Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:2931 
 
Datum uitspraak:21-10-2026
Datum gepubliceerd:30-10-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:25/629
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Naheffing omzetbelasting. Prestaties onder bezwarende titel? Belanghebbendes directeur en enige aandeelhouder is de president van [bond], die deel wil nemen aan de Olympische spelen. Belanghebbende heeft over 2013 voorbelasting teruggekregen over de aankoop van paarden, training, verzorging en stalling van haar paarden, en andere gerelateerde inkoop. Zij heeft ter zake van in 2013 aan [bond] of anderen verleende diensten geen facturen uitgereikt tot 2017. In dat jaar heeft zij een in 2013 gedagtekende verkoopfactuur van € 1.320.500 aan [bond] uitgereikt die “annual sponsoring fee according to agreement” vermeldt. Belanghebbende heeft voor het eerst in 2023 een paard verkocht. In 2015 heeft zij alsnog met [bond] een sponsorovereenkomst gesloten. De inspecteur heeft de teruggaaf nageheven. In geschil is of belanghebbende [bond] in 2013 onder bezwarende titel diensten heeft verleend en de door haar ingekochte goederen en diensten voor die diensten heeft gebruikt. Het hof oordeelt dat de inspecteur terecht heeft nageheven.
Trefwoorden:belastingrecht
loonbelasting
naheffingsaanslag
omzetbelasting
paarden
subsidies
wet op de loonbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/629


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 februari 2025, nummer BRE 21/5000 in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft belanghebbende over de periode 21 juni tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 1.552.443. Gelijktijdig heeft hij haar bij beschikking € 308.332 aan belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft op 2 september een nader stuk met bijlagen ingediend, dat is doorgestuurd naar de inspecteur.



1.6.
De inspecteur heeft op 21 september 2026 digitaal een pleitnota ingediend, die is doorgestuurd naar belanghebbende.



1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn namens belanghebbende verschenen haar gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en namens de inspecteur: [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .



1.8.
De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De eerder ingediende en naar de belanghebbende doorgestuurde pleitnota van de inspecteur is met instemming van beide partijen geacht voorgelezen te zijn.



1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



1.10.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende is opgericht op 21 juni 2013. Haar enige aandeelhouder en bestuurder is de heer [naam 1] . Haar activiteiten bestaan volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel uit de handel in paarden en het verrichten van alle aan de paardenhandel en de paardensport gerelateerde activiteiten. Haar akte van oprichting van 21 juni 2013 vermeldt als haar doelen:

“artikel 2: De vennootschap heeft ten doel:
a. de handel in paarden en het verrichten van alle aan de paardenhandel alsmede de paardensport gerelateerde activiteiten;
b. het beleggen in, het verweven van, het administreren van en het beheren en exploiteren
van effecten, (hypothecaire) vorderingen, registergoederen en ander vermogensbestanddelen, voorts het deelnemen in, het voeren van directie over, het financieren en mede-financieren van andere ondernemingen en vennootschappen van welke aard dan ook.
c. het aangaan en uitvoeren van lijfrenteovereenkomsten, alsmede uitvoeren van pensioenregelingen in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964, zulks buiten de
werkingssfeer van de Wet financieel toezicht;
d. het verstrekken van geldleningen, het zich hoofdelijk medeschuldenares verbinden voor de schulden van derden, het verbinden van de vennootschap als borg en/of haar op enige wijze doen garant staan voor schulden of persoonlijke verplichtingen van derden, alsmede het vestigen van zekerheidsrechten op goederen van de vennootschap voor gelijke schulden of verplichtingen van derden;
e. het verrichten van al datgene wat met het voorgaande verband houdt of daaruit zou
kunnen voortvloeien.”



2.2.
De [bond] ( [bond] ) is de nationale paardensportbond van Qatar. De heer [naam 1] , die alle aandelen in belanghebbende houdt, is president van [bond] . [bond] heeft zich ten doel gesteld deel te nemen aan de Olympische Spelen in 2016 in Rio de Janeiro en heeft daartoe op 10 januari 2013 een Horse Training Facility Agreement (HTFA) gesloten met [B.V.] ( [B.V.] ) te [vestigingsplaats] . Die overeenkomst houdt onder meer in dat [B.V.] haar accommodatie aanbiedt om ruiters en paarden te trainen in optimale omstandigheden voor het bereiken van [bond] ’s doel: namens Qatar deelnemen aan de Olympische spelen als team of met individuele ruiters.



2.3.
Belanghebbende is gevestigd op hetzelfde adres als dat waar de ondernemingen van [B.V.] zijn gevestigd: [adres] te [vestigingsplaats] . De directeur van [B.V.] , de heer [naam 3] , is door belanghebbende gemachtigd ter zake van haar ING-bankrekening.



2.4.

[bond] heeft in 2013 de volgende bedragen met de volgende omschrijvingen aan belanghebbende overgemaakt:










2013





[belanghebbende] BV bankgegevens




ontvangen van [bond]





6-8-2013



[bond]



€ 920.979,92




27-8-2013



[bond] Doha Qatar ref deposit inst


€ 8.175.562,02




14-9-2013



[bond] deposit subsidary


€ 40.513,71




18-9-2013



[bond]



€ 61.462,81




24-10-2013



[bond]



€ 59.453,03




18-11-2013



[bond]



€ 1.417.933,71








Totaal




€ 10.675.905,00







Belanghebbende heeft van vier van deze overmakingen (die van 6/8, 23/8, 14/9 en 18/11) [bond] ’s opdrachten tot overboeking aan haar bank in Qatar overgelegd. Volgens de door belanghebbende eveneens overgelegde vertaling daarvan is daarin telkens als omschrijving opgenomen: “Storting in dochteronderneming van [bond] volgens instructies van [bond] -voorzitter.” Van de overmakingen van 14/9 en 18/11 zijn betaalbonnen van [bond] overgelegd. De vertalingen daarvan vermelden: “Betaling voor het nationale team van Qatar (moet worden ondersteund met documenten) volgens de instructies van de president” onderscheidenlijk “Als voorschot voor de vestiging van het nationale team van Qatar in Europa”.



2.5.
Op 14 november 2015 heeft belanghebbende met [bond] een sponsorovereenkomst gesloten die bepaalt dat belanghebbende aan [bond] sponsorrechten verleent en voor [bond] training van ruiters verzorgt, evenals training, (medische) ondersteuning en stalling van paarden. Zij heeft ter zake van in 2013 aan [bond] of anderen verleende diensten geen facturen uitgereikt tot 2017. In dat jaar heeft zij een in 2013 gedagtekende verkoopfactuur van € 1.320.500 opgemaakt en aan [bond] uitgereikt met als omschrijving “annual sponsoring fee according to agreement”. Belanghebbende heeft voor het eerst in 2023 een paard verkocht, aan een Zwitserse afnemer.



2.6.
In belanghebbendes administratie zijn diverse in 2013 aan haar uitgereikte inkoopfacturen opgenomen, met name ter zake van:
a. a) diensten van [B.V.] in verband met training, verzorging en stalling van haar paarden;
b) aankoop van paarden;
c) (deel)betalingen voor in 2013 bestelde vrachtwagens;
d) huur en onderhoud van woonruimte voor personeel;
e) reis- en hotelkosten in verband met internationale wedstrijden;
f) kosten van paardenklinieken.



2.7.
De belanghebbende heeft de op die facturen aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting afgetrokken in aangiften over tijdvakken in 2013. Voor zover zij voor afgenomen diensten en goederen de omzetbelasting zelf verschuldigd was, op grond van de verleggingsregeling of ter zake van intracommunautaire verwervingen, heeft zij die omzetbelasting aangegeven en tevens weer in aftrek gebracht. Over de periode 21 juni tot en met 31 december 2013 gaat het om een bedrag van € 1.552.443 aan voorbelasting. In haar aangiften over tijdvakken in 2013 heeft zij geen omzet aangegeven. Haar jaarrekening 2013 vermeldt wel een bedrag van € 1.346.918 aan Net Turnover, bestaande uit prijzengeld ad € 26.418 en een sponsor fee ad € 1.320.500.



2.8.
Op 19 september 2018 heeft de inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar onder meer de aanvaardbaarheid van belanghebbendes aangiften omzetbelasting over de tijdvakken tussen 1 juli en 31 december 2017. Aanleiding was de constatering dat zij hoge bedragen aan voorbelasting terugvroeg waartegenover geen omzet was aangegeven.



2.9.
De inspecteur heeft belanghebbende op 13 november 2018 zijn voornemen tot naheffing van omzetbelasting meegedeeld. Hij heeft haar daarbij tot 27 november 2018 de gelegenheid gegeven om te reageren. Met dagtekening 27 december 2018 heeft de inspecteur tot behoud van rechten de bestreden naheffingsaanslag opgelegd. De naheffing betreft de voorbelasting die de belanghebbende had teruggevraagd op de aangiften over de tijdvakken tussen 21 juni en 31 december 2013.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, met name of belanghebbende [bond] in 2013 onder bezwarende titel diensten heeft verleend en de door haar ingekochte goederen en diensten voor die diensten heeft gebruikt, althans die goederen en diensten heeft ingekocht om te gebruiken voor latere belaste handelingen.



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de naheffingsaanslag en de rentebeschikking. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van belanghebbendes hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden


Standpunt belanghebbende



4.1.
Volgens de belanghebbende heeft zij in 2013 op basis van een toen gesloten mondelinge overeenkomst met [bond] onder bezwarende titel een doorlopende dienst aan [bond] verleend, bestaande uit het ontzorgen van [bond] bij haar ambitie om deel te nemen aan de Olympische Spelen, met name door het managen en coördineren van [bond] ’s paardenspringteam, waaronder het klaarstomen van ruiters en paarden, verzorging, materialen en logistieke benodigdheden. Die doorlopende dienst heeft geleid tot concreet, identificeerbaar en verbruikt voordeel voor [bond] , die immers daarzonder de voor deelname aan de Olympische Spelen vereiste inspanningen, coördinatie en werkzaamheden zelf zou hebben moeten verrichten. [bond] heeft belanghebbende in ruil daarvoor een jaarlijkse vergoeding betaald (sponsorship fee), gebaseerd op belanghebbendes kosten in het desbetreffende jaar, vermeerderd met een toeslag. Op 14 november 2015 is deze volgens belanghebbende mondeling aangegane rechtsbetrekking alsnog bekrachtigd in een schriftelijke sponsorovereenkomst tussen belanghebbende en [bond] .



4.2.
Belanghebbende heeft officiële Nederlandse vertalingen overgelegd van bankafschriften en in het Arabisch gestelde interne notities, betaalverzoeken, betaalbonnen en bankinstructies waaruit volgens haar volgt (i) dat vier van de in 2.4 genoemde betalingen van [bond] afgeschreven zijn van een rekening die gevoed werd uit het door het Qatar Olympic Committee (QOC) goedgekeurde "QOC Current Budget" en (ii) dat die betalingen onderdeel waren van een concreet plan en een vastgesteld budget waarop opdrachten van [bond] aan belanghebbende werden gebaseerd. QOC keurde het ontwikkelingsplan en het budget voor het paardenspringteam goed, er was een inkoop- en uitbetalingsmechanisme met kwartaalvoorschotten voor contractkosten van het teambeheer en een permanent voorschot van QAR 40 miljoen voor de aankoop van paarden; er waren betalingsverzoeken voor de paardentransportvoertuigen en interne notities met specifieke betalingsverzoeken aan belanghebbende, onder meer voor de aankoop van paarden en voor de vestiging van het nationale team van Qatar in Europa. In samenhang bezien bevestigen deze documenten dat [bond] ’s betalingen aan haar geen onbestemde vermogensverstrekking waren, maar ingebed waren in de budgettaire en organisatorische structuur van [bond] , met gespecificeerde doelstellingen, waaronder de aankoop van paarden, het springteam en het teammanagement.



4.3.
Belanghebbende acht het volstrekt helder dat welk etiket men ook op de betalingen van [bond] plakt, er een specifieke en welbepaalde tegenprestatie tegenover stond, namelijk alles doen dat nodig is om Qatarese ruiters naar de Olympische Spelen in Rio te brengen. Belanghebbende heeft die opdracht aanvaard en met succes volbracht. De stelling dat aan [bond] geen individualiseerbaar voordeel is verstrekt, ontbeert dan elke logica en realiteit. Als de Nederlandse atletiekunie meer medailles wel winnen op een volgend WK en een gespecialiseerd bedrijf vraagt om speciale hardloopschoenen voor haar atleten te ontwerpen en daarvoor een aanzienlijk voorschot aan dat bedrijf overmaakt, is er toch geen reden om te veronderstellen dat de diensten van dat bedrijf buiten de heffing blijven?



4.4.
Belanghebbende acht haar geval vergelijkbaar met dat in het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:959, waarin een kostendekkende jaarlijkse bijdrage voor de doorlopende diensten van een stichting in rechtstreeks verband werd geacht te staan met die diensten, ondanks afwezigheid van een civielrechtelijke overeenkomst, van facturen en van vergoedingen per individuele handelingen of diensten. Zij beroept zich verder op de arresten van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) in de zaken Kennemer Golf & Country Club, Le Rayon d’Or, TP en Zlakov, en op het arrest van het Gerecht van de EU in de zaak Digipolis.



4.5.
Subsidiair meent belanghebbende dat zij recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die haar in 2013 in rekening is gebracht omdat haar activiteiten in dat jaar de voorbereiding waren op belaste diensten aan [bond] en derden in latere jaren.


Standpunt inspecteur




4.6.
Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de haar in 2023 in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met concrete door haar aan anderen geleverde prestaties onder bezwarende titel. Hij ziet geen rechtstreeks verband tussen bepaalde prestaties en bepaalde ontvangen tegenprestaties die daarvan de werkelijke tegenwaarde zijn. [bond] ’s betalingen aan belanghebbende ziet hij als subsidie of vermogensverstrekking.



4.7.
De inspecteur wijst op een uitspraak van dit hof van 10 december 2025 over een omzetbelastingteruggaafverzoek van [bond] ter zake van de invoer van een paard. Uit die uitspraak volgt dat het vanuit Qatar aan [bond] ter beschikking gestelde budget een subsidie is waar geen tegenprestatie van [bond] tegenover staat omdat geen identificeerbaar voordeel door een individualiseerbare afnemer kan worden vastgesteld, zodat er geen belastbare economische activiteit is waarop een recht op aftrek van voorbelasting valt te baseren. De inspecteur ziet geen fiscaal relevant verschil tussen [bond] ’s budget en de doorbetaling ervan aan belanghebbende en evenmin tussen de omzetbelastingposities van [bond] en belanghebbende, die zijns inziens een vehikel van [bond] is dat geen diensten onder bezwarende titel aan [bond] levert, maar [bond] ’s budget krijgt doorgestoten om te investeren in paarden en training met het oog op [bond] ’s deelname aan de Olympische Spelen, zulks om Qatar in brede zin te promoten.



4.8.
Belanghebbende heeft € 8,8 miljoen van de in 2013 ontvangen betalingen geboekt als agiostorting (‘share contribution premium’) en op de betalingsmomenten in 2013 kunnen geen concrete prestaties voortvloeiende uit de rechtsbetrekking tussen [bond] en belanghebbende worden vastgesteld, aldus de inspecteur. Causaal verband tussen de omvang van [bond] ’s stortingen en identificeerbare, door belanghebbende verrichte of te verrichten prestaties ontbreekt. De omvang van [bond] ’s betalingen is niet onderhandelbaar en hangt niet af van welbepaalde prestaties van belanghebbende. Pas achteraf, op 2 juni 2015, is in een voorafgaande journaalpost omzet geboekt (sponsor fee), voor een bedrag dat overigens niet aan concrete in 2013 verrichte prestaties kan worden gekoppeld. [bond] heeft in 2013 in totaal € 10.675.905 aan belanghebbende overgemaakt met omschrijvingen die geen enkel verband leggen met identificeerbare prestaties van belanghebbende. Belanghebbende heeft in 2013 ook geen facturen geschreven. Pas in 2017 is een factuur ‘ [factuur] ’ ad € 1.320.500 opgesteld, aan welk bedrag overigens geen van de betalingen in 2013 te koppelen valt, ook niet rekening houdende met valutakoersverschillen, aldus de inspecteur.


Overwegingen




4.9.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 september 2017 volgt dat op belanghebbende de bewijslast rust ter zake van feiten die recht geven op aftrek van voorbelasting. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2002 volgt dat bij betalingen tussen ondernemers een vermoeden postvat dat die betalingen de tegenwaarde voor een prestatie zijn. Dat vermoeden kan ontzenuwd worden, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat het gaat om verdeling van voor gemeenschappelijke rekening gemaakte kosten. Uit dat arrest volgt eveneens dat voor de vaststelling van een belastbare prestatie vereist is dat een handeling onder bezwarende titel wordt verricht, waarvoor niet alleen nodig is dat een betaling wordt gedaan, maar ook dat tegenover die betaling een handelen of een nalaten als ondernemer kan worden bepaald. Een rechtsbetrekking met een ander op basis waarvan kosten aan die ander worden doorbelast is onvoldoende voor het oordeel dat een handeling onder bezwarende titel is verricht.



4.10.
Voor zover op grond van het laatstgenoemde arrest op de inspecteur de last rust om een vermoeden te ontzenuwen dat [bond] ’s betalingen aan belanghebbende in 2013 de werkelijke tegenwaarde waren voor bepaalde diensten jegens [bond] onder bezwarende titel – het hof twijfelt in dit geval aan die bewijsregel omdat [bond] en belanghebbende vergaand gelieerd zijn - heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof aan die bewijslast voldaan met hetgeen hij heeft ingebracht, zoals hierboven samengevat. Het is dan aan de belanghebbende om de feiten aannemelijk te maken die leiden tot een recht op aftrek van de haar in 2013 in rekening gebrachte omzetbelasting.



4.11.
Met de door belanghebbende geproduceerde (vertalingen van) documenten heeft zij bewezen dat [bond] in 2013 zes keer een bedrag aan haar heeft betaald en dat zij in 2013 handelingen heeft verricht en uitgaven heeft gedaan die het doel van [bond] dienden om deel te kunnen nemen aan Olympische Spelen in 2016. Uit de overgelegde bankafschriften en andere documenten valt echter geen rechtstreeks verband op te maken tussen enige van die betalingen en één of meer specifieke (soorten) diensten jegens [bond] . Evenmin vallen er één of meer forfaitaire vergoedingen voor bepaalde (soorten) prestaties van belanghebbende jegens [bond] of anderen uit op te maken.



4.12.
De titels voor [bond] ’s betalingen aan belanghebbende in 2013 worden in de door belanghebbende overgelegde documenten omschreven als ‘ [bond] ’, ‘deposit inst’ of ‘deposit subsidiary’. De door haar overgelegde officiële vertalingen van betalingsverzoeken en specificaties vermelden viermaal ‘storting in dochteronderneming van [bond] ’, éénmaal ‘betaling voor het nationale team van Qatar (…) volgens de instructies van de president’ en éénmaal ‘voorschot voor de vestiging van het nationale team van Qatar in Europa’. Deze omschrijvingen duiden naar het oordeel van het Hof niet op de tegenprestatie voor een bepaalde dienst, maar eerder op vermogensverstrekking. Daarop duidt ook dat € 8,87 miljoen van [bond] ’s betalingen van in totaal € 10.675.905 in 2013 in belanghebbendes jaarrekening is geboekt als equity (Issued share capital € 18.000; Share premium reserve € 8.815.366 en Other reserves € 40.836). Die jaarrekening vermeldt wel € 1.346.918 als Net Turnover, bestaande uit prijzengeld ad € 26.418 en sponsor fee ad € 1.320.500, maar niet in geschil is dat de factuur voor dat laatste bedrag pas in 2017 is opgesteld en uit die factuur valt niet op te maken welke dienst(en) wanneer door belanghebbende voor dat bedrag zijn verleend. Desgevraagd heeft belanghebbende ook ter zitting niet duidelijk kunnen waaruit de gestelde sponsordienst bestond, anders dan alles doen wat nodig is om [bond] naar de Olympische Spelen te brengen.



4.13.
Belanghebbende heeft in 2013 geen factuur voor enige door haar verleende dienst geschreven, wat het hof bevreemdt, gegeven de kennelijk hoge waarde van de gestelde dienstverlening. Zij heeft niet kunnen aanwijzen waaruit zou volgen dat [bond] ’s betalingen die volgens haar vergoedingen zijn, de werkelijke tegenwaarde zijn van door haar verleende diensten, dan wel (vooraf) door haar als tegenprestatie bedongen zijn. Zij heeft ook niet duidelijk kunnen maken hoe de aankoop van paarden en paardentransportmiddelen voor haarzelf, en de stalling en training van haar paarden bij [B.V.] , als dienstverlening door haar aan [bond] beschouwd kan worden, en evenmin waarom het in 2013 verworven prijzengeld haar toekwam, hoewel de ruiters volgens haar niet bij haar in dienst waren en haar dienstverlening er volgens haar in bestond dat zij [bond] faciliteerde om prijzen te winnen.



4.14.
Uit de door belanghebbende geproduceerde documenten volgt naar het oordeel van het hof evenmin dat in 2013 tussen haar en [bond] mondeling de levering van bepaalde diensten tegen vergoeding waren overeengekomen. De door haar overgelegde verklaringen van de heren [naam 1] en [naam 4] zeggen daar niets over; die zeggen dat mondeling afspraken zijn gemaakt, dat snel gehandeld moest worden om de Olympische Spelen van Rio de Janeiro te kunnen halen, dat een beginnende onderneming kapitaal nodig heeft en dat de share contribution premium in belanghebbende is ingebracht op basis van een ‘loan agreement between Mr. [naam 1] and [bond] ’, maar niet welke afspraken zijn gemaakt over welke wanneer te leveren diensten tegen welke vergoedingen. Ook uit die verklaringen volgt naar het oordeel van het hof dus geen bepaalde dienstverlening tegen bepaalde vergoeding, maar eerder formele of informele kapitaalinbreng.



4.15.
Het in 4.4 genoemde arrest van de Hoge Raad biedt belanghebbende naar het oordeel van het hof geen steun. De diensten van de desbetreffende stichting (werving en werkgeverschap van griffiers, administratief medewerkers en overig personeel ter ondersteuning van de tuchtcolleges van de NOvA en het regelen van zittingszalen, werkplekken, catering en beveiliging voor dier zittingen) leverden die tuchtcolleges onmiskenbaar bepaalde, identificeerbare en concrete voordelen op, waarvoor de NOvA een op de kosten daarvan afgestemde bijdrage betaalde. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd geen dergelijk rechtstreeks en concreet verband aannemelijk gemaakt tussen bepaalde betalingen van [bond] en bepaalde (soorten) diensten jegens [bond] in 2013.



4.16.
Uit de zaken Kennemer Golf & Country Club en Le Rayon d’Or volgt inderdaad dat het voor belastbaarheid en aftrek vereiste rechtstreekse verband tussen een dienst en een tegenprestatie niet wordt verbroken als een vooraf bepaalde vergoeding niet kan worden gerelateerd aan elk individueel gebruik of elke geïndividualiseerde dienst, maar dat baat belanghebbende niet. In Kennemer Golf & Country Club stond de contributie tegenover het lidmaatschap; niet tegenover het inderdaad onbekende aantal keren dat een lid op de club kwam om (al dan niet) te golfen. In Le Rayon d’Or werd het door de zorgverzekeraar aan de ouderenzorginstelling betaalde zorgforfait concreet berekend op basis van het aantal ouderen in de zorginstelling en stond dat forfait rechtstreeks tegenover (i) feitelijk verstrekte zorg en (ii) paraat staan voor zorgverlening indien nodig. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd geen dergelijk rechtstreeks en concreet verband tussen bepaalde betalingen van [bond] en bepaalde (soorten) diensten jegens [bond] aannemelijk gemaakt. Om dezelfde reden mist haar beroep op de uitspraak van het EU-Gerecht in de zaak Digipolis doel. (Ook) het arrest Zlakov gaat over een ander geval dan dat van belanghebbende, namelijk het geval waarin onzekerheid bestaat of wel betaling zal volgen bij no cure no pay dienstverlening door advocaten. De strekking van het arrest TP, tenslotte, is niet dat rechtstreeks verband tussen diensten en betalingen alleen maar wordt verbroken bij volstrekt vrijwillige en willekeurige betalingen of als het bedrag van de betaling onmogelijk valt vast te stellen.



4.17.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dus niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2013 onder bezwarende titel diensten heeft verleend aan [bond] of anderen, noch dat zij de door haar in 2013 ingekochte goederen en diensten voor dergelijke diensten heeft gebruikt.



4.18.
Voorzover belanghebbende stelt dat haar activiteiten in 2013 een voorbereiding waren op belaste diensten aan [bond] en derden in latere jaren, overweegt het hof dat belanghebbende niet duidelijk heeft gemaakt om welke belaste diensten in die latere jaren het zou gaan en hoe de in 2013 ingekochte diensten en goederen daarmee in (gebruiks)verband stonden. De verkoop van één paard tien jaar later, in 2023, staat naar het oordeel van het hof in een materieel en temporeel te ver verwijderd verband met inkopen van goederen en diensten in 2013 om die inkopen als voorbereiding te zien van die verkoop van een paard waarvan bovendien niet vaststaat dat het in 2013 is ingekocht. Belanghebbende heeft geen andere concrete prestaties in latere jaren dan 2013 gesteld waaraan de voorbelasting van 2013 is te relateren.



4.19.
Het vorenstaande leidt het hof tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op aftrek van voorbelasting in de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft.


Conclusie




4.23.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.


Nevenbeslissingen



Ten aanzien van het griffierecht




4.24.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten




4.25.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.





5Beslissing

Het hof:


verklaart belanghebbendes hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank.



Deze uitspraak is gedaan door P.J. Wattel, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van V.J. Weekers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

V.J. Weekers P.J. Wattel


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



HvJ 21 maart 2002, zaak C-174/00, Kennemer Golf & Country Club, ECLI:EU:C:2002:200.


HvJ 27 maart 2014, zaak C-151/13, Le Rayon d’Or, ECLI:EU:C:2014:185.


HvJ 21 december 2023, zaak C-288/22, TP, ECLI:EU:C:2023:590.


HvJ 23 oktober 2025, zaak C-744/23, Zlakov (TPT v. Financial Bulgaria EOOD), ECLI:EU:C:2025:332.


Gerecht EU 25 februari 2026, zaak T-575/24, Digipolis, ECLI:EU:T:2026:156.


ECLI:NL:GHSHE:2025:3535.


ECLI:NL:HR:2017:2461


ECLI:NL:HR:2002:AD9708.
Link naar deze uitspraak