Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:5967 
 
Datum uitspraak:18-06-2026
Datum gepubliceerd:31-07-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:AMS 26/396
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:BNT (WHT), 4e beroep niet tijdig, ontvankelijk en gegrond, verweerder ter zitting geen omstandigheden aangevoerd die het opleggen van een langere beslistermijn rechtvaardigen, beslistermijn opgelegd van uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak, hoge dwangsom opgelegd van € 250,- (per bezwaarzaak) per dag en met een maximum van € 37.500,-.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/396

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T. van Uden),

en

Ministerie van Financiën, Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).



Procesverloop

Belanghebbende heeft op 26 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaren van 25 juli 2023 tegen de beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (UHT-DH A), de beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (UHT-DH5 A) en de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (UHT-DC I), alle van 25 juli 2022.

Verweerder heeft een verweerschrift ingestuurd.

De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, gemachtigde van belanghebbende en gemachtigde van verweerder. Namens verweerder was ook mevrouw [persoon] aanwezig.



Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

2. Belanghebbende heeft eerder, op 2 februari 2024, ook al beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaren. De rechtbank heeft op 11 maart 2024 uitspraak gedaan op dat beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder uiterlijk 10 mei 2024 alsnog een besluit op de bezwaren van belanghebbende kenbaar moet maken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.

3. Belanghebbende heeft vervolgens op 21 oktober 2024 weer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaren. De rechtbank heeft op 13 december 2024 uitspraak gedaan op dit beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen uiterlijk 14 dagen na de dag van verzending van die uitspraak alsnog een besluit op de bezwaren van belanghebbende kenbaar moet maken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.

4. Belanghebbende heeft op 2 juni 2025 nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaren. De rechtbank heeft op 13 november 2025 uitspraak gedaan op dit beroep. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen 14 dagen na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de bezwaren van belanghebbende kenbaar moet maken, op straffe van een dwangsom van € 250,- per bezwaarzaak en per dag met een maximum van € 37.500,- voor de drie bezwaarzaken gezamenlijk.

5. Omdat verweerder ook na deze opdracht van de rechtbank niet alsnog heeft beslist op de bezwaren, heeft belanghebbende op 26 januari 2026 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaren.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de opdrachten van de rechtbank. Belanghebbende heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet opnieuw in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verbindt hier geen consequenties aan omdat van belanghebbende redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat zij verweerder opnieuw in gebreke stelt. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019. Het beroep is dus ontvankelijk en gegrond.


Hoe nu verder?


7. De rechtbank bepaalt andermaal dat verweerder alsnog een besluit moet nemen op de bezwaren van belanghebbende. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. Een nadere beslistermijn moet volgens vaste rechtspraak niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn.


7.1.
De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende al bijna drie jaar wacht op een besluit op haar bezwaren. Ter zitting is de voortgang van de besluitvorming op het bezwaar van belanghebbende besproken. De gemachtigde van verweerder heeft meegedeeld dat de beschouwing (het standpunt met onderbouwing van de bezwaarbehandelaar van verweerder) over ongeveer twee weken gereed zal zijn. De gemachtigde van belanghebbende heeft gezegd dat hij vervolgens op korte termijn zal laten weten of en hoe belanghebbende de bezwaarprocedure wenst voort te zetten Indien het bezwaar vervolgens moet worden behandeld door de bezwaarschriftenadviescommissie, zal dat nog enkele maanden in beslag nemen. Dit betekent dat het niet erg waarschijnlijk is dat verweerder binnen twee weken een besluit zal nemen. Het kan nog geruime tijd duren voordat verweerder een besluit op het bezwaar zal nemen. Ter zitting heeft verweerder verder laten weten dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in deze zaak die een langere beslistermijn, laat staan een zodanig lange beslistermijn, rechtvaardigen.



7.2.
De gemachtigde van belanghebbende verzoekt de rechtbank om een beslistermijn op te leggen van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak. Een langere termijn zou volgens belanghebbende geen recht doen aan haar belang bij een besluit op haar bezwaren en het feit dat de beslistermijn al ruimschoots is overschreden.



7.3.
De rechtbank stelt voorop dat het disfunctionerend en vastgelopen systeem van de hersteloperatie toeslagen, waarbij beslistermijnen langdurig en structureel worden overschreden en ook het rechtsmiddel van het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet het gewenste effect heeft, vanzelfsprekend tot gevoelens van onmacht en frustratie leidt bij (met name) gedupeerde ouders. Verder overweegt de rechtbank dat zij op basis van de informatie die de gemachtigden van verweerder ter zitting hebben gegeven geen mogelijkheid ziet om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Daarom valt de rechtbank terug op de standaard wettelijke beslistermijn van twee weken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de bezwaren van belanghebbende kenbaar moet maken.


Hoogte van de dwangsom


8. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om daaraan een dwangsom te verbinden van € 250,- per dag per bezwaarzaak met een maximum van € 37.500,-. Verweerder verzoekt de rechtbank om deze dwangsom op te leggen voor het geheel en niet per bezwaarzaak afzonderlijk, omdat in één beslissing op bezwaar op alle bezwaren zal worden beslist.



8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van haar vaste lijn om een nadere dwangsom per bezwaarzaak op te leggen, met één vastgesteld maximumbedrag voor alle bezwaarzaken gezamenlijk. Het staat verweerder namelijk vrij om alle bezwaarzaken in één besluit te behandelen dan wel afzonderlijke besluiten te nemen, terwijl de dwangsom een prikkel moet zijn voor verweerder om op alle bezwaren binnen de gestelde termijn te beslissen. De rechtbank bepaalt de hoogte van de dwangsom, conform het verzoek van partijen en vaste rechtspraak, op € 250,- per bezwaarzaak, met een maximum van € 37.500,- voor alle bezwaarzaken gezamenlijk. Deze dwangsom moet verweerder aan belanghebbende betalen als verweerder niet binnen de opgelegde beslistermijn alsnog beslist.


Kosten


9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


draagt verweerder op uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de bezwaren bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 250,- per bezwaarzaak verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- voor de drie bezwaarzaken gezamenlijk;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54,- aan belanghebbende te vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van P.G. Ranck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.


Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb


Zie ook artikel 6:12 derde lid van de Awb.


ECLI:NL:RVS:2019:673.


Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb


ECLI:NL:RVS:2025:1301.
Link naar deze uitspraak