Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:581 
 
Datum uitspraak:14-04-2026
Datum gepubliceerd:28-04-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-25/113
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Verordening bedrijveninvesteringszone Weimarstraat Den Haag 2022. Art. 1, lid 2, art. 4, lid 4, art. 5, lid 1, en art. 7, lid 2 en lid 3, Wet BIZ. BI-zone wordt na proefpeiling en draagvlakmeting kleiner dan de BI-zone die in voorgaand tijdvak van kracht was. Statutenwijziging in dit geval niet vereist. Uitvoeringsovereenkomst is niet nietig. Proefpeiling en draagvlakmeting zijn zorgvuldig verlopen. Geen schending van vertrouwelijkheid. BI-zone vormt geen onlogisch en onsamenhangend geheel. BIZ-vereniging ontplooit geen activiteiten buiten de nieuwe BI-zone en dat volgt ook niet uit het BIZ-plan. Geen onredelijke en willekeurige heffing. Verordening niet onverbindend. Geen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat het financiële belang bij de procedure minder dan €1000 euro bedraagt. Aanslagen voor andere jaren, die niet in de procedure betrokken zijn, tellen daarbij niet mee.
Trefwoorden:belastingrecht
subsidies
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/113

Uitspraak van 14 april 2026

in het geding tussen:


[X]
te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Ramsoedh)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 januari 2025, nummer SGR 23/1446.

Procesverloop

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2022 een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd voor het object [adres] te [woonplaats] naar een bedrag van € 350 (de aanslag).
1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de tegen de aanslag gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbendes verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 143 geheven. De Heffingsambtenaar heeft op 9 januari 2026 een reactie op het hoger beroep ingediend. Dit stuk met bijlage is aangemerkt als nader stuk.
1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 20 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] . De onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning.
2.2. Belanghebbende is aangemerkt als belastingplichtige voor de BIZ-bijdrage.
2.3. Op 7 april 2011 is opgericht de vereniging met de naam “Vereniging BIZ Winkelgebied Weimarstraat” (de BIZ-vereniging). De BIZ-vereniging heeft haar zetel in Den Haag. Blijkens artikel 22 (kennelijk artikel 2) van de oprichtingsakte is het statutaire doel van de BIZ-vereniging:
“1. De vereniging heeft uitsluitend ten doel: het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit in de openbare ruimte van het winkelgebied Weimarstraat, hierna te noemen "BIzone".
2. De vereniging tracht haar doel te verwezenlijken door het sluiten van een overeenkomst met de gemeente Den Haag, als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Experimentenwet BI-zones, en de uitvoering daarvan.”
2.4. Voor de periode 2011 tot en met 2015 was een bedrijveninvesteringszone (BI-zone) Weimarstraat van kracht op grond van de Verordening BI-zone Weimarstraat 2011, in werking getreden per 1 januari 2011. Vervolgens was voor de periode 2016 tot en met 2021 een BI-zone Weimarstraat van kracht op grond van de Verordening Bedrijveninvesteringszone Weimarstraat Den Haag 2016. Een BI-zone geldt telkens voor vijf jaar.
2.5. In 2021 heeft een kwartiermaker van de gemeente, werkzaam bij het Haags Retailpunt (een gemeentelijke uitvoeringsorganisatie), bij de ondernemers die onder deze BI-zone vielen geïnformeerd in hoeverre behoefte bestond aan verlenging van de BI-zone met nog eens vijf jaar. Vervolgens is een proefmeting gedaan, waaruit bleek dat in het ‘derde deel’ van de Weimarstraat (straatdeel Beeklaan-Valkenboslaan) niet voldoende draagvlak (meer) bestond voor een BI-zone. Daarom is voor de “officiële” draagvlakmeting een kleiner deel van de voor 2016 tot en met 2021 geldende BI-zone Weimarstraat Den Haag genomen (straatdelen Suezkade-Regentesseplein plus het straatdeel Regentesseplein-Beeklaan). Zo was er voldoende draagvlak, omdat de meerderheid van de ondernemers in die straatdelen wel behoefte hadden aan een BI-zone. Dit heeft geleid tot de afbakening van een kleinere BI-zone voor de periode 2022 tot en met 2026. Het ‘derde deel’ van de Weimarstraat heeft daarna een afzonderlijke winkeliersvereniging opgericht, die haar eigen activiteiten ontplooit.
2.6. De BIZ-vereniging heeft op 21 oktober 2021 met de gemeente Den Haag de “Uitvoeringsovereenkomst 2022-2026 Bedrijveninvesteringszone Weimarstraat” gesloten (de Uitvoeringsovereenkomst). Hierin is onder meer het volgende bepaald:

“Overwegende:
(…)
• De verwachting is dat de gemeenteraad van Den Haag een verordening zal vaststellen, waarin zij het in het BIZ-plan aangegeven gebied als bedrijveninvesteringszone aanwijst.
• De vereniging is opgericht om op te kunnen treden als de in de verordening overeenkomstig de Wet op de bedrijveninvesteringszones aan te wijzen vereniging of stichting.
• De vereniging heeft ter zake van haar plannen in het kader van de Wet op de bedrijveninvesteringszones een BIZ-plan opgesteld.
• Partijen wensen thans een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Wet op de bedrijveninvesteringszones en artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te sluiten.



Komen het volgende overeen:

Artikel 1

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
(…)
• Bedrijveninvesteringszone: het bij de Verordening vast te stellen gebied
• BIZ-bijdrage: hetgeen daaronder in de Wet wordt verstaan
(…)
• BIZ-plan: bijlage 1 bij deze overeenkomst
• Jaarplan BIZ: vaststelling van de in het komend jaar door de BIZ-vereniging uit te voeren activiteiten en daarmee samenhangende kosten
• Verordening: de gemeentelijke verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld
• Statuten: de in bijlage 2 bij deze overeenkomst neergelegde statuten van de vereniging.
(…)


Artikel 2

De vereniging staat ervoor in dat zij voldoet en zal blijven voldoen aan de eisen van de Wet en de Verordening, met name aan de vereisten, neergelegd in de artikelen 7 en 8 van de Wet, en dat zij geen andere activiteiten zal ontplooien dan in artikel 5 van deze
overeenkomst vermeld.


Artikel 3


3.1
De gemeente int jaarlijks onder de bijdrageplichtigen in de bedrijveninvesteringszone de BIZ-bijdrage volgens de verordening en keert de opbrengst verminderd met 2,1% perceptiekosten (zijnde de administratieve kosten van het aanslaan en invorderen van de BIZ-bijdrage) als BIZ-subsidie uit aan de BIZ-vereniging.
(…)


Artikel 5



5.1
De vereniging staat ervoor in dat de BIZ-subsidie wordt aangewend - en uitsluitend wordt aangewend - voor de volgende activiteiten - voor zover die activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven in overeenstemming zijn met de Wet, de Verordening, de Beschikking en de Statuten:

Thema Schoon Heel & Veilig:

Winkelstraatschouw, opzetten WhatsApp groep, Hanging Baskets, Opzetten Veiligheidswerkgroep, aanpakken overlast fietsparkeren, opstellen gedragsregels leefbaarheid, AED-project.



Uitstraling & attractiviteit:

Aanpassen feestverlichting, extra groen, markeren BIZ d.m.v. banieren/vlaggen. Straat (deel)decoratie.

Marketing, Promotie & Evenementen:

Website en social media, promo-acties i.s.m. de buurt, themaevenementen in straatdelen, actieve PR (pers, media), regelmatig informeel onderling persoonlijk contact, stimuleren participatie straatdelen, actief vloggen/bloggen i.s.m. buurt/influencers.

Organisatie, interne communicatie & Samenwerking:

Uitbreiding bestuur/activiteitenwerkgroep, periodieke nieuwsbrief, cursussen/workshops (etaleren, BHV, e.d.)

Duurzaamheid, Bereikbaarheid & Overig:

Exploitatie elektrische deelbus, duurzaamheid als toetsingscriterium bij activiteiten, onderzoeken collectieve afvalinzameling, oproepen buurt tot duurzaamheidsinitiatieven, actief monitoren wegwerkzaamheden en verkeerssituatie.



5.2
De vereniging is verplicht deze activiteiten daadwerkelijk uit te voeren over de
looptijd van de BIZ-periode. Als de vereniging niet aan haar verplichtingen voldoet, kan de Verordening worden ingetrokken, onverminderd de overige voor de gemeente uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten.



5.3
Het bestuur van de BIZ-vereniging is mede op grond van de artikelen 7 en 8 van de Wet op de bedrijveninvesteringszones gehouden alle bijdrageplichtigen te betrekken bij de besluitvorming en andere bijdrageplichtigen van alle nodige informatie te voorzien die voor een goede oordeelsvorming over het BIZ-beleid nodig is.


Artikel 6



6.1
De Wet op de bedrijveninvesteringszones verplicht de gemeente en BIZ-vereniging schriftelijke afspraken te maken over het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode waarvoor de BIZ-bijdrage wordt ingesteld of verlengd en die voorkomen dat er bestaande taken op de BIZ worden afgewenteld. Mede daarom wordt de volgende afspraak gemaakt over het minimale serviceniveau van de gemeente:



6.2
Ten behoeve van een goede uitgangspositie voor het verbeteren van de openbare ruimte door de vereniging verplicht de gemeente zich om tijdens de duur van deze overeenkomst de kwaliteit van het schoonhouden te handhaven op het niveau Residentiekwaliteit. Deze verplichting geldt uitsluitend voor de periodes waarover BIZ-subsidie wordt verleend. Bij deze verplichting wordt het uitdrukkelijke voorbehoud gemaakt, dat er gewichtige redenen, zoals budget neutrale systeemwijzigingen of door de Raad gesanctioneerde bezuinigingen kunnen zijn, waarom de gemeente gedurende deze overeenkomst het niveau niet kan handhaven. In zo'n geval is de gemeente verplicht dat vooraf aan de vereniging te melden.

(…)


Artikel 7



7.1
De vereniging stelt onmiddellijk na het besluit van het college tot inwerkingtreding van de Verordening op basis van onderstaande planning van inkomsten en uitgaven een "Jaarplan BIZ" vast en herhaalt dat telkens vóór 1 november voorafgaand aan het volgend jaar, waarvoor naar verwachting BIZ-subsidie zal worden verleend. Dit jaarplan maakt duidelijk welke activiteiten de vereniging het komend jaar zal verrichten en welke kosten daarvoor begroot worden. Het jaarplan behoeft goedkeuring van de bijdrageplichtigen van Vereniging BIZ Weimarstraat en de gemeente. De gemeente toetst het jaarplan aan het BIZ-plan van de vereniging, aan de Wet, aan het gemeentelijk beleid en aan deze overeenkomst, waarbij in het bijzonder erop wordt gelet of de verdeling van de uitgaven in voldoende mate gericht is op het behalen van de inhoudelijke ambities voor de gehele looptijd van de BIZ.

(…)


Artikel 9

Deze overeenkomst is rechtens afdwingbaar, en wordt - met uitzondering van, onder voorbehoud van verplichtingen die naar hun aard eerder aanvangen - aangegaan onder de opschortende voorwaarden dat de Verordening wordt vastgesteld en in werking is getreden en de Aanvraag en de Beschikking tot stand komen.”



2.7.
Het door de BIZ-vereniging opgestelde “BIZ-plan BIZ Vereniging Weimarstraat 2022-2026” (het BIZ-plan) houdt onder meer het volgende in:




“Samenvatting BIZ-plan BIZ Weimarstraat 2022-2026



Wat is de algemene doelstelling van de BIZ?
Een bedrijveninvesteringszone is een afgebakend gebied, zoals een winkelgebied of een bedrijventerrein, waarbinnen bijdrageplichtigen gezamenlijk (collectief) investeren in de kwaliteit van hun bedrijfsomgeving. Alle bijdrageplichtigen betalen mee. De activiteiten van een BIZ zijn aanvullend op die van de gemeente.



Wat is de ambitie van de BIZ Weimarstraat?
In plaats van het organiseren van de meer traditionele (en daardoor minder onderscheidende) activiteiten, zoals bijv. een braderie, Sinterklaas en Kerstmis) zoeken we de samenwerking op met de buurt en buurtinstellingen, zoals bijv. Theater De Regentes, Bewonersorganisaties en verenigingen en collectieven) Deze strategische keuze lijkt op het eerste gezicht wellicht niet commercieel, maar het bindende effect zal zich ook uiten in verhoogde binding van de bestedingen.
Daarnaast kiezen we ervoor de qua branchering en thema's - en dus qua klanten en bezoekers - verschillende straatdelen daarbij het initiatief te laten nemen. Zij kennen immers hun doelgroepen en weten het beste wat werkt om hen te binden.
De BIZ-vereniging richt zich meer algemeen- maar steeds in samenwerking met de betreffende straatdelen - ook op het verbeteren van de kwaliteit en het imago van het winkelgebied Weimarstraat. Zij doen dit door het in het winkelgebied actief zaken 'op te pakken' op het gebied van schoon, heel, veilig, uitstraling, attractiviteit, imago en communicatie, samenwerking, duurzaamheid en bereikbaarheid en dergelijke teneinde de concurrentiepositie te verstevigen. Hiervoor wordt uitdrukkelijk gezocht naar een intensieve samenwerking met o.a. gemeente Den Haag, het Haags Retailpunt, de politie, de brandweer Haaglanden en andere partijen die belangen hebben in het winkelgebied.



Wat is het huidige draagvlak?
(→ Uitkomst van de BIZ-evaluatie/proefpeiling (percentages), zie paragraaf 1.3)


Wat is het afgebakende gebied?
Ten opzichte van de voorbije 10 jaar is het BIZ-gebied noodgedwongen kleiner geworden. Ondanks twee pogingen in 2020 en 2021, bleek het draagvlak voor een BIZ in het straatdeel Beeklaan-Valkenboslaan veel te gering. Het nieuwe gebied loopt hierdoor van de Suezkade tot aan de Beeklaan. Het aantal bijdrageplichtigen komt hierdoor uit op 98. Dat waren er rond de 160.

De BIZ Weimarstraat omvat alle voor het publiek toegankelijke commerciële bedrijfsruimten op de begane grond gevestigd. Het geheel vormt een logisch, aaneengesloten winkelgebied. Het gaat om de volgende adressen/huisnummers: Weimarstraat: 16A t/m 174 - 13 t/m 153; Suezkade: 48 - 47; Van Bylandtstraat: 92CA - 91,93; Franklinstraat: 76,78 - 93, 95; Regentesseplein: 12A, 14, 148, 220, 222, 228, 230 - 11, 13, 223A, 227, 229; Regentesselaan: 106.


Wie wordt aangeslagen en voor hoeveel?
Kijkend naar de ambitie van de BIZ-vereniging en de activiteiten die de vereniging wil uitvoeren (zie hoofdstuk 3) om deze ambitie te bereiken, hebben alle bijdrageplichtigen die vallen binnen de gebiedsafbakening en de BIZ-definitie nut bij een sterk (winkel)gebied en kunnen zij profiteren van het behoud van bestaande klantengroepen, het aantrekken van nieuwe klantengroepen en het verbeteren van de leefbaarheid en het ondernemersklimaat.

De BIZ Weimarstraat heeft gekozen voor 'gelijk omslaan', dat wil zeggen dat de ondernemers allen eenzelfde jaarlijkse bijdrage betalen. Deze is op basis van de ambities en daartoe uit te voeren activiteiten vastgesteld op €350,=. Deze keuze is in lijn met het feit dat de Weimarstraat hoofdzakelijk kleinere winkels telt. Ook wordt met deze keuze het draagvlak voor de BIZ onder de grotere winkels behouden. Voor een succesvolle uitvoering en organisatie van activiteiten is dat van belang.”


2.8.
De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag BIZ-bijdrage opgelegd van € 350. De Heffingsambtenaar heeft op 30 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 13 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14444, het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende geen gronden van het beroep heeft ingediend. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak geen verzet ingesteld.



2.9.
Voor het jaar 2024 heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende eveneens een aanslag BIZ-bijdrage naar een bedrag van € 350 opgelegd.



Juridisch kader




3.1.
In de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1
1. De gemeenteraad kan onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (bedrijveninvesteringszone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.
2. De BIZ-bijdrage is een bestemmingsheffing die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.
3. Bij verordening wordt bepaald of de BIZ-bijdrage wordt geheven van:
a. eigenaren, waaronder voor de toepassing van deze wet worden verstaan degenen die bij het begin van het kalenderjaar van in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,
b. gebruikers, waaronder voor de toepassing van deze wet worden verstaan degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruiken of
c. eigenaren en gebruikers.
4. Onverminderd het derde lid, onder b en c, kan de verordening bepalen dat indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage wordt geheven van de eigenaar.
5. De artikelen 220a, 220b, 220d, 220e en 220h van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.


Artikel 2

1. De heffingsmaatstaf van de BIZ-bijdrage is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde. De verordening kan bepalen dat de in het eerste jaar vastgestelde waarde ook voor één of meer jaren daarna van toepassing is.
2. De onroerende zaken ter zake waarvan de BIZ-bijdrage wordt geheven kunnen in waardeklassen worden ingedeeld.
3. Het tarief van de BIZ-bijdrage voor gebruikers kan voor verschillende categorieën niet-woningen verschillend worden vastgesteld waarbij onder meer de vestigingslocatie, de bestemming van de onroerende zaak en de branche of sector van de bijdrageplichtige gebruiker in relatie tot het belang van de gebruiker bij de activiteiten in aanmerking genomen kunnen worden.
4. Indien de verordening toepassing geeft aan artikel 1, vierde lid, en tevens branche of sector van de bijdrageplichtige gebruiker in aanmerking neemt voor de bepaling van het tarief, wordt het niet in gebruik zijn van de zaak door de verordening gelijkgesteld aan bepaald gebruik.
5. Het tarief van de BIZ-bijdrage voor eigenaren kan voor verschillende categorieën niet-woningen verschillend worden vastgesteld waarbij onder meer de vestigingslocatie en de bestemming van de onroerende zaak in relatie tot het belang van de eigenaar bij de activiteiten in aanmerking genomen kunnen worden.
6. In afwijking van voorgaande leden kan het tarief eveneens worden bepaald op een voor alle gebruikers, alle eigenaren of voor alle bijdrageplichtigen gelijk bedrag.
7. De artikelen 230 tot en met 233a en 236 tot en met 257 van de Gemeentewet en krachtens deze artikelen vastgestelde voorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op de heffing en invordering van de BIZ-bijdrage.


Artikel 3

1. Een BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van ten hoogste vijf jaren.
2. Met overeenkomstige toepassing van artikel 4 en 5 kan de periode telkens met ten hoogste vijf jaren worden verlengd.


Artikel 4

1. De verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld treedt niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen.
2. Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken. In afwijking van het peilmoment, bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, wordt degene die blijkens de bij de gemeente op dat moment bekende gegevens een onroerende zaak in de beoogde bedrijveninvesteringszone gebruikt of daarvan het genot heeft aangemerkt als bijdrageplichtige.
3. Bij de toepassing van het tweede lid zorgt het college van burgemeester en wethouders dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening.
4. Het college zorgt er voor dat de vertrouwelijkheid van de strekking van de schriftelijke verklaring van de bijdrageplichtige gewaarborgd is.


Artikel 5

1. Van voldoende steun is sprake indien na toepassing van artikel 4 blijkt dat:
a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,
b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en
c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van onroerende zaken in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.
2. In afwijking van het eerste lid blijkt reeds van voldoende steun indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in dat lid, onder a en b, indien de verordening voorziet in heffing van een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag als bedoeld in artikel 2, zesde lid.
3. Indien de BIZ-bijdrage wordt geheven van eigenaren en gebruikers als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder c, wordt degene die zowel gebruiker als eigenaar is van een bepaalde onroerende zaak in beide hoedanigheden betrokken bij de vaststelling of sprake is van voldoende steun en is, onverminderd het eerste lid, pas sprake van voldoende steun indien:
a. ten minste de helft van de gebruikers en ten minste de helft van de eigenaren zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken, en daarvan
b. ten minste de helft van de gebruikers en ten minste de helft van de eigenaren zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken.


Artikel 6

1. De gemeenteraad besluit zo spoedig mogelijk over intrekking van de verordening indien hiervoor voldoende steun is bij bijdrageplichtigen.
2. Op verzoek van ten minste twintig procent van de bijdrageplichtigen stelt het college van burgemeester en wethouders iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen intrekking van de verordening uit te spreken.
3. Het verzoek kan niet worden gedaan:
a. binnen een jaar na inwerkingtreding van de verordening, of
b. binnen een jaar na toepassing van het tweede lid.
4. Artikel 4, tweede lid, tweede volzin, vierde lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, zijn van toepassing met dien verstande:
a. dat de bijdrageplichtigen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te spreken voor of tegen intrekking en
b. dat in afwijking van artikel 5, eerste lid, onder b, reeds sprake is van voldoende steun voor intrekking indien ten minste de helft zich voor intrekking heeft uitgesproken.


Artikel 7

1. De opbrengst van de BIZ-bijdrage wordt als subsidie verstrekt aan de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting. De perceptiekosten kunnen hierop in mindering worden gebracht indien dit in de verordening is bepaald.
2. De verordening wijst uitsluitend als vereniging of stichting aan:
a. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid:
1°. waarvan alle beoogde bijdrageplichtigen lid zijn of dit desgewenst met onmiddellijke ingang kunnen worden,
2°. waarvan de contributie op jaarbasis niet hoger is dan € 50,–, en
3°. die als statutaire doelstelling uitsluitend heeft het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, of
b. (…)
3. In aanvulling op het tweede lid wijst de verordening uitsluitend een vereniging of stichting aan waarmee de gemeente ter uitvoering van de verordening een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten, waarin is bepaald dat de subsidie-ontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.
4. De gemeenteraad stelt bij verordening de nodige regels, met inbegrip van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de subsidie wordt verstrekt.
5. De gemeenteraad en de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting maken schriftelijke afspraken over het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode waarvoor de BIZ-bijdrage wordt ingesteld of verlengd.


Artikel 8

1. De aangewezen vereniging of stichting zorgt er voor dat:
a. jaarlijks door de algemene ledenvergadering van de vereniging of door het bestuur van de stichting een begroting wordt vastgesteld voor de uitvoering van de activiteiten in het daaropvolgende jaar,
b. na het eerste jaar jaarlijks aan de algemene ledenvergadering of in het bestuur van de stichting rekening en verantwoording wordt afgelegd over de uitgaven voor de uitvoering van de activiteiten in het voorafgaande jaar.
2. De aangewezen vereniging of stichting zorgt er voor dat alle bijdrageplichtigen kosteloos kennis kunnen nemen van de begroting, de rekening en de verantwoording. De aangewezen vereniging of stichting verschaft iedere bijdrageplichtige op zijn verzoek kosteloos inzage in specifieke uitgaven.”



3.2.
De raad van de gemeente Den Haag heeft op 25 november 2021 de Verordening bedrijveninvesteringszone Weimarstraat Den Haag 2022 vastgesteld (de Verordening). De tekst daarvan luidt, voor zover van belang:

“Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen


Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:








-


bedrijveninvesteringszone Weimarstraat:


het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het gebied omvat de volgende straten of delen van straten: Van Bylandtstraat 91, 92 en 93, Franklinstraat 76, 78, 93 en 95, Regentesselaan 106, Regentesseplein 11 tot en met 229 (oneven nummers) en 12 tot en met 230 (even nummers), Suezkade 47 en 48, Weimarstraat 13 tot en met 153 (oneven nummers) en 16 tot en met 174 (even nummers) en de in dit gebied gelegen kiosken en verkooppunten;




-


college:


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag;




-


perceptiekosten:


kosten die de gemeente moet maken voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdrage;




-


uitvoeringsovereenkomst:


tussen de gemeente Den Haag en de Vereniging BIZ Weimarstraat gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet;




-


vereniging:


de Vereniging BIZ Weimarstraat;




-


wet:


de Wet op de bedrijveninvesteringszones;




-


WOZ:


de Wet waardering onroerende zaken.







Hoofdstuk 2. Belastingbepalingen



Artikel 2. Aard van de belasting

Onder de naam BIZ-bijdrage wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid of veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.


Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

1. De BIZ-bijdrage wordt gedurende een periode van vijf jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en gelegen zijn op de begane grond en die als bestemming hebben, dan wel in gebruik zijn als (detail)handel of winkel, horeca, wijk- of buurtcentrum, bedrijf, bedrijfsruimte, kantoor, schouwburg of praktijkruimte.
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
4. Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt de BIZ-bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.


Artikel 4. Belastingobject

1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2. Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de WOZ, die niet in hoofdzaak tot woning dient.
3. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning, indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de WOZ is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak, die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.


Artikel 5. Heffingsmaatstaf

De BIZ-bijdrage wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak.


Artikel 6. Belastingtarief

De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak € 350 per jaar.


Artikel 7. Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven.

(…)


Hoofdstuk 3. Subsidiebepalingen



Artikel 10. Algemeen

1. De vereniging BIZ Weimarstraat wordt aangewezen als de vereniging als bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.
2. Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening
Den Haag 2020 niet van toepassing.


Artikel 11. Subsidieverlening

1. De subsidie wordt jaarlijks door het college aan de vereniging verleend voor de uitvoering van de activiteiten, die zijn opgenomen in de met deze vereniging gesloten uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.
2. De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen, verminderd met de daarmee samenhangende perceptiekosten. Deze perceptiekosten bedragen 2,1% van de (begrote) opbrengst.


Artikel 12. Subsidievaststelling

1. De vereniging is verplicht jaarlijks uiterlijk 12 weken na afloop van het hieraan voorafgaande subsidiejaar de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken te overleggen.
2. Het college stelt de subsidie jaarlijks vast, uiterlijk 12 weken na ontvangst van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.


Artikel 13. Melding van relevante wijzigingen

1. De vereniging stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie.
2. De vereniging stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een wijziging van de statuten, dan wel van een verandering of beëindiging van activiteiten.”



Oordeel van de Rechtbank


4. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“7. Ingevolge artikel 1, lid 2, van de Wet BIZ is de BIZ-bijdrage een belasting die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening is de BI-zone het bij de Verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. In de Wet BIZ zijn ten aanzien van de afbakening van de BI-zone geen nadere regels gegeven. In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BIZ (Kamerstukken II, 2007/2008, 31 430, nr. 6), is vermeld dat ten aanzien van de BI-zone sprake dient te zijn van een logisch afgebakend gebied van een bepaalde omvang, bijvoorbeeld een winkelstraat, centrumgebied of bedrijventerrein en dat het aan de gemeente is om te oordelen of de afbakening van het gebied een logisch en samenhangend geheel vormt.

8. In de Verordening is het volgende (voor zover van belang) bepaald:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen


Deze verordening verstaat onder:


a. BI-zone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het gebied omvat de objecten gelegen in de volgende straten of delen van straten: Beeklaan 261 en 266, van Bylandtstraat 91 t/m 94, Celsiusstraat 183 en 186, Fahrenheitstraat 273, Franklinstraat 76, 78, 93 en 95, Marconistraat 2, Noorderbeekdwarsstraat 161 t/m 173 oneven en 218, Prof. Kaiserstraat 50 en 55, Regentesselaan 104 t/m 108 en 123 t/m 125A, Regentesseplein 1 t/m 231, Suezkade 47 en 48, Valkenboslaan 173, 175 en 198, Weimarstraat 13 t/m 349 oneven en 16 t/m 364 even. ”



Artikel 3 Aard van de belasting


Onder de naam ‘BIZ-bijdrage ’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.



Artikel 4 Belastbaar feit en belastingplicht


1. De belasting wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. ”


9. De rechtbank stelt voorop dat het, gelet op de wetsgeschiedenis[1] aan de gemeente is om te beoordelen of de afbakening van het gebied een logisch en samenhangend geheel vormt. De rechtbank kan alleen beoordelen of de gemeenteraad bij het vaststellen van de Verordening 2022 de grenzen van de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden. Eiser heeft gesteld dat door het niet meenemen van het derde deel van de Weimarstraat voor de afbakening van BI-zone - in welk deel van de straat geen steun was voor de BIZ-zone terwijl dit deel wel één geheel vormt met de rest van de Weimarstraat - de BI-zone willekeurig is verkleind waardoor de gemeentelijke wetgever de hem bij het vaststellen van de Verordening toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden. Daarbij verwijst eiser naar de uitspraak van Hof Den Bosch van 28 januari 2016[2]. De rechtbank volgt eiser hierin niet aangezien de feiten en omstandigheden in deze uitspraak niet met de onderhavige zaak vergelijkbaar zijn. In de voornoemde uitspraak was er geen sprake van een logisch en samenhangend geheel doordat het afgebakend gebied juist te groot en niet samenhangend was. Het is aan eiser om zijn stelling dat er in dit geval geen sprake is van een logisch en samenhangend geheel nader te onderbouwen en aannemelijk te maken. Omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom er in de onderhavige afgebakende BI-zone geen sprake zou zijn van een logisch en samenhangend geheel, heeft hij niet aan zijn bewijslast voldaan. Ook na de uitgebreide en onweersproken toelichting van verweerder op zitting is niet gebleken dat bij de afbakening van de BI-zone sprake zou zijn van een onlogisch en niet samenhangend geheel.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht hoe de gemeente tot een logisch en afgebakend geheel is gekomen. Een kwartiermaker van de gemeente heeft bij de ondernemers geïnformeerd in hoeverre er behoefte was aan een BI-zone, en daarna is de proefmeting gedaan, waaruit bleek dat er in het derde deel van de Weimarstraat geen draagvlak was voor een BI-zone. Daarom is voor de “officiële” draagvlakmeting een kleiner afgebakend deel van de Weimarstraat genomen, zodat er dan wel voldoende draagvlak zou zijn onder het deel van de ondernemers die wel behoefte hadden aan een BI-zone. Het derde deel van de Weimarstraat heeft daarna een eigen winkeliersvereniging opgericht, die haar eigen activiteiten verricht. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er juist zeer zorgvuldig is gehandeld door van tevoren bij de ondernemers te onderzoeken of er behoefte is aan een BI-zone om zo tot een logisch en afgebakend deel van de Weimarstraat te komen. Van enige willekeur of onzorgvuldig handelen is gelet op het voorgaande dan ook geen sprake. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat een tweede meting niet was toegestaan, leidt dit niet tot een ander oordeel, aangezien dit niet uit de verordening, de wet noch uit de wetgeschiedenis volgt. Gelet op de wetsgeschiedenis heeft de wetgever zelfs rekening gehouden met de mogelijkheid dat meerdere metingen nodig zijn. In de derde alinea onder r. 6 van de Memorie van Toelichting staat[3]:

“Niet altijd blijkt van voldoende steun voor het inwerkingtreden van de verordening. Dit gebrek aan draagvlak kan aanleiding geven tot een nieuwe poging waarbij, met behulp van bijvoorbeeld betere voorlichting, alsnog wordt geprobeerd tot de vereiste steun te komen.”


Omdat bij de afbakening van de BI-zone niet gebleken is van een onlogisch en niet samenhangend geheel, heeft de gemeenteraad de grenzen van de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. De Verordening 2022 is op dit punt dan ook niet onverbindend en verweerder heeft de aanslag terecht aan eiser opgelegd.

10. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat verweerder willekeurig of onzorgvuldig heeft gehandeld en evenmin is gebleken dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende zou zijn gemotiveerd.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.


Verzoek om een immateriële schadevergoeding


12. Op 13 september 2024 heeft eiser schriftelijk verzocht om immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verzoek van eiser als volgt.
Bij de behandeling van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet uitspraak doet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Verder geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven die termijn te verlengen. In zijn uitspraak van 14 juni 2024[4] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid indien het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan de rechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

13. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 2 augustus 2022 tot aan deze uitspraak zijn twee jaar en bijna 7 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Niet gebleken is dat het financiële belang van eiser € 1.000 of meer is. Naar het oordeel van de rechtbank doet de bijzondere omstandigheid als bedoeld onder 12 zich in het onderhavige geval dus voor. De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom afwijzen en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.


Proceskosten


14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Kamerstukken II, 2007/2008, 31 430, nr. 6, onder 7.
[2] ECLI:NL:GHSHE:2016:241
[3] Memorie van Toelichting bij de Wet op de bedrijveninvesteringszones, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 917, nr. 3, blz. 7.
[4] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853”



Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen




5.1.
In hoger beroep is in geschil of aan belanghebbende terecht de aanslag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de Verordening onverbindend is. Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.



5.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag, alsmede tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade en veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep.



5.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.



Beoordeling van het hoger beroep



Grief 1: Uitvoeringsovereenkomst en Verordening nietig?




6.1.
Belanghebbende stelt zich ten eerste op het standpunt dat zowel de Verordening als de Uitvoeringsovereenkomst nietig is, omdat de Verordening in strijd met artikel 7, lid 2, Wet BIZ niet een BIZ-vereniging aanwijst die uitsluitend activiteiten verricht binnen de geldende BI-zone. Belanghebbende voert ter onderbouwing van zijn stelling aan dat de statutaire doelstelling van de BIZ-vereniging betrekking heeft op activiteiten in de openbare ruimte van het gehele winkelgebied van de Weimarstraat, inclusief het in 2.5 genoemde ‘derde deel’. De BIZ-vereniging had, zo stelt belanghebbende, de statuten behoren te wijzigen bij wijziging van het afgebakend gebied, vóór het sluiten van de Uitvoeringsovereenkomst. Aangezien de BIZ-vereniging heeft nagelaten de statuten te wijzigen, is niet alleen niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 7, lid 2, letter a, onder 3°, in verbinding met artikel l, lid 2, Wet BIZ, maar is ook geen sprake van een afdwingbare Uitvoeringsovereenkomst ex artikel 7, lid 3, Wet BIZ. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.



6.2.
In artikel 1 van de Verordening is de BI-zone aldus afgebakend dat alle objecten, zijnde winkel-/kantoorruimtes op de begane grond, die tot de BI-zone behoren met hun adres zijn omschreven. In het BIZ-plan is een zelfde omschrijving opgenomen. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de BIZ-vereniging volgens haar doelstelling een ruimer bereik zou hebben dan deze BI-zone. In de statuten wordt in de doelstelling immers verwezen naar “het winkelgebied Weimarstraat” en “de BI-zone”. Artikel 10 van de Verordening wijst bovendien de BIZ-vereniging aan, zoals vereist in artikel 7, lid 3, Wet BIZ. In artikel 1 van de Uitvoeringsovereenkomst wordt onder Bedrijveninvesteringszone verstaan: “het bij de Verordening vast te stellen gebied”. Het zogenoemde ‘derde deel’ van de Weimarstraat maakt met ingang van 1 januari 2022 geen deel (meer) uit van de in de Verordening gedefinieerde BI-zone. De objecten in dit deel van de straat worden niet meer in de Verordening als behorend tot de BI-zone genoemd, er is geen andere BI-zone die betrekking heeft op de Weimarstraat en ook niet een andere verordening voor dat derde deel van de Weimarstraat. Waarom de doelstelling van de BIZ-vereniging dan, zoals belanghebbende stelt, nog steeds de vanaf 2011 tot en met 2021 geldende ruimere BI-zone zou bestrijken, valt niet in te zien. Gelet op het voorgaande moet de verwijzing naar “het winkelgebied Weimarstraat” redelijkerwijs worden opgevat als een verwijzing naar de in de Verordening gedefinieerde, in het onderhavige jaar geldende BI-zone. Het Hof verwerpt daarom de stelling van belanghebbende dat de BIZ-vereniging alvorens de BI-zone voor 2022 werd ingevoerd gehouden was haar doelstelling in de statuten te wijzigen en bij gebreke daarvan geen geldige Uitvoeringsovereenkomst met de gemeente heeft gesloten, nog afgezien van de vraag of een dergelijk gebrek tot onverbindendheid van de Verordening zou kunnen leiden. Van een onverbindende Verordening is dan ook geen sprake. De eerste grief faalt.


Grief 2: Proefpeiling en draagvlakmeting




6.3.
De tweede grief van belanghebbende houdt in dat de uiteindelijke draagvlakmeting niet eerlijk is verlopen omdat ‘voorkennis’ aanwezig was over de afloop van de meting bij de kwartiermaker van het Retail Punt, welke kennis hij met de BIZ-vereniging heeft gedeeld. Er is eerst een proefpeiling gehouden waarvan de resultaten aan de BIZ-vereniging bekend zijn gemaakt. Hierbij is de vertrouwelijkheid niet in acht genomen, omdat de namen van degenen die wel en niet wilden meedoen aan de BI-zone bekend zijn gemaakt binnen de BIZ-vereniging. Hiermee heeft de gemeente gehandeld in strijd met artikel 4, lid 4, Wet BIZ, aldus belanghebbende.
De Heffingsambtenaar heeft het door belanghebbende gestelde bestreden. Hij heeft aangevoerd dat een kwartiermaker van het Haags Retailpunt met alle ondernemers binnen de voordien geldende BI-zone vertrouwelijk heeft gesproken over de mogelijke invoering van een BI-zone voor de volgende periode 2022 tot en met 2026 en dat uit die gesprekken bleek dat de ondernemers graag zekerheid wilden of die zone haalbaar was en er veel ondernemers in het derde deel van de Weimarstraat waren die tegen de invoering van een nieuwe BI-zone waren. In de resultaten van de proefpeiling worden slechts percentages bekend en niet welke ondernemers voor het instellen van een BI-zone waren en welke ondernemers tegen. Met de BIZ-vereniging zijn dus slechts percentages van de uitslag van de proefmeting gedeeld.



6.4.
Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de uiteenzetting van de Heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft niet met concreet bewijs onderbouwd dat de kwartiermaker de vertrouwelijkheid zou hebben geschonden en dat stemgegevens van concrete ondernemers aan de BIZ-vereniging zijn medegedeeld; niet in de periode voor het houden van de proefpeiling, niet tijdens de proefpeiling en niet erna. Van een schending van artikel 4, lid 4, Wet BIZ is dus geen sprake.



6.5.
Omtrent het houden van de proefpeiling merkt het Hof nog het volgende op. Het Hof ziet – net als de Rechtbank – in de omstandigheid dat een kwartiermaker van het Haags Retailpunt samen met de BIZ-vereniging heeft besloten eerst een proefpeiling te houden alvorens de officiële draagvlakmeting plaatsvond, geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet aannemelijk is dat de proefpeiling niet behoorlijk en niet zorgvuldig zou zijn verlopen en de Uitvoeringsovereenkomst en de Verordening niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De omstandigheid dat een proefpeiling wordt gehouden, leidt ertoe dat bij de uiteindelijke draagvlakmeting voldoende draagvlak mogelijk zal zijn en voorkomt het steeds maar houden van kostbare nieuwe draagvlakmetingen totdat een gebied met voldoende draagvlak is afgebakend. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat hier juist sprake is van zorgvuldig handelen. Belanghebbende heeft ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan niet zorgvuldig zou zijn gehandeld. Het Hof verwerpt de tweede grief van belanghebbende.


Grief 3: BIZ-plan (uitsluiting ondernemers derde deel) in strijd met statuten?




6.6.
Belanghebbende stelt in zijn derde grief dat het BIZ-plan in strijd is met
de statuten van de BIZ-vereniging. Hij voert daartoe aan dat uit de berichtgeving van de BIZ-vereniging en het BIZ-plan naar voren komt dat de BI-zone is verkleind. Belanghebbende acht dat in strijd met de statuten van de BIZ-vereniging aangezien, naar hij stelt, de BI-zone in de statuten ruim is omschreven als “de openbare ruimte van het winkelgebied Weimarstraat”. Ook de grondslag/aanleiding voor de verkleining van de BI-zone had aanleiding moeten zijn voor de gemeente om het BIZ-plan niet te volgen en de Verordening niet vast te stellen, aldus belanghebbende. De gang van zaken omtrent de proefpeiling is volgens belanghebbende in strijd met artikel 4 Wet BIZ en kan volgens belanghebbende niet anders worden uitgelegd dan het ‘de facto’ omzeilen van de draagvlak-en quorumvereisten geregeld bij artikel 5, lid 1, Wet BIZ. Het BIZ-plan is daarom niet geldig en de Verordening onverbindend, luidt de conclusie van belanghebbende.



6.7.
Het Hof wijst de klacht over strijdigheid met de statuten van de BIZ-vereniging onder verwijzing naar het hiervoor onder 6.2 overwogene af. Slechts het in de Verordening genoemde gebied behoort tot de BI-zone en slechts de eigenaren c.q. gebruikers van daarin gelegen onroerende zaken kunnen lid zijn van de BIZ-vereniging en binnen die vereniging activiteiten ontplooien met inachtneming van het door de BIZ-vereniging opgestelde BIZ-plan. Juist vanwege de omstandigheid dat de BI-zone geen activiteiten meer ontplooit in het derde deel van de Weimarstraat, hebben de ondernemers in dat derde deel hun eigen winkeliersvereniging opgericht. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat plannen bestaan voor activiteiten in het derde deel van de Weimarstraat dat niet meer tot de BI-zone behoort. Belanghebbendes klacht over de schending van artikel 4 en artikel 5, lid 1, Wet BIZ faalt op de gronden genoemd in 6.4 en 6.5 hiervoor. Het Hof verwerpt derhalve de derde grief.


Grief 4: Afbakening BI-zone: is sprake van een logisch en samenhangend geheel? Is sprake van onredelijke belastingheffing en worden activiteiten buiten de BI-zone verricht?




6.8.
De BIZ-bijdrage kan worden ingevoerd in een BI-zone. Deze zone wordt in artikel 1, lid 1, Wet BIZ gedefinieerd als: “een bepaald gebied in de gemeente gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen”. De afbakening van het gebied is in de Wet BIZ niet nader omschreven. Wel is omtrent de afbakening van het gebied van een BI-zone in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat sprake moet zijn van een “logisch en samenhangend geheel”, zoals volgt uit de volgende passages:

“De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de afbakening van het gebied. Allereerst moet worden opgemerkt dat het wetsvoorstel niet voorschrijft dat (vertrouwelijke) zienswijzen moeten kunnen worden ingediend bij de totstandkoming van een BIZ-verordening. Benadrukt wordt dat een aantal van de onduidelijkheden waarop wordt gedoeld niet voortkomen uit de wet. De wet noch het wetsvoorstel kent een definitie over wanneer sprake zou zijn van «een samenhangend gebied». Ook bevatten wet noch wetsvoorstel een begripsomschrijving voor «een winkelstraat». Indien gemeenten behoefte hebben aan het gebruik van deze begrippen bij het opstellen van de BIZ-verordening dan kunnen gemeenten daar zelf invulling aan geven. Wet en wetsvoorstel laten gemeenteraad en ondernemers veel ruimte om te komen tot een logische afbakening van een bepaald gebied, waarmee de omvang van de BIZ dan ook per gemeente en per locatie kan verschillen. Daarbij is het dus ook in laatste instantie de gemeenteraad die moet bewaken dat zich op het punt van afbakening geen onwenselijke zaken voordoen. De rechter zal deze afwegingsruimte van de gemeenteraad naar verwachting respecteren zo lang geen sprake is van willekeur of inbreuk op andere rechtsbeginselen.”

NaV, Kamerstukken II 2013/14, 33917, 6, p. 4.


De leden van de PvdA-fractie vroegen of het beoogde gebied ook een minimale omvang heeft. Er is in principe geen minimum oppervlak of aantal ondernemers gedefinieerd. Uiteraard dient er wel sprake te zijn van een logisch afgebakend gebied van een bepaalde omvang, al was het maar om de kosten van het innen van een heffing op te laten wegen tegen de baten. Dit kan bijvoorbeeld een winkelstraat, centrumgebied of bedrijventerrein zijn. Het is aan de gemeente om te oordelen of de afbakening van het gebied een logisch en samenhangend geheel vormt.'

NaV, Kamerstukken II 2007/08, 31430, 6, p. 10.




6.9.
Zoals blijkt uit het vorenstaande, heeft de gemeenteraad een grote vrijheid in de afbakening van het gebied van de BI-zone. In het kader van de heffing van de BIZ-bijdrage heeft de rechter tot taak na te gaan of sprake is van een afbakening die leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing en dient hij indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de Verordening in strijd met het beginsel van zorgvuldige voorbereiding dan wel het zorgvuldigheidbeginsel tot stand is gekomen, na te gaan of daarvan sprake is.



6.10.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de BI-zone een onlogisch en onsamenhangend geheel vormt. Dat is niet juist. In de Verordening zijn de objecten die tot de BI-zone behoren met hun adres duidelijk omschreven: het gaat om winkelruimtes/kantoorruimtes op de begane grond in het aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. De objecten zijn naast elkaar, in elkaars verlengde, soms op de hoek van de Weimarstraat gelegen en liggen in elkaars directe nabijheid. In de Verordening is duidelijk dit gedeelte afgebakend. De eigenaren/gebruikers van deze objecten werken met elkaar samen zoals vastgelegd in het BIZ-plan. Zij hebben volgens het BIZ-plan niet alleen tot gezamenlijk doel de gebruikelijke promotieactiviteiten rond kerst, Sinterklaas en nieuwjaar te organiseren maar ook de gezamenlijke aanpak en samenwerking met de gemeente vorm te geven om binnen de BI-zone de buurt schoon, heel en veilig te houden en samen te werken aan uitstraling, attractiviteit, imago en communicatie, duurzaamheid en bereikbaarheid. Dat hier sprake zou zijn van een onlogisch en onsamenhangend geheel van de BI-zone heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.



6.11.
Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft gesteld ook geen grond om aan te nemen dat de BIZ-vereniging activiteiten zou ontplooien buiten het gebied van de BI-zone of dat van plan zou zijn. Dat de kerstverlichting eind 2021 nog is blijven hangen in het derde deel van de Weimarstraat is daarmee niet in strijd, omdat de BI-zone pas op 1 januari 2022 is gewijzigd en dat deel van de straat voordien nog tot de BI-zone behoorde. Het Hof kan zich overigens voorstellen dat deze verlichting nog niet precies op 1 januari 2022 was verwijderd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het gedeelte van de straat dat niet tot de BI-zone behoort met ingang van 2022 op naam van de BIZ-vereniging activiteiten worden ontplooid. Dat de BIZ-vereniging contact onderhoudt met de winkeliersvereniging in het derde deel van de Weimarstraat, dat niet tot de BI-zone behoort, en ook plannen omtrent de herinrichting van dat gedeelte in haar vergadering bespreekt, betekent nog niet dat de BIZ-vereniging activiteiten zou ontplooien in dat deel van de straat en ook niet dat zij dat van plan is. Belanghebbende stelt dat daartoe wel de mogelijkheid bestaat omdat volgens de statutaire doelstelling van de BIZ-vereniging de BI-zone ruimer is dan die volgens de Verordening. Het Hof wijst die stelling onder verwijzing naar het hiervoor onder 6.2 overwogene af. Slechts de in de Verordening genoemde objecten behoren tot de BI-zone en de eigenaren c.q. huurders van die objecten kunnen lid zijn van de BIZ-vereniging en binnen die vereniging activiteiten ontplooien met inachtneming van het door de vereniging opgestelde BIZ-plan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat andere plannen van de BIZ-vereniging bestaan die zich uitstrekken buiten de BI-zone en ook niet dat andere ondernemers van buiten de BI-zone lid zijn dan wel activiteiten ontplooien binnen de BIZ-vereniging of van plan zijn om dat te doen. Belanghebbende stelt ook dat nu in het BIZ-plan wordt gesproken van ‘continuering’ van de bestaande activiteiten, dit inhoudt dat deze activiteiten zich blijven uitstrekken tot de voormalige BI-zone. Die uitleg volgt het Hof niet. Die mededeling is in zijn context redelijkerwijs niet anders op te vatten dan dat de BIZ-vereniging meedeelt van plan te zijn om in de BI-zone die geldt van 2022 tot en met 2026 dezelfde soort activiteiten te gaan verrichten als zij voorheen heeft gedaan in de voormalige BI-zone. De zin heeft betrekking op de nieuwe Verordening en de nieuwe BI-zone. De activiteiten zien dus alleen op de nieuwe BI-zone.


6.12.
Het Hof komt tot de conclusie dat geen sprake is van een onredelijke en willekeurige BIZ-bijdrage voor het jaar 2022 van de eigenaars/gebruikers van de objecten in de BI-zone, zoals omschreven in de Verordening. Het Hof wijst de vierde grief af.


Conclusie




6.13.
Gelet op al het voorgaande is de Verordening niet onverbindend. De aanslag is terecht opgelegd.


Verzoek om vergoeding van immateriële schade




6.14.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van zijn zaak in eerste aanleg. Niet in geschil is dat de procedure zeven maanden langer heeft geduurd dan de twee jaar die in normale omstandigheden voor het bezwaar en beroep samen als redelijk wordt aanvaard. De Rechtbank heeft het verzoek echter afgewezen omdat het financiële belang bij de procedure lager is dan het bedrag van € 1.000 genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, en heeft volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat het oordeel van de Rechtbank niet juist is omdat het financieel belang bij de procedure hoger is dan het in het arrest genoemde bedrag van € 1.000 aangezien aan belanghebbende tevens aanslagen BIZ-bijdrage voor de jaren 2023 en 2024 zijn opgelegd van elk € 350.



6.15.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest geoordeeld dat tot het in aanmerking te nemen financieel belang slechts behoren die aanslagen waarover de belastingplichtige een procedure voert:


“Rechtspraak over vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting



3.2.1
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, die is samengevat in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, wordt in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld, indien de belanghebbende daarom heeft verzocht.[3]Voor deze schadevergoeding dient als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.[4] Betreft een procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete, dan worden die schadevergoeding, en de boetevermindering of schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boete, zo nodig naast elkaar toegepast.[5



3.2.2
De Hoge Raad heeft in belastingzaken, afgezien van geschillen over een bestuurlijke boete, tot de hiervoor in 3.2.1 bedoelde bijzondere omstandigheden gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.[6]


Het begrip ‘financieel belang bij de procedure’




3.3.1
Het hiervoor in 3.2.2 bedoelde financiële belang kan alleen betrekking hebben op een of meer belastingaanslagen en/of voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, leden 1 en 2, AWR waarover de belastingplichtige een procedure voert (hierna: fiscale beschikkingen). Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt daarom geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters met betrekking tot zo’n procedure, dat wil zeggen beslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.[7] Dat geldt ook indien in hogere instantie een dergelijke nevenbeslissing mede of uitsluitend in geschil is. Bij de vaststelling van het hiervoor in 3.2.2 bedoelde financiële belang wordt, zoals volgt uit de slotzin van 3.2.1, in procedures waarin het geschil mede betrekking heeft op een bestuurlijke boete, evenmin rekening gehouden met het financiële belang dat is gemoeid met die boete. De gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn worden voor dat deel van het geschil afzonderlijk beoordeeld.[8]



3.3.2
Indien een zaak betrekking heeft op meer aanslagen en/of andere fiscale beschikkingen, bijvoorbeeld een belastingaanslag en een daarmee samenhangende beschikking inzake belastingrente, dient te worden uitgegaan van het totale financiële belang dat is gemoeid met de geschillen over die aanslagen en/of andere fiscale beschikkingen. In gevallen waarin twee of meer zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, dient voor de vaststelling van het financiële belang te worden uitgegaan van het totale financiële belang dat gemoeid is met de geschillen in al die zaken.[9]Als de belanghebbende om redenen van doelmatigheid een afspraak met het bestuursorgaan heeft gemaakt op grond waarvan de uitkomst van een procedure (hierna: de proefprocedure) bepalend is voor de afloop van een of meer andere procedures van diezelfde belanghebbende over soortgelijke fiscale beschikkingen, staat het de rechter bij een overschrijding van de redelijke termijn in de proefprocedure vrij om naast het financiële belang dat gemoeid is met die procedure, ook rekening te houden met het financiële belang dat gemoeid is met die andere fiscale beschikking(en).

(…)


Gedeeltelijke aanpassing van regels over de hiervoor samengevatte rechtspraak



(…)




3.4.3
Voortaan zal de Hoge Raad tot uitgangspunt nemen dat zich een bijzondere omstandigheid als hiervoor in 3.2.1 bedoeld voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure, zoals hiervoor nader beschreven in 3.3.1 tot en met 3.3.5, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

(…)

[3] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.1 en 3.13.1.
[4] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.1.
[5] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.1, en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.3.1.
[6] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.6.
[7] Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, rechtsoverweging 2.3, besproken in onderdeel 6.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, en HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1271, rechtsoverweging 2.4.2.
[8] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.9.1, en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.3.1.
[9] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.10.2.”




6.16.
In het geval van belanghebbende betreft de procedure die hij voert slechts de aanslag BIZ-bijdrage voor het jaar 2022 ten bedrage van € 350. De aanslag voor het jaar 2023 staat inmiddels onherroepelijk vast (zie 2.8) en belanghebbende heeft niet gesteld dat bezwaar is gemaakt tegen de aanslag voor het jaar 2024. De aanslagen voor de jaren 2023 en 2024 worden in deze procedure niet behandeld en tellen daarom, gelet op het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad, niet mee voor het genoemde bedrag van € 1.000. De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de procedure betrekking heeft op een zeer gering belang. Deze omstandigheid moet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid waarin geen vergoeding wordt toegekend. Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.


Slotsom




6.17.
Het hoger beroep is ongegrond.



Proceskosten


Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



Beslissing


Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, W. de Wit en A.P. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh.


De griffier, de voorzitter,






Y. Postema-van der Koogh R.A. Bosman


De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.



Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;


2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak