Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:ORBAACM:2026:36 
 
Datum uitspraak:04-06-2026
Datum gepubliceerd:04-06-2026
Instantie:Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:CUR2025H00136
Rechtsgebied:Ambtenarenrecht
Indicatie:Disciplinair ontslag van dierenarts houdt geen stand. Geen plichtsverzuim voor wat betreft het laten inslapen van twee honden. Meenemen van veterinaire medicijnen van het Hoofd van de veterinaire dienst levert wel plichtsverzuim op. Ontslag is disproportioneel. Geen functionele ongeschiktheid. Hoger beroep dierenarts slaagt. Vernietiging aangevallen uitspraak.
Trefwoorden:eieren
vee
 
Uitspraak
Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Zaaknummer: CUR2025H00136



RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN


VAN CURAÇAO


Uitspraak
op het hoger beroep van:


[Appellante},
appellante (hierna: appellante),
gemachtigde: mr. L.N. Asjes, advocaat,


tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 23 april 2025, CUR202500052 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:


appellante

en

De Regering van Curaçao,
(hierna: de Regering),
gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols, advocaat.













Procesverloop
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.
De Regering heeft een contramemorie ingediend en nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft de zaak op de zitting van 23 april 2026 behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


Waar gaat de zaak over?


1. Deze zaak gaat over de vraag of appellante terecht is ontslagen uit haar functie als veterinair arts, werkzaam bij de Veterinaire Dienst. Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante is met ingang van 20 november 2013 aangesteld als dierenarts bij het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN), Sector Gezondheid, Veterinaire Zaken (Veterinaire Dienst) en is vanaf 2013 benoemd als waarnemend Hoofd van de Veterinaire Dienst (Waarnemend Hoofd). Als Waarnemend Hoofd fungeerde appellante als eindverantwoordelijke voor de dienst bij afwezigheid, belet of ontstentenis van het Hoofd Veterinaire zaken (het Hoofd).



1.2.
Op 25 juni 2023 arriveerden twee Franse bulldogs (de honden) per vliegtuig uit de Dominicaanse Republiek in Curaçao. Appellante heeft op die dag besloten om de honden in te laten slapen. De reden hiervoor was – in het kort – dat volgens appellante de vereiste wettelijke documenten voor invoer ontbraken, namelijk de gezondheidsverklaring van de Veterinaire Autoriteit van de Dominicaanse Republiek, met bijhorend geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës. Daarnaast speelde mee dat geen geschikte quarantaineruimte voor honden, (potentieel) besmet met rabiës, aanwezig was en de (vermeende) eigenaren de honden niet terug wilden laten vervoeren. Deze beslissing nam zij na overleg met het Hoofd.



1.3.
Het inslapen van de honden heeft geleid tot klachten over het functioneren van het Hoofd en appellante. Naar aanleiding hiervan heeft de minister van GMN, belast met de Veterinaire Dienst, op 25 juni 2023 aan het Hoofd een toegangsontzegging opgelegd. Verder heeft de Regering het bedrijf Forensic Caribbean (FC) opgedragen om een onderzoek uit te voeren naar, onder meer, mogelijk door het Hoofd en/of appellante gepleegd plichtsverzuim (het onderzoek).



1.4.
Op vrijdag 28 juli 2023 is aan appellante een landsbesluit uitgereikt op grond waarvan haar benoeming als Waarnemend Hoofd is ingetrokken. Zij heeft op diezelfde dag te horen gekregen dat bij haar een ernstige ziekte is vastgesteld, heeft toen om 15:35 uur het kantoor van de Veterinaire Dienst verlaten maar is daar om 19:05 uur weer teruggekeerd. De bewaking heeft toen gezien dat zij een aantal goederen uit het kantoor in haar auto heeft geladen.



1.5.
Op 29 juli 2023, een zaterdag, heeft de bewaking gezien dat appellante het kantoor van de Veterinaire Dienst tweemaal heeft betreden en dozen, mappen en documenten naar haar auto heeft gebracht en is weggereden.



1.6.
De onderzoekers van FC hebben op 1 augustus 2023 vastgesteld dat veterinaire medicijnen uit het kantoor van de Veterinaire Dienst zijn verdwenen.



1.7.
De Regering heeft Appellante met ingang van 3 augustus 2023 tot 4 november 2023 de toegang tot de Veterinaire Dienst ontzegd. Deze toegangsontzegging is verlengd tot 4 februari 2024. Aansluitend is appellante geschorst.



1.8.
Op 13 december 2024 is aan appellante een ontslagbesluit uitgereikt met nummer 24/2710 (het ontslagbesluit). Hierin is – in het kort – vermeld dat appellante plichtsverzuim heeft gepleegd door:


1. op 25 juni 2023 twee honden in strijd met de wet, het beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in te laten slapen;


2. buiten kantoortijd op 28 en 29 juli 2023 meerdere dozen, documenten, mappen en, op zijn verzoek daartoe, ook veterinaire medicijnen van het Hoofd uit het kantoor van de Veterinaire Dienst weg te nemen;


3. na te laten om melding te doen van ongeregistreerde nevenwerkzaamheden die het Hoofd binnen het gebouw van de Veterinaire Dienst onder werktijd verrichtte, die hoogstwaarschijnlijk in strijd waren met de integriteit, waarvan appellante kennis had dan wel had moeten hebben;


4. na te laten na haar schorsing op 4 mei 2024 haar werkzaamheden te hervatten.


De Regering heeft appellante op deze vier gronden ontslagen. Het betreft primair een disciplinair strafontslag wegens plichtsverzuim (artikel 88, eerste lid, in samenhang met artikel 89, eerste lid, onder i, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (Lma)), en subsidiair wegens functionele ongeschiktheid (artikel 103, eerste lid, onder f, van de Lma).


Wat is het oordeel van het Gerecht?


2. Het Gerecht heeft in de uitspraak van 23 april 2025 het bezwaar van appellante tegen alle vier de ontslaggronden besproken en dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft, voor zover relevant, overwogen (r.o. 5.5) dat appellante zich met het laten inslapen van de honden schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, dat volledig aan haar is toe te rekenen. Daarnaast heeft het Gerecht overwogen (r.o. 6.4 en 6.5) dat appellante zich ook door het, zonder voorafgaande toestemming van de Secretaris-Generaal, verwijderen van artikelen uit het kantoor van de Veterinaire Dienst schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, dat haar eveneens volledig kan worden toegerekend. De overige twee ontslaggronden vormen volgens het Gerecht geen grondslag voor disciplinair ontslag of ontslag wegens functionele ongeschiktheid. Het Gerecht is tot de conclusie gekomen, dat vanwege het gepleegde plichtsverzuim het disciplinair ontslag in stand kan blijven. Om die reden is het Gerecht niet toegekomen aan de beoordeling van het bezwaar van appellante tegen het ontslag wegens functionele ongeschiktheid.


Wat heeft Appellante aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?


3. Appellante heeft allereerst betoogd dat geen sprake is van plichtsverzuim door het laten inslapen van de honden. Zij heeft hiertoe – in het kort – aangevoerd dat er geen geschikte quarantaineruimte beschikbaar was, dat het de verantwoordelijkheid van de Regering is om te zorgen voor een adequate quarantaineruimte, dat zij overeenkomstig de relevante wetgeving en op basis van een risicoanalyse en een belangenafweging heeft besloten tot het laten inslapen, dat de (vermeende) eigenaren op de hoogte waren van de gevolgen als de honden niet met de eerstvolgende vlucht zouden worden teruggevoerd en dat haar beslissing niet schriftelijk gemotiveerd hoefde worden. Daarnaast heeft appellante gesteld dat ook het verwijderen van goederen uit het kantoor van de Veterinaire Dienst geen plichtsverzuim oplevert. Daartoe heeft zij samengevat aangevoerd dat zij alleen haar persoonlijke eigendommen – dictaten van de studie Diergeneeskunde – en op het verzoek van het Hoofd diens persoonlijke veterinaire medicijnen heeft meegenomen. Deze goederen waren volgens appellante niet van belang voor het onderzoek door FC. De reden voor het verwijderen van de persoonlijke goederen was dat zij op 28 juli 2023 te horen had gekregen dat bij haar een ernstige ziekte was geconstateerd en verwachtte de komende periode, vanwege een te volgen behandeltraject, arbeidsongeschikt te zijn en niet op kantoor te komen. Zij hechtte er daardoor aan haar persoonlijke spullen over te brengen van de Veterinaire Dienst naar haar huis. Voor zover al sprake zou zijn van plichtsverzuim, hetgeen appellante betwist, stelt zij zich op het standpunt dat de door de Regering opgelegde disciplinaire straf van ontslag in de gegeven omstandigheden disproportioneel is.


Hoe oordeelt de Raad?


4. De Raad bespreekt eerst de omvang van het geding. Vervolgens behandelt de Raad achtereenvolgens de vraag of het disciplinair ontslag kan worden gerechtvaardigd door het laten inslapen van de honden dan wel door het verwijderen van de goederen uit het kantoor van de Veterinaire Dienst.


Omvang van het geding




4.1.
De Raad stelt eerst vast welke ontslaggronden in hoger beroep ter beoordeling voorliggen.



4.2.
De Regering heeft aan het disciplinaire ontslag van appellante de vier in 1.8 weergegeven ontslaggronden ten grondslag gelegd.



4.3.
Het Gerecht heeft geoordeeld dat de ontslaggronden genoemd onder 1 en 2, te
weten het laten inslapen van de honden en het meenemen van stukken uit het kantoor van de Veterinaire Dienst het ontslag kunnen dragen. De ontslaggronden onder 3 en 4, te weten het niet melden van de nevenwerkzaamheden van het Hoofd en het niet hervatten van de werkzaamheden na de schorsing, kunnen het ontslag volgens het Gerecht niet dragen.



4.4.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht. In haar beroepschrift heeft zij uitsluitend gronden aangevoerd tegen het oordeel dat ziet op de ontslaggronden 1 en 2 hierboven. De Regering heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht.



4.5.
In de contramemorie heeft de Regering gesteld dat het ontslagbesluit volledig ter beoordeling voorligt, waaronder de ontslaggrond 3 hierboven, over het niet melden van nevenwerkzaamheden van het Hoofd. De Raad volgt dit standpunt niet en overweegt als volgt.


4.5.1.
Conform artikel 97 en 104 van de RAr beoordeelt de Raad in hoger beroep uitsluitend de gronden die in het beroepschrift zijn aangevoerd. Tegen het oordeel van het Gerecht over ontslaggrond 3 hierboven is door appellante noch door de Regering hoger beroep ingesteld.



4.5.2.
Indien de Regering het oordeel van het Gerecht over ontslaggrond 3 aan de Raad van Beroep ter beoordeling had willen voorleggen, dan had zij zelf hoger beroep moeten instellen. Nu dit is nagelaten, ligt ontslaggrond 3 in hoger beroep niet ter beoordeling voor.




4.6.
De Raad beperkt zijn beoordeling daarom tot de gronden die in hoger beroep wel zijn aangevoerd, namelijk over het laten inslapen van de honden en het verwijderen van de goederen.



4.7.
De toepasselijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.


Laten inslapen van de honden


5. De eerste vraag die voorligt is of appellante door de honden in te laten slapen plichtsverzuim heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, van de Lma. De Regering verwijt appellante in dit verband dat zij heeft gehandeld in strijd met de wet, intern beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verbod op misbruik van bevoegdheid. De Raad behandelt deze verwijten hieronder achtereenvolgens.

a. Handelen in strijd met de LIKD?



6.1.
Op grond van artikel 1, eerste lid, onder a en artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening invoer kleine dieren (LIKD) dienden de honden bij aankomst in Curaçao te beschikken over een geldige gezondheidsverklaring en een geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës. In geschil is allereerst of de overgelegde gezondheidsverklaring aan deze eisen voldeed. De Raad oordeelt dat dit niet het geval is. Appellante heeft toegelicht dat de Veterinaire Dienst op dit punt aansluit bij de internationale richtlijnen van de World Organization for Animal Health (WOAH), waarnaar overigens ook in het uitvoeringsvoorschrift van 26 april 2022 van de Veterinaire Dienst wordt verwezen. Deze richtlijnen, vastgelegd in de WOAH Terrestrial Animal Health Code, worden regelmatig geüpdatet en schrijven voor dat een gezondheidsverklaring, inclusief vaccinatiegegevens, gecertificeerd moet zijn door de veterinaire autoriteit van het land van herkomst (een overheidsinstantie). Appellante heeft op de zitting, aan de hand van de dossierstukken, toegelicht waaraan een geldige gezondheidsverklaring moet voldoen. Zij heeft daarbij aangegeven welke bevoegde autoriteit de verklaring dient te certificeren en welke stempels op het vaccinatiebewijs vereist zijn. Ook heeft zij toegelicht dat en waarom de gezondheidsverklaring van de honden niet aan deze vereisten voldoet. De door de (vermeende) eigenaren overgelegde verklaring is afgegeven door een lid van het Colegio Dominicano de Medicos Veterinarios (een lokale beroepsorganisatie), en niet gecertificeerd door de bevoegde veterinaire autoriteit van de Dominicaanse Republiek, de Direccion General de Ganaderia. Daarom is niet voldaan aan de internationale normen die de Veterinaire Dienst van Curaçao hanteert. Dit is door de Regering vervolgens onvoldoende weersproken. De Raad volgt het betoog van appellante op dit punt en is van oordeel dat de honden bij aankomst in Curaçao niet beschikten over een geldige gezondheidsverklaring. Dit betekent dat de (vermeende) eigenaren hebben gehandeld in strijd met het verbod op invoer van kleine dieren als neergelegd in artikel 2 van de LIKD.



6.2.
Volgens artikel 3, eerste lid, van de LIKD hadden de honden, wegens het ontbreken van een geldige gezondheidsverklaring, onmiddellijk in quarantaine moeten worden geplaatst en bij eerste gelegenheid moeten worden terug- of doorgevoerd. In dit verband heeft appellante toegelicht dat op Curaçao geen adequate en veilige quarantaineruimte voor honden, die potentieel besmet zijn met rabiës, beschikbaar is. De bestaande faciliteiten op het vliegveld Hato, op het terrein van de Veterinaire Dienst en in de Klinika Veterinaria Parera voldoen niet aan de strenge eisen die aan quarantaine voor rabiësverdachte dieren worden gesteld. Een dergelijke quarantainefaciliteit vereist namelijk een volledig afgesloten ruimte die ontoegankelijk is voor andere dieren, waaronder kleine knaagdieren zoals ratten en muizen, ter voorkoming van verspreiding van de ziekte. De Regering heeft dit alles niet, althans onvoldoende, betwist. De Raad stelt gelet hierop vast dat geen geschikte quarantainemogelijkheid aanwezig was op Curaçao, waardoor de honden niet op Curaçao konden blijven. Gelet hierop zag appellante zich geconfronteerd met een situatie waarin, bij gebreke van quarantainefaciliteiten voor rabiësverdachte dieren, op grond van de LIKD uitsluitend de opties van terug- of doorvoer dan wel het laten inslapen resteerden.



6.3.
Anders dan de Regering heeft gesteld, is de Raad van oordeel dat het feit dat er op Curaçao geen geschikte quarantainemogelijkheid aanwezig is, niet aan appellante, als Waarnemend Hoofd, valt te verwijten. Het is de minister van GMN die verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van de voor quarantaine benodigde middelen. Appellante heeft toegelicht van het Hoofd te hebben begrepen dat het tekort hieraan in bijeenkomsten met onder meer de minister van GMN herhaaldelijk aan de orde is gesteld, zonder resultaat. Nergens blijkt uit dat van hogerhand aan het Hoofd en/of Waarnemend Hoofd van de Veterinaire Dienst is verzocht zorg te dragen voor een geschikte quarantainefaciliteit voor rabiësverdachte dieren. Evenmin is gebleken dat dit tot het takenpakket van appellante behoorde.



6.4.
De Raad stelt voorop dat, indien quarantaine feitelijk onmogelijk is, zoals hier het geval is, geen (minimum)termijn voor quarantaine geldt. De in artikel 3, derde lid, van de LIKD genoemde maximale termijn van veertien dagen impliceert namelijk geen verplichting tot het hanteren van een minimale quarantaineperiode. Dat betekent dat, als quarantaine geen optie is, ook geen quarantainetermijn geldt.



6.5.
De Raad stelt op grond van de dossierstukken vast dat de (vermeende) eigenaren van de honden aan de douanebeambten hebben laten weten de honden niet te willen laten terugvoeren naar de Dominicaanse Republiek. De optie van doorvoer is niet ter sprake gekomen. Hieruit volgt dat voor appellante op grond van artikel 3, derde lid, van de LIKD slechts de mogelijkheid resteerde om de honden te laten inslapen.



6.6.
Het laten inslapen van dieren is een ingrijpende maatregel, die niet lichtvaardig mag worden genomen. Het betreft een bevoegdheid, wat betekent dat aan die maatregel een belangenafweging vooraf dient te gaan. Verder dient het middel (het laten inslapen) niet onevenredig te zijn aan het doel (dier- en volksgezondheid en het voorkomen van de verspreiding van infectieziekten op Curaçao). De Raad oordeelt dat appellante, in de gegeven omstandigheden, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het laten inslapen van de honden. De Raad overweegt daartoe als volgt.


6.6.1.
Appellante heeft toegelicht rekening te hebben gehouden met de belangen van de (vermeende) eigenaren, de veiligheid van het personeel van de Veterinaire Dienst – in het licht van het ontbreken van geschikte faciliteiten voor rabiësverdachte dieren waardoor quarantaine slechts tijdelijk, onder onveilige omstandigheden, in een personeelsruimte kon plaatsvinden – en met de dier- en volksgezondheid in het algemeen. De Raad is van oordeel dat appellante in dit kader terecht van doorslaggevend belang heeft geacht dat rabiës (nog) niet voorkomt op Curaçao en dat het niet op veilige wijze in quarantaine laten verblijven van potentieel besmette dieren uit een hoogrisicoland als de Dominicaanse Republiek een reëel risico op introductie en verspreiding van de ziekte met zich brengt. Daarbij is relevant dat rabiës overdraagbaar is via onder meer bijten, krabben en likken en zich, via andere dieren, snel kan verspreiden. Gelet op de, verder onweersproken, potentieel verstrekkende gevolgen van een verspreiding, waaronder het noodzakelijk laten inslapen van grote aantallen huisdieren, wilde dieren (waaronder het grote aantal zwerfhonden op Curaçao) en vee op het eiland en potentiële besmettingen van mensen, met de dood tot gevolg, was dit in de gegeven omstandigheden een niet onredelijke afweging. Daarbij betrekt de Raad dat uit (artikel 5a van de) Slacht- en keuringsverordening 1933 volgt dat de invoer van dieren welke dragers kunnen zijn van smetstof, zoals rabiës, moet worden voorkomen en dat dit (mede) de taak is van de Veterinaire Dienst om hierop toe te zien.



6.6.2.
Dat de honden geen zichtbare tekenen van ziekte, zwakte of gebrek vertoonden, doet – anders dan de Regering stelt – aan het voorgaande niet af. Appellante heeft toegelicht dat uit wetenschappelijk onderzoek, verricht na de invoering van de LIKD in 1952, blijkt dat een rabiësinfectie niet klinisch herkenbaar is in een vroeg stadium. Dit is door de Regering niet betwist. Dat appellante het ontbreken van ziekteverschijnselen bij de belangenafweging had moeten betrekken, is reeds hierom niet verdedigbaar.




6.7.
De Regering heeft verder nog gewezen op de mogelijkheid om de honden te vaccineren in plaats van in quarantaine te stellen of in te laten slapen, zoals artikel 6 van de LIKD voorschrijft. Ook dit betoog gaat niet op. Voor zover appellante, als deskundige, bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 6 van de LIKD, kan haar niet worden verweten dat zij de honden niet heeft gevaccineerd tegen rabiës. Ter zitting heeft appellante overtuigend en gemotiveerd toegelicht dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat vaccinatie uitsluitend effectief is bij dieren die niet met rabiës zijn besmet, en dat een vaccinatie geen werking heeft na besmetting. Detectie van rabiës kan daarnaast niet via een test worden vastgesteld, en vereist in de praktijk langdurige observatie, die maanden kan beslaan. Dit betekent dat, zelfs als wel een geschikte quarantainefaciliteit beschikbaar zou zijn geweest, vaccinatie (na observatie) geen reële of uitvoerbare maatregel zou zijn geweest. Het voorgaande wordt bevestigd in verschillende door appellante overgelegde stukken van de World Health Organization en is door de Regering onvoldoende betwist. Als gevolg van actuele ‘maatstaven van wetenschap en praktijk’ biedt artikel 6 van de LIKD voor situaties als hier aan de orde geen alternatief meer. De Raad concludeert daarom dat appellante ook in zoverre niet in strijd heeft gehandeld met de LIKD.

b. Handelen in strijd met de Landsverordening dierenwelzijn?



7.1.
De Regering heeft voorts aangevoerd dat appellante in strijd heeft gehandeld met artikel 2 van de Landsverordening dierenwelzijn (Ld). Op grond hiervan had appellante zich volgens de Regering tot het uiterste moeten inspannen om eerst minder ingrijpende oplossingen toe te passen, voordat uiteindelijk eventueel tot het laten inslapen van de honden zou zijn overgegaan.



7.2.
De Raad overweegt dat het feit dat honden intrinsieke waarden hebben, zoals is bepaald in artikel 2 en 42 van de Ld, niet maakt dat appellante de honden in dit geval niet heeft mogen laten inslapen. Zij was daartoe als dierenarts bevoegd en heeft in overeenstemming gehandeld met de LIKD.



7.3.
De Raad komt aan de vraag of appellante in strijd heeft gehandeld met artikel 42 van de Ld (waarmee artikel 2:335 van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd) niet toe. Het is niet aan de bestuursrechter te bepalen of is gehandeld in strijd met genoemde strafbepaling, dat is aan de strafrechter. Van vervolging en een daarop volgende veroordeling door de strafrechter wegens het laten inslapen van de honden is niet gebleken. De Raad acht het, gelet op het voorgaande en omdat niet is gebleken van een strafrechtelijk onderzoek naar appellante’s handelen, ook onwaarschijnlijk dat dat nog zal gebeuren.

c. Handelen in strijd met (intern) beleid?



8.1.
De Regering heeft er nog op gewezen dat appellante zou hebben gehandeld in strijd met intern beleid, namelijk de Werkinstructie Quarantaine Dieren van de Veterinaire Dienst (de werkinstructie). Volgens de Regering legt dit interne beleid quarantaine als primaire verplichting op voor dieren die niet aan de invoereisen voldoen.



8.2.
De Raad volgt de Regering hierin niet. De werkinstructie, opgesteld door appellante, is bedoeld voor medewerkers belast met de controle van ingevoerde dieren en/of het beheer van quarantainefaciliteiten. De werkinstructie gaat uit van de mogelijkheid tot quarantaine in verband met terug- of doorvoer. Indien feitelijk de mogelijkheid tot quarantaine ontbreekt, zoals hier het geval is, biedt de werkinstructie geen beleidskader voor de vraag hoe te handelen. De werkinstructie ziet dus niet op het handelen door artsen van de Veterinaire Dienst bij de beslissing of een dier wel of niet in quarantaine moet worden genomen en op het laten inslapen van dieren. Reeds daarom volgt de Raad niet het standpunt van de Regering dat appellante in strijd met de werkinstructie heeft gehandeld.

d. Handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?



9.1.
De Regering verwijt appellante ook dat zij in strijd heeft gehandeld met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheid. Meer specifiek zou appellante ten onrechte hebben nagelaten haar beslissing de honden te laten inslapen op schrift te stellen. Ook zou zij hebben verzuimd die beslissing aan de (vermeende) eigenaren van honden mee te delen voorafgaand aan het inslapen van de honden.


9.2.
De Raad volgt de Regering hierin niet. Ten aanzien van de communicatie over de beslissing van appellante richting de (vermeende) eigenaren van de honden stelt de Raad vast dat deze inderdaad niet vlekkeloos is verlopen. Gezien de zich in het dossier aanwezige wisselende verklaringen van betrokkenen over dat wat met de eigenaren is gecommuniceerd, is het de Raad niet geheel duidelijk in hoeverre de (vermeende) eigenaren op de hoogte waren, of hadden moeten zijn, dat hun beslissing om de honden niet te laten terugvoeren naar de Dominicaanse Republiek tot gevolg zou hebben dat appellante de honden zou laten inslapen. Wel staat vast dat de beslissing tot het laten inslapen binnen enkele uren is genomen en dat het contact hierover met de eigenaren niet rechtstreeks via appellante verliep, maar via de douanebeambten en/of een keurmeester. Dit heeft mogelijk misverstanden veroorzaakt over de (beperkte) keuzemogelijkheden van de (vermeende) eigenaren en de gevolgen daarvan. Deze eventuele miscommunicatie maakt echter niet dat appellante in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Daarbij betrekt de Raad dat spoedig handelen in een situatie met rabiësverdachte dieren noodzakelijk is, zoals in dit geval. Dit kan ten koste gaan van een optimale communicatie richting de (vermeende) eigenaren van de dieren. Bij het oordeel dat appellante niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel betrekt de Raad verder dat appellante voorafgaand aan haar beslissing op 25 juni 2023 om de honden te laten inslapen hierover telefonisch overleg heeft gehad met het Hoofd van de Veterinaire Dienst, die op die dag eindverantwoordelijk was, en hij met die beslissing kon instemmen. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat appellante bij het nemen van de beslissing om de diren te laten inslapen misbruik van haar bevoegdheid als veterinair arts heeft gemaakt. Dit volgt reeds uit het hiervoor gegeven oordeel dat appellante haar beslissing om de honden te laten inslapen heeft genomen na een belangenafweging die de rechterlijke toets kan doorstaan.


9.3.
De Raad acht voorts van belang dat de (vermeende) eigenaren hebben bijgedragen aan de ontstane situatie. Van hen mocht worden verwacht dat zij zich voorafgaand aan de invoer lieten informeren over de geldende eisen voor invoer van honden vanuit het de Dominicaanse Republiek naar Curaçao, vooral omdat algemeen bekend is dat de Dominicaanse Republiek een rabiësrisicogebied is. Op de website van de douane wordt aangeraden om voorafgaande aan de invoer contact op te nemen met de Veterinaire Dienst. De (vermeende) eigenaren hebben dit nagelaten, althans niet is gebleken van een verklaring (‘akkoord’) van de Veterinaire Dienst voor de invoer van de honden, die aan de douane kan worden getoond bij aankomst op Hato. Verder beschikten zij bij aankomst van de honden op Hato niet over de vereiste verklaringen. Ook is van belang dat de (vermeende) eigenaren hebben aangegeven de honden niet te willen laten terugvoeren. Hierdoor moesten zij rekening houden met de opties van quarantaine en het doen inslapen van de honden. De Raad begrijpt dat de uiteindelijke beslissing om de honden te laten inslapen voor de (vermeende) eigenaren ingrijpend is. Dat het zover is gekomen, is echter mede het gevolg van een onvoldoende voorbereiding door de (vermeende) eigenaren bij de invoer van de dieren.


Conclusie over het inslapen van de honden


10. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat wat betreft het laten inslapen van de honden geen sprake is van plichtsverzuim in de zin van artikel 45, eerste lid, van de Lma. Appellante heeft gehandeld binnen de geldende wettelijke kaders en heeft, onder de gegeven omstandigheden, een niet onbehoorlijke of on redelijke belangenafweging gemaakt en beslissing genomen, die niet in strijd is met de wettelijke voorschriften, het beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee evenmin met wat van een goed ambtenaar mag worden verwacht. Dat betekent dat in zoverre de grondslag voor het opleggen van een disciplinaire straf op grond van artikel 88, eerste lid, van de Lma ontbreekt.


Verwijderen van goederen uit kantoor Veterinaire Dienst


11. De tweede vraag die voorligt is of appellante door het meenemen van een aantal goederen uit het kantoor van de Veterinaire Dienst plichtsverzuim heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, van de Lma. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, maar acht de aard en omvang van het plichtsverzuim onvoldoende zwaarwegend om het gegeven disciplinair ontslag te rechtvaardigen. De Raad overweegt hiertoe als volgt.



11.1.
Onbetwist staat vast dat appellante op 28 en 29 juli 2023 een aantal goederen heeft meegenomen uit het kantoor van de Veterinaire Dienst. Appellante heeft toegelicht dat het ging om haar studiemateriaal (dictaten van de studie Diergeneeskunde) en de persoonlijke veterinaire medicijnen van het Hoofd van Dienst, dat wegens een toegangsontzegging het kantoor niet meer mocht betreden. De Regering heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante andere, aan de Veterinaire Dienst toebehorende, goederen heeft meegenomen of dat zij hierdoor bewijsmateriaal heeft vernietigd. De Raad gaat er daarom vanuit dat appellante uitsluitend de door haar genoemde spullen heeft meegenomen.



11.2.
De Raad is van oordeel dat het meenemen van de persoonlijke eigendommen van appellante niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Appellante was op 28 en 29 juli 2023 gerechtigd haar werkplek te betreden. Ze had geen toegangsontzegging en was toen (nog) niet geschorst. Ze had, anders dan de Regering heeft betoogd, ook geen toestemming nodig van de Secretaris-Generaal om haar persoonlijke eigendommen mee te nemen.



11.3.
Dit is anders bij het meenemen van de medicijnen door appellante. De Raad is van oordeel dat het meenemen van de veterinaire medicijnen van het Hoofd wel plichtsverzuim oplevert. Appellante was ermee bekend dat het Hoofd de toegang tot het kantoor van de Veterinaire Dienst was ontzegd in verband met het lopende onderzoek door FC. Dat onderzoek had (mede) betrekking op de vraag of het Hoofd een ongeoorloofde nevenbetrekking had door vanuit de Veterinaire Dienst ook diensten en medicijnen te leveren aan veehouders. Gelet op het mogelijke belang van de op het kantoor van de Veterinaire Dienst aanwezige medicijnen voor dat onderzoek, had zij geen gehoor mogen geven aan het verzoek van het Hoofd aan appellante om “zijn” medicijnen mee te nemen, althans niet zonder voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag. Niet is gebleken dat appellante die toestemming geeft gevraagd of verkregen. Door zonder die toestemming de medicijnen mee te nemen, heeft appellante niet integer gehandeld. Zij heeft op dat moment het privé-belang van haar collega zwaarder laten wegen dan het dienstbelang en zich daardoor niet gedragen als een goed ambtenaar betaamt.





Tussenconclusie over het verwijderen van goederen




11.4.
De Regering heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van plichtsverzuim voor zover appellante de medicijnen van het Hoofd heeft meegenomen. Dat dit plichtsverzuim niet aan appellante kan worden toegerekend, is niet gebleken.



11.5.
De Raad acht het opgelegde disciplinaire ontslag evenwel disproportioneel in relatie tot de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. Daarbij neemt de Raad allereerst in aanmerking dat appellante als veterinair arts een onberispelijke staat van dienst heeft. Verder is van belang dat niet is gebleken dat appellante goederen van de Veterinaire Dienst heeft ontvreemd of het onderzoek doelbewust heeft gefrustreerd. Daarnaast weegt mee dat 28 juli 2023 voor appellante een belastende dag was, omdat zij op die dag te horen kreeg dat haar benoeming als Waarnemend Hoofd werd ingetrokken en bij haar een ernstige ziekte was vastgesteld. Deze omstandigheden bieden een aannemelijke verklaring voor het feit dat zij die vrijdag en/of zaterdag impulsief en zonder de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat, als het geconstateerde plichtsverzuim al voldoende grondslag biedt voor het opleggen van een disciplinaire straf, uitsluitend een minder zware disciplinaire maatregel, zoals bijvoorbeeld een berisping, de rechterlijke toets kan doorstaan.


Tussenconclusie


12. Het hoger beroep van appellante slaagt. Het Gerecht heeft het bezwaar van appellante ten onrechte ongegrond verklaard. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen. Daarmee is de procedure echter niet afgerond. Het ontslagbesluit bevat immers een subsidiaire ontslaggrond, functionele ongeschiktheid, waarover het Gerecht zich niet heeft uitgelaten. Mede om redenen van finale geschilbeslechting zal de Raad het bezwaar tegen het ontslagbesluit hierover zelf bespreken.


Ontslag wegens functionele ongeschiktheid


13. In het ontslagbesluit is geen onderscheid gemaakt tussen feiten en omstandigheden die reden waren appellante enerzijds disciplinair te ontslaan en anderzijds te oordelen dat zij functioneel ongeschikt is voor haar functie als veterinair arts. In het ontslagbesluit heeft de Regering vermeld dat het vertrouwen in appellante volledig is verdwenen, dat ernstig wordt getwijfeld aan haar integriteit en dat zij niet over de eigenschappen, mentaliteit en instelling beschikt voor het op goede wijze vervullen van haar functie.



13.1.
De Raad stelt vast dat de Regering niet heeft betoogd dat appellante haar vak als veterinair arts niet verstaat en onbekwaam is als veterinair arts. De ontslaggrond ziet op haar ongeschiktheid als ambtenaar. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen is er geen aanleiding te oordelen dat appellante niet over de eigenschappen, mentaliteit en instelling beschikt voor het op goede wijze vervullen van haar functie als ambtenaar en veterinair arts. Het laten inslapen van de honden kan daaraan niet ten grondslag worden gelegd. Dat geldt ook voor het meenemen van haar persoonlijke eigendommen. Het geconstateerde plichtsverzuim van het meenemen van de medicijnen is verwijtbaar, maar dit enkele feit is onvoldoende om te kunnen oordelen dat in algemene zin ernstig moet worden getwijfeld aan een integere functievervulling door appellante. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de Regering zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat appellante functioneel ongeschikt is voor de uitoefening van haar functie en om die reden moet worden ontslagen.



13.2.
Dit betekent dat de Regering niet bevoegd was om appellante vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie te ontslaan.


Eindconclusie

14. Gelet op het voorgaande zal de Raad het bezwaar van appellante gegrond verklaren en het ontslagbesluit vernietigen.


Hoe verder?

15. Uit onderstaande beslissing volgt dat de rechtspositie van appellante moet worden hersteld. Appellante heeft ter zitting aangegeven momenteel geen vast werk te hebben en haar werkzaamheden voor het Land graag te willen hervatten. Zij realiseert zich dat werkhervatting bij de Veterinaire Dienst ingewikkeld ligt. Gelet hierop geeft de Raad partijen in overweging om zo spoedig mogelijk met elkaar in overleg te treden over de wijze van werkhervatting en de afwikkeling van aanspraken, waaronder de betaling van achterstallig loon.


Proceskosten
16. De Raad ziet aanleiding de Regering te veroordelen in de proceskosten van Appellante in zowel het bezwaar als in hoger beroep, tot een totaalbedrag van Cg. 2.800.-, (1 punt voor indienen van bezwaarschrift en het beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting bij het Gerecht en de Raad, met een waarde per punt van Cg. 700,- en wegingsfactor 1) te betalen door de Regering aan appellante.




Beslissing

De Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het bezwaar van Appellante gegrond; - vernietigt het ontslagbesluit van 13 december 2024;
- veroordeelt de Regering in de kosten van appellante tot een bedrag van Cg. 2.800,-.

Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. M.A. Evertsz en mr. J. Sybesma, leden, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.F.G. Maes, griffier.



BIJLAGE bij de uitspraak in de zaak met nummer: CUR2025H00136



Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht


Artikel 45

1. De ambtenaar is gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.
(…)


Artikel 88

1. De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt, of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.
2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
(…)


Artikel 89

1. De disciplinaire straffen, welke kunnen worden toegepast zijn:

a. schriftelijke berisping;


h. schorsing voor een bepaalde tijd met inhouding, geheel of gedeeltelijk van inkomen;


i. ontslag.

(…)


Artikel 103

1. Buiten de gevallen, hier voren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, kan de ambtenaar slechts worden ontslagen op grond van:
(…)

f. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;

(…)



Landsverordening Invoer Kleine Dieren 1952


Artikel 1

1. Onder kleine dieren wordt in deze landsverordening verstaan de tot de hierna genoemde biologische indeling behorende dieren:

a. de hond (canis domesticus)

(…)


Artikel 2

1. Het is verboden kleine dieren in Curaçao in te voeren zonder een geldige gezondheidsverklaring.
2. Een geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës is bovendien vereist voor het invoeren of doorvoeren van de onder a., b. en e. van artikel 1 genoemde diersoorten.
(…)
4. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen nadere voorschriften worden gegeven waaraan bij de invoer of doorvoer van de in artikel 1 genoemde diersoorten moet worden voldaan.


Artikel 3

1. Indien niet aan de in of krachtens artikel 2 gestelde voorwaarden is voldaan, moet het betrokken dier onmiddellijk in quarantaine worden gesteld. In dat geval is de vervoerder die het dier heeft aangebracht, verplicht dit per eerstvolgende gelegenheid terug of door te voeren.
(…)
3. De quarantaine kan ten hoogste veertien dagen duren. Na het eindigen van de quarantaine-tijd kan het dier worden afgemaakt.


Artikel 6


Indien geen geldig bewijs van vaccinatie tegen rabiës aanwezig is, kan de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur of de door deze aan te wijzen deskundige, hierbij geleid door maatstaven aangegeven door wetenschap en praktijk, het dier doen vaccineren op kosten van de vervoerder. In een dergelijk geval vindt, tenzij de minister zulks wel noodzakelijk acht, het bepaalde in artikel 3, eerste lid, tweede zin, geen toepassing, ook indien niet is voldaan aan de overige door of krachtens artikel 2 gestelde voorwaarden.




Landsverordening dierenwelzijn


Artikel 2


Intrensieke waarde


1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
(…)


Artikel 42


Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:



A Artikel 2:335 komt te luiden:



Artikel 2:335

1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

a. hij die, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk een dier pijn doet, letsel bij een dier veroorzaakt of de gezondheid van een dier benadeelt; (…)




Slacht- en keuringsverordening 1933


Artikel 5A


Onverminderd het bepaalde in artikel 97, letter C van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 (P.B. 1949, no. 62) en in de Landsverordening invoer kleine dieren 1952 (P.B. 1952, no. 123), en onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5 1ste lid kan bij of krachtens beschikking van de Minister van Volksgezondheid tot wering van enige besmettelijke veeziekte de in- en doorvoer worden verboden of niet dan onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan van:



a. vee, vlees, eieren, melk en melkproducten, huiden en aanhangsels van huiden en andere van vee afkomstige producten, mest en veevoeder;


b. andere voorwerpen of dieren welke dragers van smetstof kunnen zijn.
Link naar deze uitspraak