samen [de varkenshouder] c.s.
advocaat: mr. J.J.A. Braspenning
1Het verder verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Voor het verloop van de procedure tot aan het arrest in het incident van 21 januari 2025 (hierna: het tussenarrest) verwijst het hof naar dat arrest. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de verlening van akte niet dienen voor de memorie van grieven
de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 maart 2026 is gehouden
2De kern van de zaak
2.1.
Voor de weergave van de kern van de zaak en het procesverloop bij de rechtbank verwijst het hof naar de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het tussenarrest. In dat tussenarrest heeft het hof de incidentele vordering van AR Voer tot verstrekking ter inzage van bescheiden omtrent de voerkosten en voerwinst die [de varkenshouder] c.s. hebben behaald over de jaren 2020, 2021 en 2022 afgewezen. Vervolgens is aan AR Voer akte niet dienen verleend voor de memorie van grieven. [de varkenshouder] c.s. hebben daarna incidenteel hoger beroep ingesteld, omdat zij het in de kern genomen niet eens zijn met het oordeel van de rechtbank dat de afspraken die partijen in 2022 hebben gemaakt niet stilzwijgend zijn voortgezet in 2023. AR Voer heeft zich daartegen verweerd.
2.2.
Het hof zal beslissen dat de grieven van [de varkenshouder] c.s. gegrond zijn en licht dat hierna toe. Het hof zal het vonnis van de rechtbank voor zover dat betrekking heeft op de vorderingen in reconventie daarom vernietigen en AR Voer veroordelen tot vergoeding van een extra bedrag bovenop het bedrag dat de rechtbank heeft toegewezen.
3De tussen partijen vaststaande feiten
3.1.
De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.31 de tussen partijen vaststaande feiten weergegeven. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. Het hof zal deze feiten hieronder herhalen.
3.2.
AR Voer exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met de vervaardiging en verkoop van veevoeder.
3.3.
[de varkenshouder] V.O.F. exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met onder meer het houden en fokken van varkens.
3.4.
[de varkenshouder] V.O.F. levert haar varkens aan Best Star Meat B.V. (hierna: BSM).
3.5.
BSM hanteert in haar productieketen het concept ‘Varken op zijn Best’ (VOB). In januari 2022 heeft BSM aan [de varkenshouder] V.O.F. te kennen gegeven dat de V.O.F. indien zij nog langer mee wilde blijven doen aan dit concept, enkel nog voer mag afnemen van voerleveranciers die ook onderdeel uitmaakten van de VOB-keten (waarbij eisen worden gesteld waar het veevoeder aan moet voldoen). [de varkenshouder] V.O.F. is daarmee (in beginsel) akkoord gegaan. BSM heeft daarop VR Voer bij [de varkenshouder] V.O.F. aangedragen als ketenpartner binnen het VOB-concept.
3.6.
Tussen AR Voer en [de varkenshouder] V.O.F. is op 13 mei 2022 een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan AR Voer aan [de varkenshouder] V.O.F. varkensvoer is gaan leveren. In het daarvan opgemaakte “Klantmutatieformulier” staat onder meer (vetgedrukt): “Klant verklaart hierbij dat het formulier naar waarheid is ingevuld en dat hij/zij kennis heeft genomen van de Algemene Voorwaarden.”
3.7.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft in dit verband op 13 mei 2022 aan AR Voer een e-mail verzonden, waarvan de inhoud als volgt luidt:
“Daarnaast hebben we nog een uitdaging m.b.t. de afspraak gecorrigeerd op de voerkosten/kg groei. Ik heb afgelopen jaren op een rij gezet. (…) De gemiddelde voerkosten/kg groei komen uit op ongeveer 5-6 cent onder het Agrovision gemiddelde. (afhankelijk van een jaar met stijgende prijzen of dalende prijzen). 2021 springt hier dus behoorlijk negatief uit. Een doelstelling maken op basis van 2021 lijkt me dus geen goed idee. Laten we dit meenemen in ons vervolggesprek.”
3.8.
AR Voer is veevoeder gaan leveren aan [de varkenshouder] V.O.F. AR Voer hanteert algemene voorwaarden. Artikel 5 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:
“Betaling aan AR dient te geschieden uiterlijk voor of op de op de factuur vermelde vervaldatum, zonder verrekening, korting en/of opschorting, door voldoening op het door AR opgegeven bankrekeningnummer. Indien het volledige bedrag niet uiterlijk op de vervaldag is betaald, is afnemer zonder nadere ingebrekestelling van rechtswege in verzuim. Vanaf dat moment is afnemer over de hoofdsom de wettelijke handelsrente verschuldigd en is afnemer verplicht alle ter incasso te maken buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten te vergoeden.”
3.9.
Op 11 juli 2022 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen AR Voer en [de varkenshouder] V.O.F. (bij welke bespreking ook [de collega-varkenshouder] , die een soortgelijke onderneming exploiteert als [de varkenshouder] V.O.F., aanwezig was).
3.10.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft per-email van 14 juli 2022 aan A.R. Voer (en [de collega-varkenshouder] ) een samenvatting van deze bespreking verzonden. In deze samenvatting komen onder meer de volgende passages voor:
“ Agruniek Rijnvallei (AR Voer, rechtbank) ziet praktische bezwaren n.a.v. het voorstel dat er lag. (Pilot met een voerprijs die fluctueert op basis van de prijsmutaties van een grondstoffenmandje) (…) Agruniek Rijnvallei heeft contact gehad met [de medewerker] . Tijdens dit overleg is voorgesteld een pilot te starten met een opbrengstprijs op basis van een kostprijsberekening. (…) Hier zou ABAB als onafhankelijke partij de berekeningen voor kunnen maken. Uiteraard vallen de voerkosten hier ook onder. Bij extra eisen aan het voer, zal de kostprijs en dus de opbrengstprijs stijgen.
Vooruitlopend op deze Pilot, zou Agruniek Rijnvallei alvast een Pilot met ons willen starten op het gebied van voer. We starten met onze eigen samenstellingen en Agruniek Rijnvallei zorgt voor een scherpe prijsstelling. Omdat het een Pilot betreft, is de afspraak dat we de voerkosten/afgeleverd varken van de eerste helft van 2022 t.o.v. VOB bedrijven minimaal door kunnen trekken, naar de tweede helft van 2022. ABAB in de persoon van [de accountant] vragen we als onafhankelijke partij om dit te beoordelen. Mochten we de resultaten niet halen, wordt dit gecompenseerd. De afspraak geldt voor de tweede helft van 2022. Na Q3 zal de eerste evaluatie plaatsvinden.
Ondertussen zal met Best Star Meat het gesprek op gang gebracht worden om de pilot voor opbrengstprijs op basis van de kostprijsberekening op te starten. Tevens zullen we bekijken hoe de pilot met Agruniek Rijnvallei binnen dit systeem gaat passen”.
3.11.
AR Voer heeft per e-mail van 15 juli 2022 (met als onderwerp: “RE: samenvatting gesprek 11-7”) het volgende aan [de varkenshouder] V.O.F. laten weten:
“Ik zal het verslag delen met Johan . Verder zal ik volgende week [de medewerker] bijpraten. Mogelijk heeft hij ook al contact gehad met [de accountant] . Ik heb er geen probleem mee, dat jij alvast contact opneemt met [de accountant].”
3.12.
AR Voer heeft per e-mail van 26 oktober 2022 het volgende aan [de varkenshouder] V.O.F. bericht:
“Ik heb vorige week uitvoerig met [de accountant] gesproken over hoe een goede benchmark er uit zou kunnen zien. We kwamen tot het volgende:
• De LEI notering voor mengvoeders is een goede benchmark voor voerprijzen. Er is een notering voor startvoer en voor vleesvarkensvoer. Om tot een pakketprijs te komen is 1/3 start en 2/3 eindvoer een goede verhouding. De noteringen zijn openbaar en o.a. te vinden op onderstaande link:(…)
• Ik stel voor een bepaalde afwijking van deze LEI notering af te spreken als maximum voor de voerprijs.
• Vervolgens pakken we de landelijke Agrovision cijfers voor VC, groei en uitval.
• We vergelijken jullie voerkosten met de afgesproken Benchmark (VC * voerprijs (=afspraak op basis van LEI)* 95 kg groei)
• Vervolgens kijken we ook naar de groei en uitval. We vergelijken jullie groei met Agrovision en waarderen het verschil op 0,04 per gram groei en 1,00 per % uitval.
• De optelling van verschil in voerkosten, groei en uitval (per varken) wordt uiteindelijk de benchmark waar we mee gaan vergelijken
Graag zou ik van jullie de gemiddelde kwartaalcijfers ontvangen van het jaar 2021 en 2020, om te kijken hoe het verloop per kwartaal is van jullie cijfers ten opzichte van bovenstaande benchmark.
Zou dat deze week lukken?
Zoals ik er nu tegen aan kijk maken we vervolgens een afspraak over de hoogte van de benchmark (bijvoorbeeld + 10,- per varken) en het percentage van de afwijking wordt betaald door AR en voor de varkenshouder zelf is.
Uiteraard licht ik het verhaal graag mondeling toe .”
3.13.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft bij e-mail van 27 oktober 2022 aan AR Voer laten weten dat zij zich kan vinden in de door AR Voer voorgestelde berekeningswijze.
3.14.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft per e-mail van 27 december 2022 het volgende aan AR Voer medegedeeld:
“Onze huidige afspraak loopt tot en met 31 december van dit jaar. Ik zou graag met je in gesprek gaan over hoe nu verder. Ik stel voor om op korte termijn een afspraak te plannen om Q3 en Q4 van 2022 te evalueren. Tot die tijd laten we de huidige afspraak doorlopen.”
3.15.
AR Voer reageert daarop per e-mail van 28 december 2022 als volgt:
“Is het goed dat ik daar week 1 van 2023 over aan kom?
Ik zou kunnen Woensdag 4 januari of Vrijdag 6 januari (…).”
3.16.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft per e-mail van 4 januari 2023 (met CC aan AR Voer) het volgende aan [de accountant] (hierna: [de accountant] ) medegedeeld:
“Ik heb vanmiddag een gesprek gehad met [de verkoopleider] van AR (in CC) over de voerprijsafspraak die we halverwege dit jaar gemaakt hebben. Over de tweede helft van 2022 moet een correctie gemaakt worden omdat we de doelstelling helaas niet gehaald hebben.
Zou jij als onafhankelijke partij de berekening kunnen maken voor de correctie? De gemaakte afspraak is als volgt:
Het niveau van voerkosten per afgeleverd varken gerealiseerd in de eerste helft van 2022 wordt doorgetrokken in de tweede helft van 2022 met behoud van technische resultaten.
Met Gerben hebben we afgesproken om de LEI notering voor de mengvoeders als basis te pakken voor de berekening, rekening houdend met (1/3 startvoer, 2/3 afmestvoer)
De resultaten van de tweede helft van 2022 zijn nog net niet gereed. Maar zou je alvast een opzet kunnen maken voor Q3 zo dat we met elkaar de methode van berekenen vast kunnen stellen?”
3.17.
[de accountant] heeft een berekening gemaakt voor het derde kwartaal van 2022 en deze per e-mail van 9 januari 2023 aan [de varkenshouder] V.O.F. verzonden. De berekening resulteert in een negatief verschil in voerkosten per varken van € 9,31. [de accountant] legt in deze e-mail uit hoe hij tot deze uitkomst is gekomen, waarbij hij onder meer verwijst naar de LEI voerprijzen. [de accountant] eindigt als volgt: “Met bovenstaande hoop ik een reële uitwerking van de door jullie gemaakte afspraak te hebben gegeven. Wanneer ik de door jullie gemaakte afspraken verkeerd vertaald heb naar de berekening, moet je het even laten weten.”
3.18.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft deze e-mail van [de accountant] dezelfde dag nog doorgestuurd naar AR Voer.
3.19.
AR Voer heeft per e-mail van 16 februari 2023 aan [de varkenshouder] V.O.F. een eigen berekening over het derde en vierde kwartaal van 2022 verzonden, waaruit blijkt dat AR Voer ervan uitgaat dat zij 50% van het daaruit blijkende negatieve resultaat moet betalen aan [de varkenshouder] V.O.F.
3.20.
[de accountant] heeft per e-mail van 22 februari 2023 aan [de varkenshouder] V.O.F. een berekening over het derde en vierde kwartaal van 2022 (voorzien van een uitgebreide toelichting) verstuurd. De berekening resulteert in een negatief verschil in voerkosten per geleverd varken van € 9,40 in de tweede helft van 2022 in vergelijking tot de voerkosten in de eerste helft van 2022.
3.21.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft nog dezelfde dag per e-mail het volgende aan AR Voer laten weten.
“Volgens afspraak heb ik [de accountant] de opdracht gegeven om onze afspraak uit te werken + alle cijfers te controleren. In de bijlage vind je de totale uitwerking. In onderstaande mail een uitgebreide toelichting op de berekening.
De berekening wijkt in hoofdlijnen niet veel af van jou eigen berekening. [de accountant] heeft duidelijke argumenten voor te kiezen voor de gecorrigeerde cijfers. Het verschil 50/50 delen wat jij voorstelt, is bij deze afspraak nooit aan de orde geweest.
Graag zou ik 2022 zo spoedig mogelijk willen afwerken. Met bijgevoegde uitwerking zijn alle uitgangspunten bekend.”
3.22.
Op 27 maart 2023 heeft er naar aanleiding van de berekening van [de accountant] een gesprek plaatsgevonden tussen AR Voer en [de varkenshouder] V.O.F.
3.23.
AR Voer heeft per e-mail van 31 maart 2023 gereageerd op de berekening van [de accountant] . In deze e-mail komen onder meer de volgende passages voor:
“De technische cijfers als groei en uitval worden correct vergeleken en dan zien we dat de resultaten op het niveau zijn van hetgeen bij jullie op het bedrijf normaal is ten opzichte van Agrovison (…)
Uit diezelfde cijfers blijft ook dat jij met jouw voerkosten het 1ste kwartaal bijna 9 euro onder Agrovison zitten en dan kijk ik bij het 4de kwartaal en dat is dat ruim 10 euro. Dus nog beter! Ik heb jou uitgelegd dat het 2de en 3de kwartaal de LEI cijfers absurde sprongen maken bij met name varkensvoeders. Niemand weet exact hoe dit kan, maar het LEI zelfs is duidelijk: Er kan geen enkel recht aan de cijfers worden ontleed. Zelf heb ik er wel uitleg bijgeven.
Dit hebben wij ook [de accountant] voorgelegd en hij geeft aan dat het een merkwaardige, niet geheel te verklaren ontwikkeling is, maar hij daar geen verantwoordelijkheid in heeft (dat is logisch) omdat hij slecht probeert een benchmarkt op te zetten die voor jullie en ook voor AR acceptabel is. Mogelijk dat het in de toekomst ook een keer anders is gaf hij aan, maar daar kan ik niks mee.
Dan kijk ik naar de opzet van de benchmarkt ten opzichte van de LEI en zie ik een onmogelijke vergelijking. Mijn motto is dat ik zaken waar ik achter moet gaan staan moet begrijpen en vertrouwen. In dit geval kan ik dit niet (…).”
3.24.
AR Voer heeft per e-mail van 28 april 2023 het volgende aan [de varkenshouder] V.O.F. laten weten:
“Ondertussen hebben wij contact gehad met [de medewerker] omtrent de monitoring en hieronder naar aanleiding hiervan ons standpunt.
Net als Gerben in het begin had aangegeven is ook volgens [de medewerker] de enige goede monitoring op voerwinst niveau omdat dan de extra inspanning op onder meer voer tot uiting komen in de voerwinst door de extra toeslag die VOB geeft. Dat heb ik in de vorige mail ook uitgelegd en aangegeven.
Ondertussen zijn de eerste gegevens bekend van de monitoring op voerwinst niveau en dan zien we in 2022 dat Beter Leven bedrijven er zeer goed uitkomen en VOB specifiek nog beter. Dat is ook de doelstelling naast het produceren van top kwaliteit varkensvlees en dus goed om te constateren dat dit wordt gehaald.
Daarom ga ik ervan uit dat met jullie resultaten die behaald zijn met AR voer jullie in de top meedraaien op voerwinst niveau. Dat is ook het uitgangspunt geweest van alle inspanningen binnen VOB en dat lijkt te worden gehaald.
Op basis van bovenstaande zult u begrijpen dat wij niet akkoord zijn met u claim c.q. opstelling.”
3.25.
AR Voer heeft in maart en april 2023 veevoeder aan de V.O.F. geleverd. AR Voer heeft daarvoor de volgende facturen aan de V.O.F. verzonden:
- factuurnummer 240677295 d.d. 11 maart 2023 ad € 25.196,76- factuurnummer 240678710 d.d. 18 maart 2023 ad € 28.409,28- factuurnummer 240680166 d.d. 25 maart 2023 ad € 28.272,45- factuurnummer 240681654 d.d. 1 april 2023 ad € 42.332,25- factuurnummer 240682043 d.d. 1 april 2023 ad € 183,52
Totaal € 124.394,52
De vervaldata van deze facturen zijn achtereenvolgens: 20 maart 2023, 27 maart 2023,
3 april 2023, 10 april 2023 en 10 april 2023.
3.26.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft op de openstaande facturen een bedrag van € 13.178,50 voldaan.
3.27.
[de accountant] heeft per e-mail van 5 mei 2023 aan [de varkenshouder] V.O.F. een berekening opgestuurd, waarin hij het resultaat van [de varkenshouder] V.O.F. in het eerste kwartaal 2023 vergelijkt met het resultaat van [de varkenshouder] V.O.F. in de eerste helft van 2022. [de accountant] komt daarbij voor het eerste kwartaal van 2023 uit op een negatief resultaat in voerkosten per geleverd varken van € 8,57.
3.28.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft per e-mail van 6 mei 2023 jegens AR Voer aanspraak gemaakt op een bedrag van:- € 71.445,36 ter zake “Correctie Q3 en Q4 2022 (6973 afgeleverde vlv)”- € 34.142,45 ter zake van “Correctie Q1 2023 voerkosten per afgeleverd varken (3655 afgeleverde vlv)”- € 3.705,07 ter zake van “Voorlopige correctie Q1 2023 uitval en groei”- € 1.923,14 ter zake van “Voorlopige verdeling [de accountant] ”Het totaal bedrag bedraagt € 111.216,02 (inclusief btw).In deze e-mail komt voorts nog de volgende passage voor:
“Gezien er aan uw zijde nog een bedrag openstaat van € 166.217 inclusief btw (…) zullen wij het verschil van € 55.000,98 overmaken naar de rekening van Agruniek Rijnvallei. Daarmee is voor ons deze kwestie afgedaan.”
3.29.
AR Voer heeft bij e-mail van 19 juli 2023 [de varkenshouder] V.O.F. -tevergeefs- gesommeerd om het resterende bedrag van de openstaande facturen (€ 111.216,02) aan haar te betalen.
3.30.
[de varkenshouder] V.O.F. heeft bij brief van haar rechtsbijstandsverzekeraar van 18 augustus 2023 aan AR Voer te kennen gegeven dat zij voormeld bedrag niet zal betalen. In plaats daarvan heeft [de varkenshouder] V.O.F. AR Voer gesommeerd om een bedrag van € 111.216,02 aan haar te betalen.
3.31.
AR Voer heeft aan deze sommatie niet voldaan.
3.32.
[de varkenshouder] V.O.F. is na herhaalde sommatie door de rechtsbijstandsverzekeraar van AR Voer bij brief van 13 september 2023 niet overgedaan tot betaling aan AR Voer.
4De toelichting op de beslissing van het hof in reconventie
De beslissing in het principaal hoger beroep
4.1.
AR Voer heeft geen grieven geformuleerd in het door haar ingestelde principaal hoger beroep. Zij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het principaal hoger beroep. Zij zal worden veroordeeld in de kosten van [de varkenshouder] c.s. in het principaal hoger beroep, die het hof begroot op nihil.
De beslissing in het incidenteel hoger beroep ten aanzien van de vorderingen in reconventie; uitleg van de afspraken bij einde van de overeengekomen looptijd van de pilot
4.2.
Het hoger beroep heeft betrekking op de reconventie, waarin [de varkenshouder] c.s. tegenvorderingen tegen AR Voer hebben ingediend. De rechtbank heeft deze tegenvorderingen toegewezen, voor zover zij betrekking hebben op de periode tot 1 januari 2023. De rechtbank heeft beslist dat AR Voer en [de varkenshouder] c.s. op 11 juli 2022 onder meer hebben afgesproken dat AR Voer in het kader van een pilot voor de tweede helft van 2022 [de varkenshouder] c.s. zou compenseren, voor zover [de varkenshouder] c.s. met het door AR Voer in de tweede helft van 2022 geleverde varkensvoer niet minimaal dezelfde resultaten (dat wil zeggen: minimaal dezelfde voerkosten per afgeleverd varken om het varken op het gewenste gewicht te krijgen) zouden behalen als in de eerste helft van 2022 (rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.27 van het vonnis van de rechtbank van 10 april 2024 (hierna: het vonnis). Tegen die beslissing is geen grief gericht, zodat zij in hoger beroep vaststaat.
4.3.
[de varkenshouder] c.s. zijn in hoger beroep opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.28 tot en met 4.30 dat de afspraak over de tweede helft van 2022 niet stilzwijgend is voortgezet, zodat [de varkenshouder] c.s. geen recht op compensatie hebben na 1 januari 2023. [de varkenshouder] c.s. stellen dat de afspraken uit 2022 wel (stilzwijgend) zijn voortgezet, welke stelling AR Voer betwist.
4.4.
Dit geschilpunt tussen partijen betreft de uitleg van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding. Die uitleg moet worden bepaald aan de hand van de Haviltex-maatstaf: het komt daarbij aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan hun e-mailwisselingen, gesprekken en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.5.
De rechtbank heeft relevant voor haar beslissing geacht dat uit het verslag van de bespreking op 11 juli 2022 duidelijk blijkt dat de compensatieafspraak is gemaakt voor de tweede helft van 2022. Uit de e-mail van [de varkenshouder] c.s. van 27 december 2022 volgt dat [de varkenshouder] c.s. dat ook zo hebben begrepen. Uit het enkele feit, zo vervolgt de rechtbank, dat AR Voer niet heeft gereageerd op het voorstel van [de varkenshouder] c.s. om de huidige afspraak te laten doorlopen door te zeggen “wij stoppen ermee”, volgt niet dat [de varkenshouder] c.s. er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat AR Voer stilzwijgend met voortzetting van de pilot heeft ingestemd. Voor die beslissing acht de rechtbank van belang dat de evaluatie over het derde en vierde kwartaal nog moest plaatsvinden en [de varkenshouder] c.s. in hun e-mail van 27 december 2022 jegens AR Voer kennelijk aanspraak maakten op verrekening over het derde kwartaal van 2022. Gesteld noch gebleken is dat partijen tijdens hun bespreking op 4 januari 2023 overeenstemming hebben bereikt over voortzetting van de pilot in het eerste kwartaal van 2023 onder dezelfde voorwaarden. Het enkele feit dat AR Voer in 2023 is doorgegaan met de levering van voer betekent niet dat [de varkenshouder] c.s. er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat zij tegenover AR Voer aanspraak op compensatie konden maken als de resultaten achterbleven bij die uit de eerste helft van 2022.
4.6.
[de varkenshouder] c.s. zijn het niet met deze beslissing eens. Nadat [de varkenshouder] aan de heer [de verkoopleider] , destijds Verkoopleider Varkens van AR Voer, bij e-mail van 27 december 2022 had voorgesteld om te bespreken hoe partijen verder zouden gaan in de pilot, heeft [de verkoopleider] tijdens het overleg van 4 januari 2023 ingestemd met een verlenging van de pilot. Dat is volgens [de varkenshouder] c.s. ook begrijpelijk, omdat voor het derde kwartaal alleen de interne cijfers van [de varkenshouder] VOF en de referentiecijfers van de varkenshouderij (de benchmarkt) beschikbaar waren en voor het vierde kwartaal in het geheel geen cijfers, zodat de pilot nog niet kon worden geëvalueerd. Pas op 9 januari 2023 stuurde de heer [de accountant] , die als onafhankelijke deskundige voor beide partijen de cijfers zou uitwerken, aan partijen zijn evaluatie van de cijfers van het derde kwartaal, afgezet tegen de resultaten uit de benchmark. In die periode waren de verhoudingen tussen partijen goed. De werkwijze van de pilot is ten slotte over het eerste kwartaal van 2023 voortgezet, wat onder meer blijkt uit de door AR Voer gestuurde facturen. Voor het geval [de varkenshouder] c.s. niet zouden kunnen bewijzen dat AR Voer heeft ingestemd met de verlenging van de pilot, beroepen [de varkenshouder] c.s. zich erop dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat AR Voer in afwachting van de evaluatie over 2022 de pilot zou voortzetten. AR Voer heeft tegen deze stellingen verweer gevoerd.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 31 maart 2026 hebben [de varkenshouder] en [de verkoopleider] verklaard over wat zij hebben besproken op 4 januari 2023. Beide heren hebben daarover verklaard dat de cijfers over het derde kwartaal tegenvielen, wat betekent dat [de varkenshouder] VOF meer had betaald voor het voer dan in het eerste kwartaal van 2022, welke periode de referentieperiode was. Volgens [de varkenshouder] heeft [de verkoopleider] toen gezegd dat er moest worden onderzocht wat de oorzaak was van de prijsverschillen en dat het nodig was om de pilot enkele kwartalen voort te zetten, zodat de grondstofprijzen zouden nivelleren. Partijen zouden korter op de bal moeten zitten om het bijbetalen te voorkomen. Zowel [de varkenshouder] als [de verkoopleider] had het vertrouwen dat de cijfers over het vierde kwartaal gunstiger zouden zijn, aldus [de varkenshouder] tijdens de mondelinge behandeling. Het hof heeft een aantal malen aan [de verkoopleider] gevraagd of de weergave door [de varkenshouder] correct was. [de verkoopleider] heeft geantwoord dat hij het niet zo goed meer weet, dat het vaker gebeurt dat een eerste kwartaal van een samenwerking afwijkende resultaten laat zien, dat [de varkenshouder] en hij het volste vertrouwen hadden dat het wel goed zou komen en dat hij werd geconfronteerd met cijfers die heel erg afweken van de landelijke trend en dat hij niet goed kon verklaren waar hem dat in zat.
4.8.
Hiermee heeft AR Voer onvoldoende weersproken dat tijdens het overleg op 4 januari 2023 voortzetting van de pilot aan de orde is gekomen en dat AR Voer tijdens dat overleg heeft ingestemd met het verzoek van [de varkenshouder] c.s. tot voortzetting van de pilot, althans onvoldoende duidelijk het verzoek heeft afgewezen. In ieder geval mochten [de varkenshouder] c.s. op basis van hetgeen [de verkoopleider] tijdens het gesprek heeft gezegd, erop vertrouwen dat AR Voer instemde met verlenging van de pilot. Aan dit oordeel draagt bij dat partijen na 1 januari 2023 op dezelfde manier voer hebben besteld/geleverd en deze hebben gefactureerd/betaald. Anders dan AR Voer verdedigt, is deze omstandigheid een aanwijzing dat partijen de samenwerking op de bestaande voet hebben voortgezet. AR Voer heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke afspraken dan in de plaats zouden zijn gekomen voor de afspraken uit de pilot, uitgaande van haar verweer dat de afspraken uit de pilot niet zijn voortgezet na 1 januari 2023. Dit brengt mee dat AR Voer de stelling van [de varkenshouder] c.s. dat de pilot is voortgezet, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en dat daarmee is komen vast te staan dat de pilot is voortgezet. Bewijslevering op dit punt aan de zijde van [de varkenshouder] c.s. is daarom niet nodig en aan de zijde van AR Voer wordt daaraan niet toegekomen. Dit brengt weer mee dat de grieven van [de varkenshouder] c.s. gegrond zijn en dat het vonnis niet in stand kan blijven.
4.9.
AR Voer heeft de omvang van de vordering van de VOF op haar niet betwist. Het door de VOF gevorderde bedrag van € 37.847,52 komt daarom voor toewijzing in aanmerking. [de varkenshouder] c.s. hebben niet gegriefd tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot betaling van vertragingsrente (rechtsoverwegingen 4.31 tot en met 4.40), zodat het hof geen vertragingsrente over het toegewezen bedrag zal toewijzen.
De conclusie
4.10.
Het incidenteel hoger beroep slaagt. Het hof zal het door de rechtbank afgewezen bedrag alsnog toewijzen door in het dictum dit bedrag aanvullend op te nemen. Omdat AR Voer in reconventie in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof AR Voer tot betaling van de proceskosten in reconventie zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. In het feit dat in hoger beroep slechts het incidenteel hoger beroep aan de orde is gekomen, ziet het hof aanleiding het griffierecht aan het incidenteel hoger beroep toe te rekenen en geen halvering van het salaris van de advocaat toe te passen. De compensatie van de proceskosten in conventie door de rechtbank is in hoger beroep niet aangevallen, zodat die veroordeling in stand blijft. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Voor alle duidelijkheid wijst het hof erop dat het vonnis van de rechtbank, voor zover in conventie gewezen (waaronder de onderdelen 5.1 tot en met 5.4 van het dictum), onaangetast blijft.
4.11.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5De beslissing
Het hof:
In het principaal hoger beroep
5.1.
verklaart AR Voer niet-ontvankelijk in haar principaal hoger beroep;
5.2.
veroordeelt AR Voer in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, tot op heden begroot aan de zijde van [de varkenshouder] c.s. op nihil;
In het incidenteel hoger beroep, oordelend in reconventie
5.3.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 10 april 2024, voor zover daarbij onder 5.5. van het dictum een bedrag van € 71.445,36 in hoofdsom en een bedrag van € 1.489,45 aan buitengerechtelijke kosten is toegewezen, maar vernietigt de beslissing tot compensatie van de proceskosten in onderdeel 5.7. van het dictum, voor zover die betrekking heeft op de reconventie en vernietigt ook de beslissing in onderdeel 5.8. van het dictum, voor zover daarbij het meer of anders gevorderde tot het bedrag van € 37.847,52 is afgewezen en vult het dictum in het vonnis aan met de volgende veroordelingen:
5.3.1.
veroordeelt AR Voer om aan [de varkenshouder] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 37.847,52 in hoofdsom;
5.3.2.
veroordeelt AR Voer in reconventie tot betaling van de volgende proceskosten van [de varkenshouder] c.s. tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 1.214 aan salaris van de advocaat van [de varkenshouder] c.s. (0,5 x 2 procespunten x het toepasselijke tarief IV)
5.4.
veroordeelt AR Voer tot betaling van de volgende proceskosten van [de varkenshouder] c.s. in hoger beroep:
€ 2.175 aan griffierecht
€ 3.340 aan salaris van de advocaat van [de varkenshouder] c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief III)
5.5.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, S.B. Boorsma en V. van der Kuil , en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|