Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:6966 
 
Datum uitspraak:22-07-2026
Datum gepubliceerd:25-07-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:C/13/767664 / HA ZA 25-94
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kredietovereenkomst, rechtsgeldigheid borgtochtovereenkomst, geen aanleiding tot matiging, met uitzondering van contractuele vertragingsrente. Gedeeltelijke toewijzing van vordering in de hoofdzaak. Afwijzing van incidentele vordering tot overhandiging documentatie waaruit incasso-inspanningen blijken ten aanzien van aan BridgeFund verpande vorderingen vanwege gebrek aan belang.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
kredietovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/767664 / HA ZA 25-941


Vonnis van 22 juli 2026


in de zaak van


BRIDGEFUND B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: BridgeFund,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,

tegen




1SIT COMPANY B.V.,
te Assendelft,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats],
advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Sit Company en [gedaagde 2].






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding die op 27 maart 2025 is betekend aan Sit Company;
- de dagvaarding die op 28 maart 2025 is betekend aan [gedaagde 2];
- de conclusie in incident tot inzage in bescheiden van [gedaagde 2] van 25 juni 2025;
- de conclusie van antwoord in incident van BridgeFund van 8 juli 2025;
- de rolbeslissing van 16 juli 2026 waarin is bepaald dat de incidentele vordering gelijktijdig met de hoofdzaak zal worden behandeld;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 10 september 2025;
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging productie A van BridgeFund van 3 februari 2026 en
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 mei 2026 en de daarin genoemde processtukken.



1.2.
Sit Company is niet verschenen, hoewel de dagvaarding op behoorlijke wijze is uitgebracht. Tegen Sit Company is daarom verstek verleend.



1.3.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
BridgeFund is een financieringsmaatschappij die leningen en flexibel krediet verstrekt aan ondernemers.



2.2.
Sit Company is een onderneming die een groothandel in huismeubilair exploiteert. [gedaagde 2] is de [functie] van Sit Company.



2.3.
Op 28 juni 2022 hebben BridgeFund en Sit Company een overeenkomst gesloten, op grond waarvan BridgeFund aan Sit Company een flexibel krediet heeft verstrekt tot een maximumbedrag van € 50.000,- tegen een vaste rente van 2,6% per maand. De looptijd van het krediet was zes maanden. Daarbij diende wekelijks aflossingen plaats te vinden.



2.4.
In de algemene voorwaarden van BridgeFund (hierna: de Algemene Voorwaarden) staan onder andere de volgende bepalingen:

“7. Vervroegde opeisbaarheid


7.1
Alle vorderingen van BridgeFund op de Leningnemer uit hoofde van een Overeenkomst zijn ineens opeisbaar […] indien:
[…]
e. de Leningnemer in verzuim raakt ten aanzien van enige (andere) Overeenkomst overbruggingsfinanciering en/of enige (andere) Overeenkomst Flexibel Krediet tussen Leningnemer en Bridgefund.[…]





8Buitengerechtelijke kosten en boeterente

8.1
Indien een Leningnemer een verplichting uit de Overeenkomst niet, niet op tijd of niet behoorlijk nakomt, dan zal het op de eerste dag van het verzuim resterende saldo van de Lening worden verhoogd met een percentage van 15% ter vergoeding van buitengerechtelijke kosten, met een minimum van EUR 250.


8.2
Over het bedrag van de Lening ten aanzien waarvan de Leningnemer in verzuim is, is de Leningnemer een boeterente verschuldigd van 2% per maand, naast de overeengekomen rente/premie/opnamevergoeding.”



2.5.
Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomst heeft Sit Company aan BridgeFund bij pandakte van 28 juni 2022 (bij voorbaat) een (stil) pandrecht verstrekt op, onder andere, al haar huidige en toekomstige vorderingen op derden.



2.6.
Hiernaast heeft [gedaagde 2] zich, tegelijk met het afsluiten van de kredietovereenkomst namens Sit Company, borg gesteld voor alle verplichtingen die Sit Company uit hoofde van de kredietovereenkomst heeft.



2.7.
Op gegeven moment is er een betalingsachterstand ontstaan. Hierop heeft BridgeFund Sit Company en [gedaagde 2] per brief van 14 september 2023 gesommeerd tot betaling van het bedrag dat op dat moment open stond (€ 64.595,44). Vervolgens is tussen Sit Company en BridgeFund een betalingsregeling overeengekomen, maar ook deze terugbetalingen zijn na een paar maanden gestopt. Op 23 mei 2024 heeft BridgeFund [gedaagde 2] bericht dat de laatste betaling dateert van 6 februari 2024 en dat als de achterstand niet per omgaande wordt aangezuiverd, iedere regeling vervalt en rechtsmaatregelen zullen volgen.


2.8.
Op enig moment heeft BridgeFund haar pandrecht op de vorderingen van Sit Company op derden openbaar gemaakt, door de debiteuren van Sit Company daarvan op de hoogte te stellen.



2.9.
Vervolgens heeft BridgeFund Sit Company en [gedaagde 2] op 27 en 28 maart 2025 gedagvaard. Op dat moment bedroeg de hoofdsom van de terugbetalingsverplichting van Sit Company in totaal € 53.762,34.



2.10.
Per brief van 7 mei 2025 hebben Sit Company en [gedaagde 2] BridgeFund verzocht (i) om inzichtelijk te maken welke incasso-inspanningen zij na openbaarmaking van het pandrecht heeft verricht richting de debiteuren van Sit Company en (ii) de met deze debiteuren gevoerde correspondentie aan Sit Company en [gedaagde 2] te verstrekken. Sit Company en [gedaagde 2] hebben daarbij aangeboden om de betreffende vorderingen zelf te proberen te incasseren. BridgeFund heeft op deze brief niet gereageerd.





3Het geschil


in de hoofdzaak



3.1.
BridgeFund vordert – samengevat – dat Sit Company en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van:


€ 53.762,34, te vermeerderen met de contractuele vertragingsrente van 2% per maand vanaf 17 september 2023, dan wel met de wettelijke handelsrente,


€ 2.992,05 aan contractuele buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw, plus wettelijke rente, en


de proceskosten (inclusief nakosten), plus wettelijke rente.





3.2.

[gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing dan wel matiging van de vorderingen van BridgeFund, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van BridgeFund in de kosten van deze procedure. Primair, voert [gedaagde 2] aan dat sprake is van een particuliere borgtocht en dat deze vernietigbaar is, omdat deze onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Subsidiair, voert [gedaagde 2] aan dat BridgeFund zelf de kans op betaling heeft laten lopen, door haar pandrechten wél aan de debiteuren van Sit Company openbaar te maken, maar vervolgens geen of onvoldoende incassomaatregelen te nemen om betaling te bewerkstelligen. Dit terwijl Bridgefund door de openbaarmaking van het pandrecht exclusief bevoegd was om de betaling van de debiteuren van Sit Company te innen. Hierdoor heeft BridgeFund haar zorgplicht ten opzichte van [gedaagde 2] geschonden, aldus [gedaagde 2].



3.3.
In zijn conclusie van antwoord voerde [gedaagde 2] hiernaast aan dat de borgtochtovereenkomst vernietigbaar is, omdat zijn echtgenote hiervoor geen toestemming had verleend. Dit verweer heeft [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling van 26 mei 2026 ingetrokken.


in het incident




3.4.

[gedaagde 2] vordert in incident dat de rechtbank BridgeFund veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het vonnis in dit incident aan [gedaagde 2] te (laten) overhandigen:


kopieën van alle brieven waarmee BridgeFund haar pandrecht openbaar heeft gemaakt aan de debiteuren van Sit Company,


kopieën van alle met debiteuren van Sit Company gevoerde correspondentie na openbaarmaking van het pandrecht door BridgeFund,


een overzicht van de door BridgeFund ontvangen betalingen van debiteuren van Sit Company en


per debiteur een onderbouwing over waarom is afgezien van verdere incasso-inspanningen.





3.5.

[gedaagde 2] stelt dat hij deze informatie nodig heeft om te beoordelen (i) of debiteuren van Sit Company BridgeFund hebben betaald en (ii) zo nee, of BridgeFund deze debiteurenbetalingen zelf heeft bemoeilijkt en/of onmogelijk heeft gemaakt en daarmee haar zorgplicht heeft geschonden jegens [gedaagde 2] als borg.



3.6.
Bridgefund verzet zich tegen dit verzoek. Kort gezegd, stelt zij dat [gedaagde 2] geen belang heeft bij deze informatie, omdat hij als zakelijke borg op grond van de borgstellingsovereenkomst zonder meer verplicht is tot betaling, ook als BridgeFund geen incassohandelingen zou hebben verricht (wat volgens BridgeFund wel het geval is). BridgeFund concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van de vordering in incident, met veroordeling van [gedaagde 2] in de proceskosten in incident, vermeerderd met wettelijk rente.



3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling in de hoofdzaak


4.1.
BridgeFund eist in deze zaak het nog niet afgeloste deel van het krediet met rente op, vermeerderd met de contractuele vertragingsrente, de contractuele vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst de vordering grotendeels toe en overweegt als volgt.


Verstek Sit Company




4.2.
Tegen Sit Company is verstek verleend. Omdat [gedaagde 2] in het geding is verschenen, wordt dit vonnis op grond van artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ook jegens Sit Company als een vonnis op tegenspraak beschouwd. Dit betekent dat Sit Company niet in verzet kan komen tegen dit vonnis.



4.3.
De vordering tegen Sit Company komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank zal deze vordering daarom toewijzen, met uitzondering van wat hierna wordt overwogen over de contractuele vertragingsrente.


De borgtochtovereenkomst is rechtsgeldig




4.4.

[gedaagde 2] betwist dat de borgtochtovereenkomst is aangegaan in het kader van de normale uitoefening van het bedrijf. Sit Company zou in liquiditeitsnood hebben verkeerd, omdat twee grote debiteuren onterecht weigerden te betalen. Om deze reden is het door BridgeFund verstrekte krediet aangemerkt als een krediet met een verhoogd risico, dat niet of nauwelijks door reguliere bancaire instellingen verstrekt zou worden. Door hier niet op te wijzen, heeft BridgeFund haar mededelingsplicht geschonden en is [gedaagde 2] de borgtochtovereenkomst onder een verkeerde veronderstelling van zaken aangegaan, aldus [gedaagde 2].



4.5.
Dit verweer slaagt niet om de volgende redenen. In de door [gedaagde 2] ondertekende borgtochtovereenkomst staat dat hij bestuurder is van Sit Company en dat het krediet strekt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van Sit Company. De borgtochtovereenkomst is een onderhandse akte in de zin van artikel 156 lid 3 Rv. Een dergelijke akte levert, op grond van artikel 157 lid 2 Rv, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Daarmee is voorshands bewijs geleverd van de stelling dat [gedaagde 2] zich als zakelijke borg verbonden heeft voor de nakoming van de verplichtingen van Sit Company.



4.6.
Wat [gedaagde 2] naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om dit te ontzenuwen. Het is niet gebleken dat Sit Company en/of [gedaagde 2] BridgeFund bij het aangaan van de kredietovereenkomst verteld heeft dat Sit Company vanwege twee niet-betalende debiteuren in liquiditeitsproblemen verkeerde. BridgeFund heeft gemotiveerd toegelicht dat de financiële documentatie die Sit Company aan BridgeFund had verstrekt er juist op wees dat sprake was van een goede omzet en dat zij op basis daarvan de inschatting maakte dat Sit Company de wekelijkse aflossingen aan BridgeFund zonder problemen zou kunnen voldoen. Daarbij heeft BridgeFund een interne notitie overgelegd waarin het doel van de financiering is opgenomen, zoals dat door [gedaagde 2] zelf zou zijn geformuleerd. Volgens deze notitie was het doel van de financiering om projecten voor te financieren, omdat klanten van Sit Company 50% van de betaling pas na levering verrichten en deze betaling in de praktijk soms lang op zich laat wachten. In deze notitie staat niet dat er op dat moment twee grote debiteuren waren die weigerden te betalen en dat dit liquiditeitsproblemen leidde. Een en ander brengt mee dat BridgeFund er naar het oordeel van de rechtbank van uit mocht dat het krediet bestemd was als normaal werkkapitaal en dus werd aangegaan in het kader van de normale uitoefening van het bedrijf. Het gevolg hiervan is dat de door [gedaagde 2] verstrekte borgstelling kwalificeert als een zakelijke borgstelling. Dat betekent dat [gedaagde 2] geen beroep toekomt op het beschermingsregime dat geldt voor particuliere borgstellingen (art. 7:857 e.v. van het Burgerlijk Wetboek).



4.7.
Het kan evenmin worden vastgesteld dat [gedaagde 2] bij het sluiten van de borgtochtovereenkomst een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehad. In deze overeenkomst heeft [gedaagde 2] verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de kredietovereenkomst die Sit Company met BridgeFund heeft gesloten, dat hij begrijpt dat aan de borgstelling het risico is verbonden dat zijn privévermogen moet worden aangewend om de schulden van Sit Company te voldoen en dat hij begrijpt dat BridgeFund niet verplicht is om eerst andere zekerheden uit te winnen of betaling door (de boedel van) Sit Company af te wachten, voordat hij wordt aangesproken als borg. Zoals BridgeFund heeft gesteld, was [gedaagde 2] als bestuurder daarnaast bij uitstek op de hoogte van de bedrijfsvoering en financiële stand van zaken van Sit Company, zoals hij ook in de borgtochtovereenkomst heeft verklaard. Het door [gedaagde 2] gedane beroep op dwaling slaagt om deze reden niet. Dit betekent dat de borgtochtovereenkomst rechtsgeldig is.





BridgeFund was niet verplicht eerst andere zekerheden uit te winnen




4.8.

[gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat BridgeFund haar zorgplicht als pandhouder heeft geschonden door zich er onvoldoende voor in te spannen dat de debiteuren van de aan haar verpande vorderingen zouden betalen, voordat zij [gedaagde 2] als borg aansprak. Als zij dat wel had gedaan, dan waren er nog debiteuren geweest die hadden betaald, aldus [gedaagde 2]. Door de openbaarmaking van de pandrechten nam de betalingsbereidheid juist af. Bovendien was BridgeFund als pandhouder exclusief bevoegd tot het innen van betalingen, waardoor [gedaagde 2] zelf niets meer kon doen om betaling te bewerkstelligen. Volgens [gedaagde 2] verzetten de redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat de borg onder deze omstandigheden onverkort wordt aangesproken. Hij verzoekt de rechtbank daarom de vorderingen van BridgeFund af te wijzen of in ieder geval fors te matigen.



4.9.
De rechtbank oordeelt als volgt. De hoofdregel is dat een schuldeiser vrij is om de borg aan te spreken, ook al zijn er andere zekerheden verstrekt. De schuldeiser heeft hierin keuzevrijheid. [gedaagde 2] is hierover in de borgstellingsovereenkomst ook geïnformeerd (zie 4.7 hiervoor). Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden is dat anders. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van. [gedaagde 2] heeft weliswaar gesteld dat er debiteuren waren waarvan het aannemelijk was dat deze zouden hebben betaald, maar heeft niet toegelicht welke debiteuren dit zijn en waaruit dit blijkt. Daarnaast heeft [gedaagde 2] verklaard dat hij zelf van het incasseren van bepaalde vorderingen heeft afgezien, omdat hij geen geld had voor een incassoprocedure. Dit wijst erop dat, ook voordat de pandrechten door BridgeFund openbaar werden gemaakt, geen sprake was van een hoge betalingsbereidheid. Onder deze omstandigheden kan van BridgeFund als pandhouder niet worden verwacht dat zij, in afwijking van de hoofdregel, zich meer had ingespannen om haar pandrechten uit te winnen, voordat zij [gedaagde 2] als borg aansprak.



4.10.
Een en ander brengt mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet tot matiging van de vordering van BridgeFund, met uitzondering van wat hierna wordt overwogen over de contractuele vertragingsrente.


Contractuele vertragingsrente




4.11.
Bridgefund vordert 2% vertragingsrente per maand over de hoofdsom op grond van artikel 8.2 van de Algemene Voorwaarden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] verklaard dat hij deze rente onevenredig hoog vindt.



4.12.
Artikel 6:94 BW geeft de rechter de bevoegdheid een bedongen boeterente te matigen. De rechtbank ziet aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daarbij betrekt zij de volgende omstandigheden. De hoogte van de bedongen vertragingsrente is 2% per maand. Dat is effectief bijna 27% per jaar. Dit overstijgt de wettelijke handelsrente, die op dit moment 10,15% bedraagt, ruimschoots. Het is niet gebleken dat de werkelijke schade van Bridgefund als gevolg van de te late betaling de wettelijke handelsrente overstijgt. Bovendien biedt de contractuele vertragingsrente in dit geval geen effectieve prikkel tot nakoming. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de betalingsachterstand het gevolg is van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil.



4.13.
De rechtbank matigt de gevorderde vertragingsrente tot het tarief van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW.


4.14.
BridgeFund heeft een brief in het geding gebracht van haar advocaat van 14 september 2023, waarin zij het openstaande krediet, inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten opeist. Vast staat dat op dat moment sprake was van een betalingsachterstand. De rechtbank merkt deze brief aan als een geldige opzegging. Dit betekent dat het openstaande krediet opeisbaar was nadat de daarin genoemde termijn van drie dagen was verstreken, dus op 18 september 2023. De rechtbank wijst de wettelijke handelsrente met ingang van deze datum toe.


Buitengerechtelijke incassokosten




4.15.
BridgeFund maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van 15% van de hoofdsom op grond van artikel 8.1 van de Algemene Voorwaarden. [gedaagde 2] heeft deze kosten niet betwist, dit geldt ook voor de stelling dat BridgeFund btw plichtig is. Daarnaast heeft BridgeFund tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij, naast de sommatiebrief van 14 september 2023, meerdere betalingsherinneringen heeft moeten versturen, toen Sit Company de overeengekomen betalingsregeling ook niet nakwam. De incassowerkzaamheden waren hierdoor omvangrijk, aldus BridgeFund.



4.16.
Gelet op de door BridgeFund gegeven toelichting, die door [gedaagde 2] niet is weersproken, ziet de rechtbank geen aanleiding tot matiging. De door BridgeFund gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw) wordt daarom toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.





5De beoordeling in het incident


5.1.
In het incident vordert [gedaagde 2], kort gezegd, dat BridgeFund correspondentie en betalingsoverzichten moet verstrekken zodat [gedaagde 2] inzicht kan krijgen in de incasso-inspanningen die BridgeFund heeft verricht met betrekking tot de aan haar verpande vorderingen. Gelet op overweging 4.9 hiervoor, heeft [gedaagde 2] geen belang bij deze vordering. De vordering in incident wordt daarom afgewezen.





6Proceskosten in de hoofdzaak en in het incident


6.1.
Sit Company en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BridgeFund worden begroot op:









- kosten van de dagvaardingen





289,93


(2 × € 119,40)




- griffierecht





2.995,00







- salaris advocaat





3.233,00


(2 punten × € 1.290,00 en 1 punt x € 653,00)




- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





6.706,93











6.2.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.







7De beslissing

De rechtbank


In de hoofdzaak en het incident


7.1.
veroordeelt Sit Company en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan BridgeFund te betalen een bedrag van € 53.762,34, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 september 2023 tot de dag van volledige betaling,



7.2.
veroordeelt Sit Company en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan BridgeFund te betalen een bedrag van € 2.992,05 aan contractuele buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2025 respectievelijk 28 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,



7.3.
veroordeelt Sit Company en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 6.706,93, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Sit Company en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



7.4.
veroordeelt Sit Company en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



7.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.1 tot en met 7.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,



7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Link naar deze uitspraak