|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:5877 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-10-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 25/2268 en 25/2269 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | IB/PVV. Belastbaarheid ontvangen betalingen. | | Trefwoorden | : | belastbaar inkomen uit werk en woning | | | uitkering | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Utrecht
nummers BK-ARN 25/2268 en BK-ARN 25/2269
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de zesde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] , [land] (hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (de Rechtbank) van 26 augustus 2025, nummers ARN 23/5752 en 23/5754, ECLI:NL:RBGEL:2025:7273, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
1.1.2.
Aan belanghebbende is over het jaar 2017 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1.1 en 1.1.2 bedoelde aanslagen (de aanslagen) en beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep met kenmerk ARN 23/5752 met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 gegrond;
- verklaart het beroep met kenmerk 23/5754 met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2017 ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016;
- vermindert het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2016 naar het bedrag van € 323.685 en vermindert de daarbij in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de in zoverre vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.635;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 865;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.221,38;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 113,37;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidenteel ingestelde hoger beroep naar voren gebracht.
1.5.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.
1.6.
Belanghebbende heeft op 25 juni 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft in reactie daarop op 9 juli 2026 een nader stuk ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord H.J. de Leeuw en A.A.W. Langevoord als de gemachtigden van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende is vanaf [datum1] 2002 tot en met [datum2] 2011 woonachtig in het Verenigd Koninkrijk. Hij is in die periode een non-domiciled resident. Van [datum3] 2011 tot 2024 is belanghebbende woonachtig in Nederland.
2.2.
Belanghebbende is met ingang van [datum1] 2002 in dienst van [onderneming1] PLC ( [onderneming1] ) . Vanaf [datum3] 2011 tot en met [datum4] 2012 werkt belanghebbende voor de Nederlandse vaste inrichting van [onderneming1] . Vanaf [datum5] 2012 werkt belanghebbende voor [onderneming2] B.V. ( [onderneming2] ).
2.3.
In bijlage 1, onderdeel 4, bij de op [datum1] 2002 overeengekomen service agreement tussen [onderneming1] en belanghebbende is het volgende opgenomen:
“After successfully completing one years service, the Executive will be entitled to 1% of the
share capital of [onderneming1] PLC and subject to achieving Budget in subsequent years, 1%
per annum of the share capital of [onderneming1] PLC up to a maximum of 5%. This right will
be covered by a separate share transfer agreement.”
2.4.
Tot de gedingstukken behoort een brief van 22 augustus 2003 van [onderneming1] aan belanghebbende. De brief is ondertekend door [naam3] ( [naam3] ) als Chairman en luidt voor zover relevant als volgt:
“In accordance with the Service Agreement, Schedule 1, dated [datum1] , 2002, I have
pleasure in confirming that with effect from [datum1] 2003, you are entitled to 1% of the
shares representing the enterprise value of [onderneming1] PLC. (…)”
2.5.
Op 25 augustus 2003 stuurt belanghebbende een memo aan [naam3] met als onderwerp “Shares”. In het memo is voor zover relevant het volgende opgenomen:
“I agree 100% with you that we should try to keep the costs as low as possible: this is with regard
to Tax and NIC, Solicitor, Auditing and many other matters. At the same time, though, it is
important for the both of us that this is issued and documented properly. For you, this represents
a major ownership dilution, and for me this represents my, and my family’s future wealth. The
actual date of [datum1] is not as important to me as getting it right. A ‘letter of intent’ of
some sorts suffices for me, while we find the most economical solution for both of us.
(…)
Meanwhile, I’d like to review some of the fundaments of the note by [juridisch dienstverlener] in which they made a
number of assumptions:
(…)
3. [onderneming1] PLC, vs. [onderneming3] , based on a UK tax assumption
(…)
Re 3)
You have set up the [onderneming3] structure in the [land2] in order to limit capital gains taxation,
since you are a non-domiciled resident. [juridisch dienstverlener] had assumed that I was a normal UK Tax resident
and therefore indicated that he saw no benefit in doing this deal with [onderneming3] vs. [onderneming1]
PLC. However, like you, I am a non-domiciled resident as well. It is therefore potentially
significantly beneficial to issue the shares in [onderneming3] .
(…)”
2.6.
Op [datum7] 2003 stuurt [naam3] als Chairman van [onderneming1] een verzoek om advies aan [juridisch dienstverlener] . In dat verzoek is voor zover van belang het volgende opgenomen:
“I refer to the share issue regarding [belanghebbende] . It would suit [belanghebbende] , because he is also a non-domiciled resident, to get his hands on 1% of [onderneming3] rather than [onderneming1] PLC. The [onderneming3] transaction would not have tax implications for him.
Could I please have your advice as to the implications of such a change.”
2.7.
Tot de gedingstukken behoort een brief van [datum1] 2004 van [onderneming1] aan belanghebbende. De brief is ondertekend door [naam3] ( [naam3] ) als Chairman en luidt voor zover relevant als volgt:
“Further to the Service Agreement dated [datum1] 2002, between yourself and the
Company, I have pleasure in confirming that as per the [datum1] 2004, you will receive a
further 1% shareholding in [onderneming1] PLC, which takes your total holding as per the
above date to 2% (…).”
2.8.
Met dagtekening 25 augustus 2010 ontvangt belanghebbende van [onderneming1] een brief met als onderwerp “RE: OPTIONAL SHARE SCHEME”. De brief is ondertekend door [naam3] als Chairman/CEO en luidt voor zover relevant als volgt:
“As per [datum8] 2011, invite you to join our [onderneming1] share scheme because I value your work and believe that you are key to the success of growing this brand and taking it to the next level.
Success is based on a company's value and this is calculated by a multiple of EBITDA. Based on 2010 budget that we are working to achieve, Today's valuation is roughly 8 x f7.0m EBITDA = £56m. The reason we come to the office every day is to increase brand value.
If we take the 2010 performance as the base number, my idea is that participants of the share scheme can benefit financially from an increased valuation of the business based on EBITDA growth through their own hard work.`
I am therefore allocating 3% of my ownership of [onderneming1] to key management in the form, of "B shares", also called option shares.
3% of the business on a valuation of £56,000,000 is £1,6800,000. Through share availability, each share (1 point) is worth £11,200 (values can of course go up or down)
Initially I am allocating you 12 shares with ap resent day value of £ 134.400.
Only after 3 years can you exercise the right to cash in at the value of the business at that time. This value will be decided upon by independent advisors at that time. You do not have to sell after 3 years, you can of course hold out for increased future values. If you leave the company before the 3 years you will forfeit your rights and your shares.
It is important to note that more shares may be issued to you in the future on achieving agreed budgeted targets or exceptional performance.
With an inspired new future ahead for our brands through the move to [plaats2] , hard work, continued investment in the business and making the most out of the great culture within this business, I think our EBITDA can only grow significantly over the next 3 years. Therefore the idea is that you and your family will benefit personally from this increased value.
I hope that this incentive will provide you with the additional motivation to achieve our common goal of greatness for the [onderneming1] and [onderneming4] brands.
It is absolutely essential that my offer remains confidential and must not be discussed with other colleagues within the business.”
2.9.
In 2011 wordt [onderneming5] Limited opgericht en gevestigd op [land3] . [onderneming5] Limited wordt vervolgens aandeelhouder van [onderneming3] ( [land2] ) en [onderneming2] .
2.10.
Tot de gedingstukken behoort een brief van juli 2016 met als onderwerp “Re: Optional Share Scheme – PERSONAL & CONFIDENTIAL”. De brief is geprint op briefpapier van [onderneming2] en is ondertekend door [naam3] als Chairman. Met datum 8 augustus 2016 is de brief “for acceptance” tevens ondertekend door belanghebbende. In de brief is het volgende opgenomen:
“Dear [belanghebbende] ,
Per January 2011 you were invited to participate in our optional share scheme which I offered up from my personal ownership.
You were granted twelve (12) shares with exercise rights after 3 years. These 3 years have since passed.
Further to the impending sale of the Company all options will now be exercised by the date of sale, but need to be arranged prior to that date to allow for a smooth transition on the day.
In the offer letter the value indication was based on 8 times EBITDA, which, based on the latest audited accounts would result in a value of EUR 7,446.40 per share.
Based on the actual net proceeds of the sale, I am now happy to be in a position to increase that value per share to a higher level. Whilst the net Company value could be higher or lower depending on debt- and working capital position on the day, the amount has been fixed at EUR 12,660 representing a premium of 70% over par (EBITDA * 8) value.
Your allotment of options is 12, resulting in a gross pay-out value of EUR 151,920.00 which will be processed as soon as possible after this transaction. For the avoidance of doubt, please note that any tax payable will be for your own account.
By signing this letter, you officially surrender your right of options against the pay-out mentioned above. You also confirm that you understand that there will be no pay-out or surrender of shares if the sale does not happen, in which case the option plan continues under the existing rules.
I am extremely pleased that our mutual hard work over the past 5 years, since these options were issued, now allows me to have you share in the increased value of the company.”
2.11.
Tot de gedingstukken behoort een deed of settlement, die door c.q. namens [onderneming3] Limited, [naam3] en belanghebbende is getekend. Bij de handtekening van belanghebbende staat een datum vermeld van [datum9] 2017. In de deed of settlement is verder voor zover relevant het volgende opgenomen:
“RECITALS
A. On [datum10] 2016, [onderneming3] entered into a share purchase agreement relating to the sale and purchase of all issued and outstanding shares in the capital of [onderneming2] B.V. (" [onderneming2] ") on a cash and debt free basis.
[onderneming2] owns all issued and outstanding shares in the capital of [onderneming1] (" [onderneming1] ").
[onderneming1] and [belanghebbende] entered into a service agreement on [datum1] 2002 (…) Under this agreement, [belanghebbende] was entitled to shares in [onderneming1] up to a maximum of 5% of the issued and outstanding shares in the capital of [onderneming1] , provided that certain performance conditions were met by [belanghebbende] . This right should have been covered by separate share transfer agreements, but these agreements have not been legally executed by The Parties. On the basis hereof, [belanghebbende] has a claim against [onderneming1] (the "Claim`).
Since [onderneming3] transferred the shares in [onderneming2] and its subsidiaries on a debt free basis. [onderneming1] transferred the Claim to [onderneming3] on [datum10] 2016.
[onderneming3] will settle the Claim to [belanghebbende] on the day of this Deed of Settlement, subject to the terms and conditions of this Deed of Settlement.
The Parties have agreed that the Claim has a value of € 1,868,988 (in words: one million eight hundred sixty eight thousand nine hundred eighty eight euro) as per [datum10] 2016.
IT IS HEREBY AGREED AS FOLLOWS:
1TRANSFER
1.1.
The Parties declare that [onderneming1] transferred the Claim to [onderneming3] and [onderneming3] accepted the transfer on [datum10] 2016.
1.2.
All claims, rights, privileges and security rights associated with the Claim, Including Interest, taxes, costs and penalties owed on the date hereof, are also transferred along with the Claim.
1.3.
It is expressly agreed that this Deed of Settlement and the Claim as defined in this Deed of Settlement represents the whole number of shares to which [belanghebbende] was entitled under the Service Agreement or any other agreement concluded between [belanghebbende] and [naam3] , [onderneming3] or one of its current or previous subsidiaries.
2PAYMENT OF CLAIM
2.1.
The Claim amounts to € 1,868,988 (in words: one million eight hundred sixty eight thousand nine hundred eighty eight euro) as per [datum10] 2016.
2.2.
[onderneming3] shall pay [belanghebbende] the amount of the Claim on the day of this Deed of Settlement.
(…)”
2.12.
In 2016 worden de aandelen in [onderneming2] verkocht. [onderneming2] is op dat moment aandeelhouder van [onderneming1] .
2.13.
Belanghebbende ontvangt op 14 december 2016 en 10 januari 2017 op zijn bankrekening bedragen van € 151.920 en € 1.868.988, afkomstig van [onderneming3] Limited. De omschrijving luidt “INFO: OPTIONS GRANTED” (2016) respectievelijk “Deed of Settlement // [datum10 2016] Thank you” (2017).
2.14.
Belanghebbende doet op 15 december 2017 de aangifte IB/PVV 2016 naar een inkomen uit werk en woning van € 171.765. Op 9 april 2019 doet belanghebbende aangifte IB/PVV 2017 naar een inkomen uit werk en woning van € 206.012. De onder 2.13 genoemde ontvangen bedragen zijn daarin niet opgenomen.
2.15.
Bij het nadere stuk van 15 mei 2025 is een schriftelijke verklaring van [naam3] overgelegd met dagtekening 23 mei 2023. Deze verklaring luidt als volgt:
“Verklaring
Op verzoek van de heer [belanghebbende] wens ik, [naam3] , de volgende verklaring af te leggen.
De heer [belanghebbende] is in 2002 in dienst getreden bij mijn toenmalige onderneming [onderneming1] Plc, gevestigd in Groot Brittannië. Als onderdeel van zijn beloning ontving hij een optie op jaarlijks 1% van de aandelen in mijn bedrijf als hij een bepaalde jaaromzet met de onderneming zou behalen. Dit doel heeft hij bereikt voor de drie jaar na zijn indiensttreding. Om deze reden had hij na drie jaar werkzaam voor mij te zijn geweest 3% van de aandelen in mijn bedrijf verdiend. Na afloop van ieder jaar heb ik dit recht op de aandelen steeds schriftelijk bevestigd. Het is voor mij altijd de bedoeling geweest dat de heer [belanghebbende] een optierecht op aandelen zou verkrijgen en niet iets anders. Zo is dit ook schriftelijk vastgelegd. Ik heb het bovenstaande geverifieerd aan de hand van de raadpleging van mijn dossiers uit die tijd.
Hoewel de heer [belanghebbende] zonder meer recht had op de verdiende aandelen na afloop van ieder jaar, heeft hij ze feitelijk toen niet ontvangen. Het is hier nooit van gekomen door de afspraak die ik met hem heb gemaakt dat hij altijd op mij kon rekenen als hij de aandelen daadwerkelijk wilde krijgen. Deze afspraak heb ik met hem gemaakt op basis van wederzijds vertrouwen en in de hectiek van de bedrijfsvoering in die periode. Het was niet zo'n issue voor hem en mij. Achteraf gezien zou het voor hem veel beter zijn geweest om de aandelen wel direct te krijgen, zo begrijp ik van hem. De afspraak met de heer [belanghebbende] heeft voor onbepaalde duur gegolden. Uiteindelijk bij de verkoop van mijn bedrijf in 2016 heb ik de toen berekende tegenwaarde van de verdiende aandelen in geld aan de heer [belanghebbende] uitbetaald.
Ik geef de heer [belanghebbende] hiermee toestemming om deze verklaring te overleggen in het mij bekende geschil van hem met de belastingdienst. Aldus naar waarheid opgemaakt en getekend op 23 mei 2023 te [plaats] ”
2.16.
In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de Rechtbank is voor zover relevant het volgende opgenomen:
“Voorzitter
In geschil is de navorderingsaanslag 2016 en aanslag 2017. In bezwaar is het een en ander gezegd over de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk, maar niet in beroep. Handhaaft u dat standpunt nog?
Gemachtigde
Nee.”
3Geschil
3.1.
In geschil is of de door belanghebbende ontvangen bedragen van respectievelijk € 151.920 en € 1.868.988 (zie 2.13) terecht in de onderhavige jaren tot het inkomen uit werk en woning zijn gerekend. Daarbij geldt dat de Inspecteur het bedrag van € 151.920 alleen in 2016 in de heffing heeft betrokken. Het bedrag van € 1.868.988 is zowel in 2017 als – tot behoud van recht – in 2016 in de heffing betrokken. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het eerstgenoemde bedrag terecht in de heffing is betrokken in 2016 en dat het laatstgenoemde bedrag terecht in de heffing is betrokken in 2017. Het principale hoger beroep van belanghebbende richt zich tegen deze oordelen. Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is ingesteld ten behoud van recht.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de belastingaanslagen conform de door hem ingediende aangiften. Daarnaast verzoekt belanghebbende om een vergoeding van de proceskosten.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat het bedrag van € 1.868.988 in 2016 werd genoten, concludeert de Inspecteur in zijn incidentele hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4Beoordeling van het geschil
Opmerkingen vooraf
4.1.
Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk eraan in de weg staat dat de betalingen in de Nederlandse heffing worden betrokken. Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende dat standpunt echter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken (zie 2.16). Het argument van belanghebbende dat de intrekking betrekking had op een deel van het standpunt, volgt het Hof niet. De voorzitter van de Rechtbank heeft in het algemeen gevraagd of het standpunt in beroep werd gehandhaafd. De gemachtigde heeft vervolgens zonder enig voorbehoud en zonder enige nuancering ontkennend daarop geantwoord. Van een professionele gemachtigde zoals die van belanghebbende mag verwacht worden dat hij de vraag kon begrijpen en de strekking van zijn antwoord kon overzien. Mede gezien de omstandigheid dat de Inspecteur zich in hoger beroep tegen het opnieuw aanvoeren van dat standpunt heeft verzet, zal het Hof het niet als geschilpunt tot de rechtsstrijd toelaten (vgl. HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:781, r.o. 3.2.4).
4.2.
Bij conclusie van repliek in hoger beroep heeft belanghebbende voorts zijn beroep op toepassing van de 30%-regeling uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende datzelfde gedaan met zijn beroep op het ontbreken van een navorderingsbevoegdheid en het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding. Het Hof zal ook die standpunten daarom niet behandelen.
Ontvangst december 2016
4.3.
Op 14 december 2016 heeft belanghebbende op zijn bankrekening een bedrag van € 151.920 ontvangen met als omschrijving “INFO: OPTIONS GRANTED” (zie 2.13). Dat de betaling is gedaan door of namens de werkgever van belanghebbende is niet in geschil.
4.4.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de betaling ziet op een recht op 12 aandelen in [onderneming1] dat in 2011 is toegekend en in 2014 onvoorwaardelijk is geworden. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat sprake is van optierechten. Heffing zou in beide gevallen in 2014, maar in ieder geval vóór 2016, hebben moeten plaatsvinden.
4.5.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betaling rechtstreeks voortvloeit uit zelfstandige en afdwingbare rechten die zelfstandig belastbaar zijn op enig moment voorafgaand aan de betaling. De Inspecteur stelt daarom primair dat het bedrag van € 151.920 op het moment van betaling in 2016 in de heffing moet worden betrokken. Voor zover de betaling wel zou voortvloeien uit in 2011 toegekende rechten, stelt de Inspecteur zich subsidiair op het standpunt dat die rechten moeten worden gekwalificeerd als zogenoemde stock appreciation rights (SAR’s) waarvan de omvang van het voordeel pas in 2016 bepaalbaar was. Meer subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat sprake is van optierechten die belast zijn op het moment van uitoefening c.q. vervreemding in 2016.
4.6.
Het Hof is van oordeel dat de betaling van € 151.920 in 2016 tot het inkomen uit werk en woning moet worden gerekend. Het Hof overweegt daartoe als volgt.
4.7.
Belanghebbende beroept zich ter onderbouwing van zijn standpunt op de brief van 25 augustus 2010 (zie 2.8) waarin belanghebbende wordt uitgenodigd om met ingang van [datum8] 2011 deel te nemen aan het “ [onderneming1] share scheme”. Uit die brief volgt dat 3% van de aandelen van [onderneming1] zou worden gereserveerd voor het management. Het zou daarbij gaan om zogenoemde “B-aandelen”, aandelen zonder stemrecht. Van die B-aandelen zouden 12 stuks met een waarde van in totaal £ 134.400 aan belanghebbende worden toebedeeld.
4.8.
Dat met de brief van 25 augustus 2010 een onvoorwaardelijk recht op (levering van) aandelen zou zijn toegekend, is naar het oordeel van Hof niet komen vast te staan. Uit de voorwaarden die daarin zijn opgenomen volgt veeleer een recht om eerst na ommekomst van de periode van 3 jaar betaling te verlangen van een geldbedrag (“the right to cash in”), waarbij het aantal aandelen vermenigvuldigd met de genoemde formule in wezen als rekengrootheid fungeerde voor de bepaling van de omvang van het geldbedrag op het moment van uitkering. Ook de wijze van afwikkeling duidt daarop (zie 2.10). Van een reëel recht op (levering van) aandelen is geen sprake. De afwikkeling draagt bovendien sporen van een hybride benadering. Eerst wordt de waarde van de 12 B-aandelen bepaald aan de hand van de eerdergenoemde formule, en vervolgens wordt het bedrag opgehoogd om te komen tot de uiteindelijke uitkering. Bij de vergelijking dient voorts rekening te worden gehouden met het gebruik van een verschillende munteenheid (Britse pond versus euro). Het lijkt erop dat [naam3] aan belanghebbende het equivalent in euro van het in de brief van [datum6] 2010 genoemde bedrag in Britse pond heeft willen toekennen, zich realiseerde dat de uitkomst van de formule niet toereikend was en daarom het bedrag heeft opgehoogd. Het grootste gedeelte van de ontvangst in december 2016 is dan ook niet terug te voeren op de formule van de [onderneming1] share scheme, wat daarvan zij, maar op de ophoging van dat bedrag als gevolg van de verkoop. Het Hof kwalificeert deze ontvangst als een extra beloning aan belanghebbende als dank voor zijn aandeel in het goede verkoopresultaat van de werkmaatschappij aan de [nationaliteit] koper.
4.9.
Uit de brief van juli 2016 (zie 2.10) volgt dat onder voorbehoud van verkoop van [onderneming2] en tegenover het prijsgeven van het hiervoor genoemde recht (zie 4.8) een betaling van € 151.920 in het vooruitzicht wordt gesteld. Het betreft hetzij de uitoefening van een optierecht, uitbetaling van een stock appreciation right (SAR) (in verband met de verkoop aan de [nationaliteit] koper) dan wel een extra gratificatie. Op 14 december 2016 heeft belanghebbende dat bedrag ontvangen. Het Hof is van oordeel dat het voordeel daarmee in 2016 bij belanghebbende in de heffing moet worden betrokken. De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag tot het juiste bedrag verminderd.
Ontvangst januari 2017
4.10.
Op 10 januari 2017 heeft belanghebbende een bedrag van € 1.868.988 ontvangen met als omschrijving” “Deed of Settlement // [datum10 2016] Thank you” (zie 2.13). Dat de betaling is gedaan door of namens de werkgever van belanghebbende is niet in geschil.
4.11.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat dit bedrag strekt tot afkoop van een recht op (levering van) 3% aandelen in [onderneming1] . Subsidiair stelt hij dat sprake is van optierechten. Aangezien die rechten al in de periode 2003 tot en met 2005 onvoorwaardelijk c.q. uitoefenbaar zouden zijn geworden, kan van heffing in 2016 of 2017 geen sprake zijn.
4.12.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat de betaling rechtstreeks voortvloeit uit zelfstandig afdwingbare rechten die belastbaar zijn op enig moment voorafgaand aan de ontvangst van de betaling respectievelijk vervreemding van de aandelen. De Inspecteur stelt primair dat het bedrag van € 1.868.988 op het moment van betaling in 2017 in de heffing moet worden betrokken. Voor zover de betaling zou voortvloeien uit eerder toegekende rechten, stelt de Inspecteur zich subsidiair op het standpunt dat die rechten moeten worden gekwalificeerd als SAR’s waarvan de omvang van het voordeel pas bij de verkoop van de [onderneming2] in 2016 respectievelijk bij het sluiten van de deed of settlement in 2017 bepaalbaar was. Meer subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat sprake is van optierechten die belast zijn op het moment van uitoefening c.q. vervreemding in 2016 respectievelijk 2017.
4.13.
Het Hof is van oordeel dat de betaling van € 1.868.988 ziet op de toekenning van een recht op (levering van) 3% van de aandelen in [onderneming1] dat reeds vóór 2016 onvoorwaardelijk is geworden. Het Hof overweegt daartoe als volgt.
4.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende vanaf [datum1] 2002 tot en met [datum2] 2011 woonachtig was in het Verenigd Koninkrijk en in die periode werkte voor het toen eveneens in het Verenigd Koninkrijk gevestigde [onderneming1] . Uit de service agreement tussen [onderneming1] en belanghebbende (zie 2.3) volgt dat partijen bij aanvang van de dienstbetrekking overeenkwamen dat belanghebbende na succesvolle afronding van het eerste jaar recht had op 1% van het aandelenkapitaal in [onderneming1] . Bij het halen van de financiële doelen zou daar vervolgens 1% per jaar bijkomen, met een maximum van 5%.
4.15.
Het Hof begrijpt de afspraken uit de service agreement aldus dat belanghebbende bij aanvang van de dienstbetrekking in 2002 een voorwaardelijk recht kreeg op (levering van) jaarlijks 1% van de aandelen in [onderneming1] , met een maximum van in totaal 5%. Reeds gezien de aard van dat recht is van een SAR geen sprake. Het gaat immers om toekenning van aandelen en niet om een recht om van de waardestijging van de aandelen te profiteren. Nu verder niet is komen vast te staan dat dit recht mede afhankelijk was van enige keuze van de zijde van belanghebbende, is van een aandelenoptie evenmin sprake (vgl. HR 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1877, r.o. 2.3.2). Het Hof kan om die reden reeds voorbijgaan aan het verweer van de Inspecteur dat duidelijke afspraken over de uitoefenprijs en -periode ontbreken. Het is bovendien aannemelijk – belanghebbende heeft dit bevestigd – dat hij voor de aandelen geen bedrag verschuldigd was. Dat er geen moment van levering is afgesproken, is juist, maar daarover hebben [naam3] en belanghebbende jegens elkaar nooit moeilijk gedaan. Belanghebbende en [naam3] hebben beiden verklaard dat het altijd de bedoeling is geweest dat belanghebbende aandeelhouder zou worden (zie 4.16 en 4.17).
4.16.
Uit de bevestiging van 22 augustus 2003 (zie 2.4) volgt dat de voorwaarden voor het jaar 2002/2003 waren vervuld, zodat belanghebbende op [datum1] 2003 rechthebbende zou worden van 1% van het aandelenkapitaal van [onderneming1] . Dat belanghebbende vervolgens op [datum6] 2003 informeerde naar de mogelijkheden om in plaats van via [onderneming1] via [onderneming3] ( [land2] ) te participeren (zie 2.5) en daarover tussen belanghebbende en [naam3] discussie is geweest, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat aan de bevestiging geen betekenis meer toekomt. In deze procedure is immers niet komen vast te staan dat de afspraken uit de service agreement naar aanleiding van het verzoek van belanghebbende zijn aangepast. Sterker nog, de bevestiging van [datum1] 2004 (zie 2.7) duidt op onverkorte voortzetting daarvan. In die bevestiging wordt immers geconstateerd dat belanghebbende ook voor het jaar 2003/2004 recht had op 1% van het aandelenkapitaal in [onderneming1] , met als gevolg dat het totale belang op 2% uitkwam. Ook de latere verklaring van [naam3] (zie 2.15) bevestigt die lezing.
4.17.
Voor het jaar 2004/2005 is geen schriftelijke bevestiging voorhanden. Het Hof acht niettemin aannemelijk dat ook in dat jaar het recht van 1% van de aandelen onvoorwaardelijk is geworden. Het Hof baseert zich daarbij op de verklaring van [naam3] van 23 mei 2023 (zie 2.15) waarin laatstgenoemde verklaart dat belanghebbende drie jaar na zijn indiensttreding 3% van de aandelen had verdiend. De Inspecteur heeft dit overigens niet betwist.
4.18.
Naar het oordeel van het Hof is hiermee aannemelijk geworden dat belanghebbende in de periode van [datum1] 2003 tot en met [datum1] 2005 jaarlijks een onvoorwaardelijk recht op (levering van) steeds 1% van de aandelen in [onderneming1] heeft verkregen, met als gevolg dat het daarmee samenhangende voordeel bezien vanuit Nederlands fiscaal perspectief in respectievelijk 2003, 2004 en 2005 tot het inkomen had moeten worden gerekend. Het enkele feit dat de aandelen in die jaren niet aan belanghebbende zijn geleverd, doet daar niet aan af (vgl. BNB 2014/229, r.o. 3.5.2.). Uit de afspraken kan immers niet worden afgeleid dat levering niet zou kunnen worden afgedwongen, terwijl [naam3] in zijn verklaring van 23 mei 2023 heeft bevestigd dat tussen partijen vaststond dat de aandelen op eerste verzoek zouden worden geleverd.
4.19.
Nu uit de deed of settlement (zie 2.11) volgt dat zij strekt tot afwikkeling van de “claim” die belanghebbende op basis van de service agreement had op (levering van) de aandelen in [onderneming1] , en tussen partijen niet in geschil is dat het bedrag van € 1.868.988 overeenstemt met 3% van de waarde van [onderneming1] , komt het Hof tot het oordeel dat de betaling van € 1.868.988 niet in 2016 of 2017 tot het inkomen uit werk en woning kan worden gerekend. De aanslag IB/PVV 2017 dient te worden verminderd.
Slotsom
4.20.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en is het incidentele hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur het betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 3.334,75. Daartegen zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.
5.3.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.269 (3,5 punt (hogerberoepschrift, zienswijze incidenteel hoger beroep, conclusie van repliek en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 934).
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissing over de aanslag IB/PVV 2017,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze ziet op de IB/PVV 2017,
– vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 206.012,
– vermindert de belastingrente over het jaar 2017 dienovereenkomstig,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.269,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. L.D.M.A. Reijs en mr. M.B. Weijers in tegenwoordigheid van mr. D.W. Renes als griffier.
De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen. (A. van Dongen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|