|
|
|
| ECLI:NL:HR:2026:1685 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-10-2026 | | Instantie | : | Hoge Raad | | Zaaknummers | : | 25/00358 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Erfpacht. Pachtrecht. Geschil over (waarde)overdracht fosfaatrechten bij einde erfpacht. Gelden regels daarover bij pacht ook bij erfpacht? Wanneer is de verplichting tot overdracht opeisbaar? | | Trefwoorden | : | pachtkamer | | | veestapel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00358
Datum 16 oktober 2026
ARREST
In de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Rijksvastgoedbedrijf),
zetelende te Den Haag,
EISER tot cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: M.W. Scheltema,
tegen
[de erfpachter],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [de erfpachter],
advocaat: H.J.W. Alt.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de arresten in de zaak 200.333.450/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2024 en 5 november 2024.
De Staat heeft tegen het arrest van het hof van 5 november 2024 beroep in cassatie ingesteld.[de erfpachter] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de erfpachter] heeft schriftelijk op die aanvullende conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In 1982 heeft de Staat aan de vader van [de erfpachter] grond in erfpacht uitgegeven voor de duur van veertig jaar. Dit erfpachtrecht is in 2005 overgedragen aan [de erfpachter]. In de erfpachtakte staat dat de grond is bestemd voor de uitoefening van een weidebedrijf.
(ii) Aan het melkveebedrijf van [de erfpachter] zijn in 2018 fosfaatrechten toegekend.
(iii) De duur van het in 1982 uitgegeven erfpachtrecht is op 31 oktober 2021 verstreken.
(iv) [de erfpachter] heeft het gebruik van de grond na 31 oktober 2021 onafgebroken voortgezet.
(v) Bij akte van 1 februari 2023 (hierna: de erfpachtakte) is de grond (samen met twee andere percelen) per 1 november 2021 (opnieuw) aan [de erfpachter] in erfpacht uitgegeven voor de duur van veertig jaar. Dit erfpachtrecht loopt af op 31 oktober 2061.
(vi) In art. 10 van de erfpachtakte is opgenomen dat en waarom de Staat aanspraak maakt op (de marktwaarde van) een deel van de aan [de erfpachter] toegekende fosfaatrechten. In lid 2, onder d, van dat artikel is opgenomen dat [de erfpachter] gehouden is tot overdracht van fosfaatrechten per 31 oktober 2021 (het einde van de eerste erfpachtovereenkomst). Verder is in lid 3 van dat artikel opgenomen dat de overdracht van (de marktwaarde van) die fosfaatrechten is uitgesteld tot na het einde van de erfpachtovereenkomst per 31 oktober 2061 dan wel tot een eerder moment in een aantal andere beschreven situaties (de zogenaamde ‘doorschuiffaciliteit’). In de erfpachtakte is verder opgenomen dat [de erfpachter] niet instemt met de aanspraak van de Staat en dat partijen de mogelijkheid hebben de rechter te vragen een uitspraak te doen over de rechtmatigheid en de omvang van de aanspraak van de Staat.
2.2
Partijen hebben afgesproken de zaak rechtstreeks (bij wege van prorogatie) voor te leggen aan het hof. De Staat heeft gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat de Staat jegens [de erfpachter] en diens eventuele rechtsopvolgers aanspraak kan maken op vergoeding van de marktwaarde van een deel van de aan [de erfpachter] toegekende fosfaatrechten op het tijdstip en onder de voorwaarden zoals omschreven in art. 10 van de erfpachtakte.
2.3
Het hof heeft de vordering van de Staat afgewezen. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
In de arresten ASR/ (…) (ECLI:NL:GHARL:2019:2544 en ECLI:NL:GHARL:2019:7664; zie ook HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1756) is overwogen dat als partijen in een pachtovereenkomst niets (anders) zijn overeengekomen, de pachter alleen verplicht is tot overdracht van fosfaatrechten aan de verpachter indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De juridische grondslag daarvoor zijn de aard van de pachtovereenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). De rechtvaardiging bestaat uit drie samenhangende redenen. De verpachter heeft langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren. Die bedrijfsmiddelen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend. De grond en/of gebouwen zijn na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. (rov. 5.2-5.3)
Uit genoemde en daarna in vergelijkbare gevallen gewezen arresten volgt dat het ontstaan van een aanspraak tot (waarde)overdracht van fosfaatrechten verbonden is aan niet alleen het eindigen van de pachtovereenkomst maar ook aan het eindigen van het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond (en/of gebouwen). De voorwaarden waaronder de verpachter aanspraak heeft op fosfaatrechten vinden immers hun rechtvaardiging in drie samenhangende redenen waarvan er één is dat de grond en/of gebouwen na het einde van de pachtovereenkomst potentieel minder goed te exploiteren zijn voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert. (rov. 5.5)
Het onafgebroken voortgezet gebruik door [de erfpachter] van de grond staat in de weg aan de door de Staat bepleite toepassing van de voorwaarden uit de arresten ASR/(…). Dat de termijn van de erfpachtovereenkomst uit 1982 is verstreken, maakt dat niet anders. Daarmee kan niet worden aangenomen dat de Staat een aanspraak op [de erfpachter] heeft verkregen voor overdracht van fosfaatrechten dan wel voor vergoeding van de waarde daarvan. Of [de erfpachter] gehouden is op het einde van de lopende erfpacht in 2061, of bij een eerdere overdracht, aan de Staat een vergoeding te betalen voor de fosfaatrechten, zal te zijner tijd moeten worden bezien. (rov. 5.6-5.7)
Het hof komt daardoor niet toe aan de vraag of de regel die geldt met betrekking tot de aanspraak van een verpachter op fosfaatrechten bij pachtovereenkomsten, behalve wanneer bijzondere omstandigheden tot afwijking daarvan noodzaken, van overeenkomstige toepassing is bij erfpachtovereenkomsten. (rov. 5.8)
3Beoordeling van het middel
3.1
Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het ontstaan van een aanspraak tot (waarde)overdracht van fosfaatrechten verbonden is aan het eindigen van het feitelijk gebruik van de ter beschikking gestelde grond (en/of gebouwen). De klachten van het middel berusten op het uitgangspunt dat de pachter bij het einde van de pachtovereenkomst een vergoeding voor de fosfaatrechten verschuldigd is, ongeacht of daarna hetzelfde bedrijf op het verpachte wordt voortgezet. Op het moment van het einde van de duur van de lopende pachtovereenkomst wordt de aanspraak van de verpachter opeisbaar, aldus het middel.
3.2.1
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor de gevallen waarin wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn genoemd in het arrest van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2019 (hierna: het ASR-arrest), op grond van art. 6:248 lid 1 BW als algemene regel van aanvullend recht geldt dat de pachter verplicht is de aan het verpachte toe te rekenen fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter, tegen betaling van 50% van de marktwaarde daarvan aan de pachter, en dat de bijzondere omstandigheden van het geval kunnen noodzaken tot afwijking van die regel.
3.2.2
Belangrijke uitgangspunten voor de door de pachtkamer in het ASR-arrest aanvaarde aanspraak van de verpachter zijn de omstandigheden dat de pachter de productierechten om niet op zijn naam heeft gekregen tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst, dat de pachter en de verpachter beiden een bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de productierechten, en dat een voortgezette exploitatie van het gepachte zonder productierechten niet mogelijk is. Als rechtvaardiging voor de aanspraak van de verpachter heeft de pachtkamer drie, met voornoemde uitgangspunten verwante, redenen gegeven: (1) de verpachter heeft langdurig bedrijfsmiddelen aan de pachter ter beschikking gesteld waarop de pachter zijn bedrijfsvoering heeft kunnen baseren, (2) die bedrijfsmiddelen hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de fosfaatrechten die aan de pachter zijn toegekend en (3) de grond en/of gebouwen zijn na het einde van de pachtovereenkomst minder goed te exploiteren voor de verpachter indien de pachter deze zonder fosfaatrechten oplevert.
3.2.3
Uit deze rechtspraak volgt dat de hiervoor in 3.2.1 genoemde regel dat de pachter verplicht is om fosfaatrechten over te dragen aan de verpachter, mede zijn grond vindt in de omstandigheid dat zonder fosfaatrechten de grond en/of gebouwen voor de verpachter minder goed zijn te exploiteren. Die omstandigheid doet zich niet eerder voor dan bij het einde van een pachtverhouding, en dus niet al bij het einde van de bepaalde duur van een pachtovereenkomst terwijl de pachtverhouding tussen de pachter en de verpachter voortduurt (door verlenging van de pachtovereenkomst of het – al dan niet stilzwijgend – aangaan van een opvolgende pachtovereenkomst). Daaruit moet worden afgeleid dat de bedoelde verplichting van de pachter niet eerder opeisbaar is dan bij het einde van de pachtverhouding.
3.3
Gelet op wat hiervoor in 3.2.3 is overwogen, berusten de klachten van het middel op een onjuiste rechtsopvatting. Die klachten falen daarom.
3.4
De onderhavige zaak gaat niet over een pachtovereenkomst maar over een erfpachtovereenkomst. Het hof is niet toegekomen aan de vraag of de hiervoor in 3.2.1 weergegeven regel die bij pachtovereenkomsten geldt voor de aanspraak van een verpachter op fosfaatrechten, van overeenkomstige toepassing is bij erfpachtovereenkomsten (zie rov. 5.8 van het bestreden arrest). De Hoge Raad overweegt over die kwestie, ten overvloede, het volgende.
3.5
De hiervoor in 3.2.2 genoemde rechtvaardiging voor de aanspraak van de verpachter ter zake van aan de pachter toegekende fosfaatrechten geldt ook bij erfpacht van agrarische grond en/of gebouwen. Het ligt dan ook in de rede dat de regel die bij pachtovereenkomsten geldt voor de aanspraak van een verpachter op fosfaatrechten, van overeenkomstige toepassing is bij erfpachtovereenkomsten, en dat ook in die verhouding geldt dat de bijzondere omstandigheden van het geval kunnen noodzaken van de regel af te wijken. De verschillen tussen pacht en erfpacht rechtvaardigen niet een andere benadering. Wel geldt bij erfpacht dat van die regel niet kan worden uitgegaan als partijen bij het vestigen van de erfpacht het ontstaan van productierechten en de gevolgen daarvan voor de exploitatiemogelijkheden en de waarde van de grond en/of gebouwen van de erfverpachter, in de tegenprestatie voor de erfpacht hebben verdisconteerd.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de erfpachter] begroot op € 375,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Staat deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 oktober 2026.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6783.
HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1756.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544.
Zie het tussenarrest in die zaak: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544, rov. 3.8 en 3.12.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2544, rov. 3.14. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|