|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:3073 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-11-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | BK-25/766 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Naheffingsaanslag bpm. Belanghebbende is er niet in geslaagd een lagere handelsinkoopwaarde in verband met een schadeverleden aannemelijk te maken. Verder bestaat geen aanspraak op een (nadere) vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase voor het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar, nu de gemachtigde van belanghebbende op grote schaal (800 ingebrekestellingen in zeer korte tijd voor lopende procedures) op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen, en dat ook in deze zaak heeft gedaan, en daarmee niet in het belang van zijn cliënt(en) heeft gehandeld, maar in zijn eigen belang. Hoger beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/766
Uitspraak van 14 oktober 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 september 2025, nummer SGR 23/7682.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.728 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bij brief van 27 december 2022 tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft bij brief van 26 oktober 2023 aan de Inspecteur een ingebrekestelling gezonden en de Inspecteur gemaand om uitspraak op het bezwaar te doen.
1.3.
Belanghebbende heeft op 20 november 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.
1.4.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2023 belanghebbendes bezwaar afgewezen en daarbij tevens een afwijzende dwangsombeschikking gegeven.
1.5.
De Rechtbank heeft de Inspecteur bij bericht van 24 november 2023 in kennis gesteld van het door belanghebbende ingestelde beroep wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar. Het onder 1.3 bedoelde beroepschrift heeft (van rechtswege) mede betrekking op het alsnog genomen besluit als bedoeld onder 1.4 (artikel 6:20, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
- wijst het verzoek om een dwangsom af;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37;”
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 18 mei 2026 verweer gevoerd.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 september 2026. De Inspecteur is verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 4 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Porsche Cayenne 4.8 Turbo (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 4.377 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 7 april 2016.
2.2.1.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een expertiseverslag van 1 juli 2022 van [naam taxateur] (het taxatierapport). De auto is op 17 juni 2022 door [naam taxateur] getaxeerd. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs (historische consumentenprijs incl. opties) van de auto vastgesteld op € 197.317 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat (aan de hand van de gemiddelde vraagprijs van een viertal referentievoertuigen onder aftrek van een gangbare marge bij importvoertuigen) op € 41.133. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het taxatierapport in mindering gebracht een bedrag van in totaal € 25.333 (corresponderend met (afgerond) 72% van het totaalbedrag uit de onder 2.2.2 vermelde schadecalculatie). In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat bepaald op € 15.800.
2.2.2.
Tot het taxatierapport behoort onder meer een schadecalculatie, waarin de reparatiekosten zijn bepaald op € 35.190,19 (inclusief omzetbelasting). Hierin is onder de post “BIJKOMENDE KOSTEN” onder meer begrepen een bedrag van € 16.997,11 (exclusief omzetbelasting). Als omschrijving staat daarbij vermeld:
OMSCHRIJVING ONDERDEEL
WERKZAAMHEDEN
(…)
(…)
INTERIEUR
WAARDEVERMINDERING 50%
EX-WOKVOERTUIG (ZIE FOTO’S)
2.2.3.
In het taxatierapport is onder “OPMERKINGEN” onder meer vermeld:
“Beschadigingen
Er zijn meer dan normaal te verwachten (gebruiks)beschadigingen op dit voertuig aanwezig, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in WvW 1994, artikel 1 1e lid, onderdeel u.
(…)”
Verder is in het taxatierapport onder “WAT VERDER NOG VAN BELANG IS OF KAN ZIJN” onder meer vermeld:
“1. De reparatiekosten werden vastgesteld op basis van zichtbare schade, zonder dat daarbij door ons delen werden gedemonteerd.
2. Er werd door ons geen nader onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de schade dan wel de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen en of niet functionerende onderdelen.
(…)”
2.2.4.
Bij het taxatierapport is fotomateriaal gevoegd. Bij de foto’s behorend tot dit fotomateriaal is ofwel geen aanduiding vermeld, ofwel de aanduiding “EX-WOK” vermeld, ofwel de aanduiding “WOK-VRIJ” vermeld. In het hogerberoepschrift heeft de gemachtigde van belanghebbende toegelicht dat de aanduiding “EX-WOK” ziet op de situatie van de auto voordat deelherstel op de auto heeft plaatsgevonden ten behoeve van de keuring door de RDW (zie 2.3) en dat de aanduiding “WOK-VRIJ” ziet op de situatie van de auto nadat bedoeld deelherstel op de auto heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de gemachtigde van belanghebbende in het hogerberoepschrift verklaard dat dit deelherstel reeds had plaatsvonden voordat de auto is getaxeerd door [naam taxateur] .
2.3.
Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “RDW Voertuigbeeld”. Hierop is vermeld dat de auto door de RDW is gekeurd op 4 juli 2022. Onder de opmerkingen is vermeld “Aangeboden met herstelde schade, niet wok waardig.”. Voorts behoort tot het dossier fotomateriaal dat ten tijde van de keuring is gemaakt door de RDW.
2.4.1.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende per e-mailbericht van 7 juli 2022 verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie op 8 juli 2022 om 10.00 uur. DRZ heeft de bevindingen ten aanzien van de auto neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling) van 14 juli 2022. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 210.806, de netto catalogusprijs op € 129.000 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 41.570 (koerslijst XRAY). De aftrek wegens schade is vastgesteld op € 2.622 (72% van een schadecalculatie op € 3.641), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 38.948 bedraagt.
2.4.2.
Onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” is in het rapport onderzoek waardebepaling DRZ ten aanzien van een aantal in de schadecalculatie van belanghebbende opgevoerde schadeposten vermeld dat sprake is van “geen schade” of dat deze “valt onder gebruikersschade”. Daarbij zijn de in de schadecalculatie van belanghebbende opgenomen “BIJKOMENDE KOSTEN” (de posten onderhoudsbeurt t/m ex-wokvoertuig) “op basis van reparatielogica afgewezen”. Verder is onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” het volgende vermeld:
“Tijdens het telefonische gesprek met de aangever voor de uitnodiging toonplicht. Geeft de aangever aan dat het voertuig bij de spuiter staat om het zijscherm en de bumper te laten spuiten. Waarop door DRZ is aangegeven hiermee te stoppen en het voertuig in ongewijzigde staat te tonen. Waarop de aangever het voertuig in de staat zoals deze bij de spuiter stond heeft getoond bij DRZ.
De aangever was met de reparatie van het voertuig begonnen en daardoor is hij bij DRZ in een andere staat getoond. DRZ heeft half herstelde staat bij DRZ getoond, zonder bumper zou dit normaal gesproken een essestieel gebrek zijn.”
2.4.3.
Tot het dossier behoort een “Calculatie reparatiekosten” opgemaakt door DRZ, die optelt tot het onder 2.4.1 vermelde bedrag van (afgerond) € 3.641.
2.5.
Op 11 oktober 2022 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
DRZ heeft een inkoopwaarde voor het motorrijtuig vastgesteld van € 38.948. Deze is hoger dan de door u aangegeven inkoopwaarde in de aangifte.
Op grond van de individuele waardebepaling uitgevoerd door DRZ kom ik tot de conclusie dat de inkoopwaarde in het taxatierapport niet juist is en derhalve niet gebruikt kan worden.
In de inkoopwaarde die DRZ heeft vastgesteld is rekening gehouden met schade welke aan het motorrijtuig aanwezig is. Het feit dat DRZ tot deze inkoopwaarde is gekomen ligt in de individuele beoordeling van het specifieke voertuig met zijn specifieke elementen. Vooralsnog ben ik van mening dat ik deze door DRZ vastgestelde inkoopwaarde kan toepassen om tot de vaststelling van de juiste BPM heffing te komen.
(…)
Berekening verschuldigde BPM
Het verschuldigde BPM-bedrag is € 10.105. Het verschil tussen de verschuldigde BPM en de door u betaalde BPM is € 5728. Voor dit bedrag zal ik een naheffingsaanslag BPM opleggen. (…)”
2.6.
Met dagtekening 2 december 2022 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van het onder 2.4.1 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ de naheffingsaanslag bpm opgelegd.
2.7.
Bij brief van 27 december 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij brief van 29 maart 2023 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar aangevuld. Belanghebbende heeft bij brief van 26 oktober 2023, door de Inspecteur ontvangen op 27 oktober 2023, aan de Inspecteur een ingebrekestelling gezonden en de Inspecteur gemaand om uitspraak op het bezwaar te doen.
2.8.
De onder 2.7 bedoelde ingebrekestelling betreft één van de 800 ingebrekestellingen die de gemachtigde van belanghebbende in die periode aan de Inspecteur heeft gezonden in lopende bpm-procedures. De Inspecteur heeft deze 800 procedures in zogenoemde clusters verdeeld teneinde alle 800 procedures, gelet op het grote aantal vrijwel gelijktijdig van de zijde van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen ingebrekestellingen, tijdig af te kunnen doen. Deze clusters zijn verdeeld over verschillende hoorgesprekken op verschillende data.
2.9.1.
Op 8 november 2023 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden voor het cluster waarin de onderhavige zaak was ingedeeld. Ter zitting van het Hof is ten aanzien van het hoorgesprek komen vast te staan hetgeen onder 2.9.2 en 2.9.3 is opgenomen.
2.9.2.
Ten aanzien van het hoorgesprek op woensdag 8 november 2023 geldt het volgende:
het hoorgesprek betrof het vierde gesprek in de rij van te voeren hoorgesprekken ten aanzien van de verschillende clusters (zie 2.8);
op het hoorgesprek stonden 125 zaken gepland;
de keuze voor de datum van het hoorgesprek en de verdere planning en indeling van deze zaken over het gesprek was overgelaten aan het kantoor van gemachtigde, zodat het kantoor invloed had op de verdeling en de tijdstippen van de zaken;
het hoorgesprek was gepland vanaf 15.00 uur en er was door het kantoor van gemachtigde geen eindtijd opgegeven;
het kantoor van gemachtigde heeft de zaken onderverdeeld over drie medewerkers, onder wie de gemachtigde van belanghebbende, zodat er drie tijdsblokken waren waarin de zaken, via inbellen van de respectievelijke (behandelend) medewerker, zouden worden behandeld;
de gemachtigde van belanghebbende gaf gedurende het hoorgesprek aan dat hij (per direct) het gesprek niet voort kon zetten, omdat hij zijn zoon om 17.30 uur moest ophalen bij de opvang;
de Inspecteur heeft op dat moment voorgesteld de volgorde van de zaken aan te passen, maar dat werd niet geaccepteerd;
de medewerker die het eerste deel van de zaken uit het cluster had verzorgd tijdens het hoorgesprek was niet bereikbaar op dat moment en de medewerker die het laatste deel van de zaken uit het cluster zou bespreken bleek te zijn vertrokken omdat het einde van zijn werkdag was bereikt;
op het moment dat het hoorgesprek niet kon worden voortgezet wegens het vertrek van de gemachtigde van belanghebbende en de andere medewerkers van het kantoor waren 40 zaken van het cluster, waaronder de onderhavige, nog niet besproken.
2.9.3.
De gemachtigde van belanghebbende heeft de Inspecteur, voordat hij op 8 november 2023 het gesprek beëindigde, voorgesteld op maandag 13 november 2023 het gesprek voort te zetten, teneinde de resterende 40 zaken van het cluster te bespreken. De Inspecteur heeft de gemachtigde, vanwege organisatorische/administratieve redenen rond het cluster van zaken, verzocht er mee in te stemmen dat de Inspecteur een verlengde uitspraaktermijn van vijf dagen (het tijdsverloop tussen de beide data van de hoorgesprekken) zou mogen hanteren voor alle zaken die op het hoorgesprek van 13 november 2023 (125 zaken) stonden gepland. Dit juist vanwege de indeling van de zaken in een cluster. De gemachtigde van belanghebbende heeft daarmee niet ingestemd en om die reden heeft geen vervolggesprek plaatsgevonden voor de niet op 8 november 2023 besproken 40 zaken.
2.10.
Belanghebbende heeft op 20 november 2023, door de Rechtbank ontvangen op 20 november 2023, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.
2.11.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2023 belanghebbendes bezwaar afgewezen en daarbij tevens een afwijzende dwangsombeschikking gegeven.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Het beroep wegens niet tijdig beslissen
10. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, kan de betrokkene beroep instellen.[1]
11. Eiser heeft aan deze voorwaarden voldaan. Omdat verweerder in de beroepsfase alsnog heeft beslist op het bezwaar, ontvalt het belang aan het door eiser ingestelde beroep in zoverre. De rechtbank verklaart het beroep van eiser daarom niet-ontvankelijk voor zover deze is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
12. Het beroep heeft als uitgangspunt van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit van verweerder. De rechtbank zal daarom beoordelen of verweerder terecht de naheffingsaanslag op bezwaar heeft gehandhaafd. Verder zal de rechtbank een beslissing nemen over het verzoek om een dwangsom.
Dwangsom
13. Eiser is van mening dat zij recht heeft op een dwangsom, omdat verweerder in gebreke was tijdig te beslissen. De termijn van twee weken na de ingebrekestelling is verstreken zonder dat uitspraak op bezwaar is gedaan.
14. Verweerder stelt dat de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend, omdat eiser deze ruim buiten de termijn van vier maanden heeft ingediend.[2]
15. Of een ingebrekestelling onredelijk laat is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden.[3] Er is geen harde termijn. Wel zijn er richtsnoeren in de jurisprudentie te vinden. Zo heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch[4] overwogen dat – behoudens bijzondere omstandigheden – een termijn van meer dan vier maanden in ieder geval niet tijdig is. Eiser heeft in deze situatie geen bijzondere omstandigheden gesteld die een langere periode van stilzitten rechtvaardigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ingebrekestelling onredelijk laat is. In dat geval bestaat geen recht op een dwangsom.
DRZ
16. Eiser heeft gesteld dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden. Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen volgens eiser.
17. De rechtbank verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan (eventueel) beleid dat de autobranche voert en hetzelfde geldt voor verweerder
Waardevermindering wegens schade
18. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat een extra waardevermindering
moet worden toegepast vanwege het ernstige schadeverleden van de auto. Voor deze waardevermindering rust de bewijslast op eiser.[5] Eiser heeft niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, nu een deugdelijke feitelijke op de auto toegesneden onderbouwing ontbreekt. Volgens het taxatierapport bedragen de reparatiekosten namelijk € 35.190, terwijl DRZ uitkomt op een bruto schadebedrag van € 3.641. Dit grote verschil doet naar het oordeel van de rechtbank af aan de geloofwaardigheid van het taxatierapport. Daarnaast heeft eiser ook geen inkoopfactuur overgelegd die het door eiser gestelde bedrag aan schade zou kunnen onderbouwen.
ISV
19. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen is twee jaar. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 29 december 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 30 september 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, tien maanden.
20. De rechtbank merkt op dat het overgangsrecht van het arrest van 14 juni 2024 hier niet van toepassing is, omdat de redelijke termijn op de datum van het arrest nog niet was overschreden. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000 heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 23 november 2023, is de overschrijding deels aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase toerekenbaar.
Proceskostenvergoeding
21. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[6] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25). Verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dienen ieder de helft van dit bedrag te vergoeden.[7]
22. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[8] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden.
[1] Artikel 6:12 van de Awb.
[2] Artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
[3] Vgl. Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3293.
[4] ECLI:NL:GHSHE:2018:1686.
[5] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
[6] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
[7] ECLI:NL:HR:2016:252: r.o. 3.14.2.
[8] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of:
de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en meer in het bijzonder is in geschil of terecht geen rekening is gehouden met een correctie wegens het schadeverleden van de auto, oftewel of de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op de juiste hoogte is vastgesteld, en of
de Rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding en vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht heeft toegekend in verband met het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.
Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend; de Inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt:
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voorzover deze ziet op de naheffingsaanslag en de proceskostenvergoeding;
tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
primair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 41.571 (koerslijst XRAY), verminderd met een bedrag aan schade van € 2.622 (conform het onderzoek waardebepaling DRZ), verminderd met een correctie wegens schadeverleden van € 20.566, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 18.383, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 4.771 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 394;
subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 41.571 (koerslijst XRAY), verminderd met een bedrag aan schade van € 2.622 (conform het onderzoek waardebepaling DRZ), verminderd met een correctie wegens schadeverleden tot het door belanghebbende aannemelijk gemaakte bedrag, en tot dienovereenkomstige vaststelling van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat, de verschuldigde bpm en de naheffingsaanslag;
meer subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 41.571 (koerslijst XRAY), verminderd met een bedrag aan schade van € 2.622 (conform het onderzoek waardebepaling DRZ), verminderd met een correctie wegens schadeverleden tot een bedrag in goede justitie, en tot dienovereenkomstige vaststelling van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat, de verschuldigde bpm en de naheffingsaanslag.
Verder verzoekt belanghebbende het Hof vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht te gelasten en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Vermindering wegens schadeverleden
5.1.
De taxateur heeft in het taxatierapport in de schadecalculatie de reparatiekosten in zijn totaliteit bepaald op € 35.190,19 (inclusief omzetbelasting) en heeft daarin onder de post “BIJKOMENDE KOSTEN” onder meer begrepen een bedrag van € 16.997,11 (exclusief omzetbelasting) wegens het schadeverleden van de auto (zie 2.2.2).
5.2.
Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto, buiten de door DRZ toegepaste vermindering wegens schade tot een bedrag van € 2.622 (72% van de door DRZ gecalculeerde schade), die door de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is gevolgd, voorts moet worden verminderd met een bedrag wegens het schadeverleden van de auto. Belanghebbende heeft de auto destijds zwaar beschadigd aangekocht en heeft deelherstel laten uitvoeren alvorens de auto ter keuring aan te bieden bij de RDW. Dit deelherstel had reeds plaatsvonden voordat de auto is getaxeerd door [naam taxateur] , en zowel de voormalige schade (de situatie voor het deelherstel) als de situatie na het deelherstel is gedocumenteerd in het bij het taxatierapport (zie 2.2.4) en in het hogerberoepschrift gevoegde fotomateriaal. Dit schadeverleden van de auto heeft effect op de waarde van de auto en daarmee moet rekening worden gehouden, aldus belanghebbende. Weliswaar staat, door de vermelding in het taxatierapport onder punt 2 (zie 2.2.3), vast dat de taxateur geen onderzoek naar de schade heeft gedaan, maar hij heeft foto’s van de beschadigingen gemaakt en aan de hand daarvan geoordeeld dat een waardevermindering gerechtvaardigd was. Hier is geen verder bewijs voor nodig. Een taxateur mag dit op basis van een schatting bepalen. Deze uitvoering van Porsche betreft een uitvoering met een zelfdragende carrosserie. Dat betekent dat de auto geen chassis heeft, maar dat de carrosserie de auto draagt. Op een van de foto’s in het taxatierapport is te zien dat de auto aan de voorkant met een tang is “gericht” (is rechtgetrokken). De auto wordt daarmee volgens de gemachtigde van belanghebbende nooit zoals die voorheen was en dit levert (ook) een waardevermindering op. Primair stelt belanghebbende dat de vermindering wegens het schadeverleden € 20.566 (inclusief omzetbelasting) bedraagt, subsidiair verzoekt belanghebbende het Hof rekening te houden met het bedrag dat het Hof door belanghebbende aannemelijk gemaakt acht en meer subsidiair vraagt belanghebbende het Hof de vermindering wegens dit schadeverleden in goede justitie vast te stellen.
5.3.
De Inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken en stelt in dit kader onder meer dat met de korte omschrijving zoals onder 2.2.2 vermeld onnavolgbaar is hoe de taxateur heeft bepaald dat aanleiding bestaat voor een waardevermindering wegens het schadeverleden van 50% en dat voorts onduidelijk is waar deze 50% op zou moeten worden toegepast. De post in de schadecalculatie bedraagt € 16.997,11 exclusief omzetbelasting, wat neerkomt op (afgerond) € 20.556 inclusief btw. Dit blijkt, aldus de Inspecteur, te corresponderen met 50% van de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst XRAY. De taxateur heeft vervolgens voor de waardevermindering wegens het schadeverleden “slechts” rekening gehouden met 72% van deze post, nu hij deze (overigens ten onrechte) onderdeel heeft gemaakt van de (totale) schadecalculatie waarvan hij 72% in aanmerking heeft genomen (zie 2.2.1). De gemachtigde van belanghebbende wenst nu echter, aldus nog steeds de Inspecteur, alsnog rekening te houden met 100% van deze post, te weten € 20.566 inclusief omzetbelasting. In het geval de taxateur van mening was dat wegens het schadeverleden aanleiding bestond om rekening te houden met een aanvullende waardevermindering had hij dit afzonderlijk in het taxatierapport, buiten de schadecalculatie, op moeten nemen en deugdelijk moeten onderbouwen. De Inspecteur wijst het Hof er in dat kader op dat de waardevermindering van 50% in de schadecalculatie staat vermeld achter de omschrijving “INTERIEUR” en niet achter de omschrijving “EX-WOKVOERTUIG (ZIE FOTO’S)” (zie 2.2.2). De opmerking van de gemachtigde van belanghebbende ten aanzien van de foto waarop een tang aan de voorkant bij de motorkap is te zien, berust op een invulling en aanname van de gemachtigde, aldus de Inspecteur. Verder stelt de Inspecteur dat dermate ernstige gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende kleven dat dit taxatierapport niet kan dienen. Hiertoe heeft de Inspecteur in de stukken aangevoerd het korte tijdsbestek van opname door de taxateur, dat foto’s op meerdere momenten zijn gemaakt, dat de taxateur heeft nagelaten voor elke schadepost te verklaren of het meer dan normale gebruikersschade betreft, de onduidelijkheid over de persoon die de fysieke opname van de auto heeft gedaan, dat de correctie wegens een schadeverleden in de schadecalculatie is opgenomen, dat de koerslijst niet juist/onvolledig is ingevuld en dat in de schadecalculatie onder meer een onderhoudsbeurt en reinigen/ontgeuren van interieur zijn opgenomen, waar dit normaal onderhoud betreft en geen schade. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur in dit kader verder nog kanttekeningen geplaatst bij de diverse foto’s in het rapport en de onduidelijkheid omtrent het moment van maken van deze foto’s, aangevoerd dat geen reparatiefacturen zijn overgelegd waaruit de schade danwel het schadeverleden blijkt, en evenmin een verkoopfactuur is overgelegd. Voorts heeft de Inspecteur daar aangevoerd dat uit invoer van het kenteken van de auto op de openbaar toegankelijke website kentekencheck.nl (waarop de historie van elke auto is te vinden) volgt dat de auto op 14 december 2022 te koop is aangeboden en ook is verkocht door belanghebbende, want het kenteken van de auto is overgeschreven, en dat de verkoopprijs € 59.950 bedroeg. Op de bedoelde website zijn ook foto’s te zien, waaruit volgt dat de auto er keurig uit zag en dit wordt ondersteund door de daarop vermelde gerealiseerde verkoopprijs. In het geval dit taxatierapport al kan dienen, geldt, volgens de Inspecteur, dat een correctie wegens ex-schade op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dan wel deugdelijk is onderbouwd. Er is dan ook geen aanleiding voor een vermindering wegens het schadeverleden, aldus de Inspecteur.
5.4.
Naar vaste rechtspraak rust de bewijslast voor een waardevermindering als gevolg van een schadeverleden op belanghebbende (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Het mag daarbij niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om het voor een waardevermindering vereiste bewijs te leveren (HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640 en HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147).
5.5.
In dit geval heeft belanghebbende bij het op aangifte voldoen van de bpm ervoor gekozen om de waarde van de auto te bepalen met toepassing van de taxatiemethode. Belanghebbende heeft ten bewijze van het schadeverleden en een daaruit voortvloeiende vermindering slechts verwezen naar het onder 2.2.1 bedoelde taxatierapport en heeft daar in het hogerberoepschrift nog wat aanvullende opmerkingen bij gemaakt (zie 2.2.4). Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met dit taxatierapport (zie 2.2) niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van enige waardevermindering in verband met een schadeverleden. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde erkend dat de taxateur, blijkens diens opmerking daarover in het taxatierapport, geen onderzoek heeft gepleegd naar het schadeverleden en dat de taxateur alleen foto’s heeft gemaakt van de beschadigde staat van de auto en enkel op basis daarvan heeft geoordeeld dat een (overigens forse) waardevermindering wegens het schadeverleden gerechtvaardigd is. Het benoemen van deze post als onderdeel van de schadecalculatie is ten eerste al onjuist (daarvoor is een aparte berekening en onderbouwing nodig, zie hierna), en ten tweede heeft de taxateur niet inzichtelijk gemaakt waarom sprake zou zijn van een vermindering van 50% van de waarde door een schadeverleden. Het fotomateriaal bij het taxatierapport is onvoldoende om aannemelijk te maken dat sprake is van enige waardevermindering in verband met een schadeverleden. Zo is het Hof opgevallen dat het fotomateriaal op diverse foto’s een zwarte auto en op een aantal andere foto’s een blauwe auto lijkt te tonen, hetgeen de gemachtigde van belanghebbende, ter zitting daarmee geconfronteerd, niet heeft weersproken.
5.6.
Belanghebbende, noch diens taxateur, is specifiek ingegaan op het vermeende schadeverleden en het bepalen en aannemelijk maken van de omvang daarvan en de daaruit voortvloeiende waardevermindering. Ook in het DRZ-rapport staat niets waaraan de conclusie kan worden verbonden dat de auto blijvende schade of een blijvende waardedaling heeft. DRZ heeft in het rapport onderzoek waardebepaling de afwijkingen per onderdeel van de in het rapport van belanghebbende opgenomen schadeposten weergegeven en de gehele post “BIJKOMENDE KOSTEN”, waaronder de gewenste vermindering van € 20.556 inclusief omzetbelasting valt, afgewezen. Dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft staat weliswaar in het taxatierapport, maar uit deze enkele mededeling volgt niet dat deze schade van dien aard is dat hieraan – ook na schadeherstel – een blijvende waardevermindering moet worden verbonden. Welke blijvende gebreken of schade er precies aan de auto zijn of is geconstateerd, staat niet omschreven.
5.7.
De enkele verwijzing naar het taxatierapport en de daarbij behorende foto’s is onvoldoende om het benoemde schadeverleden aannemelijk te maken. Uit de tot het taxatierapport behorende foto’s blijkt geenszins van de (of enige) door belanghebbende gestelde correctie wegens schadeverleden waarmee rekening moet worden gehouden. Dat belanghebbende geen inkoopfactuur, aanvullend fotomateriaal of reparatienota’s, van het door hem gepleegde deelherstel, heeft ingebracht die de door hem als “ernstige schade” benoemde schade en een schadeverleden tonen of ondersteunen, helpt evenmin. Belanghebbende voldoet dan ook niet aan de op hem rustende bewijslast dat aanleiding bestaat voor een nadere aftrek wegens het schadeverleden. Nu niet aan deze bewijslast is voldaan, is alleen om die reden al geen aanleiding voor een bepaling van een waardevermindering in goede justitie wegens een schadeverleden. Anders dan belanghebbende bepleit, heeft de Inspecteur niet de last te bewijzen dat er geen schade is vanwege het schadeverleden van de auto. De Inspecteur is niet gehouden tot een meeromvattend onderzoek aan de auto dan de schouw die DRZ heeft uitgevoerd.
Conclusie naheffingsaanslag
5.8.
De naheffingsaanslag is terecht en tot een juist bedrag vastgesteld. Er bestaat geen aanleiding voor een vermindering van de naheffingsaanslag.
Proceskostenvergoeding beroepsfase en vergoeding griffierecht voor de beroepsfase
5.9.
Het bezwaarschrift is ingediend op 27 december 2022. Bij brief van 29 maart 2023 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar aangevuld. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft een dagtekening van 20 november 2023. Dit beroep is op 20 november 2023 door de Rechtbank ontvangen. De uitspraak op bezwaar is op 23 november 2023 door de Inspecteur gedaan. De Rechtbank heeft (eerst) bij bericht van 24 november 2023 de Inspecteur in kennis gesteld van het door belanghebbende ingestelde beroep.
5.10.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in verband met het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift en voorts dat ten onrechte geen vergoeding van het griffierecht is gelast. Immers ten tijde van het instellen van dit beroep had belanghebbende hierbij wel degelijk belang en het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift was in zoverre terecht ingesteld. Het belang voor belanghebbende was, aldus de gemachtigde ter zitting van het Hof, hierin gelegen dat moest worden gezorgd dat een uitspraak op bezwaar in het jaar 2023 werd gedaan, vanwege de op Prinsjesdag 2023 aangekondigde Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, die er voor zou zorgen dat voor proceshandelingen die zijn verricht vanaf 1 januari 2024 de proceskostenvergoeding met op zijn minst 75% zou afnemen, waardoor het bedrijfsmodel van de gemachtigde, en daarmee, aldus de gemachtigde van belanghebbende, de mogelijkheid van juridische bijstand voor belanghebbende in gevaar kwam. De Rechtbank had voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift, ondanks dat vervolgens nadat alsnog uitspraak op bezwaar was gedaan op grond van artikel 6:20, lid 3, Awb werd overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van de zaak, dan ook een proceskostenvergoeding moeten toekennen onder toepassing van een wegingsfactor 0,5, aldus belanghebbende. De toe te kennen proceskostenvergoeding dient, gelijk de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep heeft gesteld, te worden gesaldeerd met de reeds door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade.
5.11.
De Inspecteur stelt, nu hem niet bekend is op welke datum de Rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift heeft ontvangen, primair dat het beroep ten onrechte is ingesteld en dat om die reden geen grond bestaat voor een vergoeding van proceskosten in de beroepsfase. Immers het is daarom niet uit te sluiten dat de uitspraak op bezwaar en het beroepschrift wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar elkaar hebben gekruist. Voor het geval het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift is ingesteld voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, stelt de Inspecteur dat de Rechtbank het beroep op grond van artikel 6:12, lid 4, Awb, als onredelijk laat had dienen aan te merken en het beroep daarmee niet-ontvankelijk had moeten verklaren, zodat om die reden geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase. De Inspecteur verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2024, ECLI:NL:HR:2014:3607, waaruit volgens de Inspecteur volgt dat voor de beoordeling of een beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar als onredelijk laat dient te worden aangemerkt, niet enkel dient te worden gekeken naar het tijdsverloop tussen de ingebrekestelling en het ingediende beroep, maar ook naar de termijn die is gelegen tussen het verlopen van de beslistermijn op het ingediende bezwaarschrift en de ingebrekestelling. Indien de ingebrekestelling als onredelijk laat is aan te merken, is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift eveneens als zodanig aan te merken, aldus de Inspecteur. De beslistermijn op het bezwaarschrift liep in dit geval tot en met 24 februari 2023. De ingebrekestelling is eerst op 27 oktober 2023 ingezonden. Dit betreft, aldus de Inspecteur, een tijdsverloop van acht maanden sinds het einde van de wettelijke beslistermijn op bezwaar, zodat de ingebrekestelling als onredelijk laat is aan te merken. Dit maakt, aldus nog steeds de Inspecteur, dat ook het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar onredelijk laat is. Van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop rechtvaardigen is niets gebleken, aldus de Inspecteur.
Voor het geval het Hof oordeelt dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet onredelijk laat is ingediend, stelt de Inspecteur subsidiair, dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding, waarbij rekening wordt gehouden met 1 punt voor het indienen van dat beroepschrift met toepassing van een wegingsfactor 0,5 en voorts dat de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding wegens de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, daarop in mindering moet worden gebracht. Immers, in het geval de Rechtbank een proceskostenvergoeding had moeten toekennen in verband met het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar, zou hieraan geen afzonderlijke proceskostenvergoeding (afzonderlijke handeling) zijn toegekend, omdat het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade deel uitmaakt van het beroepschrift, zo stelt de Inspecteur. Aan een vergoeding van het griffierecht kan volgens de Inspecteur niet worden toegekomen, immers ook al zou het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar terecht zijn ingesteld, is dit beroep op grond van artikel 6:20, lid 3, Awb overgegaan in een inhoudelijk beroep ter zake waarvan niet nogmaals griffierecht wordt geheven. Nu het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is verklaard wegens gebrek aan belang en het beroep op inhoudelijke gronden ongegrond is verklaard, kan niet worden toegekomen aan een vergoeding van het griffierecht, aldus de Inspecteur.
5.12.
Gelet op het onder 5.8 overwogene gaat de primaire stellingname van de Inspecteur (zie 5.11) niet op. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar is immers op een eerdere datum door de Rechtbank ontvangen, dan dat uitspraak op het bezwaar is gedaan.
5.13.
De achtergrond van de Wet dwangsom en niet tijdig beslissen is de versterking van de rechtsbescherming (Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen, Kamerstukken 29 934, nr. 3). De burger die een aanvraag heeft gedaan of een bezwaar heeft ingediend, hoeft niet lijdzaam te wachten op een beslissing van het bestuursorgaan maar kan het bestuursorgaan in gebreke stellen zodra de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken. Na ontvangst van de ingebrekestelling begint een termijn van twee weken te lopen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit kan nemen zonder een dwangsom te verbeuren. Indien een besluit uitblijft, kan de burger beroep wegens niet tijdig beslissen instellen bij de rechtbank. In de memorie van toelichting staat dat de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen onder andere niet ziet op situaties waarin de burger zelf heeft bijgedragen aan de vertraging of de besluitvorming tegenwerkt. In de memorie van toelichting op artikel 4:17, vijfde lid, staat hierover (onder meer) de volgende passage:
“Ook is geen dwangsom verschuldigd als het niet tijdig beslissen te wijten is aan de aanvrager zelf (onderdeel b). Als het bestuursorgaan bijvoorbeeld niet tijdig kon beslissen doordat de aanvrager een dag voor afloop van de beslistermijn ineens nog allerlei nadere gegevens heeft opgestuurd, of doordat de aanvrager zelf bij herhaling om uitstel van een hoorzitting of om nader onderzoek heeft gevraagd, en het bestuursorgaan heeft zich hierin bereidwillig getoond, dan moet het vervolgens niet onmiddellijk na afloop van de beslistermijn met een ingebrekestelling overvallen kunnen worden. Deze bepaling strekt er mede toe misbruik van de dwangsomregeling te voorkomen. Een aanvrager moet geen financieel voordeel kunnen ondervinden van het tegenwerken van een tijdige beslissing door hemzelf.”
5.14.
De gemachtigde van belanghebbende heeft de Inspecteur bij bericht van 26 oktober 2023 in gebreke gesteld. De ingebrekestelling is op 27 oktober 2023 door de Inspecteur ontvangen. De Inspecteur moest dus uiterlijk 10 november 2023 uitspraak op het bezwaar doen. Op 1 november 2023 is de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorgesprek op 8 november 2023 waar 125 bezwaren zouden worden behandeld, waaronder dat van belanghebbende. De Inspecteur heeft ter zitting onweersproken verklaard dat met het kantoor van de gemachtigde een aantal afspraken was gemaakt over de gang van zaken (zie 2.9.2). Drie medewerkers van het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende, waaronder de gemachtigde van belanghebbende, zouden de bezwaren verdelen en vanaf 15.00 uur in de middag beschikbaar zijn. Een eindtijd was niet afgesproken. Nadat 85 zaken waren besproken, kondigde de gemachtigde van belanghebbende aan dat hij weg moest om zijn zoon van de opvang te halen. De andere twee medewerkers van het kantoor waren niet (meer) beschikbaar. Vervolgens is overleg gevoerd over de voortzetting van het hoorgesprek (zie 2.9.3). De gemachtigde van belanghebbende stelde voor de overige 40 zaken na het weekend, op 13 november 2023, te bespreken. De Inspecteur verzocht daarbij om organisatorische redenen om uitstel van de beslissing op alle 125 zaken die deel uitmaakten van het cluster van zaken dat op het hoorgesprek van 8 november 2023 was gepland. De gemachtigde heeft dit geweigerd. De overige 40 zaken, waaronder die van belanghebbende, zijn daarom niet meer besproken.
5.15.
Het Hof is van oordeel dat het aan de handelwijze van de gemachtigde te wijten is dat de Inspecteur in tijdnood kwam en niet meer in de gelegenheid verkeerde om tijdig uitspraak op bezwaar te doen. Het Hof baseert dit oordeel niet alleen op de hiervoor genoemde omstandigheden, maar ook op de volgende. De gemachtigde heeft erkend dat hij in 800 zaken de Inspecteur in gebreke heeft gesteld om vóór 1 januari 2024 een uitspraak op bezwaar te krijgen ten einde voor deze zaken te ontkomen aan toepassing van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm in de beroepsfase (zie 2.8). Deze 800 zaken zijn tijdens diverse hoorgesprekken besproken in de herfst van 2023. De gemachtigde heeft verklaard dat hij door het wetsvoorstel was overvallen en voor het voortbestaan van zijn verdienmodel vreesde. Het Hof vindt deze verklaring volstrekt ongepast. De gemachtigde heeft hiermee – opnieuw (zie hierna over de vergoeding van immateriële schade) – voor zijn eigen belang gekozen. Het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende procedeert al jarenlang in zeer veel bpm-zaken, voorheen en in wezen nog steeds (voor oude zaken, zoals de onderhavige) op basis van no cure, no pay (met een instaptarief). Het moest hem bekend zijn dat de wetgever wel moest ingrijpen, omdat de vele procedures van no cure, no pay-kantoren de bezwaar- en gerechtelijke procedures verstopten en de afdoening van andere zaken ernstig in het gedrang brachten. De boter op het brood van de gemachtigde van belanghebbende (zijn verdienmodel) is mede de vergoeding van immateriële schade, die wordt toegekend als een procedure te lang duurt. Het was jarenlang in het voordeel van de gemachtigde om zoveel mogelijk procedures te starten en deze zo lang mogelijk te laten duren. Ineens, nu het hem beter uitkomt, jaagt hij de Inspecteur op door deze in korte tijd 800 ingebrekestellingen in lopende procedures te sturen. Van de vertraging die ontstaat door een gebrek aan capaciteit probeert de gemachtigde opnieuw te profiteren, door het opstrijken van dwangsommen en, naar hij ter zitting zelf heeft verklaard, te zorgen dat hij in zoveel mogelijk procedures nog vóór 1 januari 2024 proceshandelingen kon verrichten om zodoende een hogere, volgens het “oude recht” geldende proceskostenvergoeding op te strijken (al dan niet voor zijn cliënten). Dit laatste is, anders dan de gemachtigde van belanghebbende stelt, ook vooral (of zelfs enkel) in zijn eigen belang om zijn bedrijfsmodel te redden.
5.16.
De gemachtigde heeft op oneigenlijke wijze gebruik gemaakt van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen. Deze regeling is bedoeld om burgers die wachten op een materiële beslissing een rechtsmiddel te bieden, en niet om een calculerende gemachtigde te helpen optimaal gebruik te maken van de normale (oude) regeling voor proceskostenvergoedingen of andere financiële tegemoetkomingen. Van de normale regeling voor proceskostenvergoedingen kan hij inmiddels als bijzonder geval weer gebruik maken. De hele operatie was achteraf voor niets. Het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende is de voor het hoorgesprek gemaakte afspraken niet nagekomen en heeft er niet voor gekozen om de Inspecteur de gelegenheid te bieden op zorgvuldige wijze uitspraak te doen (het belang van zijn cliënten, dat hij voorop dient te stellen), maar gekozen voor zijn eigen belang. Dit calculerende gedrag behoort niet beloond te worden. Het verzoek om een dwangsom is door de Rechtbank, naar overigens niet in geschil is in hoger beroep, terecht afgewezen. Het Hof verbindt hieraan ook de conclusie dat het beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar niet tot gevolg mag hebben dat aan gemachtigde enige vergoeding toekomt.
5.17.
De Rechtbank heeft belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toegekend van in totaal € 226,75 vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade. Voor een hogere proceskostenvergoeding ziet het Hof, gelet op het voorgaande, geen aanleiding. Ditzelfde geldt voor een vergoeding van het griffierecht voor de beroepsfase. Ook hiervoor ziet het Hof geen aanleiding.
Slotsom
5.18.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen A. van Dongen
De beslissing is op 14 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|