Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2025:28011 
 
Datum uitspraak:06-11-2025
Datum gepubliceerd:03-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/7739
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Last onder dwangsom. Het college van burgemeester en wethouders heeft eiseres een last onder dwangsom opgelegd vanwege het geconstateerde met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand aan de [adres] in Gouda. Het gaat om een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het beroep gericht tegen de oplegging van de last onder dwangsom heeft deze rechtbank ongegrond verklaard.
Trefwoorden:bestemmingsplan
bestuursdwang
omgevingsvergunning
stallen
vrijwilligers
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7739

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen


Stichting [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),

en



het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder
(gemachtigden: mr. L. Robbemond en L. Hogeveen).




Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder om haar een last onder dwangsom op te leggen.

1.1.
Met het primaire besluit van 13 september 2023 heeft verweerder de last onder dwangsom opgelegd in verband met het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand aan de [adres] in Gouda (het pand). Met het bestreden besluit van 13 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering daarvan.1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.


1.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 31 juli 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep van eiseres met zaaknummer SGR 24/6289. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Namens eiseres was aanwezig: [naam 1]. De rechtbank doet in beide zaken afzonderlijk uitspraak.





Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


2. Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het hof) van 15 december 2020 heeft het Hof de verbodenverklaring van de [organisatie 1] en [organisatie 2] bekrachtigd, omdat zij door hun gedragingen en cultuur een bedreiging voor de openbare orde vormen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 15 juli 2022. De [organisatie 1]-charter in Nederland bestaat uit achttien charters, met in totaal ongeveer 240 leden. Er zijn twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en zestien stichtingen verbonden aan de [organisatie 1]-charters in Nederland.


2.1.
Het hof heeft verder overwogen dat de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen zijn aan te merken. Zij vallen dus niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van [organisatie 1]. Dat neemt niet weg dat de verklaring voor recht ten aanzien van [organisatie 2] en de verbodenverklaring van [organisatie 1] indirect wel gevolgen hebben voor de Nederlandse charters en hun leden. Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn, staat het hen ook niet meer vrij om de werkzaamheid van [organisatie 2] en [organisatie 1] voort te zetten. Onder meer betekent dit dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden.


2.2.
Het charter van de [organisatie 1] in Gouda is een stichting, die dus niet direct onder
de verbodenverklaring van [organisatie 1] valt. Het staat de stichting echter niet meer vrij
om de werkzaamheden van het [organisatie 2] voort te zetten. Naar aanleiding van het arrest van de
Hoge Raad heeft verweerder de politie verzocht om relevante informatie over het charter
van de [organisatie 1] in Gouda.


Relatie tussen de twee beroepszaken


3. Op de zitting zijn twee beroepszaken tegelijk behandeld vanwege de samenhang.
De beroepsprocedure met zaaknummer SGR 24/6289 gaat over het besluit van de
burgemeester om het pand van eiseres voor onbepaalde tijd te sluiten, omdat het pand als
openbare inrichting/clubhuis in gebruik was. Dit is in strijd is met de Algemene plaatselijke
verordening Gouda 2020 (hierna APV). De burgemeester vindt het, op grond van de
bevindingen uit de bestuurlijke rapportages, aannemelijk dat [organisatie 2] charter Gouda, althans
eiseres, de werkzaamheden van de verboden verklaarde organisatie [organisatie 1] in enige
vorm voortzet en daarom ook zelf onder het betreffende verbod valt, en dat de activiteiten
dan wel bijeenkomsten die in en vanuit het pand worden georganiseerd, strekken tot
voortzetting van de activiteiten van [organisatie 2] (charter Gouda) en dat die activiteiten een
ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. De burgemeester stelt zich op het
standpunt dat hij bevoegd is om het pand voor onbepaalde tijd te sluiten, dat de sluiting het
geschikte middel is om de openbare orde te beschermen en de geconstateerde overtredingen
definitief te beëindigen en om herhaling van de geconstateerde overtredingen te voorkomen.
Ook stelt hij zich op het standpunt dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het
woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang dat de
overtredingen ernstig zijn, gelet op de geweldscultuur van de verboden organisatie [organisatie 2],
waaraan eiseres kan worden gelieerd en dat er sprake is van recidive. Tot slot staat in het
besluit dat volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken
dat van de sluiting moet worden afgezien. Het beroep gericht tegen dit sluitingsbesluit heeft
deze rechtbank bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.



3.1.
In de zaak waar het in deze uitspraak over gaat, heeft het college van burgemeester
en wethouders (hierna: verweerder) eiseres een last onder dwangsom opgelegd, omdat
is geconstateerd dat het pand wordt gebruikt als clubhuis, wat in strijd is met het
bestemmingsplan. De last houdt in dat eiseres binnen drie dagen na oplegging van de last het strijdig gebruik van het pand staakt en gestaakt houdt. Aan de overtreding van de last is een eenmalige dwangsom verbonden van € 7.500,- te verbeuren ineens.


Wat heeft verweerder besloten?


4. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres, naar aanleiding van een integrale controle op 14 april 2023 naar het gebruik van het pand, een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Wabo.4.1. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is verweerder bij zijn besluit gebleven, met aanvulling van de motivering daarvan en onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 2 augustus 2024, waarin is verwezen naar het advies van de commissie van 18 april 2024 in de andere zaak. Verweerder heeft aan het besluit derdenwerking toegekend en het besluit in het Kadaster ingeschreven.


4.2.
Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanleiding voor de last onder dwangsom een integrale controle was naar het gebruik van het pand van eiseres, uitgevoerd op 14 april 2023, door gemeentelijke toezichthouders, de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) en de politie. Van de bevindingen tijdens deze controle hebben zij rapportages opgesteld en aan verweerder verstrekt. In deze rapportages hebben de toezichthouders geconstateerd dat het pand als clubhuis in gebruik was.



4.3.
Bij en in het lokaal zijn de volgende feiten en omstandigheden geconstateerd:

- aan de buitenzijde van het lokaal viel op dat op en aan het pand meerdere camera's waren geïnstalleerd;
- buiten, vóór de roldeur van het lokaal stonden meerdere motoren. Deze motoren stonden blijkens politieregistraties op naam staan van (herkende) [organisatie 2]-leden;
- eveneens buiten het lokaal stonden personen van wie de legitimatiebewijzen zijn opgevraagd, de namen zijn genoteerd en zijn gecontroleerd. Deze personen zijn (herkende) [organisatie 2]-leden;
- uit het lokaal klonken stemmen en muziek;
- in het pand, op de begane grond werd een luxe keuken aangetroffen, voorzien van een gasfornuis, afzuigkap, wasbak, magnetron, koelkast en veel kastruimte. In dezelfde ruimte bevond zich een eettafel met zes stoelen;
- in de ruimte op de begane grond van het pand werden achter de roldeur een aanhanger en negen motoren, merk Harley Davidson, aangetroffen. Bij twee van de motoren lag een helm op de zitplaats. Bij een derde motor hing de helm aan het stuur met daaronder een jas. De kentekens wezen uit dat de motoren op naam stonden van [organisatie 2]-leden;
- de begane grond was niet ingericht als garage waar motoren worden gerepareerd. Wel lag er wat gereedschap, maar dat was niet geschikt om professioneel mee te kunnen sleutelen;
- op de etage (eerste verdieping) was een ruimte ingericht om bijeenkomsten te kunnen houden. Er waren in de ruimte diverse losse zit-en statafels met krukken en stoelen aanwezig en tevens vaste banken. Achterin de ruimte bevond zich één lange hoge tafel die als bar diende, met daarachter een grote glazen koelkast, gevuld met alcoholhoudende drank (bier). Op het moment van de controle waren in laatstgenoemde ruimte 20 á 30 personen (mannen) aanwezig die alcohol (bier) nuttigden. Er werd harde muziek afgespeeld;
- één van de aanwezige mannen verklaarde tegenover de toezichthouder van de ODMH dat er een "gezellig samenzijn" werd gehouden;
- tegenover de politie verklaarde de aanwezige heer [naam 2], bij de politie bekend als [organisatie 2]-lid van charter Gouda, dat de aanwezige personen de verjaardag vierden van iemand van de groep die 60 was geworden;
- aan het plafond in de betreffende ruimte hingen slingervlaggetjes en slingers met het nummer 60 erop, alsook een doek met de tekst "[eiseres]" en een afbeelding erop;
- in de ruimte hingen verder aan de muur (en plafond) een geluidinstallatie, dartboard, barverlichting en verschillende barornamenten;
- linksachter in de ruimte bevonden zich twee afsluitbare toiletten met een afbeelding van de [eiseres] erop;
- tegenover zowel de ODMH als de politie werd verklaard dat de begane grond van het pand vaak voor het stallen van en het hobbymatig sleutelen aan en schoonmaken van motoren werd gebruikt en de bovenverdieping als vergaderruimte;
- er werden geen aanwijzingen gevonden waaruit kon worden afgeleid dat in het lokaal bedrijfsactiviteiten plaatsvonden.



4.4.
Voorafgaand aan deze integrale controle op 14 april 2023 is verschillende keren
door de politie geconstateerd dat het pand voor het houden van bijeenkomsten in de avond
in gebruik was. In de periode augustus 2020 tot februari 2023 heeft verweerder diverse
bestuurlijke rapportages ontvangen van de politie waarin bevindingen over het pand zijn
opgenomen die tot januari 2017 teruggaan. De belangrijkste bevindingen uit deze
rapportages zijn:


uit de bestuurlijke rapportage van 4 januari 2022 blijkt dat er al jarenlang, minimaal om de twee weken – eiseres zelf spreekt over "wekelijks" - samenkomsten zijn in en bij het pand. Het gaat hierbij om groepen van verschillende samenstellingen (namelijk ook andere aan [organisatie 2] gelieerde personen), die niet alleen bestaan uit vrijwilligers van eiseres;


uit de bestuurlijke rapportage van 2 augustus 2022 blijkt dat omstreeks 23:00 uur mensen in het pand aanwezig waren na de begrafenis van een lid van de [organisatie 3]. Uit deze rapportage blijkt ook dat op vrijdag 15 juli 2022 een groep van ongeveer tien personen aanwezig was in het pand naar aanleiding van de civiele verbodsverklaring van [organisatie 1];


uit de bestuurlijke rapportage van 11 november 2022 blijkt dat er op de vrijdagavonden 2, 9, 16 en 23 september 2022 steeds een groep van ongeveer twintig personen in het pand aanwezig was van omstreeks 19:30 uur tot middernacht. Uit deze bestuurlijke rapportage blijkt ook dat op 1 oktober 2021 ongeveer twintig personen in het pand aanwezig waren. Er werd bier gedronken en er was eten in een "kippiepan" warm gemaakt. Ook blijkt uit deze bestuurlijke rapportage dat op 19 augustus 2022 ongeveer achttien personen in het pand aanwezig waren. Er werd muziek gedraaid en er werd gedronken uit groene flesjes, vermoedelijk betrof dit bier;


uit de bestuurlijke rapportage van 21 februari 2023 blijkt dat er op 11 februari 2023 omstreeks 00:15 uur nog mensen in het pand aanwezig waren.





4.5.
Verweerder concludeert, op basis van de geconstateerde feiten en omstandigheden zoals vermeld in de hiervoor aangehaalde rapportages, dat het hoofdgebruik van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit gebruik is in strijd met het bestemmingsplan ‘Oostpolder’. Het pand is uitsluitend bestemd voor bedrijfsmatig gebruik. Daarnaast concludeert verweerder dat het pand niet bedrijfsmatig in gebruik was voor opslag van motoren. Dit blijkt uit het geringe aantal motoren dat bij de controle in het pand is aangetroffen, het vrijwel ontbreken van betalingen van kosten van huur van een stallingsplaats, de beperkte ruimte die in het pand voorhanden is voor stalling in verhouding tot de omvang van de samenkomstruimte en keukenfaciliteit en het feit dat het pand overdag niet in gebruik was. Evenmin is sprake van bedrijfsmatige reparaties. Dit volgt uit de aard en beperkte hoeveelheid gereedschap dat in het pand is aangetroffen. Dit maakt dat het gebruik van het pand op twee manieren in strijd was met het bestemmingsplan, namelijk het hoofdgebruik van het pand als clubhuis en het niet bedrijfsmatig en ondergeschikte gebruik van het pand als stallings- en sleutelruimte. Hiermee overtrad eiseres het verbod zoals omschreven in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.


Wat vindt eiseres in beroep?


5. Eiseres is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Eiseres is een stichting, opgericht in 2007, heeft een bestuur en een aantal vrijwilligers die gebruik maken van het pand dat eiseres huurt sinds 2011. Het pand was tot het opleggen van de last onder dwangsom in gebruik voor de stalling en onderhoud van motoren van vrijwilligers en voor de opslag van materialen voor Harley Davidson-evenementen die eiseres organiseert, zoals ritten. Ook kwamen het bestuur en de vrijwilligers van eiseres wekelijks samen in het pand om te vergaderen. Op wat eiseres in beroep aanvoert, gaat de rechtbank hierna in.



Wat zijn de regels?


6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de last onder dwangsom is opgelegd vóór 1 januari 2024, is op het bestreden besluit de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.


Wat is het oordeel van de rechtbank?


7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen de last onder dwangsom ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Toetsingskader


8. Een bestuursorgaan is bevoegd om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang dan wel last onder dwangsom als sprake is van een overtreding, een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. De bevoegdheid van verweerder volgt uit artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met de artikelen 5:4 en 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht.



8.1.
Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zonder te beschikken over een toereikende omgevingsvergunning, is een overtreding van het verbod neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.



8.2.
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden.



8.3.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er sprake van een bijzonder geval waarin van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Voor het antwoord op de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming.



8.4.
De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het bestreden besluit en maakt een beoordeling ‘ex tunc’. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich ten tijde van het bestreden besluit van 13 augustus 2024 op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij handhavend mocht optreden. Deze overtreding betreft de strijd met het bestemmingsplan.


Is sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo?


9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat geen sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.



9.1.
Allereerst volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de commissie in haar advies van 2 augustus 2024 in deze zaak niet zonder meer feiten en overwegingen uit het advies van de commissie van 18 april 2024 in de andere zaak mag overnemen. In het advies van 2 augustus 2024 stelt de commissie vast dat verweerder alleen de rapportage van
17 april 2024 aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd. Alleen op basis van deze rapportage kan volgens de commissie niet worden geconcludeerd dat de hoofdactiviteit van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is. Daarom adviseert de commissie de feiten en overwegingen die in het advies van 18 april 2024 aan de orde zijn gekomen en die hebben geleid tot het oordeel dat alle rapportages in onderling verband moeten worden bezien en die naar het oordeel van de commissie voldoende zijn voor de vaststelling dat de hoofdactiviteit van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is, mee te nemen in de beslissing op bezwaar.



9.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder dit advies heeft overgenomen en terecht heeft gewezen op de samenhang tussen beide procedures waarbij het gebruik van het pand centraal staat. Eiseres heeft tegen het sluitingsbesluit van de burgemeester en het dwangsombesluit van verweerder grotendeels dezelfde argumenten aangedragen. Als gevolg daarvan vertonen beide adviezen een zekere mate van overlap. Eiseres erkent deze samenhang ook zelf. De constateringen ten aanzien van het gebruik van het pand zijn in beide zaken aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Hiermee zijn de constateringen en overwegingen in het advies in de andere zaak ook relevant voor de beoordeling in deze zaak. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding dat verweerder deze feiten en omstandigheden uit de ander zaak niet ten grondslag mag leggen aan het bestreden besluit.


9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook voor wat betreft zijn motivering van het besteden besluit naar het andere advies verwijzen. Uit de besluitvorming van verweerder volgt namelijk dat hij zich ervan heeft vergewist dat het advies in de andere zaak zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de redeneringen daarin begrijpelijk zijn en dat de getrokken conclusies daarop aansluiten. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die reden geven voor twijfel hieraan.


9.4.
Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat het bestreden besluit alleen is gebaseerd op de bevindingen van de controle op 14 april 2023, dat dit onvoldoende is voor de conclusie dat het hoofdgebruik van het pand een clubhuis- of verenigingsfunctie is en dat de bestuurlijke rapportage hiervoor nauwelijks onderbouwing bevatten. Zoals verweerder in zijn besluitvorming uitvoerig heeft toegelicht heeft verweerder alle rapportages in onderling verband bezien.



9.5.
Volgens vaste jurisprudentie mag een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. Dit geldt ook voor een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.



9.6.
Verweerder stelt zich daarom terecht op het standpunt dat hij in beginsel mag uitgaan van de inhoud van een bestuurlijke rapportage. De gebruikte rapportages bevatten verschillende concrete waarnemingen en bevindingen met betrekking tot het gebruik van het pand. Vast staat dat eiseres de bevindingen in de verschillende rapportages niet inhoudelijk heeft betwist dan wel stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het pand bedrijfsmatig in gebruik was, al dan niet als stalling voor motoren. Wat eiseres aanvoert geeft geen aanleiding om aan de inhoud van de conclusies van de bestuurlijke rapportages te twijfelen. Verweerder mocht de bestuurlijke rapportages daarom aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.



9.7.
Dat eiseres in beroep toch vasthoudt aan haar standpunt dat het pand hoofdzakelijk in gebruik was voor de stalling van motoren van de vrijwilligers en de stalling van (eventuele) materialen voor evenementen en dat het pand daarnaast in gebruik was voor kleinschalig onderhoud en (lichte) reparaties aan de motoren en voor vergaderingen, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft voldoende toegelicht in zijn besluitvorming welk gebruik van het pand is geconstateerd en waarom dat gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.


Vertrouwensbeginsel


10. Eiseres betoogt dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien. Het gaat daarbij om de omstandigheid dat in 2016 schikkingsafspraken zijn gemaakt waardoor een gedoogsituatie is ontstaan. Het pand is naar aanleiding van de schikkingsafspraken aangepast. Volgens eiseres was het gebruik ten tijde van het bestreden besluit in overeenstemming met de schikkingsafspraken en mocht zij erop vertrouwen dat zij aan het bestemmingsplan voldeed.



10.1.
In 2016 heeft de burgemeester met eiseres schikkingsafspraken gemaakt, nadat hij een handhavingstraject was gestart, omdat eiseres in hetzelfde pand een clubhuis exploiteerde, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Dit handhavingstraject is beëindigd bij brief van 14 oktober 2016, waarin deze schikkingsafspraken zijn opgenomen.


10.2.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit zij mocht afleiden dat verweerder niet tot handhaving zou kunnen overgaan in geval één of meer overtredingen worden geconstateerd.


10.3.
Anders dan eiseres stelt, heeft zij zich naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden aan de schikkingsafspraken. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het bestreden besluit van 17 mei 2024 in de andere zaak en naar het advies van de commissie van 2 augustus 2024, voldoende gemotiveerd. Het pand was namelijk ten tijde van belang in gebruik als clubhuis, terwijl uit de schikkingsafspraken volgt dat in het pand geen clubhuis of andere inrichting van vermakelijkheid meer mocht worden geëxploiteerd. Het pand mocht immers, gelet op de schikkingsafspraken, in overeenstemming met de geldende regelgeving alleen worden gebruikt voor vergaderingen als nevenactiviteit van de hoofdactiviteit die op grond van dat bestemmingsplan is toegestaan, dat wil zeggen voor opslag en stalling. Tijdens verschillende controles is echter gebleken dat het gebruik van de benedenverdieping van het pand voor opslag en stalling van motoren niet de hoofdactiviteit van het pand is. Het pand is niet ingericht of geschikt gemaakt voor opslag en stalling en ook is niet gebleken dat die activiteiten plaatsvinden. Ook is uit de bestuurlijke rapportages niet gebleken van wekelijkse vergaderingen in het pand. Gebleken is dat de bijeenkomsten geen duidelijk doel hadden. Bovendien is het pand niet ingericht op het houden van vergaderingen.



10.4.
Verweerder heeft verder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat hij zich niet aan deze schikkingsafspraken gebonden acht, omdat de burgemeester – en niet verweerder – de schikkingsafspraken in het kader van zijn bevoegdheid op grond van de APV heeft gemaakt met eiseres.



10.5.
Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat de burgemeester, mede vanwege de rechtsontwikkelingen omtrent zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs op de gemaakte afspraken is teruggekomen.



10.6.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres wist dat zij zich aan de afspraken moest houden en dat verweerder opnieuw handhavend kon optreden als zij zich niet zou houden aan de afspraken. Dit volgt uit de brief van 13 oktober 2026 en het gespreksverslag van 16 juni 2016.



10.7.
Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. In wat eiseres aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van deze last. Daarbij is van belang dat handhaving tegen een met de wet strijdige situatie als uitgangspunt heeft te gelden.

Evenredigheidsbeginsel


11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het opleggen van een last onder dwangsom onevenredig is, omdat de burgemeester ook al heeft besloten tot sluiting van hetzelfde pand voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft, onder verwijzing naar het advies van de commissie van 2 augustus 2024, voldoende toegelicht dat hij en de burgemeester verschillende bevoegdheden op basis van verschillende wettelijke grondslagen hebben. Dit maakt dat beide handhavingsprocedures naast elkaar kunnen worden gevoerd. De aard en het doel van beide besluiten zijn immers verschillend: de sluiting vormt een onmiddellijke beheersmaatregel gericht op directe beëindiging van de geconstateerde (openbare-orde)overtredingen van de APV. De last onder dwangsom ziet daarentegen op het duurzaam beëindigen van planologisch strijdig gebruik van het pand en is dus (mede) gericht op de toekomst.



11.1.
De rechtbank is van oordeel dat de last geschikt is om het doel (het voorkomen van verdere overtreding) te bereiken. Een last onder dwangsom is in het algemeen een geschikt middel om een overtreder te dwingen om een overtreding te beëindigen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat met het opleggen van de last in dit geval niet kan worden bereikt dat zij de overtreding beëindigt.



11.2.
De rechtbank oordeelt ook dat het opleggen van de last onder dwangsom noodzakelijk was, gelet op de geconstateerde ernst en de omvang van de overtreding.
Er is al langdurig sprake van een overtreding. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval verder gaat dan nodig. Er is geen ander, minder ingrijpend middel waarmee verweerder hetzelfde resultaat kon bereiken.



11.3.
De rechtbank acht de last tot slot ook evenwichtig. Gelet op het ruimtelijke belang van het bestemmingsplan en het zwaarwegende belang van handhaving, is het bestreden besluit tevens evenwichtig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Ook de begunstigingstermijn en de hoogte van de dwangsom acht de rechtbank evenredig.


Onduidelijkheid van de last


12. Dat de het onduidelijk is welk gebruik van het pand in strijd is met de geldende regelgeving volgt de rechtbank niet. Zowel uit de formulering van de last als uit de genoemde herstelmogelijkheden blijkt voldoende duidelijk en concreet wat van eiseres wordt verlangd en wanneer. Verweerder heeft voldoende duidelijk gemotiveerd wat de last inhield. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

13. Verweerder heeft zich daarom terecht bevoegd geacht om handhavend op te treden.




Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:GHARL:2020:10406.


ECLI:NL:HR:2022:1114.


Zie rechtsoverweging 5.67 van de hiervoor genoemde beschikking van 15 december 2020.


Politie-eenheid Den Haag, team Gouda.


Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de APV en artikel 2:16 eerste lid, aanhef en onder e, van de APV.


Met ingang van 19 juni 2023 om 10:00 uur.


Op grond van de artikelen 2:9, eerste lid, van de APV, artikel 2:12, onder d, van de APV en artikel 2:16, eerste lid, onder e, van de APV.


Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.


Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.


Als genoemd in artikel 5.18 van de Wabo.


Zie de rapportages van de gemeentelijk toezichthouders van 15 april 2023, van de ODMH van 17 april 2023, van de politie van 18 april 2023 en een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 17 mei 2023. In deze rapportages zijn waarnemingen en bevindingen opgenomen die teruggaan tot januari 2017.


De resultaten zijn weergegeven in de bestuurlijke rapportages van 4 januari 2022, 2 augustus 2022, 11 november 2022 en 21 februari 2023.


Artikel 5 en 1.13 van het Bestemmingsplan.


Behorende tot milieucategorie 1, 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 1 bij de planregels van het bestemmingsplan.


Dit volgt uit artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2024, ECLI:NL:2024:4375.


Uitspraken van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.


Uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3137.


Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NK:RVS:2023:1247.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916.


Op grond van het oude artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009.


Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
Link naar deze uitspraak