|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:1946 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-10-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 24/1697 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 aan een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in een BV heeft de inspecteur geen gebruikelijk loon in aanmerking genomen. De inspecteur legt vervolgens bij belanghebbende als inhoudingsplichtige een naheffingsaanslag loonheffingen op over het gebruikelijk loon. Het hof oordeelt dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door bij de navorderingsaanslag IB/PVV het gebruikelijk loon niet te betrekken in de heffing van de inkomstenbelasting en dat de inspecteur vanaf dat moment niet meer bevoegd was om over het gebruikelijk loon inkomstenbelasting na te vorderen. Omdat de naheffingsaanslag loonheffingen is vastgesteld na de vaststelling van de navorderingsaanslag IB/PVV bij de aandeelhouder dient deze te worden vernietigd. Anders dan de inspecteur meent, doet daar niet aan af dat de loonheffing in dit geval een eindheffing zou zijn. Het hoger beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | eindheffing | | | gebruikelijk loon | | | inkomstenbelasting | | | loonbelasting | | | meststoffen | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | paarden | | | vennootschapsbelasting | | | voorheffing | | | wet op de loonbelasting | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1697
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 oktober 2024, nummer BRE 23/9313, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag loonheffingen over de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking) en bij beschikking een boete opgelegd (hierna: de boetebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1443, 24/1444, 24/1449 tot en met 24/1456 en 24/1696.
1.7.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2Feiten
2.1.
[naam 2] en [naam 3] zijn zus en broer. Zij houden in 2020 ieder voor de helft, de aandelen in [B.V. 7] (hierna: [B.V. 7] ). [naam 3] is in 2020 de enig bestuurder van [B.V. 7] . [B.V. 7] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van belanghebbende. De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens een uittreksel van de kamer van koophandel uit het fokken en houden van paarden, handel in paarden, handel in bestrijdingsmiddelen en kunst- en organische meststoffen, het uitoefenen van een agrarische onderneming en een transporthandel.
2.2.
De werkzaamheden van [naam 2] (hierna: de zus) voor belanghebbende bestaan uit de dagelijkse leiding over het paardenpension, waaronder begrepen de verhuur van paardenboxen en het uitmesten daarvan. Ook verzorgt en traint zij paarden. Zij verricht deze werkzaamheden in de vorm van een eenmanszaak handelend onder de naam [bedrijf 2] en vanuit deze eenmanszaak factureert zij belanghebbende.
2.3.
De aanslag IB/PVV 2020 is aan de zus opgelegd met dagtekening van 16 juli 2021. In deze aanslag is geen (gebruikelijk) loon van de zus betrokken.
2.4.
De inspecteur heeft zowel bij belanghebbende als bij [B.V. 7] boekenonderzoeken ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020. Gelijktijdig is ook de aanvaarbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over deze periode onderzocht. Het inleidende gesprek voor de boekenonderzoeken heeft plaatsgevonden op 1 september 2021.
2.5.
Het eindgesprek van de onderzoeken bij belanghebbende en [B.V. 7] heeft
plaatsgevonden op 11 mei 2022. Van het eindgesprek is een verslag opgemaakt. In dit
verslag zijn de concept conclusies uit de boekenonderzoeken en de reactie daarop van de
betreffende belanghebbenden opgenomen.
2.6.
Op 2 augustus 2022 zijn namens belanghebbende en [B.V. 7] aangiften
vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 ingediend. Daarbij is geen rekening gehouden
met de concept conclusies uit de boekenonderzoeken. Met dagtekening 27 augustus 2022
zijn voor het jaar 2020 - conform de ingediende aangiften – aanslagen vennootschapsbelasting aan belanghebbende en [B.V. 7] opgelegd.
2.7.
De gemachtigde heeft bij e-mail van 1 november 2022 - voor zover hier van
belang - het volgende aan de controleambtenaar bericht:
"Na onderstaande e-mail hebben wij met dagtekening 27 augustus 2022 de definitieve
aanslagen vennootschapsbelasting van 2020 ontvangen van [belanghebbende]. en van [B.V. 7] Deze aanslagen zijn conform de aangiftes opgelegd en wij
concluderen hieruit dat uw bevindingen zijn geannuleerd en thans geen reden meer is om
aanslagen cq. verzuimboetes voor de vennootschappen en aandeelhouders op te leggen."
2.8.
Daarop heeft de controleambtenaar bij e-mail van 3 november 2022 - voor zover
hier van belang — als volgt gereageerd:
“In afstemming met de inspecteur blijven wij van mening dat de resultaten van de
boekenonderzoeken gestand doen.
Wij constateren dat u geen aanvullingen, verbeteringen en of twistpunten aandraagt, die
zouden kunnen leiden tot een verdere vervolmaking van de door ons aangereikte
kennisgevingen boete. Dit stelt ons in staat om de boekenonderzoeken verder af te
wikkelen.”
2.9.
De bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende (zie 2.3) zijn
vastgelegd in een controlerapport (met dagtekening van 19 oktober 2022) dat op 7 november 2022 aan belanghebbende is toegezonden. In het rapport heeft de inspecteur - voor zover hier van belang - geconcludeerd dat het gebruikelijk loon van de zus op basis van de meest vergelijkbare dienstbetrekking moet worden vastgesteld op € 34.125. De inspecteur heeft daarvoor een correctieverplichting aan belanghebbende opgelegd.
2.10.
Met dagtekening van 24 december 2022 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 aan de zus opgelegd. Daarin is geen (gebruikelijk) loon van de zus betrokken.
2.11.
Belanghebbende is de correctieverplichting (zie 2.9) niet nagekomen. Vervolgens is de naheffingsaanslag met dagtekening van 23 februari 2023 aan belanghebbende opgelegd voor een loon van € 34.125. De nageheven loonbelasting bedraagt € 8.826. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag is een vergrijpboete van € 4.413 (50% van de nageheven loonbelasting) aan belanghebbende opgelegd en is belastingrente van € 773 in rekening gebracht.
2.12.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking in stand gelaten, de boetebeschikking vernietigd en de inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht van € 365 en de bezwaar- en proceskosten van € 2.998 aan belanghebbende.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Mocht de inspecteur de naheffingsaanslag opleggen?
Heeft de inspecteur het gebruikelijk loon op het juiste bedrag vastgesteld?
Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?
Heeft de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de naheffingsaanslag en de rentebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
Bevoegdheid tot naheffen
4.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 aan de zus op 24 december 2022 vergeten is om een correctie op te nemen voor het gebruikelijk loon. Volgens belanghebbende is dit een ambtelijk verzuim van de inspecteur waardoor navordering van de IB/PVV 2020 over het gebruikelijk loon is uitgesloten. Belanghebbende betoogt dat daarom ook een naheffing over dit gebruikelijk loon bij belanghebbende is uitgesloten. De loonbelasting is immers een voorheffing voor de inkomstenbelasting. Volgens belanghebbende dient de naheffingsaanslag dan ook te worden vernietigd.
4.2.
De inspecteur erkent dat hij bij de navordering IB/PVV 2020 per abuis het door hem gestelde gebruikelijk loon niet in de heffing heeft betrokken. Hij is het daarom met belanghebbende eens dat deze fout niet via een verdere navordering IB/PVV 2020 zou kunnen worden hersteld. De inspecteur betoogt echter dat hij wel bij belanghebbende als inhoudingsplichtige loonheffing over het gebruikelijk loon kan naheffen omdat die heffing in het onderhavige geval een eindheffing is, die op grond van 3.84, lid 1 Wet IB 2001 niet verrekenbaar is met de door de zus verschuldigde inkomstenbelasting.
4.3.Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt het hof het volgende voorop. De inspecteur heeft in beginsel de keuzevrijheid om of een naheffingsaanslag loonbelasting bij wege van eindheffing op te leggen aan belanghebbende (als de inhoudingsplichtige) of een correctie door te voeren in de inkomstenbelasting van degene die het loon heeft genoten. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag is geen 'nieuw feit' vereist en de inspecteur kan, zolang een aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomensbestanddeel niet in de heffing van de inkomstenbelasting is betrokken, de ter zake van dat inkomensbestanddeel verschuldigde loonbelasting bij belanghebbende naheffen. Dat is echter anders wanneer het bepaalde in artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan navordering bij de belastingplichtige in de weg zou staan. Deze uit het wettelijke stelsel van de loon- en inkomstenbelasting voortvloeiende regel is bedoeld om te voorkomen dat indien door een ambtelijk verzuim bij de heffing van de inkomstenbelasting een loonbestanddeel niet meer in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken, de belastingdienst dit langs een omweg zou kunnen herstellen door alsnog aan de werknemer of aan de inhoudingsplichtige een naheffingsaanslag in de loonbelasting op te leggen.
4.4.
Naar het oordeel van het hof gaan partijen er terecht van uit dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door bij de navordering IB/PVV 2020 van 24 december 2022 het gebruikelijk loon niet te betrekken in de heffing van de inkomstenbelasting en dat de inspecteur vanaf dat moment niet meer bevoegd was om over het gebruikelijk loon inkomstenbelasting na te vorderen. Omdat de naheffingsaanslag is vastgesteld met dagtekening van 23 februari 2023 (en dus na de vaststelling van de navorderingsaanslag IB/PVV 2020) dient deze te worden vernietigd. Anders dan de inspecteur meent, doet daar niet aan af dat de loonheffing in dit geval een eindheffing zou zijn. Immers, loonbestanddelen waarover de inhoudingsplichtige de verschuldigde loonbelasting niet heeft betaald en waarover wordt nageheven zijn in de regel eindheffingsbestanddelen en de hiervoor in 4.3 beschreven regel over de verhouding tussen de loonbelasting en de inkomstenbelasting zouden zo goed als zinledig zijn als deze geen betrekking zou hebben op loonbestanddelen die door de inhoudingsplichtige niet in een aangifte loonbelasting zijn opgenomen. De door de inspecteur voorgestane interpretatie van de regel dient dan ook te worden verworpen. Naast de naheffingsaanslag dient ook de rentebeschikking te worden vernietigd. Aan de overige vragen komt het hof daarom niet meer toe.
Tussenconclusie
4.5.
De tussenconclusie is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.8.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
4.9.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen over de naheffingsaanslag en de rentebeschikking;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag;
vernietigt de rentebeschikking;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Op grond van artikel 28a, lid 2, Wet op de loonbelasting 1964.
Hoge Raad 10 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5251, r.o. 3.3.
Artikel 31, lid 1, aanhef en letter a, Wet op de loonbelasting 1964. Een loonbestanddeel wordt niet als eindheffingsbestanddeel aangemerkt als de inhoudingsplichtige, onder verstrekking van de daartoe noodzakelijke gegevens, daarom verzoekt.
1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|