Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2025:2874 
 
Datum uitspraak:17-12-2025
Datum gepubliceerd:16-02-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-25/37
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Naheffingsaanslag bpm. De naheffingsaanslag is binnen de wettelijke termijn opgelegd. Geen sprake van gewekt vertrouwen. Geen aanpassing handelsinkoopwaarde. Geen verdere waardevermindering wegens schade.
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
taxatie
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/37


Uitspraak van 17 december 2025

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2024, nummer SGR 23/8240.




Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.080 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 15 belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist:

“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 december 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op 4 oktober 2021 op aangifte een bedrag van € 250 aan bpm voldaan voor de registratie van een personenauto. Blijkens de aangifte gaat het om een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 8 augustus 2018. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 3 juni 2022.



2.2.
In de aangifte heeft belanghebbende de te betalen bpm voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). In het taxatierapport met opnamedatum 16 september 2021 is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 51.054 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 17.562
(gemiddelde referentievoertuigen -/- marge). Op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde
staat heeft de taxateur een bedrag van € 16.812 (87,45% van de totale gecalculeerde reparatiekosten van € 19.224,33) in mindering gebracht in verband met schade aan de auto,
waardoor hij de handelsinkoopwaarde van de auto heeft bepaald op € 750.



2.3.
De RDW heeft de auto op 20 september 2021 goedgekeurd voor gebruik op de
weg. De RDW heeft geen foto’s van de auto genomen.



2.4.
Belanghebbende heeft op 8 oktober 2021 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 18 oktober 2021 opgemaakt. In dit rapport heeft DRZ de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 54.281, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 19.529 (koerslijst XRAY) en een bedrag van € 6.881 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 4.955 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op
€ 14.574.



2.5.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.080 (€ 4.609 verschuldigde bpm -/- € 279
extra leeftijdskorting -/- € 250 voldane bpm) nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan
van voormeld rapport van DRZ. Daarbij heeft de Inspecteur € 15 belastingrente in rekening
gebracht.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Vertrouwensbeginsel
7. Eiser stelt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, omdat
verweerder de naheffingsaanslag ruim een jaar na de hertaxatie door DRZ heeft opgelegd.
Volgens eiser heeft verweerder door zo lang stil te zitten het vertrouwen gewekt dat de
aangifte van eiser juist was en dat er geen naheffingsaanslag meer zou worden opgelegd.

8. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat
verweerder toezeggingen of uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit
eiser in de gegeven omstandigheden mocht afleiden dat verweerder geen naheffingsaanslag
zou opleggen.[1] Het enkele tijdverloop tussen de hertaxatie door DRZ op 18 oktober 2021
(datum DRZ-rapport) en de aankondiging van de naheffingsaanslag op 12 oktober 2022 is
onvoldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Door het enkel
verstrijken van een zodanige tijd kan namelijk niet het in rechte te beschermen vertrouwen
worden gewekt dat de inspecteur van oplegging van een naheffingsaanslag zal afzien.[2] Het
beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt.


Schade

9. Eiser stelt dat de handelsinkoopwaarde die wordt gebruikt ter bepaling van de
afschrijving moet worden verminderd vanwege - niet in de koerslijst verwerkte -
beschadigingen aan de auto. Verweerder heeft betwist dat de schade aan de auto voor het in
het taxatierapport opgenomen schadebedrag kan worden aangemerkt als meer dan normale
gebruiksschade. Eiser draagt daarom de last te bewijzen dat en in hoeverre de
beschadigingen aan de auto een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende
waarde tot gevolg hebben.[3]

10. Eiser heeft in dat verband verwezen naar het taxatierapport, dat in zijn opdracht bij
gelegenheid van de aangifte is opgemaakt. Daarin is de schade naar zijn mening duidelijk
beschreven. Dit kan hem naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet baten. Verweerder
heeft namelijk onweersproken verklaard dat de auto op het moment dat eiser deze heeft
laten taxeren essentiële gebreken vertoonde (waaronder de het ontbreken van de stoelairbag
rechtsvoor en het ‘uit verband staan’ van de band rechtsachter en het ontbreken van een stuk
van de velg rechtsachter), hetgeen betekent dat met de auto niet mocht worden deelgenomen
aan het verkeer in Nederland, en voorts dat de auto ook naar die staat is getaxeerd. Deze
gebreken zijn immers als schades opgenomen in het taxatierapport. Ingeval aangifte wordt
gedaan van een auto met essentiële gebreken bestaat op grond van artikel 8, derde lid, van
de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst 2021)
geen recht op een waardevermindering (afschrijving) op grond van artikel 10 van de Wet op
de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021; Wet bpm 1992) zolang
deze gebreken nog niet zijn hersteld.

11. Verweerder heeft voor dit geval geconcludeerd en aangevoerd dat, nu de
taxatiemethode niet toegepast had kunnen worden, de DRZ rapportage om die reden
eigenlijk ook niet had kunnen worden gebruikt. In een geval als dit had moeten worden
teruggevallen op de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel, aldus verweerder.
Verweerder is bij het opleggen van de Naheffingsaanslag echter wel uit gegaan van de
gegevens van DRZ. De rechtbank gaat op de juistheid hiervan verderop in (overweging 14
en verder).

12. De rechtbank overweegt met betrekking tot eisers' taxatie ten overvloede nog wel
het volgende. Verweerder heeft behalve de essentiële gebreken aan de auto ook gewezen op
diverse onvolkomenheden in het taxatierapport zelf, waarbij hij het volgende naar voren
heeft gebracht:


Eiser heeft, ondanks daarom te zijn verzocht, niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de inkoopfactuur bij te sluiten (artikel 10, lid 8, Wet bpm juncto artikel 8, lid 4, onder b, en bijlage I Uitvoeringsregeling bpm), wat ook klemt omdat de inkoopfactuur een goede indicatie kan zijn voor wat betreft de waarde van een voertuig en ook informatie kan bevatten over de staat van het voertuig ten tijde van de import of andere bijzonderheden, zoals ook is vastgesteld door Gerechtshof Den Haag in zijn uitspraak van 16 maart 2023.[4]


Het voertuig is op 16 september 2021 fysiek opgenomen tussen 16:30 en 17:00 uur. Uit pagina 1 van het taxatierapport blijkt dat de taxateur onder meer de indruk met betrekking tot de technische staat en het onderstel heeft beoordeeld. Daarnaast heeft de taxateur 30 foto’s gemaakt en heeft tijdens de opname ook moeten constateren waar schade aanwezig is. Alleen al deze werkzaamheden hebben niet in een dergelijk kort tijdsbestek deugdelijk kunnen plaatsvinden.


De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat berekend door 87,45% van de gestelde reparatiekosten in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. De taxateur geeft op geen enkele manier aan waarom meer schade dan (de wettelijke) 72% in acht genomen dient te worden.


De koerslijst Eurotax uit het taxatierapport is geen adequate koerslijst en kan daardoor niet dienen ter bepaling van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van het onderhavige voertuig, omdat:


1. de taxateur in de koerslijst Eurotax heeft aangegeven dat het onderhavige voertuig een Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline DSG betreft terwijl uit het zogeheten geboortekaartje (SilverDAT VIN-informatie Rapport), opgenomen in het rapport van DRZ, blijkt echter dat het een Volkswagen Tiguan Allspace 2.0 TSI 4Motion Highline betreft. Het grootste verschil daarbij is dat de Tiguan Allspace een stuk ruimer is door een langere wielbasis. In de rapportage van DRZ zijn twee koerslijsten opgenomen waarbij uitgegaan wordt van dit laatstgenoemde voertuig. Derhalve zijn in de rapportage van DRZ koerslijsten opgenomen van het meest vergelijkbare voertuig. De koerslijst Eurotax uit het taxatierapport betreft niet het meest vergelijkbare voertuig en derhalve ben ik van mening dat deze dan ook niet kan dienen; en
2. bij het bepalen van het bedrag aan opties is door de taxateur een aantal opties en pakketten niet aangegeven in de koerslijst Eurotax. De taxateur hanteert voor de pakketten en opties een bedrag van € 2.639 (incl. btw).Aan de hand van het voornoemde geboortekaartje heeft DRZ de opties van het onderhavige voertuig berekend en komt daarbij uit op een bedrag van € 2.826 (incl. btw).


In de schadecalculatie zijn bijkomende kosten opgevoerd, zoals het uitvoeren van een onderhoudsbeurt en het resetten van de boordcomputer. Dit zijn (standaard) service- en onderhoudswerkzaamheden en kwalificeren niet als schade.


Bij de objectgegevens op pagina 1 van het taxatierapport geeft de taxateur aan dat de indruk met betrekking tot de carrosserie en het interieur redelijk is, terwijl dit niet strookt met de opgevoerde schade van € 19.224,33 in de schadecalculatie.


Uit bijlage I, onder 2.5, bij de Uitvoeringsregeling bpm (versie I januari 2021) blijkt dat de opgegeven algemene indruk wordt gestaafd met duidelijk beeldmateriaal; dit beeldmateriaal ontbreekt op meerdere punten zoals bijvoorbeeld een overzichtsfoto diagonaal genomen vanuit de positie linksvoor en de bandenmaat. Bovendien ondersteunt het aanwezige beeldmateriaal uit het taxatierapport de schadecalculatie in het taxatierapport niet. Op de foto’s is wel schade te zien, maar niet in zodanige omvang als gesteld in de schadecalculatie.



13. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 8, vierde
lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
(tekst 2021) dient het taxatierapport te zijn opgemaakt naar de staat waarin het motorrijtuig
verkeerde op het moment van de taxatie. Dat moment mag ten hoogste een maand vóór het
tijdstip liggen dat de belasting ingevolge artikel 1 van de Wet bpm 1992 is verschuldigd.
Dat tijdstip is in dit geval de datum van de tenaamstelling op 3 juni 2022. Aangezien de
opname op 16 september 2021 is verricht, is reeds aan dat formele vereiste niet voldaan.
Daar komen de door verweerder gesignaleerde inhoudelijke gebreken van het taxatierapport
nog bij, waarvan de rechtbank met name de punten over de gebruikte tijd, het niet
overleggen dan de aankoopnota (of reparatienota’s waaruit eventuele aanvullende schade blijkt) en de discrepantie in de omschrijving van de algemene toestand van de auto en de hoogte van de schade van € 19.224,33 relevant acht. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn conclusie dat eisers taxatierapport niet als bewijsmiddel kan dienen voor de onderhavige waardebepaling en moet worden verworpen.

14. Zoals hiervoor onder 11 al weergegeven, heeft verweerder geconcludeerd dat het
gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is,
zodat dan moet worden teruggevallen op de koerslijstmethode of de forfaitaire
afschrijvingstabel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 10, achtste lid,
van de Wet bpm 1992 vereist bij toepassing van de taxatiemethode dat de taxatiewaarde
blijkt uit een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
Dat wijst erop dat verwerping van het taxatierapport moet resulteren in uitsluiting van de
taxatiemethode. Dat gevolg zou passen bij de doelstelling van de aangescherpte regels met
betrekking tot de taxatiemethode, waarmee is beoogd misbruik van taxatierapporten te
bestrijden zonder de Belastingdienst met arbeidsintensief tegenbewijs te belasten.[5] Ook de
jurisprudentie van de Hoge Raad bevat aanwijzingen dat indien het taxatierapport niet
voldoet aan de wettelijke voorwaarden, de vermindering moet worden bepaald aan de hand
van een andere methode dan de taxatiemethode.[6] Daar staat tegenover dat in gevallen als het
onderhavige, waarin DRZ het voertuig in kwestie heeft onderzocht en daarvan een rapport
‘Onderzoek waardebepaling’ heeft opgemaakt dat aan de naheffingsaanslag ten grondslag is
gelegd, aan de inspecteur en de rechter gegevens ter beschikking staan aan de hand waarvan
de werkelijke waarde van het motorrijtuig in kwestie kan worden vastgesteld. Zolang niet is
gebleken dat het rapport van DRZ daartoe ongeschikt is, zou het in zodanige gevallen in
strijd komen met artikel 110 van het VWEU om bij de bepaling van de vermindering
niettemin uit te gaan van een hogere waarde op grond van de koerslijstmethode of de
forfaitaire afschrijvingstabel. Nu verweerder bij het vaststellen van de aanslag zelf de
taxatiemethode heeft toegepast op basis van de door DRZ verstrekte gegevens, en de
uitkomst van die handelwijze voor eiser - naar verweerder onweersproken heeft aangevoerd
- voordeliger uitpakt dan toepassing van de koerslijstmethode of de forfaitaire
afschrijvingstabel - zal de rechtbank daarvan uitgaan. Dienaangaande overweegt de
rechtbank het volgende.

