Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:699 
 
Datum uitspraak:03-02-2026
Datum gepubliceerd:09-02-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:23/2945
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:IB/PVV. Nabetaling uitkering.
Trefwoorden:box 1
heffingskorting
inkomensvoorzieningen
inkomstenbelasting
loonbelasting
loonheffingskorting
persoonsgebonden aftrek
scholingsuitgaven
uitkering
verzamelinkomen
voorheffing
wet op de loonbelasting
wettelijke rente
zorgkosten
zorgtoeslag
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2945
uitspraakdatum: 3 februari 2026


Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer


op het hoger beroep van



[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 24 oktober 2023, nummer AWB 22/2739, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Belastingdienst PDB Den Haag (hierna: de Inspecteur)





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen in box 1 (tevens verzamelinkomen) op € 49.863 is vastgesteld. Bij beschikking is € 14 belastingrente berekend.



1.2.
Met dagtekening 22 mei 2021 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift op 26 mei 2021 ontvangen. De Inspecteur heeft bij in één geschrift van 10 augustus 2021 vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft met dagtekening 30 augustus 2021 opnieuw bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019. Zij verwijst daarbij naar een digitaal aangiftebiljet dat de Inspecteur heeft ontvangen op 1 september 2021.



1.4.
De Inspecteur heeft bij brief van 21 oktober 2021 bericht dat hij het aangiftebiljet van 1 september 2021 aanmerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Met dagtekening 19 november 2021 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 verminderd in verband met het in aftrek toestaan van specifieke zorgkosten. In verband daarmee bepaalt hij het inkomen in box 1 (tevens verzamelinkomen) op € 49.336. Tevens vermindert de Inspecteur de bij de aanslag IB/PVV 2019 geheven belastingrente naar € 8.



1.5.
Belanghebbende heeft met dagtekening 24 december 2021 bezwaar gemaakt tegen de beschikking ambtshalve vermindering. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 4 maart 2022 ongegrond verklaard.



1.6.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.7.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende heeft vanaf 2006 een WIA-uitkering ontvangen. Vanaf 2014 heeft zij een lagere uitkering ontvangen dan waar zij recht op had, zo volgt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in 2019.



2.2.
Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB heeft belanghebbende op 14 november 2019 een eerste nabetaling ontvangen over verschillende perioden in het tijdvak 1 september 2016 tot en met 30 september 2019. Deze nabetaling is door het UWV als volgt gespecificeerd:











Bruto uitkering


Wet




Soort




Bedrag




Tarief





WIA


Uitkering


€ 35.963,89


Geen




WIA


Uitkering


€ 13.415,87


NT Groen




WIA


Vakantietoeslag


€ 957,88


BT Groen




WIA


Vakantietoeslag


€ 1.427,48


BT Groen




WIA


Vakantietoeslag


€ 1.307,83


Geen



















Bruto verrekening






€ 38.751,66 -/-








Totaal bruto







€ 14.321,29









Inhouding














Loonheffing normaal tarief





€ 2.491,01







Loonheffing bijzonder tarief





€ 874,23








Netto uitkering







€ 10.956,05









Netto bedragen

Wettelijke rente






€ 1.876,45








Totaal netto







€ 12.832,50












2.3.
Op 28 november 2019 heeft belanghebbende van het UWV een tweede nabetaling ontvangen, die ziet op verschillende perioden in het tijdvak 4 september 2014 tot en met 30 april 2017. Vereenvoudigd is deze door het UWV als volgt gespecificeerd:










Bruto uitkering


Wet




Soort




Bedrag




Tarief





WIA


Uitkering


€ 13.797,32


NT Groen




WIA


Uitkering


€ 1.094,91


Geen




WIA


Vakantietoeslag


€ 988,98


BT Groen




WIA


Vakantietoeslag


€ 1.160,60


BT Groen



















Bruto verrekening






€ 2.367,50 -/-








Totaal bruto







€ 14.674,31









Inhouding














Loonheffing normaal tarief





€ 453,68







Loonheffing bijzonder tarief





€ 436,74








Netto uitkering







€ 13.783,89









Netto bedragen

Wettelijke rente






€ 1.350,23








Inhouding op netto uitkering

Wettelijke rente d.d. 28-11-2019





€ 47,49 -/-








Totaal netto







€ 15.086,83












2.4.
Belanghebbende heeft in 2019 in totaal € 40.157 aan bruto-uitkering en bruto-nabetalingen van het UWV ontvangen. Over die bedragen is in totaal € 6.455 loonheffing ingehouden. Daarnaast heeft zij een brutoloon ontvangen van [stichting1] ter hoogte van € 10.081. Op dat brutoloon is € 878 loonheffing ingehouden. Zowel het UWV als [stichting1] hebben loonheffingskorting toegepast.



2.5.
Niet in geschil is dat belanghebbende recht heeft op een aftrekbaar bedrag aan specifieke zorgkosten van € 527 na vermindering met de toepasselijke drempel en € 375 persoonsgebonden aftrek in verband met scholingsuitgaven.



2.6.
Belanghebbende heeft van het UWV een schadevergoeding in verband met het door haar geleden fiscale nadeel – als gevolg van de nabetalingen ineens – ontvangen van € 3.707.



2.7.
De nabetalingen van het UWV zijn voor de toepassing van de huurtoeslag van belanghebbende aangemerkt als ‘bijzondere inkomsten’. Dit houdt in dat met de nabetalingen bij het berekenen van het recht op huurtoeslag geen rekening is gehouden.






3Geschil


3.1.
In geschil is of de nabetalingen die belanghebbende in 2019 van het UWV heeft ontvangen volledig in 2019 in de heffing moeten worden betrokken.



3.2.
Belanghebbende stelt dat de nabetalingen, nu zij zien op de periode 4 september 2014 tot en met 30 september 2019, over de jaren 2014 tot en met 2019 moeten worden verdeeld.



3.3.
De Inspecteur stelt dat het volledige bedrag in 2019 in aanmerking moet worden genomen nu belanghebbende, zo is niet in geschil, niet in aanmerking komt voor de middelingsregeling.






4Beoordeling van het geschil


4.1.
In artikel 3.146 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is, voor zover relevant, het volgende geregeld:

“1 Loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening, uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening die naar aard en strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening, voordelen uit eigen woning, voordelen uit kapitaalverzekeringen eigen woning, voordelen uit spaarrekening eigen woning, voordelen uit beleggingsrecht eigen woning en negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden — voorzover niet anders is bepaald — geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:
a. ontvangen;
b. verrekend;
c. ter beschikking gesteld;
d. rentedragend geworden of
e. vorderbaar en inbaar geworden.
2 Voor loon is artikel 13a, tweede, derde, vierde en zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.
(…)”



4.2.
Belanghebbende heeft met succes geprocedeerd over de vaststelling van haar uitkering door het UWV. In 2019 werd zij door de CRvB in het gelijk gesteld. Het UWV heeft als gevolg daarvan aan belanghebbende in 2019 twee bedragen uitgekeerd (zie 2.2. en 2.3). Met de uitbetalingen in 2019 werden die uitkeringen in 2019 genoten als bedoeld in de zin van artikel 3.146 van de Wet IB 2001. Dat was nog niet het geval in de jaren 2014 tot en met 2018. Dit betekent dat de nabetalingen terecht in 2019 zijn belast als inkomsten van belanghebbende in 2019. Het hoger beroep is daarom ongegrond.


Belastingrente



4.3.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.


Redelijke termijn



4.4.
Belanghebbende heeft ter zitting bij het Hof aangegeven dat deze procedure wel heel erg lang duurt. Het Hof vat dit op als een verzoek om een immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de termijn. De Inspecteur heeft op 26 mei 2021 haar eerste bezwaarschrift ontvangen. Het Hof doet heden uitspraak. Daarmee is de redelijke termijn met ruim acht maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarmee recht op een schadevergoeding van € 1.000. Van de overschrijding van de redelijke termijn komt afgerond drie maanden voor rekening van de Inspecteur, ofwel € 375. Voor het overige, afgerond vijf maanden, is de overschrijding toerekenbaar aan de Minister, voor wiens rekening dus € 625 komt. De Inspecteur, respectievelijk de Minister, zullen tot die bedragen worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.


Ten overvloede



4.5.
Het Hof begrijpt dat het bij belanghebbende vragen oproept waarom het te betalen bedrag op haar aanslag zo hoog is, een stuk hoger dan de door het UWV uitbetaalde schadevergoeding. Ter voorlichting merkt het Hof op dat bij het doen van de nabetalingen het UWV de loonheffingskorting heeft toegepast. Belanghebbende heeft echter van [stichting1] loon ontvangen waarop ook de loonheffingskorting is toegepast. Belanghebbende heeft echter maar één keer recht op toepassing van die korting. Daarnaast lijkt het erop dat het UWV sowieso te weinig loonbelasting heeft ingehouden bij het doen van de nabetalingen. Als te weinig loonbelasting is ingehouden en twee maal de loonheffingskorting is toegepast, zorgt dat ervoor dat het te betalen bedrag bij de aanslag IB/PVV hoger wordt. De ingehouden loonbelasting is namelijk een voorheffing op de uiteindelijk te betalen IB/PVV. Als te weinig loonbelasting is ingehouden, wordt dat gecorrigeerd bij het opleggen van die aanslag.



4.6.
Het Hof ziet ook dat deze nabetalingen in één jaar ervoor zorgen dat er een fiscaal nadeel is. Door het grote bedrag dat ineens wordt betaald is belanghebbende in een hogere schijf belandt, wat inhoudt dat er een hoger percentage belasting verschuldigd is. Daarnaast wordt de algemene heffingskorting afgebouwd. Er is daardoor een nadeel ontstaan bij belanghebbende dat niet zou zijn ontstaan als het UWV de uitkering in de jaren 2014 tot en met 2019 juist had vastgesteld. Belanghebbende zou dan een lager tarief IB/PVV verschuldigd zijn geweest en de algemene heffingskorting zou niet, of veel minder, zijn afgebouwd. Ter zitting van het Hof is dit nadeel door de Inspecteur berekend op € 2.179. Daar komt een nadeel bij omdat belanghebbende een kleiner recht had op zorgtoeslag ten gevolge van de nabetalingen. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangegeven dat dit nadeel € 969 is. Bij elkaar opgeteld is het nadeel door de betaling ineens (€ 3.148) lager dan de van het UWV ontvangen schadevergoeding (€ 3.707). Het Hof heeft in het dossier geen ander fiscaal nadeel gezien. Dat betekent dat het fiscale nadeel dat belanghebbende door de nabetalingen heeft geleden, lijkt te zijn gedekt door de schadevergoeding van het UWV. Het effect dat belanghebbende niet heeft kunnen voorzien dat zij nog een aanzienlijk bedrag aan belastingen verschuldigd was als gevolg van de twee betalingen van het UWV, hoe vervelend ook, kan niet worden weggenomen.


Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.






5Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.





6Beslissing

Het Hof:


bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;


veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 375,


veroordeelt de Minister in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 625.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.

De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.


De griffier, De voorzitter,






(G.J. van de Lagemaat) (A.E. Keulemans)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Link naar deze uitspraak