Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:7689 
 
Datum uitspraak:23-07-2026
Datum gepubliceerd:31-07-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:11850414 CV EXPL 25-115 11850414 CV EXPL 25-115
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Consumentenrecht. Geen verjaring. Schending informatieverplichtingen 6:230m en 6:230t BW. Oneerlijke handelijkspraktijk. Terugbetaling deel van de koopsom. Betaling schadevergoeding. Geen immateriële schadevergoeding. In reconventie verbod toegewezen op opstellen en verspreiden aan het publiek van bepaalde stukken.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623

Zaaknummer: 11850414 \ CV EXPL 25-11500


Vonnis van 23 juli 2026


in de zaak van




1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. L. van Wijnen,

tegen



[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.G.A. Berk.





1De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 augustus 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met een eis in reconventie en met producties,
- het instructievonnis van 13 november 2025,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- de aanvullende producties van [eisers], ontvangen op 19 mei 2026 en 28 mei 2026.

Op 9 juni 2026 is de zaak mondeling behandeld. Daarbij waren [eisers] en [gedaagde] met hun gemachtigden aanwezig. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigden van partijen hebben pleitnotities voorgedragen.

Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[gedaagde] had een eenmansbedrijf onder de naam [handelsnaam gedaagde] . [gedaagde] verleende IT-diensten aan particulieren en bedrijven.



2.2.
In 2018 zijn [eisers] en [gedaagde] met elkaar in contact gekomen. [eisers] hebben [gedaagde] benaderd met het verzoek hen te helpen met een aantal IT-gerelateerde problemen. Deze werkzaamheden werden op uurbasis afgerekend.



2.3.
In 2019 is de laptop van [eisers] gecrasht, waarvoor zij opnieuw de hulp van [gedaagde] hadden ingeschakeld. [gedaagde] is daarop ergens begin 2019 bij [eisers] thuis langsgekomen. Op dat moment is mondeling tussen partijen overeengekomen dat [eisers] tegen maandelijkse betaling van € 27,50 een servicepakket van [gedaagde] zouden afnemen.



2.4.
Van 29 april 2020 tot en met 2 april 2024 hebben [eisers] via automatische incasso maandelijks € 27,50 aan [gedaagde] betaald.



2.5.
Op 28 februari 2024 hebben [eisers] alle door [gedaagde] geleverde diensten en abonnementen met betrekking tot hun ICT opgezegd per 31 maart 2024. In deze brief hebben [eisers] verder verzocht om aan hen toe te zenden:


verhuistokens van de domeinnamen [website 1] en [website 2] ;


de admin-gegevens van de M365 tenants;


overige gebruiksnamen en passwords welke van toepassing zijn.





2.6.
Diezelfde dag heeft [gedaagde] gereageerd:

“Dat is helaas niet mogelijk aangezien de abonnement altijd per kalenderjaar zijn. Ook ben ik beheerder van alle gegeven en deze zijn daarom ook niet overdraagbaar, mochten er zoals ik zie in de bijlage betalingen niet nagekomen worden dan zullen daarbij diensten geblokkeerd worden.”




2.7.
Op 29 februari 2024 heeft [gedaagde] daaraan toegevoegd:

“Met de laatste mail breek je helaas contractbreuk. Er zijn nu 2 mogelijkheden:




Diensten verlenen tot einde van het kalenderjaar




Diensten per direct stopzetten (29-02-2024)




Ik ga er daarom ook vanuit dat je de kosten netjes blijft betalen tot in ieder geval tot einde van het jaar.”




2.8.

[eisers] hebben vervolgens de heer [persoon] van [bedrijf] B.V. (verder: [persoon] ) verzocht hen bij te staan. Op 23 april 2024 heeft [persoon] aan [eisers] gemaild:


Domeinnaam
:



[handelsnaam gedaagde] heeft in opdracht van [eiser 1] de domeinnaam [website 1] geregistreerd. Bij het verzoek om de token (de key die nodig is om deze te verhuizen naar een andere service provider) gaf [gedaagde] aan deze niet te geven omdat hij de eigenaar is, en niet dhr. [eiser 1] . Na controle bij het SIDN blijkt ook dat [gedaagde] als eigenaar geregistreerd was, en niet de opdrachtgever. Dit is tegen de procedure, omdat je altijd een domeinnaam registreert op naam van de klant.


(…)


Microsoft 365


Op de beide laptops stond het volledige pakket van 3654 geïnstalleerd. Echter bij het controleren van de licentie bleek bij [eiser 1] alleen 365 Business Basic actief te zien. En dit zou Business Standaard moeten zijn. Dit omdat lokaal ook een versie van Office geïnstalleerd was.


Op de laptop van [eiser 2] was ook het gehele pakket van Office geïnstalleerd, echter bij controle in de 365 omgeving stond dat er helemaal geen licentie actief was. Hoe dat precies in elkaar zit, dat is mij verder niet duidelijk. Wel kan ik de conclusie trekken dat dit niet gebeurd is volgende de richtlijnen van Microsoft.



Atera Agent:


OP beide computers stond de Agent software van Atera geïnstalleerd. (…) Met deze tool is het mogelijk om op de achtergrond taken, programma’s en andere commando uit te voeren. Dit
zonder
dat de eindgebruiker hiervoor toestemming voor hoeft te geven. Ook is het mogelijk om direct met de eindgebruik mee te kijken. (…)”




2.9.
Via [persoon] hebben [eisers] hun IT-systeem opnieuw laten inrichten. [persoon] heeft hiervoor een bedrag van € 1.929,51 bij hen in rekening gebracht.



2.10.
Bij brief van 4 februari 2025 hebben [eisers] [gedaagde] via hun rechtsbijstandsverzekeraar aansprakelijk gesteld voor schade die zij zouden hebben geleden.



2.11.
Bij brief van 2 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] aan [gedaagde] geschreven dat zij de overeenkomst vernietigen en daarbij is [gedaagde] gesommeerd tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen en schadevergoeding.



2.12.

[eisers] hebben de afgelopen jaren meerdere nieuwsbrieven verspreid, thans onder ongeveer 80 personen, over het bedrijf van [gedaagde] en zijn manier van bedrijfsvoering. Ook hebben [eisers] voorgedrukte verklaringen verspreid die ‘gedupeerden’ van [gedaagde] kunnen ondertekenen, en een opsomming getiteld: ‘tips voor problemen met [gedaagde] ’, en brieven verstuurd waarbij (oud-)klanten van [gedaagde] worden benaderd.






3Het geschil


In conventie



3.1.

[eisers] vorderen - samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis vernietiging van de overeenkomst tussen partijen, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.396,30 met wettelijke rente en proceskosten.



3.2.

[eisers] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. [eisers] gingen er bij het sluiten van de overeenkomst van uit dat [gedaagde] alleen als tussenpersoon zou optreden voor de diensten. Ze hadden niet verwacht dat [gedaagde] zichzelf als eigenaar van hun domeinnamen en Microsoft-licenties zou registreren, of dat hij hun Microsoft-omgevingen onder zijn eigen ‘tenant’ zou plaatsen. Hierdoor kon [gedaagde] niet alleen de toegang tot de cloud van [eisers] blokkeren, maar ook zichzelf toegang geven tot de gegevens die [eisers] op hun computers hadden opgeslagen. Ook wisten [eisers] niet dat [gedaagde] een programma (Atera) op hun computer had geïnstalleerd waardoor [gedaagde] ongemerkt toegang kon krijgen tot hun computer. Dit hebben [eisers] nooit gewild en [gedaagde] heeft hen hierover bij het sluiten van de overeenkomst onvoldoende tot geen informatie verstrekt. Datzelfde geldt voor de wijze van betaling, het bestaan, de voorwaarden, de modaliteiten en de termijn van het herroepingsrecht, de duur van het contract, de voorwaarden voor het opzeggen en de minimumduur van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen voor [eisers] [gedaagde] heeft zich volgens [eisers] bediend van een misleidende omissie in de zin van artikel 6:193d lid 1 en 2 jo. artikel 6:193f sub b BW en dus is sprake van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW. [gedaagde] heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan agressieve handelspraktijken in de zin van artikel 6:193h lid en lid 2 sub d BW, door de opzegging van de overeenkomst te belemmeren en doordat hij weigerde mee te werken aan de overdracht van de domeinnamen en Microsoftomgevingen. [eisers] hebben de overeenkomst vernietigd op grond van een oneerlijke handelspraktijk. Dit betekent dat [eisers] de abonnementsgelden onverschuldigd hebben betaald en recht hebben op terugbetaling daarvan. Verder hebben [eisers] door de oneerlijke handelspraktijk van [gedaagde] schade geleden waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Zo hebben [eisers] kosten gemaakt voor het aanvragen van nieuwe domeinnamen en het inrichten van een nieuw communicatiesysteem, het verwijderen van de ongewenste monitoringsoftware, het aanvragen van nieuwe licenties van Microsoft en door een en ander opnieuw te moeten laten installeren. Verder zijn [eisers] door de handelingen van [gedaagde] in hun persoon aangetast en hebben zij immateriële schade geleden.



3.3.

[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] is de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst in de eerste plaats verjaard. [gedaagde] was bij het aangaan van de overeenkomst een jonge startende ondernemer. Hij heeft vier jaar lang naar tevredenheid uitvoering gegeven aan de overeenkomst zodat hij, ook in geval van vernietiging, recht heeft op een vergoeding van de waarde van de geleverde diensten. De waarde is gelijk aan de maandelijkse abonnementsgelden die [gedaagde] bij [eisers] in rekening heeft gebracht. Het kan niet zo zijn dat [eisers] jarenlang gratis ICT diensten van [gedaagde] hebben afgenomen. Bovendien is de vordering op onjuistheden gebaseerd. [eisers] wisten heel goed welke diensten zij afnamen. Zij waren op de hoogte van alle software die op de computer was geïnstalleerd. Ook heeft [gedaagde] de domeinnamen en de Microsoft-licenties niet op zijn eigen naam geregistreerd, maar trad hij slecht op als beheerder van deze gegevens. [gedaagde] erkent wel dat hij geen expliciete afspraken heeft gemaakt over de duur van de overeenkomst en de voorwaarden voor het opzeggen daarvan. Na de opzegging heeft [gedaagde] aangegeven dat opgezegd kon worden tegen het einde van het kalenderjaar. De reden daarvoor was dat [gedaagde] de kosten voor de domeinnaam en de Microsoft-licenties vooruitbetaalt aan zijn leveranciers. Voor wat betreft de gevorderde schadevergoeding voert [gedaagde] aan dat hij nooit in verzuim is geraakt met betrekking tot de factuur van [bedrijf] en bovendien causaal verband tussen de vermeende schade en het handelen van [gedaagde] ontbreekt. [gedaagde] voert ook aan dat de facturen grotendeels zien op niet verhaalbare schade. [gedaagde] betwist ten slotte dat [eisers] aanspraak kunnen maken op immateriële schadevergoeding.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.


In reconventie




3.5.

[gedaagde] vordert een verbod voor [eisers] om de nieuwsbrieven ten aanzien van [gedaagde] , zijn bedrijf en zijn manier van bedrijfsvoering op te stellen en te verspreiden aan het publiek, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere overtreding van dit verbod.



3.6.
Volgens [gedaagde] handelen [eisers] met het opstellen en verspreiden van de nieuwsbrieven onrechtmatig jegens hem. [gedaagde] wordt in de nieuwsbrieven weggezet als een gevaar waarvoor gewaarschuwd moet worden. De beschuldigingen zijn disproportioneel en hebben zowel zakelijk als privé een enorme impact op [gedaagde] .



3.7.

[eisers] beroepen zich kort gezegd op hun vrijheid van meningsuiting.



3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






4De beoordeling


In conventie



Ambtshalve toetsing


4.1.

[gedaagde] is een handelaar en [eisers] zijn de overeenkomst aangegaan als consumenten. De overeenkomst tussen partijen wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst. Dat betekent dat de kantonrechter uit zichzelf (ambtshalve) moet onderzoeken of [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst met [eisers] heeft voldaan aan de informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast moet ambtshalve worden beoordeeld of in de overeenkomst oneerlijke bedingen staan in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen).


Verjaring



4.2.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de rechtsvordering van [eisers] tot vernietiging van de overeenkomst verjaard is. Dit verweer zal dan ook al eerste worden besproken.



4.3.

[eisers] hebben hun vorderingen gebaseerd op de stelling dat sprake is van schending van informatieplichten en oneerlijke handelspraktijken. Volgens artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW verjaren rechtsvorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen in het geval van een andere vernietigingsgrond dan in sub a tot en met c genoemd - zoals in dit geval aan de orde is - drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.



4.4.
Voor de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 onder d BW is dus beslissend op welk moment de bevoegdheid om de vernietigingsgrond in te roepen aan de daartoe gerechtigde “ten dienste is komen te staan”. Met de woorden “ten dienste komen te staan” heeft de wetgever bedoeld te bewerkstelligen dat de verjaring een aanvang neemt zodra de partij die een beroep op de vernietigbaarheid toekomt, die bevoegdheid daadwerkelijk kan uitoefenen. Bovendien is sprake van een regel die zich voor flexibele toepassing leent (Hoge Raad 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ99521). De toepassing van artikel 3:52 lid 1 onder d BW kan dus variëren al naargelang het voorliggende gevalstype en is verder afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Bepalend is welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan (Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866 en Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168).



4.5.

[gedaagde] heeft gesteld dat de verjaringstermijn direct bij het aangaan van de overeenkomst is gaan lopen. Kennelijk is [gedaagde] van mening dat [eisers] op dat moment bekend zijn geworden met het door hen ondervonden nadeel of met het bestaan van feiten die een vernietigingsgrond opleveren. Voor dit standpunt, dat door [eisers] is betwist, ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten. [eisers] hebben toegelicht dat zij pas na de uitzending van het televisieprogramma Meldpunt in september 2023 reden hadden om aan te nemen dat er mogelijk sprake was van onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Zij zijn daarop nader onderzoek gaan doen, waarvoor zij de hulp hadden ingeschakeld van [persoon] . Pas toen [persoon] in februari 2024 zijn bevindingen aan [eisers] presenteerde, werden zij daadwerkelijk bekend met de feiten en omstandigheden die volgens hen de grond voor vernietiging opleveren. [eisers] hebben daarna de gemachtigde ingeschakeld die vervolgens op 2 juni 2025 de overeenkomst namens hen buitengerechtelijk heeft vernietigd. De kantonrechter gaat uit van de juistheid van dit relaas van [eisers], nu [gedaagde] verder geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven tot een ander oordeel. Dat wil zeggen dat op het moment dat [eisers] de vordering instelden, deze niet was verjaard.


Informatieverplichtingen



4.6.
De overeenkomst is bij [eisers] thuis gesloten, zodat sprake is van een overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte. Dat betekent dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst onder meer moest voldoen aan de (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW. De bewijslast voor de juiste en tijdige verstrekking van die informatie rust bij de handelaar, bij [gedaagde] dus. Bovendien moet de handelaar die informatie in duidelijke en begrijpelijke taal en in leesbare vorm aan de consument verstrekken op papier, of op een andere duurzame gegevensdrager als de consument daarmee instemt. Ook moet de handelaar een afschrift van de ondertekende overeenkomst, of bevestiging van de overeenkomst, aan de consument verstrekken op papier, of op een andere duurzame gegevensdrager als de consument daar toestemming voor heeft gegeven.



4.7.

[gedaagde] heeft erkend dat hij niet aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan, door [eisers] niet te informeren over de duur van de overeenkomst en de voorwaarden voor het opzeggen daarvan. Daarmee heeft [gedaagde] in ieder geval niet voldaan aan de op hem rustende informatieplicht zoals genoemd in artikel 6:230m lid 1 sub o BW.



4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter komt daarbij dat [gedaagde] ook niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplichten zoals genoemd in artikel 6:230m lid 1 sub a, g en h BW, alsmede aan het bepaalde in artikel 6:230t lid 1 en 2 BW. Dit wordt hierna toegelicht. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de informatieplicht van sub p, omdat [eisers] stellen dat [gedaagde] ook deze informatieplicht niet is nagekomen. De kantonrechter volgt hen hier niet in en dat zal ook hierna worden toegelicht.


Sub a (voornaamste kenmerken van de dienst)



4.9.

[gedaagde] heeft niet schriftelijk vastgelegd welke diensten [eisers] precies zouden afnemen en wat die diensten inhielden. Duidelijk is dat [eisers] afhankelijk waren van de deskundigheid van [gedaagde] op ICT-gebied. Juist om deze reden hadden zij hem ingeschakeld. [gedaagde] had dit moeten begrijpen. Het had op zijn weg gelegen om niet alleen concreet te onderbouwen wat er precies (mondeling) is besproken tijdens de contractsluiting bij [eisers] thuis, maar ook om dit in begrijpelijke taal aan hen uit te leggen, althans voldoende te controleren dat [eisers] begrepen wat de opdracht precies zou gaan inhouden en welke gevolgen dit voor de praktijk zou hebben. Uit wat ter zitting is besproken en de inhoud van het dossier blijkt dit niet. Hoewel [gedaagde] het standpunt van [eisers] dat hij eigenaar is geworden van hun gegevens uitdrukkelijk heeft betwist, blijkt toch in ieder geval dat [gedaagde] – ook als beheerder – vergaande bevoegdheden en zeggenschap had over de gegevens van [eisers] Zo heeft [gedaagde] ter zitting toegelicht dat hij de domeinnamen van [eisers] op zijn eigen naam heeft geregistreerd. Als [eisers] toegang tot de domeinnamen had willen hebben, bijvoorbeeld om op te zeggen of om de facturatie bij een ander onder te brengen, hadden zij een token nodig waartoe alleen [gedaagde] toegang had. Bovendien, zo schrijft [gedaagde] zelf in zijn e-mail van 29 februari 2024, had hij de mogelijkheid om diensten volledig te blokkeren voor [eisers] De kantonrechter kwalificeert dit als essentiële informatie over de dienst, die in het kader van de informatieplicht voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan [eisers] had moeten worden gegeven. Volgens [gedaagde] is het logisch dat zijn klant een deel van de regie over zijn of haar gegevens kwijt is, omdat daar nu eenmaal voor wordt betaald. Dat kan zo zijn, maar dan ligt het wel op de weg van [gedaagde] om zijn klant hier voldoende over in te lichten, zodat de klant begrijpt waar hij of zij mee akkoord gaat. Dat dat in dit geval is gebeurd, is door [gedaagde] onvoldoende voor het voetlicht gebracht.


Sub g (wijze van betaling)



4.10.

[eisers] hebben gesteld dat het hen vooraf nooit duidelijk is gemaakt dat de maandelijkse betaling via automatische incasso zou verlopen en zij hebben hiervoor ook nooit toestemming gegeven. Volgens [gedaagde] was dit [eisers] wél duidelijk en hij voert aan dat hij samen met [eisers] een online formulier heeft ingevuld om de automatische incasso mogelijk te maken. Ter ondersteuning van deze stelling heeft [gedaagde] een bevestiging van het programma PayPro overgelegd. Uit deze bevestiging kan echter niet worden opgemaakt dat [eisers] toestemming hebben gegeven voor de automatische incasso of dat zij daarover vóór het sluiten van de overeenkomst deugdelijk zijn geïnformeerd door [gedaagde] . Een handtekening op de PayPro bevestiging ontbreekt, deze vermeldt alleen algemene adres- en contactgegeven van [eisers] en de bevestiging is gericht aan [gedaagde] en niet aan [eisers] Bovendien vermeldt de Pay Pro bevestiging dat er maandelijks € 22,50 zou worden betaald, terwijl € 27,50 per maand was afgesproken.



4.11.

[gedaagde] heeft verder nog gewezen op een e-mail van hem aan [eisers] van 31 maart 2020 waarin staat dat binnenkort een bedrag van de bankrekening van [eisers] zal worden geïncasseerd. Ook deze e-mail kan niet bijdragen aan de stelling van [gedaagde] dat hij aan zijn informatieplicht ten aanzien van de wijze van betaling heeft voldaan. Deze e-mail dateert immers van een jaar ná het sluiten van de overeenkomst. Bovendien is de automatische incasso op dat moment kennelijk al een feit. Het lag juist op de weg van [gedaagde] om vóór het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over de wijze waarop betaald zou moeten gaan worden. Dat dat is gebeurd, is onvoldoende gebleken.


Sub h (herroepingsrecht)



4.12.
Nergens blijkt uit dat [gedaagde] [eisers] heeft geïnformeerd dat er een ontbindingsrecht bestond en welke voorwaarden daarvoor golden.


Sub p (minimumduur van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen voor de consument)



4.13.
Door geen van partijen is gesteld noch is gebleken dat de betalingsverplichting van [eisers] voor een minimale duur is aangegaan. Nu die afspraak kennelijk niet is gemaakt, bestond er op dit punt geen informatieplicht voor [gedaagde] .


Artikel 6:230t lid 1 en 2 BW



4.14.
Wel is ook in strijd gehandeld met artikel 6:230t lid 1 en 2 BW, nu evenmin is gebleken dat [gedaagde] de informatie op papier aan [eisers] heeft verstrekt en dat hij de overeenkomst op papier aan [eisers] heeft bevestigd.


Conclusie



4.15.
De geschonden informatieplichten zijn essentiële informatieplichten en raken de kern van de overeenkomst. Er is sprake van een zodanig ernstige schending van de informatieplichten, dat de overeenkomst daarom op grond van artikel 3:40 lid 2 BW kan worden vernietigd, zoals [eisers] ook hebben gevorderd.


Oneerlijke handelspraktijken



4.16.
Bovendien is de kantonrechter met [eisers] van oordeel dat er sprake is van oneerlijke handelspraktijken.



4.17.
Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk als een handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding en het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk als een handelaar een misleidende handelspraktijk verricht. De wet noemt daar verschillende voorbeelden van, zoals de misleidende omissie. Ook hier rust in beginsel op de handelaar de bewijslast van de materiële juistheid en volledigheid van de informatie die hij heeft verstrekt.



4.18.
In de eerste plaats is sprake van een misleidende omissie door [gedaagde] . [gedaagde] heeft essentiële informatie weggelaten, die een gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [gedaagde] onder meer niet aan bepaalde essentiële informatieplichten heeft voldaan en het weglaten van die informatie levert ook een misleidende omissie op. Door [eisers] niet volledig te informeren heeft [gedaagde] hen niet de gelegenheid geboden een goed besluit over de overeenkomst te nemen en heeft [gedaagde] zich schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk.



4.19.
In de tweede plaats is ook sprake van een agressieve handelspraktijk in de zin van artikel 6:193h BW. De handelswijze waarbij [gedaagde] in zijn e-mails van 28 en 29 februari 2024 heeft gedreigd met het stopzetten en blokkeren van de geleverde ICT-diensten als de opzegging van de overeenkomst niet zou worden geannuleerd, is een handelswijze die ertoe kan leiden dat de gemiddelde consument een ander besluit over de overeenkomst zou kunnen nemen, dat hij anders niet had genomen. De wijze waarop [gedaagde] via deze e-mails [eisers] onder druk heeft gezet om langer vast te houden aan een abonnement waar zij eerder van af hadden willen komen, kwalificeert daarmee als agressieve handelspraktijk in de zin van artikel 6:193h, eerste lid, van het BW.



4.20.
Omdat er sprake is van oneerlijke handelspraktijken, is de overeenkomst ook op die grond vernietigbaar. De vordering van [eisers] tot vernietiging van de overeenkomst is dus ook op die grond toewijsbaar. De overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] wordt vernietigd.


Onverschuldigde betaling



4.21.
Vernietiging van de overeenkomst heeft terugwerkende kracht. Daarmee ontvalt de rechtsgrond van betalingen die op grond van die overeenkomst zijn gedaan. Die betaalde bedragen zijn dan onverschuldigd betaald. [eisers] vorderen op die grond terugbetaling van een bedrag van € 1.320,00. De hoogte van dit bedrag is door [gedaagde] niet betwist. De vordering wordt toegewezen.



4.22.

[gedaagde] is ook wettelijke rente verschuldigd. Bij een onverschuldigde betaling is de ontvanger in beginsel wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat hij in verzuim is. Verzuim treedt, als hoofdregel, in na een ingebrekestelling. In dit geval geldt de brief van 2 juni 2025 van de gemachtigde van [eisers] aan [gedaagde] als een deugdelijke ingebrekestelling. De (voormalige) gemachtigde van [gedaagde] heeft op 5 juni 2025 gereageerd dat niet tot betaling zal worden overgegaan, waardoor de wettelijke rente vanaf dit moment toewijsbaar is.


Schadevergoeding



4.23.
Artikel 6:193b lid 1 BW bepaalt dat een oneerlijke handelspraktijk een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW oplevert. [gedaagde] moet daarom de schade die [eisers] als gevolg van het onrechtmatig handelen hebben geleden aan hen vergoeden. Daarbij wordt opgemerkt dat verzuim voor aansprakelijkheid op deze grondslag geen vereiste is, waardoor dit verweer van [gedaagde] in ieder geval niet opgaat.



4.24.

[eisers] vorderen in dit kader een bedrag van € 1.929,51 aan materiële schadevergoeding en € 4.000,00 aan immateriële schadevergoeding. Het gevorderde bedrag aan materiele schadevergoeding wordt onderbouwd met vier facturen. Volgens [gedaagde] houden de opgevoerde kosten verband met het overstappen naar een nieuwe IT-beheerder, welke kosten hoe dan ook gemaakt zouden worden.



4.25.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit standpunt. Uit de overgelegde correspondentie uit februari 2024 blijkt dat [gedaagde] niet meewerkte aan normale overdracht van de gegevens van [eisers] en hij heeft zelfs gedreigd met het bokkeren van de diensten. Dit is hiervoor ook aangeduid als een oneerlijke handelspraktijk. [eisers] waren hierdoor genoodzaakt een derde in te schakelen om hun gegevens veilig te stellen, deze te herstellen en – buiten [gedaagde] om – over te zetten. Voldoende aannemelijk is dat dit gepaard is gegaan met meer werk en kosten dan wanneer [gedaagde] met de overdracht had meegewerkt. Voor deze kosten is [gedaagde] aansprakelijk.



4.26.

[gedaagde] heeft wel een aantal specifieke opmerkingen bij de facturen geplaatst. Samengevat komen deze opmerkingen hierop neer:


op de facturen staan drie posten van elk € 114,95, die feitelijk op dezelfde werkzaamheden zien, namelijk op een eerste verkenning van de situatie en het bepalen van de te verrichten werkzaamheden,


er is een aparte post van € 114,95 gerekend voor het afronden van de werkzaamheden. Dit kan volgens [gedaagde] niet als zelfstandige schadepost worden gepresenteerd;


er is € 172,43 gerekend voor het ‘verwijderen van onnodige software, installeren en configureren security pack, configureren download en back-up’. Er was geen onnodige software geïnstalleerd en verder is niet duidelijk waarom de rest van deze schadepost verband houdt met [gedaagde] ,


er zijn schadeposten van € 114,95, € 114,95 en € 287,38 gerekend voor werkzaamheden die samenhangen met het installeren en configureren van een nieuwe laptop, die geen onderdeel is van de gevorderde schadevergoeding,


er is € 57,48 gerekend voor het verwijderen van de programma’s VirusFighter en Webroot. Deze werkzaamheid houdt geen verband met [gedaagde] ,


er is € 86,21 in rekening gebracht voor het overzetten van mobiele data naar een nieuw mobiel toestel. Deze schadepost houdt geen verband met [gedaagde] .





4.27.

[eisers] zijn niet op deze opmerkingen ingegaan en zij hebben ook niet toegelicht waarom deze kosten volgens hen wel verband houden met de gedragingen van [gedaagde] . De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de gevorderde schadevergoeding deels af te wijzen. Het gaat dan om 2 keer € 114,95 voor driedubbel gefactureerde voorbereidingskosten en de kosten als genoemd onder de gedachtestreepjes 2 tot en met 6 hiervoor. In totaal is dat een bedrag van € 1.063,30. De schadevergoeding is aldus toewijsbaar tot een bedrag van € 1.929,51 minus € 1.063,30 is € 866,21.



4.28.
Over het toewijsbare bedrag aan schadevergoeding is wettelijke rente toewijsbaar. De wettelijke rente over schadevergoeding is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade is geleden; in dit geval dus het moment dat de facturen door [eisers] zijn betaald. Gesteld noch gebleken is wanneer betaling van de facturen heeft plaatsgevonden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf de dag der dagvaarding (18 augustus 2025).


Immateriële schadevergoeding



4.29.
Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder sub b BW bestaat ten aanzien van immateriële schade recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van lichamelijk letsel of van het schaden van de eer of goede naam is in deze zaak geen sprake, zodat de beoordeling zich verder toespitst op de genoemde aantasting in persoon ‘op andere wijze’. Hieronder valt in ieder geval geestelijk letsel. Maar ook wanneer geen sprake is van geestelijk letsel kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is.



4.30.

[eisers] hebben toegelicht dat zij geen geestelijk letsel hebben opgelopen als gevolg van het handelen van [gedaagde] . Als – zoals in dit geval – het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, moet degene die zich op de aantasting beroept dat met concrete gegevens onderbouwen. Dat is alleen anders als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet al sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (zie de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278).



4.31.
De kantonrechter acht de toelichting die [eisers] in de processtukken en op de mondelinge behandeling hebben gegeven onvoldoende om tot toewijzing van immateriële schadevergoeding te komen. [eisers] hebben gesteld dat [gedaagde] door middel van het installeren van de Atera-monitoringssoftware en het onderbrengen van de Microsoftomgevingen van [eisers] onder zijn eigen ‘tenant’ in staat was zich zonder toestemming of medeweten van [eisers] toegang te verschaffen tot hun computers, e-mail en bestanden. [gedaagde] heeft echter uitdrukkelijk betwist dat hij met de Atera-software toegang had tot de computer van [eisers] zonder dat zij daar toestemming voor gaven. [eisers] hebben op zitting verklaard dat zij een keer de muis van hun computer zagen bewegen alsof deze door een derde werd overgenomen, maar dat enkele feit is onvoldoende om te concluderen dat [gedaagde] ten allen tijde ongemerkt en ongevraagd toegang had tot alle computergegevens van [eisers] Voor een dergelijke verstrekkende conclusie hebben [eisers] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen. Bovendien, zelfs al zou vast komen te staan dat [gedaagde] zichzelf ongevraagd toegang kon geven tot de gegevens van [eisers], is de aard en de ernst van deze privacy-inbreuk in dit geval niet zodanig dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het uitgangspunt is dan dus dat [eisers] moeten bewijzen dat zij in hun persoon zijn aangetast en zij zullen de geleden schade met concrete gegevens moeten onderbouwen. De kantonrechter oordeelt dat [eisers] daarin niet zijn geslaagd. [eisers] hebben slechts in algemene bewoordingen gesteld dat zij door de privacy-inbreuk een onveilig gevoel en stress hebben ervaren. Dat is op zichzelf onvoldoende voor een veroordeling in immateriële schade, nu hieruit niet voldoende concreet kan worden geconcludeerd dat [eisers] in hun persoon zijn aangetast.



4.32.

[gedaagde] heeft verder volgens [eisers] zonder enig rechtmatig belang hun persoonlijke domeinnamen bezet gehouden en hij heeft niet meegewerkt met de overdracht daarvan. Verder heeft [gedaagde] volgens [eisers] gedreigd hen de toegang te ontzeggen tot hun eigen (persoons)gegevens en digitale omgevingen, als [eisers] niet zouden blijven betalen. Ook van deze kwestie hebben [eisers] een onveilig gevoel en stress ervaren. Daarmee is echter niet nog vastgesteld dat sprake is van een dusdanig ernstige normschending door [gedaagde] dat dit heeft geleid tot schade die is aan te merken als aantasting in de persoon van [eisers] hebben de voor hen nadelige gevolgen onvoldoende geconcretiseerd. Dat zij stress hebben ervaren van het geschil met [gedaagde] is vervelend, maar leidt er niet zonder meer toe dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.



4.33.
De gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.


Proceskosten



4.34.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


In reconventie




4.35.

[gedaagde] heeft gevorderd dat het [eisers] verboden wordt om nieuwsbrieven over zijn persoon, zijn bedrijf en bedrijfsvoering te verspreiden. Daartoe heeft [gedaagde] in deze procedure overgelegd een voorgedrukte verklaring die ‘gedupeerden’ van [gedaagde] kunnen ondertekenen, een opsomming getiteld: ‘tips voor problemen met [gedaagde] ’, nieuwsbrieven nummers [nummers] van respectievelijk [datum 1] 2024, [datum 2] 2024, [datum 3] 2025, [datum 4] 2025 en [datum 5] 2025 en drie brieven waarbij (oud-)klanten van [gedaagde] worden benaderd. De kantonrechter begrijpt dat de vordering van [gedaagde] al deze overgelegde documenten bevat.



4.36.
Uitgangspunt is dat [eisers] recht hebben op hun vrijheid van meningsuiting. Dat recht is echter niet absoluut. Het recht op vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en rechten van anderen. De kantonrechter zal de overgelegde stukken doorlopen.


De verklaring



4.37.
Te beginnen met de overgelegde verklaring die ‘gedupeerden’ van [gedaagde] kunnen ondertekenen (pagina 1 en 2 van productie 5 bij de conclusie van antwoord). In dit stuk wordt [gedaagde] meermaals beschuldigd van ‘criminele activiteiten’, ‘criminele handelingen’, ‘strafbare feiten’ en ‘wijdverspreid crimineel gedrag’ waaronder valsheid in geschrifte, computervredebreuk, oplichting, identiteitsfraude, verduistering, chantage en diefstal. Ook wordt [gedaagde] beschuldigd van intimidatie en bedreiging en wordt gesproken over ‘bestrijding van dit kwaad’.



4.38.
Geoordeeld wordt dat de bewoordingen van [eisers] in dit document nodeloos grievend zijn en niet met feitelijkheden worden onderbouwd. Daarom wordt geoordeeld dat het verspreiden van dit bericht onrechtmatig is tegenover [gedaagde] . [eisers] mogen dit bericht niet langer verspreiden, op straffe van een dwangsom zoals hierna bepaald.


Tips tegen [gedaagde]



4.39.
In het tweede overgelegde stuk ‘tips voor problemen met [gedaagde] ’, worden naar het oordeel van de kantonrechter geen nodeloos grievende bewoordingen gebruikt. Lezers van dit document worden geïnformeerd over hun rechten bij opzegging van een contract en zij worden aangespoord een aantal zaken te checken, zoals welke software er op hun computer is geïnstalleerd en op welke naam een domeinnaam, website of telefoonnummer staat geregistreerd. Weliswaar bevat het document een aantal schurende opmerkingen zoals ‘de trucs van [gedaagde] ’ en ‘ [gedaagde] zegt zijn klanten aan te sluiten bij bv KPN maar dat is niet zo’. Dit gaat echter niet zo ver dat deze opmerkingen onrechtmatig zijn tegenover [gedaagde] .


Nieuwsbrieven



4.40.
Ook voor de nieuwsbrieven geldt dat hierin geen nodeloos grievende bewoordingen worden gebruikt. De nieuwsbrieven zijn veelal een (neutrale) weergave van gebeurtenissen, (gerechtelijke) acties die zijn getroffen tegen [gedaagde] en/of die worden voorbereid. Naar het oordeel van de kantonrechter vervullen de nieuwsbrieven daarmee vooral een informerende functie. Dat in de nieuwsbrieven stellingen worden ingenomen die niet met feitelijkheden worden onderbouwd, is door [gedaagde] onvoldoende voor het voetlicht gebracht. Daarom wordt geoordeeld dat het verspreiden van dit bericht niet onrechtmatig is tegenover [gedaagde]


Brieven



4.41.
Ten slotte heeft [gedaagde] drie (foto’s van) brieven overgelegd. Eén brief is ongeadresseerd en slechts gericht aan ‘beste bewoner’. De andere twee brieven zijn aan bewoners van specifieke adressen geadresseerd. Ter zitting hebben [eisers] verklaard dat zij brieven bij mensen in de brievenbus hebben gedaan om hen te benaderen. Aangenomen wordt dat het dan gaat om onderhavige brief of een soortgelijke brief. In de brieven wordt gerefereerd aan ‘een hulpgroep voor gedupeerden van [gedaagde] ’ die zichzelf ook als ‘slachtoffers’ typeren. Verder wordt [gedaagde] in de brieven beschuldigd van ‘malafide praktijken’ en het bedreigen met advocaten en incassobureaus.



4.42.
Geoordeeld wordt dat de bewoordingen van [eisers] in dit document nodeloos grievend zijn en niet met feitelijkheden worden onderbouwd. Weliswaar zijn er inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken gedaan in het nadeel van [gedaagde] , maar zeker niet voor alle – volgens [eisers] ongeveer 80 – personen uit de ‘hulpgroep’ is in rechte vastgesteld dat zij gedupeerd zijn of dat de verwijten die in de brieven aan het adres van [gedaagde] worden gemaakt terecht zijn. De stellingen in de brieven zijn daarmee onvoldoende met feiten onderbouwd. Bovendien wordt geoordeeld dat deze brieven [gedaagde] aanzienlijke schade kunnen toebrengen, nu aannemelijk is dat zijn klanten of potentiële klanten zullen afhaken bij ontvangst van een dergelijk bericht. Daarom wordt geoordeeld dat het verspreiden van dit bericht onrechtmatig is tegenover [gedaagde] . [eisers] mogen deze brieven niet langer verspreiden, op straffe van een dwangsom zoals hierna bepaald.


Proceskosten



4.43.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen ook in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing

De kantonrechter


in conventie:



5.1.
vernietigt de overeenkomst tussen partijen,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 1.320,00 aan onverschuldigd betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 5 juni 2025 tot de voldoening,



5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 866,21 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 18 augustus 2025 tot de voldoening,


in reconventie:




5.4.
verbiedt [eisers] om de ‘verklaring’ (zoals overgelegd als pagina 1 en 2 van productie 5 bij de conclusie van antwoord) en de brieven (zoals overgelegd als pagina 15 t/m 18 van productie 5 bij de conclusie van antwoord) op te stellen en te verspreiden aan het publiek, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van € 5.000,-,


in conventie en reconventie:




5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.



Artikel 6:230g lid 1 onder f BW


Artikel 6:230n lid 4 BW.


Artikel 6:230t lid 1 BW.


Artikel 6:230t lid 2 BW.


Vergelijk HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.


Artikel 6:193b lid 2 BW.


In de artikelen 6:193c t/m 6:193g BW


Artikel 6:193j BW.


Artikel 6:193d BW.


In de zin van artikel 6:230m lid 1 sub a, g, h en o BW.


Artikel 6:193e lid 1 sub a, d en e jo 6:193d lid 2 BW.


Artikel 6:193j lid 3 BW.


Artikel 3:53 lid 1 BW.


Artikel 6:203 BW.
Link naar deze uitspraak