15. Eiser heeft gesteld dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de
desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden.
Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het
onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen. De rechtbank
verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen
reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ of
aan de juistheid en uitkomsten van de bevindingen van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan
(eventueel) beleid dat de autobranche voert en hetzelfde geldt voor verweerder. De
verwijzing naar de eigen taxatierapport, kan eiser gezien hetgeen hiervoor is overwogen niet
baten. Ook de als nader stuk overgelegde verklaring van de heer [B] (een
taxateur/deskundige op dit gebied) brengt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Daarin
vindt de rechtbank geen aanleiding toch aan de deskundigheid en/of de bevindingen van
DRZ te twijfelen. Daarvoor acht de rechtbank de uitlatingen van de heer [B] , die veelal
ook zijn gestoeld op niet onderbouwde aannames, onvoldoende concreet en vooral ook
onvoldoende onderbouwd met bewijsmateriaal (bijvoorbeeld reparatienota's) of concrete marktgegevens om een en ander te ondersteunen. De rechtbank acht daarbij mede van
belang dat die deskundige de auto niet zelf heeft opgenomen terwijl de deskundige van DRZ
dat wel heeft gedaan.

16. Het voorgaande brengt met zich dat er geen reden bestaat een hoger bedrag aan
schade in aanmerking te nemen dan verweerder reeds heeft gedaan.

17. Voor zover eiser bepleit dat verweerder en/of DRZ is uitgegaan van een verkeerde
uitvoering (‘Highline’) van het voertuig bij het hanteren van de koerslijst, volgt de
rechtbank hem daarin niet. Vaststaat dat eiser aangifte heeft gedaan voor de auto als zijnde
een Highline-uitvoering en dat, naar verweerder ter zitting onweerspoken heeft verklaard,
hij die auto beroepsmatig ook als Highline-uitvoering te koop heeft aangeboden. Onder die
omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank terecht van die uitvoering uitgegaan.
De rechtbank vindt in zowel wat eiser heeft aangevoerd en overgelegd als in de overige
gedingstukken onvoldoende concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden
geconcludeerd dat desondanks toch van een andere uitvoering (eiser stelt: Comfortline) zou
moeten worden uit gegaan. Eiser heeft dat al met al niet voldoende inzichtelijk gemaakt
en/of geconcretiseerd en daarom niet aannemelijk gemaakt.


Extra vermindering wegens schadeverleden

18. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat een waardevermindering moet
worden toegepast wegens het schadeverleden van de auto, overweegt de rechtbank als volgt.
Voor deze waardevermindering rust dan de bewijslast op eiser.[7] Eiser heeft geen enkel
onderbouwend bewijsmiddel aangedragen waaruit een dergelijke waardevermindering blijkt
dan wel waaruit deze zou kunnen worden afgeleid, en ook behoren dergelijke
bewijsmiddelen niet overigens tot de gedingstukken. Eiser heeft dan ook niet voldaan aan de
bewijslast om een dergelijke waardevermindering aannemelijk te achten. Verweerder heeft
dan ook terecht geen extra vermindering in aanmerking genomen.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden
verklaard.


Immateriële schade

20. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding
van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt
in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de
naheffingsaanslag op 29 december 2022 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van
20 december 2024. De redelijke termijn is niet overschreden.


Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Vgl. HR 19 juni 2020. ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.
[2] Vgl. HR 23 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9992.
[3] Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
[4] ECLI:NL:GHDHA:2023:684, r.o. 5.3.2.
[5] Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31.
[6] Zie met name HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR
ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1.
[7] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of:
- de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden;
- belanghebbende gebruik kan maken van de koerslijst XRAY;
- met een waardevermindering wegens schade rekening moet worden gehouden.



4.2.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.487 en tot de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in alle fasen.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.





Beoordeling van het hoger beroep


Gewekt vertrouwen



5.1.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat deze pas een jaar na de controle door DRZ is opgelegd. De Inspecteur heeft al die tijd niets van zich laten horen, waardoor bij belanghebbende de indruk is gewekt dat de aangifte zou worden gevolgd. Het Hof volgt dit standpunt niet. De Inspecteur heeft vijf jaar de tijd om een naheffingsaanslag op te leggen en heeft na verloop van één jaar van deze bevoegdheid gebruikgemaakt. Deze periode is niet onredelijk lang. De Inspecteur heeft in de tussentijd niets gedaan dat bij belanghebbende de indruk had kunnen wekken dat de aangifte zou worden gevolgd. Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank op dit punt.


Koerslijst XRAY



5.2.1.
Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank afstand gedaan van de eigen koerslijst Eurotax, omdat de auto een Allspace is. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de koerslijst van de Inspecteur evenmin klopt, omdat die koerslijst uitgaat van een Highline-uitvoering, terwijl de auto een Comfortline-uitvoering is. Belanghebbende wijst op een overzicht dat hij in hoger beroep heeft overgelegd, waarin hij beide uitvoeringen heeft vergeleken qua opties. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij is uitgegaan van de juiste koerslijst, omdat het voertuig in de koerslijst een 2.0 TSI is, en belanghebbende in zijn vergelijking is uitgegaan van een 1.4 TSI Highline en een 1.4 TSI Comfortline. Het is aan belanghebbende om een juiste historische koerslijst te overleggen.



5.2.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de koerslijst van de Inspecteur als uitgangspunt kan dienen voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto. Wel in geschil is of de daar vermelde handelsinkoopwaarde naar beneden moet worden bijgesteld vanwege de verschillen tussen de referentieauto(‘s) en de auto. Belanghebbende heeft desgevraagd de gevraagde vermindering van € 2.000 niet verder kunnen specificeren, maar het gelaten bij de opmerkingen dat de auto een Comfortline-uitvoering is, dat deze minder luxe is dan een Highline-uitvoering en dat de verkoopprijs van een Highline-uitvoering 1.4 in nieuwstaat € 2.200 hoger ligt dan de nieuwprijs van een Comfortline-uitvoering 1.4.



5.2.3.
Het Hof acht belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat de handelsinkoopwaarde in de koerslijst naar beneden moet worden bijgesteld. Van voertuigen van het merk Volkswagen, model Tiguan, type TSI 2.0 heeft belanghebbende geen enkel objectief gegeven overgelegd dat ook maar iets duidelijk maakt of substantieert over een mogelijk prijsverschil – laat staan een verschil in handelsinkoopwaarde in gebruikte staat – tussen de Comfortline-uitvoering en de Highline-uitvoering van deze voertuigen. Het overzicht dat belanghebbende in hoger beroep heeft overgelegd met alle opties die bij beide uitvoeringen horen, betreft het type TSI 1.4 en zegt dus niets over het onderhavige type TSI 2.0. Het is dus niet bekend of het overzicht dat van de types TSI 2.0 Highline en Comfortline kan worden gemaakt, een (enigszins) vergelijkbare uitkomst oplevert. Het Hof kan dus niet uitgaan van het overzicht van belanghebbende om de handelsinkoopwaarde aan te passen.



5.2.4.
Dat wordt niet anders doordat, naar tussen partijen niet in geschil is, de auto niet op een koerslijst voorkomt en, naar belanghebbende stelt, alle voertuigen op gelijke wijze worden geproduceerd en dat daarom de door hem overgelegde vergelijking tussen de uitrustingsniveaus van het type TSI 1.4 Highline en Comfortline een lagere handelsinkoopwaarde onderbouwt. Met een dergelijke algemene stelling slaagt belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast dat de auto een lagere handelsinkoopwaarde heeft. Het gaat immers specifiek over de verschillen in uitrustingsniveau tussen twee uitvoeringen van hetzelfde type voertuig, en die levert belanghebbende niet aan.


Schade




5.3.1.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.



5.3.2.
Het Hof stelt voorop dat, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, het taxatierapport van belanghebbende niet kan worden verworpen omdat het te vroeg zou zijn opgemaakt. In het door belanghebbende aangehaalde besluit van 27 september 2021 is goedgekeurd dat de belastingplichtige het bedrag van de bpm mag bepalen aan de hand van de heffingsgrondslagen op het moment van het doen van aangifte, mits het motorrijtuig gedurende zes werkdagen in ongewijzigde staat beschikbaar blijft voor controle. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep opgemerkt dat het oordeel van de Rechtbank onjuist is en dat dit standpunt niet door hem is ingenomen.



5.3.3.
Voorts is in geschil of essentiële gebreken wel of niet dienen te worden meegenomen bij de vaststelling van de in aftrek te brengen schade. Belanghebbende meent van wel en beroept zich op het Kaderbesluit bpm (Besluit van 27 september 2021, nr. 2021-110975, Staatscourant 2021, 43482) en het Kennisgroepstandpunt van 10 oktober 2022 (Kennisgroepstandpunt van 10 oktober 2022, Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit bpm 2021, KG:013:2022:5).


5.3.4.
Naar het oordeel van het Hof kan in het midden blijven of het taxatierapport kan worden verworpen omdat het essentiële gebreken bevat. Het Hof heeft het taxatierapport van belanghebbende beoordeeld in samenhang met het rapport van DRZ en de daarbij horende vergrote kleurenfoto’s en is tot de volgende conclusie gekomen. Het Hof stelt voorop dat in het taxatierapport van belanghebbende onvoldoende concrete aanwijzingen zijn te vinden dat de auto schade had die niet door DRZ is gezien en meegenomen in diens schadecalculatie. De foto’s in het taxatierapport zijn niet heel duidelijk, dit in tegenstelling tot de vergrote foto’s van DRZ. Het Hof verwijst voorts naar de materiële kanttekeningen die de Inspecteur bij het taxatierapport van belanghebbende heeft gemaakt, en die op hun beurt niet bijdragen aan de overtuigingskracht van dit taxatierapport. Zo is wonderlijk dat de algehele staat van de carrosserie en het interieur als ‘redelijk’ wordt beoordeeld, terwijl de schadecalculatie een heel ander beeld geeft. Het Hof plaatst dan ook vraagtekens bij deze schadecalculatie.



5.3.5.
Belanghebbende voert aan dat de Inspecteur onvoldoende schade heeft vastgesteld aan de stoelhoes rechts op de achterbank (de leuning) en aan het rechterzijpaneel van de auto. De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat geen extra schade in aanmerking hoeft te worden genomen. De foto’s in het rapport van DRZ tonen wel schade, maar niet tot de door belanghebbende gestelde omvang. Met de schade aan de stoelhoes en het rechter achterpaneel is rekening gehouden. Dat het om de rechter en niet om de linker achterstoel gaat, maakt niet uit. De taxateur van belanghebbende en DRZ gaan beiden uit van de linker achterstoel. Dat dit, blijkens de foto’s, de rechterstoel is, acht het Hof niet van belang. Dat meer stoelen schade zouden hebben, heeft de taxateur van belanghebbende niet vastgesteld en dit blijkt ook niet uit het taxatierapport. Het Hof gaat dus uit van een vergissing wat de verwarring tussen de linker en de rechter achterstoel betreft. De overige door de taxateur van belanghebbende gestelde gebreken blijken niet uit de vergrote foto’s van DRZ die zich in het dossier bevinden. Zo blijkt uit deze foto’s niet dat het interieur (sterk) vervuild zou zijn. Voor schoonmaak van het interieur heeft DRZ wel een post in de calculatie opgenomen en gelet op de foto’s komt het Hof het bedrag als voldoende voor. Voorts ontbreken facturen van reparaties of voor de aanschaf van onderdelen en materialen die de omvang van de schade hadden kunnen onderbouwen. Ook heeft de taxateur van belanghebbende posten opgevoerd die geen schade zijn, zoals een onderhoudsbeurt, uitlijnen en het resetten van de boordcomputer. De kleine putjes zijn te kwalificeren als normale gebruikssporen voor een auto van die leeftijd (ruim drie jaar) en deze kilometerstand (bijna 110.000 km). Tot slot kunnen de opmerkingen van [B] het Hof niet ervan overtuigen dat te weinig schade in aanmerking zou zijn genomen. Deze taxateur heeft de auto niet opgenomen, maar baseert zich op het taxatierapport van belanghebbende.



5.3.6.
Het Hof verwijst tot slot naar de overwegingen van de Rechtbank. Er bestaat geen aanleiding om meer schade in aanmerking te nemen dan DRZ heeft gedaan.


Slotsom





5.4.
Het hoger beroep is ongegrond.





Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.



Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.


Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, M.J.M. van der Weijden en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.


De griffier, de voorzitter,








T.S.K.L. Tjon A. van Dongen



De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak