Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:10975 
 
Datum uitspraak:07-04-2026
Datum gepubliceerd:21-05-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/684274 / FA RK 25-31
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Wijziging gezag. Gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3139
Zaaknummer: C/09/684274
Datum beschikking: 7 april 2026

Gezag



Beschikking op het op 28 april 2025 ingekomen verzoek van:




[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:




[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda.



Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift.

Op 9 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


de vader, bijgestaan door zijn advocaat;



[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).



De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.



Feiten
- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] .
- De vader heeft [de minderjarige] erkend.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 24 maart 2015.
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder.
- Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 29 oktober 2015 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Intervence tot 29 april 2016.
- Blijkens het gezagsregister is [de minderjarige] bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 29 december 2016 onder toezicht gesteld van Stichting Intervence tot 29 maart 2017. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk door de rechtbank Den Haag verlengd tot 28 september 2020. Vanaf 28 maart 2017 oefende de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering de ondertoezichtstelling uit.



Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten.

De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na het uiteengaan van de ouders zijn gewijzigd.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Beoordeling
De moeder stelt dat [de minderjarige] voor het laatst begeleid contact met haar vader heeft gehad in de zomer van 2019. Daarna zijn – ook in het kader van een ondertoezichtstelling – meerdere pogingen gedaan om opnieuw contact tot stand te brengen, maar deze pogingen zijn zonder resultaat gebleven. Sinds de ondertoezichtstelling is er ook tussen de ouders geen rechtstreeks contact meer geweest. Volgens de moeder weet de vader hierdoor niet wat er speelt in het leven van [de minderjarige] en is hij daarom niet in staat om samen met de moeder beslissingen te nemen die in het belang van [de minderjarige] zijn. Ook geeft de moeder aan dat het gezamenlijk gezag tot moeilijkheden heeft geleid bij de inschrijving van [de minderjarige] op school, het regelen van vakanties naar het buitenland en het starten van (medische) behandelingen voor [de minderjarige] , omdat de moeder daarvoor geen toestemming van de vader heeft kunnen verkrijgen. De moeder stelt dat zij hierdoor wordt belemmerd in het verrichten van noodzakelijke handelingen ten aanzien van [de minderjarige] , waardoor [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Dat maakt dat het in het belang van [de minderjarige] is om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten, aldus de moeder.

De vader stelt dat zijn situatie in de afgelopen vier jaar is verbeterd. Hij heeft nu – na periodes van dakloosheid – een woning, werk en een bewindvoerder. Volgens de vader heeft de moeder hem nooit om toestemming voor de door haar genoemde beslissingen gevraagd en zou hij zijn toestemming daarvoor altijd verlenen. Daarom meent de vader dat het niet nodig is dat de moeder het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] krijgt. De vader erkent dat de moeder belang heeft bij een tijdige reactie op verzoeken en geeft aan dat hij ondersteuning nodig heeft bij administratieve zaken en het snel reageren op verzoeken. Ook geeft de vader aan dat het voor hem zou voelen alsof hij geen ouder meer is wanneer hij geen gezag meer zou hebben over [de minderjarige] . Op basis van het voorgaande stelt de vader dat hij het gezamenlijk gezag wil houden, dat hij weer contact wil hebben met [de minderjarige] en dat hij in ieder geval graag over haar wil worden geïnformeerd.


Wettelijk kader

De rechter kan op grond van het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing zijn. Dat artikel bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.


Inhoudelijke beoordeling

Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat voor het gezamenlijk gezag in het algemeen is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over een kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is duidelijk geworden dat de omstandigheden zijn gewijzigd. De ouders onderhouden al geruime tijd geen (rechtstreeks) contact met elkaar en lijken dit ook niet te willen. Ook de ondertoezichtstelling heeft hier geen duurzame verbetering in gebracht. Dit gebrek aan (rechtstreekse) communicatie heeft ertoe geleid dat de moeder tegen verschillende praktische problemen is aangelopen in de gezagsuitoefening.

De rechtbank acht het in dit verband met name zorgelijk dat de geïndiceerde hulpverlening voor [de minderjarige] nog altijd niet heeft kunnen starten omdat de daarvoor benodigde toestemming van de vader ontbreekt. Daarbij laat de rechtbank in het midden of deze toestemming niet is verkregen omdat de vader onbereikbaar was voor de moeder (zoals de moeder stelt) of omdat de moeder de vader niet om toestemming heeft gevraagd (zoals de vader stelt). Immers, de vader is ruim een jaar geleden in ieder geval door middel van het verzoekschrift (en al dan niet via zijn bewindvoerder) geïnformeerd over de noodzaak van deze hulpverlening voor [de minderjarige] en de stelling van de moeder dat zij de vader niet kan bereiken. Het had dan ook op de weg van de vader gelegen om hierover in het belang van [de minderjarige] contact te zoeken met de moeder, al dan niet via zijn bewindvoerder en/of advocaat. Ten aanzien van de stelling van de vader dat hij ondersteuning nodig heeft ten aanzien van dergelijke administratieve zaken of zakelijke beslissingen, overweegt de rechtbank dat het aan de vader is om hierin stappen te ondernemen en eventueel hulpverlening in te schakelen. Voor zover het bij de rechtbank bekend is, is dergelijke ondersteuning of hulpverlening niet aanwezig en/of gezocht. Deze omstandigheden maken dat er volgens de rechtbank sprake is van een situatie waarin de verstandhouding tussen de ouders langdurig en kennelijk dusdanig verstoord is dat de ouders niet met elkaar communiceren en niet in staat zijn om in gezamenlijk overleg beslissingen over [de minderjarige] te nemen.

Ook overweegt de rechtbank dat de vader slechts beperkt betrokken is in en op de hoogte is van het leven van [de minderjarige] . De rechtbank wijst erop dat de moeder, gelet op het bepaalde in artikel 1:377b BW, gehouden is om de vader te informeren over [de minderjarige] , maar constateert ook dat de vader ter zitting heeft aangegeven dat hij in de afgelopen vier jaar geen concrete pogingen heeft gedaan om weer in contact met [de minderjarige] (of de moeder) te komen. Deze beperkte betrokkenheid van de vader bemoeilijkt eveneens een gezamenlijke gezagsuitoefening in het belang van [de minderjarige] .

Naar het oordeel van de rechtbank maken de voornoemde omstandigheden dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders, waarbij perspectief op verbetering binnen afzienbare tijd ontbreekt. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en de moeder voortaan belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .

De rechtbank overweegt ten overvloede dat met de beëindiging van het ouderlijk gezag, de familieband en het juridisch ouderschap tussen de vader en [de minderjarige] behouden blijft. Hij zal altijd [de minderjarige] ’s vader blijven en op die manier een rol in haar leven blijven spelen.


Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.



BeslissingDe rechtbank:

*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteplaats 2] , het gezag zal toekomen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ;

en verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

*
bepaalt dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;

*
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
Link naar deze uitspraak