Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:9526 
 
Datum uitspraak:05-10-2026
Datum gepubliceerd:09-10-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:C/13/793121 / KG ZA 26-77
Rechtsgebied:Burgerlijk procesrecht
Indicatie:tenuitvoerlegging Marokkaanse kinderalimentatiebeschikking wordt geschorst omdat in Nederland al kinderalimenatie is vastgesteld.
Trefwoorden:echtscheiding
levensonderhoud
onderhoudsverplichtingen
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/793121 / KG ZA 26-778 MK/EB


Vonnis in kort geding van 5 oktober 2026


in de zaak van



[de vader]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij bij dagvaarding van 7 september 2026,
hierna te noemen: vader,
advocaten: mr. D.B. den Hartog en mr. E.S. Vrijbloed,

tegen



[de moeder]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: moeder,
in persoon verschenen.





1De procedure

Op de zitting van 21 september 2026 heeft vader de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Ter zitting heeft hij de geldvordering voor in Marokko gemaakte proceskosten ingetrokken. Moeder heeft verweer gevoerd aan de hand van een tevoren ingediend verweerschrift. Vader heeft producties ingediend en gebruikgemaakt van pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Op de zitting was vader aanwezig met mr. Den Hartog en mr. Vrijbloed. Moeder was aanwezig zonder advocaat en zonder tolk.

Vonnis is bepaald op vandaag.




2De feiten


2.1.
Partijen zijn op 13 november 2014 met elkaar gehuwd in [plaats] , Marokko. Zij hebben allebei de Nederlandse nationaliteit en zijn direct na de huwelijksvoltrekking in Nederland gaan wonen. Vader heeft nooit in Marokko gewoond.



2.2.
Partijen hebben samen een dochter, [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016.



2.3.
Vader is in 2020 in Marokko een echtscheidingsprocedure gestart. Hij heeft zijn verzoek ingetrokken omdat in Marokko geen rekening wordt gehouden met de omvang van de zorgregeling en omdat contant moest worden betaald.


2.4.
Vader is vervolgens in Nederland een echtscheidingsprocedure gestart. Vader heeft daarin onder meer verzocht om te bepalen dat hij € 50 per maand aan kinderbijdrage voor [minderjarige] moet betalen. Moeder heeft daartegen geen verweer gevoerd. Bij beschikking van 15 maart 2023 is de kinderbijdrage vastgesteld op € 50 per maand. Moeder had niet verzocht om partneralimentatie.



2.5.
De echtscheidingsbeschikking is in Marokko op 20 juni 2023 bekrachtigd bij vonnis met nummer 652 in de zaak nr. 674/1117/2023.



2.6.
Op 22 februari 2024 heeft vader 46.416 Dirham betaald om te voldoen aan een vonnis met nummer 332 in de zaak nr. 247/6210/2024.



2.7.
Op 7 januari 2025 heeft moeder de Marokkaanse rechter verzocht, kort gezegd, om vaststelling van partner- en kinderalimentatie. Vader heeft in die procedure verweer gevoerd.


2.8.
Bij beschikking van 4 november 2025 (met nummer 1628 in de zaak met nummer 127/1620/2025) heeft de rechtbank van eerste aanleg te [plaats] , Marokko, bepaald dat vader aan moeder moet betalen:
- voor haarzelf:
 60.000 Dirham aan Mutäa (vergoeding over de huwelijksperiode); en
 3.000 Dirham aan huisvestingsvergoeding tijdens de “Idda” periode (drie maanden na de echtscheiding);

- voor [minderjarige] :
 400 Dirham per maand aan huisvestingsvergoeding vanaf 15 maart 2023 totdat deze wettelijk komt te vervallen; en
 100 Dirham per maand aan de kosten van verzorging en opvoeding vanaf 15 maart 2023 totdat deze wettelijk komt te vervallen.
In (de Nederlandse vertaling van) deze uitspraak staan onder meer de volgende overwegingen:
“De feiten:(…)De verwerende partij (vader, vrz.) had eerder bij deze rechtbank een echtscheidingsverzoek ingediend op grond van ontwrichting van het huwelijk, onder zaaknummer 1461/1626/2021, waarin werd bepaald dat hij de verzoekende partij de uit de echtscheiding voortvloeiende alimentatie ten bedrage van 53000 Dirham moest betalen. (…) De verwerende partij trok zijn verzoek echter in en diende vervolgens een echtscheidingsverzoek in bij de Nederlandse rechtbank om de betaling van de toegekende alimentatie te ontlopen.(…)De verzoekende partij voegde bij haar verzoekschrift een gewaarmerkte kopie van het vonnis nr. 332 zaak nr. 1431/1626/2021 d.d. 23-02-2022; een gewaarmerkte kopie van het vonnis nr. 652 zaak nr. 674/1117/2023 d.d. 20-06-2023; en een kopie van het vonnis nr. 557 d.d. 21-11-2024 (…)


Na beraadslaging en conform de Wet:
(…)

Wat betreft de rechten van de verzoekende partij:
De verwerende partij voerde aan dat de verzoekende partij de jurisdictie van haar woonland had aanvaard en zich niet had beroepen op het beginsel van bevoegdheidstoewijzing aan de Marokkaanse rechtbanken. Dit argument werd echter verworpen, aangezien de rechtbank, na bestudering van het buitenlandse beschikking echtscheiding, vaststelde dat de verwerende partij wel degelijk de verzoekende partij was, waardoor de verzoekende partij gerechtigd was haar rechten uit de echtscheiding op te eisen overeenkomstig artikel 84 van het (Marokkaanse, vzr.) familierecht. (…)Bij bestudering van het dossier, met name het buitenlandse beschikking echtscheiding, bleek dat daarin geen enkele aanwijzing stond over de rechten van de echtgenote.(…)Met betrekking tot de rechten van de dochter:(…) Na bestudering van het dossier oordeelt de rechtbank dat de kinderalimentatie, zoals vastgelegd in het buitenlandse beschikking echtscheiding, € 50 per maand bedraagt. De vordering tot kinderalimentatie is derhalve ongegrond en dient te worden afgewezen.De verwerende partij voerde aan dat de verzoekende partij gratis huisvesting ontvangt van de Nederlandse staat. Na bestudering van het dossier vindt de rechtbank geen bewijs dat de verzoekende partij enige uitkering of gratis huisvesting van de Nederlandse staat ontvangt. Bijgevolg is het argument van de verwerende partij ongegrond en dient het te worden verworpen. Dientengevolge heeft de rechtbank besloten de huisvestingvergoeding en de verzorging en opvoeding van de dochter van de partijen vast te stellen met ingang van de datum van de beschikking echtscheiding d.d. 15 maart 2023, zoals uiteengezet in het onderstaande beslissing.Het verzoek om de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is alleen gerechtvaardigd met betrekking tot de rechten van de dochter, gezien hun bijzondere aard in verband met hen rol in het levensonderhoud, en niet met betrekking tot de overige aspecten (…).”





3Het geschil


3.1.
Na vermindering van eis vordert vader, kort gezegd:


i) Moeder te verbieden de uitspraak van de Marokkaanse rechtbank van 4 november 2025 en/of de door het gerechtshof in het hoger beroep in Marokko daartegen gewezen uitspraak over de kinder- en partneralimentatie te executeren;


ii) Moeder te bevelen alle alimentatieprocedures die zij intussen aanhangig heeft gemaakt te staken en gestaakt te houden en haar te verbieden in de toekomst alimentatieprocedures te voeren;


alles op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van moeder in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.



3.2.
Moeder voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang.





4De beoordeling


4.1.
De vordering is in kort geding toewijsbaar als voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van vader zal volgen en als niet van hem kan worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.



4.2.
Op de zitting bleek de zaak anders in elkaar te steken dan in de dagvaarding werd voorgespiegeld, doordat vader zijn advocaten onvolledig had geïnformeerd. Ook nu nog is een aantal zaken onduidelijk gebleven. Zo wordt in de stukken melding gemaakt van een vonnis dat op 23 februari 2022 door de Marokkaanse rechter is gewezen (vonnis met nummer 332 in de zaak nr. 1431/1626/2021) en een vonnis dat op 21 november 2024 in Marokko is gewezen (vonnis met nummer 557, geen zaaknummer). Bij de betaling die vader heeft gedaan op 22 februari 2024 is verwezen naar een vonnis met nummer 332 in de procedure met zaak nr. 247/6210/2024. Geen van deze uitspraken is overgelegd, wat wel op de weg van vader had gelegen.



4.3.
Vooralsnog wordt het ervoor gehouden dat vader eerst een echtscheidingsprocedure is gestart in Marokko, maar dat hij die niet heeft doorgezet omdat die voor hem onvoordelig leek uit te vallen, en dat hij vervolgens een echtscheidingsprocedure in Nederland is gestart, waarna moeder de procedure in Marokko heeft voortgezet. Partijen leken het daarover op de zitting eens te zijn.



4.4.
Niet ter discussie staat dat partijen sinds de huwelijkssluiting altijd in Nederland hebben gewoond en dat [minderjarige] daar ook altijd heeft gewoond. In die gevallen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van verzoeken over onderhoudsverplichtingen op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008). Die verzoeken moeten worden beoordeeld naar Nederlands recht (artikel 15 van de Alimentatieverordening jo. artikel 3 lid 1 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen).



4.5.
De keuze om in die situatie te gaan procederen voor de rechtbank in Marokko, past daar niet bij. Dat vader met twee maten meet – hij is immers als eerste naar de Marokkaanse rechter gestapt – maakt dat niet anders.



4.6.
Door de keuze van de vrouw om de procedure in Marokko voort te zetten, heeft de Marokkaanse rechter – ruim twee jaar nadat in Nederland de kinderbijdrage was vastgesteld – ook weer een bedrag vastgesteld dat vader moet betalen voor de huisvesting, verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zonder toelichting is die beslissing niet goed te rijmen met de ongegrondverklaring – in dezelfde beslissing – van het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie, maar hoe dan ook is voorshands aannemelijk dat op vader nu een dubbele verplichting rust om de kosten van het levensonderhoud en de verzorging van [minderjarige] te betalen. Dat is zonder nadere toelichting niet logisch. Vader stelt te leven van een uitkering en dat is niet betwist. Hetzelfde geldt voor de verplichting tot betaling van partneralimentatie die hem door de Marokkaanse rechter is opgelegd. Moeder kan desgewenst de Nederlandse rechtbank vragen om partneralimentatie vast te stellen. Waarom een uitspraak van de Marokkaanse rechter inzake partneralimentatie gelding moet hebben tussen moeder en vader die sinds de huwelijksuitsluiting altijd in Nederland hebben gewoond is bovendien niet toegelicht.


4.7.
Het vorenstaande betekent dat bij de huidige stand van zaken het voorshands aannemelijk is dat moeder onrechtmatig handelt jegens vader door de in Marokko verkregen uitspraak ten uitvoer te leggen. Dat betekent dat de vordering als volgt kan worden toegewezen.



4.8.
Onduidelijk is of in Marokko hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van 4 november 2025 en of de toegewezen partneralimentatie in Marokko nu al uitvoerbaar is. Maar tussen partijen staat niet ter discussie dat vader het risico loopt dat hij, als hij geen uitvoering geeft aan de Marokkaanse uitspraak, bij een volgend bezoek aan Marokko bij de grens zal worden aangehouden vanwege – in ieder geval – de naar Marokkaans recht dan achterstallige kinderbijdrage. Hierin is het belang van vader bij het voorkomen van tenuitvoerlegging van de uitspraak van 4 november 2025 gelegen.



4.9.
In plaats van een tijdelijk verbod om de Marokkaanse uitspraak te executeren, zal de tenuitvoerlegging ervan worden geschorst. Dan is een dwangsom niet nodig. Een dwangsom zal de verhoudingen tussen partijen naar verwachting onnodig verder belasten. Desgevraagd hebben de advocaten van vader laten weten dat zij in Marokko uit de voeten kunnen met een vonnis van de Nederlandse rechter waarin de tenuitvoerlegging van een Marokkaans vonnis wordt geschorst. Ten aanzien van de duur van de schorsing hebben zij aangekondigd dat vader in Nederland een bodemprocedure zal starten waarin hij een verbod zal vragen op de tenuitvoerlegging van de Marokkaanse uitspraak. Het is volgens hen niet nodig om in Marokko te procederen om die uitspraak te laten vernietigen. Dat in aanmerking nemend, zal de schorsing worden uitgesproken op de wijze zoals in de beslissing weergegeven.



4.10.
De vordering om moeder te bevelen “alle door haar intussen aanhangig gemaakte en in de toekomst aanhangig te maken alimentatieprocedures” te staken en gestaakt te houden, zal worden afgewezen. Er zijn geen aanwijzingen dat er nog andere alimentatieprocedures lopen en dat ligt ook niet voor de hand. Bovendien moet het voor moeder mogelijk blijven om bij de Nederlandse rechter een verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie in te dienen, dan wel een verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage.



4.11.
Dat moeder niet door een tolk is bijgestaan op de zitting, is geen reden om anders te beslissen. Voor zover zij heeft bedoeld te zeggen dat vader de kinderbijdragen niet (tijdig en volledig) betaalt, geldt dat de vraag of vader aan zijn verplichtingen voldoet, het kader van dit kort geding te buiten gaat. Mocht vader de door de Nederlandse rechtbank opgelegde kinderbijdrage niet betalen, kan moeder het LBIO inschakelen.



4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van 4 november 2025 van de rechtbank van eerste aanleg in [plaats] , Marokko, alsmede de uitspraak in het eventuele in Marokko gevoerde/te voeren hoger beroep tegen de uitspraak van 4 november 2025, totdat ófwel in Nederland in een bodemprocedure is beslist dat die uitspraak of uitspraken in Nederland niet ten uitvoer mag/mogen worden gelegd, ófwel in Marokko is/zijn vernietigd,


5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.
















































Coll: KH
Link naar deze uitspraak