Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1945 
 
Datum uitspraak:22-07-2026
Datum gepubliceerd:06-10-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:24/1696
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 aan een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in een BV heeft de inspecteur het gebruikelijk loon niet volledig in aanmerking genomen. De inspecteur legt vervolgens bij belanghebbende als inhoudingsplichtige een naheffingsaanslag loonheffingen op over het additionele (gebruikelijk) loon. Naar het oordeel van het hof was de inspecteur bevoegd om de naheffingsaanslag aan belanghebbende op te leggen voor het additioneel (gebruikelijk) loon. Uit het feit dat de inspecteur bij de regeling van de aanslag IB/PVV 2020 geen correctie voor het gebruikelijk loon heeft gemaakt kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij daarmee een ambtelijk verzuim beging. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel wordt door het hof verworpen. De opgelegde vergrijpboete wordt door het hof gematigd.
Trefwoorden:belastingrecht
gebruikelijk loon
inkomstenbelasting
loonbelasting
meststoffen
naheffingsaanslag
omzetbelasting
paarden
vennootschapsbelasting
wet op de loonbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1696


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 oktober 2024, nummer BRE 23/9312, in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag loonheffingen over de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking) en bij beschikking een boete opgelegd (hierna: de boetebeschikking).



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.



1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1443, 24/1444, 24/1449 tot en met 24/1456 en 24/1697.



1.7.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.



1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.





2Feiten


2.1.

[naam 2] en [naam 3] zijn zus en broer. Zij houden in 2020 ieder voor de helft, de aandelen in belanghebbende. [naam 3] (hierna: de broer) is in 2020 de enig bestuurder van belanghebbende. Belanghebbende is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). De activiteiten van [B.V. 1] bestaan volgens een uittreksel van de kamer van koophandel uit het fokken en houden van paarden, handel in paarden, handel in bestrijdingsmiddelen en kunst- en organische meststoffen, het uitoefenen van een agrarische onderneming en een transporthandel.



2.2.
De broer is in dienstbetrekking bij belanghebbende en hij verricht activiteiten in de vorm van een eenmanszaak handelend onder de naam [eenmanszaak] . De werkzaamheden die de broer verricht als werknemer van belanghebbende en onder de naam [eenmanszaak] zijn identiek en bestaan voornamelijk uit transport- en chauffeurswerkzaamheden. Voor de eerste 50 gewerkte uren per week wordt belanghebbende betaald door belanghebbende. Indien de broer in een week meer dan 50 uur werkt, factureert de broer deze meer-uren (tegen een uurtarief van € 25) via [eenmanszaak] aan [B.V. 1] . In het jaar 2020 heeft de broer voor zijn werkzaamheden in totaal € 46.113 ontvangen; € 22.667 als loon van belanghebbende en € 23.446 voor de meer-uren gedeclareerd via [eenmanszaak] bij [B.V. 1] .



2.3.
De inspecteur heeft zowel bij belanghebbende als bij [B.V. 1] boekenonderzoeken ingesteld naar, onder andere, de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020. Het inleidende gesprek voor de boekenonderzoeken heeft plaatsgevonden op 1 september 2021.



2.4.
Het eindgesprek van de onderzoeken bij belanghebbende en [B.V. 1] heeft
plaatsgevonden op 11 mei 2022. Van het eindgesprek is een verslag opgemaakt. In dit
verslag zijn de concept conclusies uit de boekenonderzoeken en de reactie daarop van de
betreffende belanghebbenden opgenomen.



2.5.
Op 2 augustus 2022 zijn namens belanghebbende en [B.V. 1] aangiften
vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 ingediend. Daarbij is geen rekening gehouden
met de concept conclusies uit de boekenonderzoeken. Met dagtekening 27 augustus 2022
zijn voor het jaar 2020 - conform de ingediende aangiften – aanslagen vennootschapsbelasting aan belanghebbende en [B.V. 1] opgelegd.



2.6.
De gemachtigde heeft bij e-mail van 1 november 2022 - voor zover hier van
belang - het volgende aan de controleambtenaar bericht:

"Na onderstaande e-mail hebben wij met dagtekening 27 augustus 2022 de definitieve
aanslagen vennootschapsbelasting van 2020 ontvangen van [B.V. 1] en van [belanghebbende]. Deze aanslagen zijn conform de aangiftes opgelegd en wij
concluderen hieruit dat uw bevindingen zijn geannuleerd en thans geen reden meer is om
aanslagen cq. verzuimboetes voor de vennootschappen en aandeelhouders op te leggen."



2.7.
Daarop heeft de controleambtenaar bij e-mail van 3 november 2022 - voor zover
hier van belang — als volgt gereageerd:

“In afstemming met de inspecteur blijven wij van mening dat de resultaten van de
boekenonderzoeken gestand doen.
Wij constateren dat u geen aanvullingen, verbeteringen en of twistpunten aandraagt, die
zouden kunnen leiden tot een verdere vervolmaking van de door ons aangereikte
kennisgevingen boete. Dit stelt ons in staat om de boekenonderzoeken verder af te
wikkelen.”



2.8.
De bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 7 november 2022 aan belanghebbende is toegezonden. In het rapport heeft de inspecteur - voor zover hier van belang - geconcludeerd dat het loon van de broer moet worden verhoogd van € 22.667 tot het wettelijke normbedrag van € 46.000. De inspecteur heeft daarvoor een correctieverplichting aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende is de correctieverplichting niet nagekomen.



2.9.
De inspecteur heeft met dagtekening van 23 februari 2023 de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd voor een additioneel loon van € 23.333, namelijk € 46.000 minus het al verloonde bedrag van € 22.667 (zie 2.2). De nageheven loonbelasting bedraagt € 12.055. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag is een vergrijpboete van € 6.027 (50% van de nageheven loonbelasting) aan belanghebbende opgelegd en is belastingrente van € 1.056 in rekening gebracht.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:


Mocht de inspecteur de naheffingsaanslag opleggen?


Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?


Heeft de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?


Heeft de inspecteur terecht de boete opgelegd en is deze passend en geboden?


Als de naheffingsaanslag terecht is opgelegd is de hoogte van het gebruikelijk loon niet in geschil.



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden


Ten aanzien van het geschil



Bevoegdheid tot naheffen


4.1.
Belanghebbende stelt dat in de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 geen gebruikelijk loon is begrepen en dat dit een ambtelijk verzuim vormt waardoor de inspecteur na het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 niet meer bevoegd was een navordering IB/PVV 2020 voor het gebruikelijk loon aan belanghebbende op te leggen. Belanghebbende betoogt dat de inspecteur daarom ook niet bevoegd was om het gebruikelijk loon door naheffing bij belanghebbende als inhoudingsplichtige in de heffing te betrekken.



4.2.
Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt het hof het volgende voorop. De inspecteur heeft in beginsel de keuzevrijheid om of een naheffingsaanslag loonbelasting op te leggen aan belanghebbende (als de inhoudingsplichtige) of een correctie door te voeren in de inkomstenbelasting van degene die het loon heeft genoten. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag is geen 'nieuw feit' vereist en de inspecteur kan, zolang een aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomensbestanddeel niet in de heffing van de inkomstenbelasting is betrokken, de ter zake van dat inkomensbestanddeel verschuldigde loonbelasting bij belanghebbende naheffen. Dat is echter anders wanneer het bepaalde in artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen aan navordering bij de belastingplichtige in de weg zou staan. Deze uit het wettelijke stelsel van de loon- en inkomstenbelasting voortvloeiende regel is bedoeld om te voorkomen dat indien door een ambtelijk verzuim bij de heffing van de inkomstenbelasting een loonbestanddeel niet meer in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken, de belastingdienst dit langs een omweg zou kunnen herstellen door alsnog aan de werknemer of aan de inhoudingsplichtige een naheffingsaanslag in de loonbelasting op te leggen.



4.3.
Naar het oordeel van het hof was de inspecteur bevoegd om de naheffingsaanslag aan belanghebbende op te leggen voor het additioneel (gebruikelijk) loon. Uit het feit dat de inspecteur bij de regeling van de aanslag IB/PVV 2020 geen correctie voor het gebruikelijk loon heeft gemaakt kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat hij daarmee een ambtelijk verzuim beging. Naar de vaste lijn in de jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. Niet gebleken is dat de inspecteur na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte IB/PVV 2020 van belanghebbende, aan de juistheid van het daarin vermelde loon in redelijkheid had behoren te twijfelen. Daaruit volgt dat de inspecteur dus ook bevoegd was om de naheffingsaanslag aan belanghebbende op te leggen.


Vertrouwensbeginsel



4.4.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur, door het opleggen van de aanslagen vennootschapsbelasting over het jaar 2020 aan haar en aan [B.V. 1] , in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de gebruikelijk looncorrectie van tafel was. De aanslagen vennootschapsbelasting zijn immers conform de aangiften geregeld en in de aangiften is geen rekening gehouden met de correcties die volgens het controlerapport (zie 2.8) zouden moeten worden aangebracht. Daarom ging belanghebbende er van uit dat er ook geen naheffing voor het gebruikelijk loon zou worden opgelegd. Volgens belanghebbende kan er geen sprake zijn geweest van een geautomatiseerde afdoening van de aangiftes vennootschapsbelasting, omdat bij een samenhangende controle bij alle gecontroleerde personen een blokkade op de afhandeling van de aangiften wordt ingesteld. Daaruit volgt dat de inspecteur een handeling heeft moeten verrichten om de aanslagen vennootschapsbelasting vast te stellen en door die handeling is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat er ook geen correctie voor het gebruikelijk loon zou komen, aldus belanghebbende. Tot slot voert belanghebbende aan dat inmiddels vaststaat dat voor de teruggaven omzetbelasting niet kan worden nageheven vanwege door de teruggaafbeschikkingen omzetbelasting opgewekt vertrouwen.



4.5.
De inspecteur betoogt dat door de aanslagregeling in de vennootschapsbelasting er sowieso geen sprake kan zijn van opgewekt vertrouwen met betrekking tot de loonbelasting, omdat het hier twee verschillende belastingmiddelen betreft. Verder stelt hij dat er tijdens de controle per abuis geen blokkade is gezet op de afhandeling van de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting en dat de aanslagen wel degelijk automatisch tot stand zijn gekomen. Volgens de inspecteur is er dus geen sprake van een bewuste standpuntbepaling waaraan belanghebbende vertrouwen kan ontlenen. Ook voert hij aan dat bij de afhandeling van de verzoeken voor de teruggaaf van de omzetbelasting is verwezen naar de “inhoud van de beslissing” en dat daarvan geen sprake is bij de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting dan ook niet de indruk kunnen krijgen dat er bewuste inhoudelijke beslissingen waren genomen.



4.6.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient belanghebbende aannemelijk te maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.



4.7.
Het hof is van oordeel dat de regeling van de aanslagen vennootschapsbelasting 2020 redelijkerwijs niet de indruk heeft kunnen wekken dat er bij haar geen loonbelasting zou worden nageheven over het gebruikelijk loon van de broer. Het hof wijst er op dat de vaststelling van een hoger (gebruikelijk) loon van de broer niet leidt tot een hogere aftrek bij de vennootschappen omdat het bedrag aan loon waarover werd nageheven al als kosten voor de meer-uren van de broer was gedeclareerd via [eenmanszaak] (zie 2.2). Ook het feit dat de inspecteur de in het controlerapport aangekondigde correcties voor andere belastingmiddelen niet heeft aangebracht, kan naar oordeel van het hof bij belanghebbende redelijkerwijs niet de indruk hebben kunnen wekken dat er over het gebruikelijke loon van de broer niet zou worden nageheven in de loonbelasting. De inspecteur heeft door het opleggen van de naheffingsaanslag dus niet het vertrouwensbeginsel geschonden.


Zorgvuldigheidsbeginsel



4.9.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur in de procedures die zijn voortgekomen uit de boekenonderzoeken (o.a. de procedures met betrekking tot de correcties vennootschapsbelasting, omzetbelasting en inkomstenbelasting) veel fouten heeft gemaakt en die ook heeft toegegeven. Belanghebbende betoogt dat hieruit blijkt dat de inspecteur bij de boekenonderzoeken zodanig onzorgvuldig te werk is gegaan dat ook de correcties voor de loonbelasting bij belanghebbende dienen te vervallen. De inspecteur betwist dat de naheffingsaanslag in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is opgelegd.



4.10.
Het hof ziet niet in waarom een eventuele onzorgvuldigheid van de inspecteur bij de behandeling van andere belastingmiddelen dan de loonheffing zou moeten leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Enige onzorgvuldigheid met betrekking tot de naheffingsaanslag is gesteld noch gebleken. De stelling van belanghebbende faalt dan ook.


Boete



4.11.
De inspecteur heeft een boete opgelegd van 50% van de nageheven belasting,
omdat het naar zijn mening aan opzet van belanghebbende is te wijten dat voornoemd
bedrag aan loonbelasting, dat op aangifte moet worden afgedragen, niet is betaald.



4.12.
De inspecteur kan een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen ten onrechte niet, gedeeltelijk niet, of te laat is betaald. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat zij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De bewijslast dat sprake is van opzet, rust op de inspecteur. De bestanddelen van het beboetbare feit die de inspecteur ten grondslag legt aan de opgelegde boete moeten daarbij door de inspecteur overtuigend worden aangetoond.



4.13.
Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank als volgt overwogen en geoordeeld:

“Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geslaagd in de op hem rustende
bewijslast. De inspecteur stelt daartoe terecht dat voor de beloning van de broer een
ongebruikelijke en niet-zakelijk onderbouwde knip is gemaakt tussen de werkzaamheden in
loondienst en de werkzaamheden die via [eenmanszaak] zijn gefactureerd (zie 3.1 en 3.2). Daarmee
heeft belanghebbende het gebruikelijk loon voor de broer bewust te laag gehouden. Hiermee
heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende bewust de aanmerkelijke
kans heeft aanvaard dat te weinig toonheffingen werden betaald. Steun voor dit oordeel
vindt de rechtbank in de verklaring van belanghebbende ter zitting dat zij voornoemde knip
uitsluitend om fiscale redenen heeft gemaakt. De inspecteur heeft de vergrijpboete dan ook
terecht opgelegd. De rechtbank acht de boete ook passend en geboden.”



4.14.
In hoger beroep stelt belanghebbende dat hij op de zitting bij de rechtbank niet heeft verklaard dat de knip tussen de werkzaamheden in loondienst en de werkzaamheden die via [eenmanszaak] zijn gefactureerd uitsluitend (hierna: de knip) om fiscale redenen heeft gemaakt. De knip heeft niet tot een voordeel geleid; zowel het loon als de vergoedingen aan [eenmanszaak] zijn immers direct in de heffing van de inkomstenbelasting bij de broer betrokken. De inspecteur voert daartegen aan dat de knip wel degelijk fiscaal voordelig was omdat op de vergoeding die via [eenmanszaak] is ontvangen de ondernemersfaciliteiten zijn toegepast.



4.15.
Naar het oordeel van het hof is, ondanks hetgeen belanghebbende daar in hoger beroep tegen aangevoerd heeft, buiten redelijke twijfel dat de broer (voor zichzelf en als bestuurder van belanghebbende) de knip uitsluitend om fiscale redenen heeft aangebracht en dat belanghebbende daarmee willens en wetens een te laag loon in de aangiften loonbelasting voor de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 heeft aangegeven. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden en juist geoordeeld dat de inspecteur de vergrijpboete terecht heeft opgelegd en maakt dit oordeel tot het zijne. Omdat het gevolg van het te beboeten gedrag (te weten ‘de knip’) is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald verhoudingsgewijs beperkt is, ziet het hof aanleiding om de boete te matigen naar een bedrag van € 1.500. Het hoger beroep van belanghebbende is daarom gegrond.


Tussenconclusie




4.16.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.


Ten aanzien van het griffierecht




4.17.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.


Ten aanzien van de kosten van het bezwaar




4.18.
De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit het niet matigen van de boete. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.



4.19.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.332.


Ten aanzien van de proceskosten




4.20.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.



4.21.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 4 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 3.736.



4.22.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.




5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de boetebeschikking;


verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar maar alleen voor de beslissing over de boetebeschikking;


vermindert de boete tot € 1.500;


bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 3.736.



De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps E.P.A. Brakeboer


Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Op grond van artikel 28a, lid 2, Wet op de loonbelasting 1964.


Hoge Raad 10 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5251, r.o. 3.3.


Zie o.a. Hoge Raad 18 maart 2022, ECLI:NL:HRL2022:379, r.o. 4.2.1.


Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.


Artikel 67f, Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 en Hoge Raad 3 februari 2023,
ECLI:NL:HR:2023:97.


Ten opzichte van de grondslag van de boete van € 23.333.


Artikel 7:15, lid 2, Awb.


1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.


1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank en 1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij het hof, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
Link naar deze uitspraak