Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:5440 
 
Datum uitspraak:18-08-2026
Datum gepubliceerd:31-08-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:24/1156 tot en met 24/116 24/1156 tot en met 24/116
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV. Compromis
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
belastbaar inkomen uit werk en woning
forfaitair
mkb-winstvrijstelling
verzamelinkomen
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/1156 tot en met 24/1161
uitspraakdatum: 18 augustus 2026


Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer


op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

en het incidentele hoger beroep van



[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2024, nummers LEE 22/2748 tot en met 22/2751, 22/2753 en 22/2754, ECLI:NL:RBNNE:2024:1216, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2013, 2014 en 2015 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen is bij beschikkingen belastingrente berekend en zijn bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV vergrijpboeten opgelegd evenals bij de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2015. Tevens zijn in de IB/PVV, al dan niet impliciet, voor de jaren 2013 en 2014 verliesverrekeningsbeschikkingen genomen en voor de jaren 2013 en 2015 verliesvaststellingsbeschikkingen herzien.



1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2015 en tegen de navorderingsaanslagen in de Zvw over de jaren 2014 en 2015, alsmede die tegen de bijbehorende beschikkingen belastingrente en boetebeschikkingen, ongegrond verklaard. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2013 niet-ontvankelijk verklaard, belanghebbendes bezwaarschrift tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. De Inspecteur heeft tot slot de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 2013 en 2014 (en de bijbehorende beschikkingen belastingrente en boetebeschikkingen) gegrond verklaard, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2013 verminderd, de bijbehorende beschikking belastingrente en boetebeschikking dienovereenkomstig verminderd, en het verzamelinkomen over het jaar 2014 verlaagd.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep inzake de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2014 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de overige beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de toekenning van de proceskostenvergoeding (2013 en 2014), vernietigd, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2013 (en de bijbehorende beschikking belastingrente) vernietigd, de verliesverrekeningsbeschikking in de IB/PVV voor het jaar 2013 vernietigd, het verlies uit werk en woning over het jaar 2013 vastgesteld op € 5.226, de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2013 (en de bijbehorende beschikking belastingrente) vernietigd, de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2014 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.536, de bijbehorende beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, over het jaar 2015 de navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de Zvw verminderd naar respectievelijk een belastbaar inkomen uit werk en woning en een bijdrage-inkomen van € 6.489, de bijbehorende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de boetebeschikkingen vernietigd, bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 100 moet vergoeden, en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten die belanghebbende heeft gemaakt tot een bedrag van € 2.308,56.



1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.



1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting een 10-dagenstuk ingestuurd en de Inspecteur een pleitnota.



1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Onderhavige zaken zijn daarbij met toestemming van partijen gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en drs. D. van Marle, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] , [naam3] en [naam4] . Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de Inspecteur in de gelegenheid te stellen bestanden, waarover beide partijen beschikken, aan het Hof over te leggen en om partijen in de gelegenheid te stellen met elkaar in overleg te treden over een eventuele compromissoire oplossing. Partijen hebben er ter zitting mee ingestemd dat een nadere zitting in beginsel achterwege zal blijven, tenzij het Hof anders beslist.



1.7.
De Inspecteur heeft, met akkoordverklaring door belanghebbende, bij brief van 6 juli 2026 aan het Hof bericht dat partijen tot een compromis zijn gekomen en daarin vermeld wat partijen zijn overeengekomen.



1.8.
Het Hof heeft daarop het onderzoek gesloten.






2Overwegingen


2.1.
De Inspecteur is met belanghebbende bij wijze van compromis het volgende overeengekomen:

- partijen conformeren zich aan het ter zitting door het Hof gegeven voorlopige oordeel dat ten aanzien van het jaar 2013 de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is;
- de inkomsten ‘ [bedrijf1] ’ worden voor de onderhavige jaren gesteld op € 46.821 (2013), € 75.000 (2014) en € 8.883 (2015);
- de inkomsten “ [naam5] ” worden voor de onderhavige jaren gesteld op € 360 (2013), € 7.312 (2014) en € 1.455 (2015);
- voor het jaar 2014 zal alsnog een aftrek inkomsten uit eigen woning worden verleend van € 5.127;
- het belastbaar inkomen uit werk en woning, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen en het verzamelinkomen dienen voor de onderhavige jaren als volgt en op de volgende bedragen (in €) te worden vastgesteld:














2013




2014




2015





Winst uit onderneming


47.181


82.312


10.338




Af: MKB winstvrijstelling



-/- 6.606




-/- 11.524




-/- 1.448





Belastbare winst


40.575


70.788


8.890




Eigen woning forfait


1.014


1.113


1.155




Rente eigen woning



-/- 6.240




-/- 6.240




-/- 6.015





Inkomen uit werk en woning


35.349


65.661


4.032




Nog te verrekenen verliezen



17.833











Belastbaar inkomen uit werk en woning


17.516


65.661


4.032




Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen



2.099











Verzamelinkomen


19.615


65.661


4.032






- de belastingrente wordt berekend conform de geldende wettelijke bepalingen; en
- de Inspecteur zal de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair vergoeden, waarbij rekening wordt gehouden met een wegingsfactor van twee.



2.2.
Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. Dit betekent dat de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2013 dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar bedrag uit werk en woning van € 17.516 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.099, en dat de gelijktijdig genomen verliesverrekeningsbeschikking dient te worden gehandhaafd. De navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2014 dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.661 en de gelijktijdig genomen verliesverrekeningsbeschikking dient te worden vernietigd. De navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2015 dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.032. De navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2014 zal worden gehandhaafd, nu deze reeds was berekend naar een (maximaal) bijdrage-inkomen van € 51.414, en de navorderingsaanslagen in de Zvw over de jaren 2013 en 2015 zullen worden verminderd naar bijdrage-inkomens van respectievelijk € 40.575 en € 8.890. De beschikkingen belastingrente en de verzamelinkomens zullen dienovereenkomstig worden aangepast.



2.3.
Op grond van het vorenstaande is zowel het principaal hoger beroep van de Inspecteur als het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond.






3Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het incidentele hoger beroep heeft moeten maken.

De beslissing van de Rechtbank omtrent de proceskosten is niet in geschil, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het (incidentele) hoger beroep heeft moeten maken, mede gelet op de onder 2.1 genoemde afspraak, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.736 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (beroepschrift in incidenteel hoger beroep, bijwonen zitting)  wegingsfactor 2  € 934).





4Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de navorderingsaanslag Zvw 2014, de bijbehorende beschikking belastingrente, de boeteschikkingen, de proceskosten en het griffierecht,
– verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen, behoudens het beroep inzake de navorderingsaanslag Zvw 2014, gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, behoudens die met betrekking tot de verliesverrekeningsbeschikking inzake 2013 en de toekenningen van de proceskostenvergoeding,
– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot een naar een belastbaar bedrag uit werk en woning van € 17.516 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.099,
– handhaaft de verliesverrekeningsbeschikking inzake 2013,
– vermindert de navorderingsaanslag Zvw 2013 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 40.575,
– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.661,
– vernietigt de verliesverrekeningsbeschikking inzake 2014,
– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.032,
– vermindert de navorderingsaanslag Zvw 2015 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € € 8.890,
– vermindert de beschikkingen belastingrente en de verzamelinkomens dienovereenkomstig, en
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.736.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.



De griffier, De voorzitter,






(J.W.J. de Kort) (G.B.A. Brummer)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak