Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGEAA:2025:370 
 
Datum uitspraak:11-11-2025
Datum gepubliceerd:12-02-2026
Instantie:Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Zaaknummers:AUA20250446 EJ
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Toekenning van schadevergoeding, waarbij – gelet op de relevante omstandigheden van het geval - een immateriële schadevergoeding (smartengeld) van Afl. 110.000,- is toegewezen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
minimumloon
tarieven
wettelijke rente
 
Uitspraak
Beschikking van 11 november 2025
Behorend bij AUA20250446 EJ


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA


BESCHIKKING

in de zaak van:




[Verzoekster],
te Aruba,
verzoekster,
hierna ook te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep,

tegen:



Stichting Katholiek Onderwijs Aruba,
te Aruba,
verweerster,
hierna ook te noemen: SKOA,
gemachtigde: de advocaat mr. C.B.A. Coffie.





1DE PROCEDURE


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingediend op 17 februari 2025;
- het verweerschrift, ingediend op 17 juni 2025;
- brief met producties van 21 augustus 2025 namens [verzoekster];
- pleitaantekeningen namens [verzoekster];
- pleitaantekeningen namens SKOA;
- proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 augustus 2025;
- brief met producties van 26 september 2025 namens [verzoekster];
- pleitaantekeningen namens [verzoekster];
- pleitaantekeningen namens SKOA;
- aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van [pensioendatum] 2025;
- de pleitaantekeningen namens AGS;
- de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en waaruit blijkt dat partijen en hun gemachtigden aanwezig waren.



1.2
De uitspraak is bepaald op vandaag.





2DE BEOORDELING


Inleiding



2.1
Bij beschikking van dit Gerecht van 9 januari 2024 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:OGEAA:2024:13) is voor recht verklaard dat SKOA aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] (geboren op [geboortedatum] 1957) als gevolg van een bedrijfsongeval op 24 maart 2022 heeft ondervonden. SKOA is onder andere veroordeeld deze schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. Deze beschikking is in hoger beroep bevestigd (ECLI:NL:OGHACMB:2024:288). Er is geen cassatie ingesteld zodat de beschikking van het Gerecht kracht van gewijsde heeft. Aan [verzoekster] zijn meerdere voorschotbedragen door SKOA voldaan van in totaal Afl. 40.000,00. SKOA moet de schadevergoeding zelf dragen. Zij was tegen aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen namelijk niet verzekerd.



2.2
De onderhavige zaak betreft de schadestaatprocedure. Blijkens het verzoekschrift verzoekt [verzoekster] om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, SKOA te veroordelen de door het Gerecht vast te stellen materiële en immateriële schade als gevolg van het bedrijfsongeval van 24 maart 2022 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van SKOA in de proceskosten. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting volgt dat SKOA het met enkele schadeposten eens is en op een aantal punten verweer voert. Op de verweren gaat het Gerecht hierna in.



2.3
Het Gerecht citeert ten behoeve van de leesbaarheid van deze beschikking het volgende (r.o. 2.6) uit de beschikking van 9 januari 2024:


“Als gevolg van het ongeval is bij [verzoekster] een partiele dwarslaesie en een gebroken arm geconstateerd, welke arm geopereerd moest worden. Als gevolg van die dwarslaesie kon die operatie niet plaatsvinden, met als gevolg dat [verzoekster] wekenlang in het ziekenhuis heeft verbleven. Na haar ontslag op 28 april 2022 uit het ziekenhuis revalideert [verzoekster].”




2.4
En om dezelfde reden wordt het volgende geciteerd uit de brief van 30 november 2022 van de revalidatiearts:




“Anamnese:


Na de ziekenhuisfase is patiënt sinds 23 mei in poliklinische revalidatiebehandeling (PRB). Ze heeft fysiotherapie, ergotherapie en komt op de wondenpoli.


[Verzoekster] kwam binnen met een zeer beperkte functionaliteit in zowel haar bovenste- als onderste extremiteiten. Ze was volledig afhankelijk van zorg en derhalve niet zelfredzaam, [verzoekster] zit nog midden in haar revalidatieproces. Momenteel is ze in staat om zelfstandig van lig naar zit te komen, zelfstandig te zitten, zelfstandig tot stand te komen (van zithoogtes >58 cm) en veilig en zelfstandig te lopen met een rollator met onderarmschalen. Activiteiten als baden, traplopen, naar het toilet gaan, koken, in- en uit de auto stappen en activiteiten welke een beroep doen op fijn motorische handelingen zijn nog een uitdaging en momenteel niet veilig. [Verzoekster] nog niet in staat dit zelfstandig uit te voeren.


Huidige beperkingen in functie:




Anteflexie- en abductiebeperking van beide schouders, li>re. (A+P)ROM anteflexie 70 gr.




Krachtsverlies in alle ledematen




Beperkte functie in alle richtingen van alle vingers




Balans verstoord en opvangreacties vertraagd (valgevaarlijk)




Sacrale debituswond, welke nauwkeurige verzorging nodig heeft (controles via de wondpoli, inclusief behandelend chirurg).”






2.5
De schadeposten waarvan [verzoekster] vergoeding verzoekt zijn de volgende:



Revalidatiekosten tot en met september 2025 Afl. 81.397,25


Advocaatkosten:


(1) voor aanvang procedure Afl. 9.161,55
(2) vanaf aanvang procedure Afl. 38.042,58
(3) vanaf schadestaat procedure PM
Toekomstige revalidatiekosten Afl. 218.880,00
Smartengeld Afl. 175.000,00.

Ook wordt de wettelijke rente over de schadekosten verzocht. Voor de duidelijkheid overweegt het Gerecht dat geen sprake is van enige inkomensschade. SKOA heeft het salaris volledig doorbetaald tot aan de pensioendatum ([pensioemdatum] 2025) van [verzoekster].


Deskundige




2.6
Door [verzoekster] en SKOA wordt om benoeming van een deskundige gevraagd om het Gerecht te adviseren over de posten die door SKOA worden betwist. SKOA vraagt om een medisch deskundige omdat er sprake is van een medische predispositie (eerdere rugklachten) en medische fouten in het ziekenhuis waar [verzoekster] is behandeld na het bedrijfsongeval (doorligwond met lange herstelperiode). Ook is geen sprake van een medische eindsituatie ([verzoekster] gaat nog steeds stapje voor stapje vooruit) wat benoeming van een medisch deskundige die daarover een opinie kan geven nodig maakt.



2.7
Het Gerecht overweegt het volgende. Allereerst de medische predispositie. [Verzoekster] was voor het bedrijfsongeval bekend met rugklachten. Dat is door SKOA op de zitting aan de orde gesteld maar zonder enige onderbouwing. Van SKOA had kunnen worden verwacht dat zij, gelet op de openheid die [verzoekster] heeft betracht door alle mogelijke medische informatie in het geding te brengen, zélf met een medische onderbouwing zou komen in de vorm van een rapport van een medicus (medisch adviseur) die op basis van de door [verzoekster] verstrekte medische stukken een schriftelijke opinie zou hebben gegeven. Daaruit zou dan moeten blijken dat de eerdere rugklachten relevant zijn. Door dit niet te doen, terwijl dat wel had gekund, heeft SKOA dit verweer onvoldoende onderbouwd en ziet het Gerecht geen aanleiding tot verder onderzoek door een deskundige.



2.8
In het kader van haar ziekenhuisopname liep [verzoekster] doorligwonden op waardoor haar herstel inderdaad een stuk trager verliep, zo blijkt uit de door haar overgelegde medische informatie. Volgens SKOA is dit, als het Gerecht het goed begrijpt, een zelfstandige schadeoorzaak en moet worden voorkomen dat zij hierdoor meer schadevergoeding moet betalen. Het Gerecht overweegt dat zonder het bedrijfsongeval [verzoekster] niet in het ziekenhuis zou zijn opgenomen en ook geen doorligwonden zou hebben gekregen. Voor de beantwoording van de vraag of de schade aan SKOA kan worden toegerekend, is bepalend of het redelijk is die schade aan haar toe te rekenen in de zin van artikel 6:98 BW. Daarbij komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de normschending, de voorzienbaarheid van de schade en de aard van de schade zelf. Het optreden van doorligwonden is naar zijn aard een voorzienbaar risico dat inherent is aan een langdurige ziekenhuisopname, in het bijzonder bij patiënten die door een ongeval tot immobiliteit zijn gedwongen. De schade die daardoor is ontstaan, kan daarom naar redelijkheid aan de oorspronkelijke aansprakelijke partij worden toegerekend. De omstandigheid dat de doorligwonden niet rechtstreeks door het ongeval, maar in de nasleep daarvan zijn ontstaan, doet daaraan niet af. Uit dit oogpunt behoort deze schade tot de risicosfeer van degene die aansprakelijk is voor het ongeval dat tot de ziekenhuisopname heeft geleid. Ook hiervoor geldt daarnaast ook dat SKOA, gelet op alle voorhanden medische informatie, een eigen medisch adviseur had kunnen inschakelen die zich een opinie had kunnen vormen of en in hoeverre het langduriger verblijf de genezing van de gevolgen van het bedrijfsongeval heeft beïnvloed. Dit verweer is dus onvoldoende onderbouwd zodat ook op dit punt het Gerecht geen aanleiding ziet tot verder onderzoek door een deskundige.



2.9
Inderdaad is er geen sprake van een medische eindsituatie. Gelukkig ook maar want [verzoekster] gaat namelijk stapje voor stapje vooruit. Uit de e-mail van haar revalidatiearts van 26 september 2025: “The patient has shown slow but steady improvement, consistent with the progression of chronic spinal cord injury rehabilitation. She continues to work towards increasing gait efficiency, improving balance, and managing lower limb spasticity.” Voor het vaststellen van schadevergoeding is een medische eindsituatie ideaal omdat de schade dan zo precies mogelijk kan worden vastgesteld. Het is echter geen vereiste op grond van enige rechtsregel dat een medische eindsituatie noodzakelijk is voor de toekenning van schadevergoeding. Uit de geciteerde tekst van de e-mail van de revalidatiearts volgt dat de trage maar gestage vooruitgang hoort bij de aard van het letsel. Dat is een reden om niet te wachten op een medische eindsituatie. Een andere reden is de expliciete wens van [verzoekster], die op de zitting heeft gezegd de financiële kant van het bedrijfsongeval liefst zo snel mogelijk achter de rug te willen hebben. Tot slot is in dat verband ook de gevorderde leeftijd van [verzoekster] van belang. Gelet op dit alles ziet het Gerecht geen reden om een deskundige te benoemen.



2.10
Blijft over de door partijen voorgestelde benoeming van een letselschadedeskundige. Ook daarin gaat het Gerecht niet mee. Zoals hierna zal blijken is het Gerecht in staat over alle schadeposten zonder inschakeling van een deskundige een oordeel te geven.


Reeds gemaakte (revalidatie)kosten




2.11
Het totale bedrag wordt door SKOA rekenkundig niet betwist. Na de eerste zitting heeft SKOA een aantal betwistingen laten varen (weergegeven in het proces-verbaal) en wordt het Gerecht om een oordeel gevraagd over de volgende posten:



inzet inwonende thuishulp;


Trinity Quality Care Services;


Home Therapy VBA;


Fysiotherapie aan Huis;


overige kosten.




ad a: thuishulp




2.12
Hierover voert [verzoekster] aan dat zij niet capabel was om zelfstandig te kunnen wonen omdat zij bedlegerig was en niet kon lopen. Na ontslag uit het ziekenhuis per 29 april 2022 was dus inwonende thuishulp noodzakelijk. Vanuit het ziekenhuis werd mevrouw [betrokkene] voorgesteld tegen een vergoeding van Afl. 1.500,00 per maand. Met ingang van 1 februari 2023 was 24-uurszorg niet meer nodig. Dus: 9 maanden x Afl. 1.500,00 = Afl. 13.500,00.



2.13
SKOA voert aan dat [verzoekster] onvoldoende heeft uitgelegd waarom een voltijdse inzet nodig was. Het minimumloon voor een inwonende dienstbode bedroeg in 2022 Afl. 846,92 per maand zodat het gevorderde bedrag te hoog is. Evenmin is er een arbeidsovereenkomst in het geding gebracht en ook geen loonstroken.



2.14
Het Gerecht overweegt dat door SKOA niet wordt betwist dat sprake is geweest van een inwonende thuishulp. Evenmin betwist zij de duur van de inzet. Daar moet het Gerecht dus van uitgaan. Uit de brief van de revalidatiearts van 30 november 2022 volgt duidelijk dat [verzoekster] niet alleen kon wonen zodat reeds daarom de betwisting van de noodzaak van de inzet van de thuishulp 24/7 niet opgaat. Wat betreft de hoogte van de vergoeding en het ontbreken van een arbeidsovereenkomst en salarisstroken wordt overwogen dat er vanuit kan worden gegaan dat de thuishulp werd betaald door [verzoekster]. Mogelijk is dat niet “wit” maar “zwart” uitbetaald. Linksom of rechtsom echter is duidelijk dat [verzoekster] moest worden verzorgd en dat langere opname in het ziekenhuis of een verpleeghuis op Aruba of elders (zoals Nederland) nog veel duurder zou zijn. Wat betreft de hoogte van de vergoeding wordt overwogen dat het niet gaat om een dienstbode maar om een andere functie, te weten die van een thuiszorgmedewerker die belast is met de verzorging van een bedlegerige patiënt. Tot slot geldt dat in de Cariben dit soort kwesties niet altijd helemaal volgens alle regeltjes worden opgelost. Er wordt geïmproviseerd met als resultaat dat [verzoekster] direct na ontslag uit het ziekenhuis 24-uurszorg tot haar beschikking had. Daarom zal het Gerecht het gevorderde bedrag toewijzen.


ad b: Trinity Quality Care Services (hierna: TQS)



2.15
Dit ziet op de inzet van medisch personeel in verband met fysiotherapie en wondverzorging gedurende de periode januari 2023 tot en met december 2023 voor totaal Afl. 16.397,50. Volgens SKOA zijn deze kosten onvoldoende gespecificeerd en zij stelt vraagtekens bij de omvang daarvan. Het Gerecht onderschrijft niet dat de kosten onvoldoende gespecificeerd zijn; alle facturen zijn namelijk in het geding gebracht en terug te vinden in het schadeoverzicht. Verder geldt dat TQS kennelijk de taken van mevrouw [betrokkene] heeft overgenomen omdat genoemde periode waarin zij werd ingeschakeld aansluit op haar vertrek als inwonende thuishulp. Het alleen betwisten van de omvang van de inzet van TQS is niet voldoende. Van SKOA had mogen worden verwacht dat zij, wederom tegen de achtergrond van de ernst van het letsel en de veelheid aan medische informatie die [verzoekster] heeft verschaft, op inhoudelijke gronden de inzet zou betwisten en niet zou volstaan met een zogenaamde blote betwisting. Ook dit bedrag zal het Gerecht daarom toewijzen.


ad c: Home Therapy VBA (hierna: HT)




2.16
Dit gaat over de periode oktober 2023 tot en met februari 2024. Het betreft een bedrag van Afl. 6.920,00. Ook hierover voert SKOA aan dat de inzet heel omvangrijk is en dat niet is geobjectiveerd hoeveel uren daadwerkelijk nodig waren. Het Gerecht stelt voorop dat uit de voormelde brief van de revalidatiearts volgt dat hij en zijn voorgangers doorlopende fysiotherapie adviseren. Die brief is uitvoerig en gedetailleerd. Daartegenover kan SKOA niet volstaan met niet onderbouwde betwistingen. Daarom wordt ook dit bedrag toegewezen.


ad d: Fysiotherapie aan Huis (hierna: FAH)




2.17
Dit ziet op de periode 10 augustus 2022 tot 27 juli 2023 en ziet op Afl. 18.000,00. Daarover voert SKOA aan dat AZV+ (waarvoor [verzoekster] vanwege haar dienstverband is verzekerd) 9 fysiotherapie sessies per jaar vergoedt wat met 12 sessies kan worden verlengd. [Verzoekster] legt niet uit waarom zij geen gebruik maakt van de AZV+ vergoeding. Weer wordt betwist dat de kosten nodig c.q. noodzakelijk waren als gevolg van het bedrijfsongeval. Op de tweede mondelinge behandeling heeft [verzoekster] uitgelegd dat zij drie keer per week fysiotherapie krijgt waarvan er een wordt vergoed door AZV+. Die uitleg is niet weersproken zodat het Gerecht daarvan uitgaat. Wat betreft de overige betwistingen wordt verwezen naar wat hiervoor is overwogen over de noodzaak van fysiotherapie waarover de revalidatiearts in zijn voormelde brief ook nog schrijft: “Ongoing therapy remains justified to maintain and consolidate her current level of function and independence”. SKOA volstaat weer met blote ontkenningen terwijl het voor haar mogelijk was om een eigen medisch adviseur om een onderbouwde opinie hierover te vragen en aan het Gerecht voor te leggen. Daarom wordt ook dit bedrag toegewezen.


ad e: overige kosten




2.18
Blijkens het verweerschrift vraagt SKOA zich van 11 kostenposten af of die ongevalsgerelateerd zijn. Het gaat om een nieuwe bril via een nieuw matras tot schoonmaakkosten. Het Gerecht overweegt dat [verzoekster] zwaar letsel heeft opgelopen waardoor zonder meer voorstelbaar is dat zij allerlei kosten heeft gemaakt voor bijvoorbeeld kussens, reinigingsmiddelen enz. die zij zonder bedrijfsongeval niet zou hebben gemaakt. Op de zitting bleek de bril trouwens te zijn gesneuveld als gevolg van het bedrijfsongeval. Daarom zal het Gerecht het door [verzoekster] gevorderde bedrag van Afl. 9.871,00 toewijzen.


Advocaatkosten




2.19
Eerst de wettelijke regeling. Artikel 6:96 lid 2 bepaalt dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Artikel 63a Rv beperkt de reikwijdte van deze bepaling in aanzienlijke mate: “Terzake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 60 tot en met 63 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de tegenpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba worden toegekend, maar zijn alleen de regels inzake proceskosten van toepassing.” Kortom: de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand komen wel voor vergoeding in aanmerking maar de kosten van rechtsbijstand ten behoeve van procedures bij de rechter niet. Daarvoor geldt het liquidatietarief dat het Gemeenschappelijk Hof in zijn procesreglement heeft vastgesteld.



2.20
Door [verzoekster] worden alle advocaatkosten opgeteld (Afl. 47.204,13) en in de schadestaat opgenomen. Dat mag dus niet. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen “buitengerechtelijk” en “gerechtelijk”. Omdat in elke gevoerde procedure (inclusief een kort geding om een voorschot te verkrijgen) SKOA in de proceskosten is veroordeeld moet het Gerecht beoordelen welke buitengerechtelijke werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking komen. Overigens heeft SKOA alle proceskosten waartoe zij is veroordeeld voldaan aan [verzoekster].



2.21
Blijkens alinea 2.5 van het verzoekschrift van [verzoekster] gaat het qua buitengerechtelijke kosten om Afl. 9.161,55 aan kosten tot 13 april 2023. Dat betreft de declaratie van het kantoor van de gemachtigde aan [verzoekster] van 2 juni 2024 die ziet op de periode september 2022 – 16 april 2023. In rekening is gebracht een totaalbedrag van Afl. 9.161,55, bestaande uit Afl. 9.603,30 (waarop 10% korting in mindering strekt, net zoals overigens op alle door de gemachtigde in rekening gebrachte bedragen aan honorarium) en Afl. 518,58 aan kantoorkosten. Uit de bij de declaratie behorende specificatie blijkt van 38:24 uur aan tijdsbesteding. Daarvan is 8:24 uur besteed door mr. Rep en 30:00 door een advocaat-stagiaire. SKOA stelt dat de 30 uur studie eigenlijk “gerechtelijke” kosten zijn ter voorbereiding van het verzoekschrift dat heeft geleid tot de beschikking waarin dit Gerecht tot aansprakelijkheid van SKOA heeft beslist. Het Gerecht overweegt dat door [verzoekster] geen inzicht is verschaft in het uurtarief zodat niet kan worden vastgesteld welk tarief mr. Rep hanteerde en voor welk tarief de advocaat-stagiaire werkte. Duidelijk is wel dat de tijdsbesteding van mr. Rep niet wordt betwist. Het Gerecht overweegt dat enige studie noodzakelijk is om de eerste aansprakelijkstelling te concipiëren. Maar Afl. 9.161,55 is aan de hoge kant terwijl het resultaat van de 30 uur studie en het opstellen van een memo hierover ook zullen zijn gebruikt voor het inleidende verzoekschrift en latere processtukken. Het Gerecht schat daarom de door SKOA te betalen vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden op Afl. 6.000,00. Tot dit bedrag zijn de gevorderde kosten van rechtsbijstand dus toewijsbaar. Het maken van deze kosten is redelijk en de hoogte van het toe te wijzen bedrag ook. De overige kosten van rechtsbijstand worden geacht vergoed te zijn door de proceskostenveroordelingen.


Toekomstige revalidatiekosten




2.22
De standpunten van partijen hierover worden als volgt kort en zakelijk weergegeven:


[Verzoekster]: in de brief van 29 juli 2025 schrijft haar fysiotherapeut als conclusie: “Het is belangrijk om te benadrukken dat het hier gaat om een chronische aandoening. Therapie en training maakt daarom een blijvend onderdeel uit van uw zorg, om de functie zo goed mogelijk te behouden en verdere achteruitgang te voorkomen. U boekt nog steeds aantoonbare functionele vooruitgang, wat duidt op een positief revalidatieverloop. Gezien de complexiteit van uw aandoening blijft bewegen en trainen onder begeleiding van een fysiotherapeut dan ook ons advies.” Ook verwijst zij naar de verklaring van de revalidatiearts die hiervoor is weergeven en waaruit ook blijkt dat fysiotherapie de rest van haar leven noodzakelijk is. Zij heeft 3x per week fysiotherapie waarvan 2x niet wordt vergoed door AZV en zij betaalt hiervoor Afl. 1.013,33 per maand (= Afl. 12.160,00). [Verzoekster] woont 15 jaar op Aruba en heeft het grootste gedeelte van haar leven in Nederland gewoond. Daarom moet worden uitgegaan van de Nederlandse levensverwachting van een vrouw die nu [leeftijd] jaar is, te weten 86,3 jaar. Vandaar dat [verzoekster] vraagt om 18 jaar x Afl. 12.160,00 = Afl. 218.880,00. Kapitalisatie van dit bedrag door betaling van deze lumpsum wordt gecompenseerd door mogelijke toekomstige inflatie en de onzekere vraag of AZV de 1x wekelijkse fysiotherapiekosten blijft verzekeren en vergoeden.


SKOA: de noodzaak van levenslange fysiotherapie in deze omvang wordt betwist.



2.23
Het Gerecht overweegt dat de noodzaak van fysiotherapie voor de rest van haar leven duidelijk blijkt uit de brieven van revalidatiearts en fysiotherapeut. Zoals eerder overwogen heeft SKOA deze noodzaak onvoldoende betwist terwijl dat wel had gekund door inschakeling van een eigen medisch adviseur. Het Gerecht zal uitgaan van de Nederlandse levensverwachting. In de eerste plaats omdat dit evenmin voldoende wordt betwist maar ook omdat door SKOA geen stellingen zijn ontwikkeld over de levensverwachting op Aruba. Het Gerecht durft er wel vanuit te gaan dat deze aanzienlijk lager is dan die in Nederland. Het Gerecht ziet aanleiding om maar de helft van Afl. 218.880,00 toe te wijzen. In de eerste plaats omdat deze zaak zich nu eenmaal afspeelt in de Arubaanse rechtssfeer. Ook omdat nergens uit blijkt dat [verzoekster] plannen heeft om te remigreren terwijl de berekening van deze kosten is gebaseerd op Arubaanse tarieven. Verder omdat ook rekening mag worden gehouden dat mensen op gevorderde leeftijd sowieso meer medische kosten gaan krijgen zodat het onredelijk is deze alle voor rekening van SKOA te laten komen. Ook omdat uit de brieven van revalidatiearts en fysiotherapeut onvoldoende blijkt dat [verzoekster] voor de rest van haar leven 3x per week fysiotherapie als gevolg van dit letsel nodig heeft. Tot slot vanwege de wens van [verzoekster] dit dossier te sluiten zodat voor verder onderzoek naar de exacte hoogte van het toe te wijzen bedrag het Gerecht geen ruimte ziet. Aan [verzoekster] wordt dus toegewezen Afl. 109.440,00.


Smartengeld




2.24
Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW komt aan de benadeelde een naar billijkheid vast te stellen vergoeding toe voor immateriële schade. De wetgever heeft de rechter bij de vaststelling daarvan een ruime mate van beoordelingsvrijheid toegekend. De hoogte van het smartengeld dient te worden bepaald met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer de aard en ernst van het letsel, de duur en intensiteit van het herstel, de leeftijd van het slachtoffer, de gevolgen voor diens dagelijks functioneren en de aanwezigheid van blijvende beperkingen of ontsieringen een rol. Uit de medische stukken, die hiervoor deels zijn geciteerd, blijkt dat aan [verzoekster] zeer ernstig letsel is overkomen. Zij heeft lange tijd in het ziekenhuis gelegen, is nog steeds bezig met revalidatie en heeft maandenlang voltijds zorg nodig gehad toen zij eenmaal weer thuis was. Haar levensstijl was vanaf de dag van het bedrijfsongeval zeer ingrijpend veranderd; zij kon haar beroep van onderwijzeres op een basisschool niet meer uitoefenen, kon niet meer sporten, evenmin boodschappen doen of autorijden. Zij was jarenlang afhankelijk van de hulp van anderen. Het gaat nu beter (geen rolstoel meer maar looprek) maar duidelijk is dat het letsel haar gezondheid voor de rest van haar leven zwaar heeft aangetast. Zij zal nooit meer zich kunnen voelen en bewegen zoals zij deed vóór het bedrijfsongeval. [Verzoekster] heeft er ook onder geleden dat SKOA, behoudens een enkel bezoek om een schadeformulier in te vullen, zich verder niets van haar heeft aangetrokken. Op de zittingen volstond zij met het zenden van haar advocaat. Pas op de laatste zitting kwam de directeur van SKOA die uitsprak het vreselijk te vinden wat [verzoekster] is overkomen.



2.25
Anders dan SKOA aanvoert zal het Gerecht er geen rekening mee houden dat de financiering die SKOA van de overheid krijgt voor bedrijfsongevallen als deze geen voorziening kent. De ontoelaatbare consequentie daarvan zou dan immers zijn dat haar personeel de schade (deels) voor eigen rekening moet houden. SKOA kan dat voorkomen door een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten of door in haar budgetonderhandelingen met de Minister van Onderwijs genoeg middelen te vragen om hiervoor een voorziening te creëren. Een andere optie is om een garantstelling van het Land Aruba te krijgen nu financiering van onderwijs een overheidstaak is (artikel I.20 Staatsregeling Aruba). Als een ambtenaar van het Land Aruba een bedrijfsongeval ondervindt waarvoor het Land aansprakelijk wordt gehouden dan zal het Land de schadevergoeding toch ook moeten betalen.



2.26
Alles afwegende zal het Gerecht aan [verzoekster] aan immateriële schadevergoeding Afl. 110.000,00 toekennen.


Resumerend




2.27
Alle schadeposten en verweren ertegen zijn beoordeeld. Het komt erop neer dat het Gerecht zal toewijzen:

a. Afl. 81.397,00 revalidatiekosten tot en met september 2025,
b. Afl. 6.000,00 advocaatkosten,
c. Afl. 109.440,00 toekomstige revalidatiekosten
d. Afl. 110.000,00 smartengeld.



2.28
De wettelijke rente over de materiële schadeposten is verschuldigd vanaf de vervaldatum van de factuur waarmee deze in rekening is gebracht aan [verzoekster]. De wettelijke rente over het smartengeld is verschuldigd vanaf de datum van het bedrijfsongeval.



2.29
De betaalde voorschotten strekken in mindering op schadeposten.



2.30
Als in het ongelijk gestelde partij wordt SKOA veroordeeld in de proceskosten.





3DE BESLISSING

Het Gerecht:


3.1
veroordeelt SKOA tot betaling van Afl. 196.837,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van opeisbaarheid van de factuur waarmee de onderscheiden kosten aan [verzoekster] in rekening zijn gebracht tot aan de dag van algehele betaling,



3.2
veroordeelt SKOA tot betaling van Afl. 110.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 maart 2022 tot aan de dag van algehele betaling,



3.3
verstaat dat de door SKOA betaalde voorschotten van in totaal Afl. 40.000,00 op de uit te betalen bedragen in mindering strekken,



3.4
veroordeelt SKOA in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] begroot op Afl. 450,00 aan griffierecht en Afl. 9.000,00 (3 punten x tarief 8) aan salaris gemachtigde,



3.5
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



3.6
wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak