Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2018:405 
 
Datum uitspraak:15-01-2018
Datum gepubliceerd:15-07-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:CV 17-6919
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Overgang van onderneming, aanbieden pensioenregeling.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis


RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 5816893 CV EXPL 17-6919
vonnis van: 15 januari 2018
fno.: 34987



vonnis van de kantonrechter


I n z a k e



[eiser]


wonende te [woonplaats]
eiser
nader ook te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. J. Ipenburg

t e g e n

1. de stichting

Stichting Exploitatie Serviceflat De Drecht

gevestigd te Neerijnen
nader ook te noemen: SES De Drecht
2. de stichting

Stichting Dienstverlening Serviceflats

gevestigd te Neerijnen
nader ook te noemen: SDS
gedaagden
gemachtigde: voorheen mr. S.F.H. Jellinghaus, thans mr. S.J.A. Jansen



VERLOOP VAN DE PROCEDURE


Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- dagvaarding van 2 maart 2017 (met producties 1 tot en met 23);- conclusie van antwoord van beide gedaagden;- instructievonnis van 12 juni 2017;- dagbepaling comparitie;
- akte houdende wijziging van eis aan de zijde van [eiser] (met producties 24 tot en met 36);
- nadere producties A tot en met J aan de zijde van [eiser] ;
- akte houdende reactie op eiswijziging aan de zijde van gedaagden (met productie).

De comparitie heeft plaatsgevonden op 13 november 2017. [eiser] is verschenen, vergezeld door mr. Ipenburg. Voor SES De Drecht is verschenen de heer [naam medewerker 1] en voor SDS is verschenen de heer [naam medewerker 2] , beiden vergezeld door mr. Jansen. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van de door hun gemachtigden overgelegde pleitaantekeningen. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Daarna is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.



GRONDEN VAN DE BESLISSING





1Feiten


1.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1952, is op 1 februari 1994 als receptionist in dienst getreden van Stichting Cordaan Thuiszorg, gevestigd te Amsterdam (hierna te noemen: Cordaan). De werkzaamheden werden verricht in Wooncentrum De Drecht, een wooncentrum voor ouderen te Amsterdam, waarvan de eigenaar, Woningstichting Stadgenoot (hierna: Stadgenoot), de verzorging van receptiediensten en alarmopvolging aan Cordaan had opgedragen.



1.2.
In de op 12 februari 2010 getekende arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Cordaan is in artikel 10 bepaald: ‘Op deze overeenkomst is van toepassing de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (verder te noemen CAO-VVT), zoals deze is vastgesteld, respectievelijk gedurende deze arbeidsovereenkomst zal worden gewijzigd. Deze CAO-VVT vormt één geheel met deze arbeidsovereenkomst (-).’ Artikel 12 van de genoemde arbeidsovereenkomst bepaalt: ‘De werknemer is op grond van zijn (collectieve) arbeidsovereenkomst met de werkgever verplicht deelnemer in de pensioenregeling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. De pensioenregeling van Pensioenfonds Zorg en Welzijn is vastgelegd in het Pensioenreglement van Pensioenfonds Zorg en Welzijn (-).’



1.3.
In de cao-VVT, die heeft gegolden van 1 maart 2010 tot 1 maart 2012, is in artikel 3.1.14 bepaald: 1. De rechten en de verplichtingen van de werkgever en de werknemer, betrekking hebbend op de voor de werknemer geldende pensioenregeling, daaronder begrepen de regeling inzake de vaststelling van de hoogte van de jaarlijkse premie, worden geregeld in de bepalingen van het pensioenreglement van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, c.q. in een in het kader van dit pensioenfonds goedgekeurde regeling.

2. De werkgever verhaalt een deel van de aan het Pensioenfonds Zorg en Welzijn af te dragen premie op de werknemers door toepassing van een jaarlijks door partijen bij deze CAO vast te stellen berekeningsformule. Deze formule wordt zodanig vastgesteld, dat, gebaseerd op een jaarlijkse opgave van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn van de totale


premielasten verbonden aan de deelnemers in het Pensioenfonds Zorg en Welzijn van de branche Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (-) 50% van deze aan het Pensioenfonds Zorg en Welzijn af te dragen premies op de werknemers wordt verhaald.’

Eenzelfde bepaling heeft ook vanaf 1 maart 2012 deel uitgemaakt van de cao-VVT. Als verplicht bij het Pensioenfonds Zorg & Welzijn (hierna: PFZW) aangesloten zorginstelling in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000), heeft Cordaan [eiser] aangemeld als deelnemer in dat pensioenfonds. [eiser] heeft als werknemer van Cordaan bij PFZW pensioen opgebouwd.



1.4.
In de loop van 2011 heeft Stadgenoot de overeenkomst van opdracht met Cordaan beëindigd, omdat zij de dienstverlening ten behoeve van Wooncentrum De Drecht aan een ander wilde opdragen. Stadgenoot heeft aansluitend, met ingang van 1 maart 2012, de tot dan toe door Cordaan in Wooncentrum De Drecht verleende diensten opgedragen aan SDS. In de tussen Stadgenoot en SDS op 27 februari 2012 gesloten overeenkomst heeft SDS, vertegenwoordigd door de heer [naam medewerker 2] voornoemd, voorzitter van de Raad van Bestuur van SDS, zich jegens Stadgenoot verplicht om met ingang van 1 maart 2012 in Wooncentrum De Drecht onder meer de receptie- en alarmeringsdiensten te doen verrichten. In artikel 10 van deze overeenkomst is bepaald dat SDS de kosten die zijn verbonden aan het leveren van de bedongen diensten, bij Stadgenoot in rekening brengt en dat Stadgenoot de daarop betrekking hebbende facturen van SDS aan haar zal voldoen.



1.5.
Inmiddels was op 13 december 2011 SES De Drecht ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Deze stichting is op initiatief van SDS opgericht om daarin de van Cordaan overgenomen werkzaamheden voor Wooncentrum De Drecht onder te brengen. Als bestuurders van SES De Drecht treden op de heren [naam medewerker 2] (voorzitter) en [naam medewerker 1] (secretaris/penningmeester) voornoemd. SES De Drecht en SDS zijn gevestigd op hetzelfde adres.



1.6.
Op 31 januari 2012 heeft Cordaan de betrokken werknemers, onder wie [eiser] , geïnformeerd over de overgang van de receptie- en alarmeringsdiensten in Wooncentrum De Drecht per 1 maart 2012. Bij brief van 16 februari 2012 heeft Cordaan aan onder meer [eiser] meegedeeld dat de overgang meebrengt dat SDS het betrokken personeel moet overnemen, dat de arbeidsovereenkomst tussen Cordaan en [eiser] van rechtswege op 1 maart 2012 eindigt en dat Cordaan, naast SDS, nog een jaar hoofdelijk verbonden is voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst die zijn ontstaan vóór de overgang naar SDS. Aangekondigd werd dat SDS op korte termijn een kennismakingsgesprek met [eiser] zou hebben en dat Cordaan daarna zijn personeelsdossier zou overdragen.



1.7.
Bij brief van 13 februari 2012 heeft mevrouw [receptie coördinator] , als receptiecoördinator voor Wooncentrum De Drecht in dienst van SDS, [eiser] namens SES De Drecht uitgenodigd voor een gesprek op 20 februari 2012. Uit die brief: ‘Stichting Exploitatie de “Drecht” heeft uw dienstverband met Cordaan één op één overgenomen met uitzondering van het pensioenreglement en uw opgebouwde verlofdagen bij Cordaan.’


1.8.
PFZW heeft [eiser] bericht dat hij per 1 maart 2012 niet langer deelnemer is in de pensioenregeling van dit pensioenfonds, omdat SES De Drecht niet een verplicht bij dit pensioenfonds aangesloten instelling is en zij zich ook niet vrijwillig bij PFZW heeft aangesloten. [eiser] kon zijn deelneming in PFZW niet zelf vrijwillig voortzetten.



1.9.
SES De Drecht heeft [eiser] met ingang van 1 maart 2012 een door [naam medewerker 2] getekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden, waarin in artikel 7 is bepaald dat ‘(d)e werkgever zal zorgdragen voor een pensioen’ en waarvan artikel 11 luidt: ‘De bepalingen van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Verpleeg-, Verzorgingshuizen & Thuiszorg 2010-2012, zoals deze luidt of za(l) komen te luiden en de daarin vastgestelde arbeidsvoorwaarden, vormen met deze arbeidsovereenkomst een geheel.’



1.10.

[eiser] heeft deze arbeidsovereenkomst - ook nadat daarin enige wijziging was gebracht - niet willen tekenen. [eiser] en SES De Drecht hebben met elkaar gecorrespondeerd over de voorgestelde tekst van artikel 7. [eiser] heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat hij er ingevolge artikel 7:662 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW) recht op heeft als deelnemer te worden aangemeld bij PFZW althans dat voor hem een gelijkwaardige pensioenregeling wordt afgesloten. Toen SES De Drecht hem erop had gewezen dat zij niet behoort tot de (zorg)instellingen die verplicht zijn aangesloten bij PFZW, heeft [eiser] haar erop geattendeerd dat zij zich vrijwillig bij dit pensioenfonds kan aansluiten. Eind oktober 2012 heeft PFZW SES De Drecht desgevraagd in de gelegenheid gesteld zich vrijwillig bij het pensioenfonds aan te sluiten, uit coulance met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2012, onder de voorwaarde dat zij al haar werknemers, die tot eenzelfde groep behoren, aansluit bij het pensioenfonds. Het aanbod gold tot 24 januari 2013. SES De Drecht heeft dat aanbod niet aanvaard. In de loop van 2014 heeft PFZW desgevraagd opnieuw aan SES De Drecht laten weten dat vrijwillige aansluiting kon plaatsvinden, maar toen nog slechts met beperkte terugwerkende kracht, en wel vanaf het begin van het lopende kalenderjaar. Ook dat heeft niet tot de aansluiting geleid.



1.11.

[eiser] is op en na 1 maart 2012 zijn werkzaamheden als receptionist in Wooncentrum De Drecht blijven verrichten, zoals hij dat ook in dienst van Cordaan heeft gedaan. Dat geldt ook voor zijn collega’s, werkzaam in dat wooncentrum. Zijn loon, laatstelijk € 1.206,46 bruto per maand (exclusief toeslagen en vakantiebijslag), kreeg [eiser] vanaf 1 maart 2012 uitbetaald door SES De Drecht. Op het bruto loon is in de loop der jaren ‘premie PFZW’, ‘Premie Ouderdomspensioen Wn’ en ‘Premie Arbeidsongeschiktheidspensioen’ ingehouden.



1.12.
In april 2016 heeft [eiser] aan PFZW verzocht om hem met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2012 als deelnemer aan de pensioenregeling van het fonds te accepteren, indien de rechter SDS veroordeelt tot betaling van de benodigde inkoopsom aan PFZW. Bij brief van 20 juni 2016 heeft PFZW hierop afwijzend beslist. Het pensioenfonds wees [eiser] erop dat zij niet de vrijheid heeft om werkgevers of deelnemers buiten de in de statuten van PFZW geregelde gevallen (van wettelijk verplichte aansluiting of na vrijwillige, contractuele aansluiting onder door PFZW te stellen voorwaarden) te accepteren. Het beleid van het fonds is dat een contractuele aansluiting maximaal één jaar terugwerkende kracht heeft. Bij uitspraak van 31 oktober 2016 heeft de Commissie van Beroep van PFZW dit bestuursbesluit van 20 juni 2016 bevestigd. Geoordeeld werd dat PFZW in redelijkheid de terugwerkende kracht van een contractuele aansluiting kan beperken, omdat het fonds niet alleen rekening moet houden met de belangen van de werknemers van de vrijwillig aan te sluiten werkgever, maar ook en vooral met die van de collectiviteit van deelnemers van het fonds.






2De vordering en het daartegen gevoerde verweer


2.1.

[eiser] vordert, na wijziging van de eis, dat gedaagden worden veroordeeld om zich binnen 30 dagen na betekening van het vonnis per 1 maart 2012 althans per 1 januari 2017 vrijwillig, contractueel, aan te sluiten bij PFZW en [eiser] als deelnemer aan te melden bij het PFZW, zulks onder het verstrekken aan [eiser] van een kopie van de aanvraag, de uitgebrachte offerte en de uiteindelijke aanvaarding van de offerte door gedaagden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven. Voorts vordert [eiser] dat gedaagden worden veroordeeld om aan hem te voldoen € 21.191,40 (zijnde 18 x
€ 1.177,30 bruto) aan pensioenschade, ontstaan in de periode van 1 maart 2012 tot 1 januari 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening. Subsidiair vordert [eiser] terugbetaling van de vanaf 1 maart 2012 tot eind 2016 op zijn loon ingehouden pensioenpremies, te vermeerderen met wettelijke verhoging en rente.

[eiser] vordert tevens dat gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 318,82 bruto aan achterstallig loon over BHV-dagen, € 900,94 bruto aan achterstallige vakantiebijslag en € 609,88 bruto aan wettelijke verhoging wegens te late betaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening. Ten slotte vordert [eiser] dat gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.



2.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW, en wel per 1 maart 2012, waarbij Cordaan de overdragende ondernemer en SDS de verkrijger is. Hierdoor zijn de rechten en verplichtingen die op 1 maart 2012 voor Cordaan voortvloeiden uit haar arbeidsovereenkomst met [eiser] van rechtswege op SDS overgegaan. Daarnaast is per 1 maart 2012 tussen [eiser] en SES De Drecht een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, waarop de cao-VVT, daaronder artikel 3.1.14 van die cao, van toepassing is verklaard. Voor zijn vordering tot betaling van achterstallige vakantiebijslag beroept [eiser] zich erop dat de vakantiebijslag ook moet worden betaald over de onregelmatigheidstoeslag.



2.3.
SES De Drecht en SDS betwisten de pensioenvordering. SDS beroept zich op de nietigheid van de dagvaarding, omdat daarin in strijd met het bepaalde in artikel 11 lid 2, aanhef en onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet de gronden van de tegen haar ingestelde vordering zijn vermeld. Ten gronde betwisten beide gedaagden dat zij jegens [eiser] gehouden zijn om zich bij PFZW aan te sluiten en ervoor zorg te dragen dat hij als deelnemer in het pensioenfonds wordt toegelaten. SDS bestrijdt dat zij als werkgever van [eiser] is aan te merken. Zij is niet betrokken bij de werkzaamheden in Wooncentrum De Drecht. Daarvoor is SES De Drecht opgericht. Ook SES De Drecht voert verweer. Zo al tussen haar en [eiser] een arbeidsovereenkomst bestaat - met [eiser] kon daarover vanwege de pensioenkwestie geen overeenstemming worden bereikt -, heeft te gelden dat tussen hen geen pensioenovereenkomst tot stand is gekomen, omdat [eiser] niet heeft ingestemd met bedoeld artikel 7 van de arbeidsovereenkomst. Maar ook op grond van het voorgestelde artikel 7 is SES De Drecht tot niet meer gehouden dan om zorg te dragen voor ‘een pensioen’, niet voor de opbouw van pensioen, laat staan voor onderbrenging van pensioen bij PFZW of het treffen van een daaraan gelijkwaardige pensioenvoorziening. Ook de cao-VVT biedt geen basis voor aansluiting bij PFZW. Artikel 3.1.14 van de cao-VVT 2010-2012 verwijst slechts naar het pensioenreglement van dat fonds. Nu SES De Drecht echter niet onder de werkingssfeer van PFZW valt, brengt die cao-bepaling voor haar niet de verplichting mee zich bij dat fonds aan te sluiten. Ook dwingt de cao niet tot het treffen van een andere pensioenvoorziening.



2.4.
Niet betwist wordt dat [eiser] recht heeft op loon over zijn BHV-dagen en dat de aan hem toekomende vakantiebijslag ook moet worden betaald over de onregelmatigheidstoeslag. Omdat [eiser] dit deel van zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, wordt betwist dat aan hem onvoldoende vakantiebijslag is voldaan. Gedaagden verweren zich tegen de gevorderde wettelijke verhoging, dringen althans aan op matiging daarvan tot nihil.






3De beoordeling van het geschil


3.1.
Alvorens aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toe te komen, dient te worden onderzocht of het preliminaire, processuele verweer van SDS slaagt. Dat is niet het geval. Het beroep op de nietigheid van het exploot van dagvaarding wordt verworpen, omdat SDS door het gestelde gebrek niet onredelijk in haar belangen is geschaad. Weliswaar laat de dagvaarding mogelijk enige onduidelijkheid bestaan over de gronden die [eiser] voor zijn tegen SDS ingestelde eis heeft willen aanvoeren, maar dat is hersteld doordat hij die gronden bij zijn eiswijziging alsnog heeft uiteengezet. Voorafgaand aan de zitting heeft SDS de gelegenheid gehad daarop te reageren en van die gelegenheid heeft zij bij haar antwoordakte ook gebruik gemaakt.



3.2.
De kantonrechter komt toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door [eiser] ingestelde vorderingen. Deze hebben betrekking op zijn pensioenopbouw en op zijn loon c.a. Op deze onderdelen wordt hierna, achtereenvolgend, ingegaan.



3.3.
Bij de beoordeling van de pensioenkwestie die partijen verdeeld houdt, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat per 1 maart 2012 sprake is geweest van een overgang van (een onderdeel van de) onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Gedaagden hebben weliswaar betwist dat van een dergelijke overgang sprake is, maar zij hebben niet weersproken dat de receptie- en alarmeringsdiensten die Cordaan voorafgaand aan 1 maart 2012 in opdracht van Stadgenoot door [eiser] en zijn collega’s heeft doen uitvoeren door Cordaan aan SDS zijn overgedragen. Daarmee is voldaan aan het - ruim op te vatten - overeenkomstvereiste dat artikel 7:662 lid 2 onder a BW stelt. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de door Cordaan overgedragen economische eenheid (die wordt gevormd door [eiser] en zijn collega’s in Wooncentrum De Drecht) niet haar identiteit heeft behouden.



3.4.
Blijkens de op 27 februari 2012 tussen Stadgenoot en SDS gesloten overeenkomst is SDS de verkrijger in de zin van artikel 7:663 BW, op wie de rechten en verplichtingen die ten tijde van de overgang voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst tussen Cordaan en [eiser] van rechtswege zijn overgegaan. Anders dan SDS heeft betoogd, behoort tot deze van rechtswege overgaande rechten en verplichtingen óók een op de Wet Bpf 2000 gebaseerd pensioen (vgl. HR 14 oktober 2016, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2016:2375 inzake GOM). De verplichtingen die voor Cordaan voortvloeiden uit haar ingevolge de Wet Bpf 2000 verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds van PFZW moeten dan ook worden aangemerkt als verplichtingen die bij de overgang voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst met [eiser] , in de zin van artikel 7:663 BW. Nu niet in geschil is dat zich geen van de in artikel 7:664 BW genoemde uitzonderingen voordoet, was SDS gehouden om ervoor zorg te dragen dat het deelnemerschap van [eiser] in PFZW vanaf 1 maart 2012 ononderbroken en ongewijzigd werd voortgezet. Daartoe was zij ook in de gelegenheid, nu PFZW eraan heeft willen meewerken dat daartoe een vrijwillige aansluiting werd overeengekomen.



3.5.
Ook op SES De Drecht rustte de verplichting om ervoor zorg te dragen dat de deelneming van [eiser] in PFZW per 1 maart 2012 aansluitend en onverminderd werd voortgezet. Dit volgt uit de omstandigheid dat SDS de van Cordaan overgenomen onderneming op haar beurt, direct per 1 maart 2012, aan SES De Drecht heeft overgedragen. Maar het geldt eveneens los van het bepaalde in artikel 7:663 BW. Hiertoe wordt overwogen dat tussen SES De Drecht en [eiser] met ingang van 1 maart 2012 een (mondelinge) arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan hij voor haar als receptionist in Wooncentrum De Drecht is gaan werken. Daaraan staat niet in de weg dat [eiser] niet heeft ingestemd met de hem voorgelegde tekst van artikel 7. Partijen hebben immers wél overeenstemming bereikt over de bepaling van het voorgestelde artikel 11, derhalve over de toepasselijkheid van de cao-VVT. Anders dan SES De Drecht heeft betoogd, moet het bepaalde in artikel 3.1.14 van deze cao, overeenkomstig de zogenoemde cao-norm naar objectieve maatstaven uitgelegd, aldus worden verstaan dat het de werkgever verplicht om er zorg voor te dragen dat zijn werknemer(s) deelnemen in de pensioenregeling van PFZW. De uitleg van SES De Drecht, die inhoudt dat dit alleen geldt voor verplicht bij het fonds aangesloten zorginstellingen, stuit af op de omstandigheid dat blijkens de statuten van PFZW (kenbaar uit productie 18 bij dagvaarding) onder een aangesloten werkgever in de zin van het pensioenreglement zowel de verplicht aangesloten instellingen als de vrijwillig aangesloten werkgevers zijn te begrijpen.



3.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat SDS op 1 maart 2012, op het ondeelbare moment dat [eiser] door de overgang van de onderneming van Cordaan bij haar in dienst was en vóór de overgang van de onderneming naar SES De Drecht op datzelfde moment, jegens [eiser] gehouden was ervoor zorg te dragen dat zijn deelnemerschap in PFZW werd voortgezet. Doordat de beide overgangen van onderneming elkaar op een en hetzelfde moment zijn opgevolgd, doet zich de situatie voor dat [eiser] van SDS naderhand geen nakoming van de verplichting tot (vrijwillige) aansluiting bij PFZW kon vorderen. SDS is immers sinds de overgang van de onderneming naar SES De Drecht niet meer de werkgever van [eiser] . SDS is echter wél gehouden tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden doordat SDS zich er niet voor heeft ingespannen - en inspant - dat SES De Drecht zich niet bij PFZW heeft aangesloten (en aansluit). Daartoe was en is SDS, mede gezien de nauwe - ook personele - verwevenheid tussen beide stichtingen, jegens [eiser] gehouden.



3.7.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat SES De Drecht jegens [eiser] verplicht is ervoor zorg te dragen dat hij deelneemt in PFZW, en dat SDS en SES De Drecht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] lijdt zolang SES De Drecht dit niet doet. Nu het tot nog toe niet tot een vrijwillige aansluiting van SES De Drecht bij PFZW is gekomen, is zij gehouden hiertoe alsnog het nodige te ondernemen, te weten: aan PFZW te verzoeken om vrijwillige aansluiting, de daaraan door PFZW te stellen voorwaarden te aanvaarden en te verzoeken om [eiser] als deelnemer in de pensioenregeling van het fonds toe te laten, zulks overeenkomstig de inhoud van zijn eerdere deelnemerschap dat op 1 maart 2012 is geëindigd. Dat PFZW aan vrijwillige aansluiting de voorwaarde stelt dat niet alleen voor [eiser] , maar voor alle tot de betreffende groep behorende werknemers om toelating wordt verzocht, staat aan de veroordeling van SES De Drecht tot nakoming van hun verplichting jegens hem niet in de weg. Dit klemt temeer nu niet is weersproken dat de collega’s van [eiser] in dezelfde omstandigheden verkeren en voor wie dus het recht op deelneming in PFZW evenzeer geldt.


3.8.
In dit geding moet ervan worden uitgegaan dat PFZW nog altijd bereid is aan vrijwillige aansluiting van SES De Drecht mee te werken, zij het inmiddels niet meer met terugwerkende kracht tot 1 maart 2012. De daarop gerichte vordering van [eiser] wordt toegewezen, zoals hierna omschreven. Deze veroordeling zal met de gevorderde dwangsom worden versterkt. Het maximum van de in totaal te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 10.000,--. De kantonrechter gaat er van uit dat de contractuele aansluiting van SES De Drecht bij PFZW in de loop van 2018 wordt gerealiseerd, zodat alsdan het deelnemerschap van [eiser] in PFZW met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018 gewaarborgd is. De vordering van [eiser] om SES De Drecht tevens te veroordelen om aan hem een kopie van de aanvraag, van de offerte en de aanvaarding daarvan te verstrekken, is niet toewijsbaar, omdat [eiser] daarbij geen belang heeft. Voor hem telt immers slechts dat hij met ingang van 1 januari 2018 gaat deelnemen in PFZW en dat zal hem blijken uit de berichtgeving daaromtrent van de zijde van het pensioenfonds.



3.9.
Doordat de voortzetting van het deelnemerschap van [eiser] in PFZW niet per 1 maart 2012 is gerealiseerd en thans niet meer per die datum kan worden gerealiseerd is SES De Drecht jegens hem toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting jegens hem en gehouden tot vergoeding van de daardoor geleden en te lijden schade. SDS is, zoals hiervoor overwogen onder 3.6, eveneens - hoofdelijk - aansprakelijk voor deze schade. [eiser] heeft deze schade begroot op € 21.191,40, zijnde de pensioenschade van € 1.177,30 per jaar over de 18 jaren die zijn gelegen tussen de pensioenleeftijd en de verwachte sterfteleeftijd. Gedaagden hebben dit schadebedrag niet gemotiveerd betwist. De daarop gerichte vordering wordt daarom toegewezen, zoals hierna omschreven.



3.10.
Resteert de vordering tot betaling van loon en vakantiebijslag met nevenvorderingen. Niet in geschil is dat [eiser] ten onrechte geen loon over BHV-dagen heeft ontvangen. Evenmin is betwist dat bij de berekening van de vakantiebijslag de onregelmatigheidstoeslag meegenomen dient te worden. SES De Drecht heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat zij dit - ook over de periode van 1 maart 2012 tot medio 2014 - heeft nagelaten. Het had op haar weg, als huidige werkgever, gelegen om hiertoe een berekening van de aan [eiser] voldane vakantiebijslag en de bijbehorende bankafschriften in het geding te brengen. Dat dit niet is gebeurd, leidt tot de toewijzing jegens SES De Drecht van het gevorderde loon en de achterstallige vakantiebijslag. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden geen reden tot matiging van de wettelijke verhoging wegens te late betaling. Ook de gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar. De vordering jegens SDS op dit punt zal worden afgewezen.



3.11.
SDS en SES De Drecht worden, als de in het ongelijk gestelde partijen, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . Deze proceskosten worden tot dit vonnis begroot op € 1.373,10, bestaande uit € 103,10 aan explootkosten, € 470,-- aan vast recht en € 800,-- aan salaris gemachtigde. Bij de bepaling van het gemachtigdesalaris laat de kantonrechter het voor rekening van [eiser] dat hij zijn eis bij akte heeft gewijzigd.




BESLISSING


De kantonrechter:

I. veroordeelt SES De Drecht om:

- zich binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018, bij PFZW aan te sluiten en om PFZW te verzoeken om [eiser] met ingang van diezelfde datum als deelnemer in het pensioenfonds toe te laten, overeenkomstig de inhoud van zijn eerdere, per 1 maart 2012 geëindigde, deelnemerschap, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij hiermee in gebreke blijft, waarbij het maximum van de in totaal te verbeuren dwangsommen wordt gesteld op € 10.000,--; en om

- aan [eiser] te voldoen € 318,82 bruto aan achterstallig loon, € 900,94 bruto aan achterstallige vakantiebijslag en € 609,88 bruto aan wettelijke verhoging wegens de te late betaling van dit loon en deze vakantiebijslag, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de opeisbaarheid van de onderscheiden termijnen, en wat de wettelijke verhoging betreft vanaf de verschuldigdheid overeenkomstig artikel 7:625 BW, tot de voldoening;


II. veroordeelt SDS en SES De Drecht hoofdelijk, in die zin dat indien en voor zover de een aan de veroordeling voldoet de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te voldoen € 21.191,40 aan geleden en te lijden pensioenschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening;


III. met veroordeling van SDS en SES De Drecht in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot dit vonnis begroot op € 1.373,10, daaronder begrepen € 800,-- aan salaris gemachtigde;


IV. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


V. wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak