Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:11120 
 
Datum uitspraak:07-01-2026
Datum gepubliceerd:22-05-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:689214
Rechtsgebied:Goederenrecht
Indicatie:Geen grond voor opheffing erfdienstbaarheid van uitweg. De uitoefening van de erfdienstbaarheid is niet permanent onmogelijk geworden. Ook is niet vast komen te staan dat gedaagde geen belang meer heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Evenmin is sprake van misbruik van bevoegdheid. Vordering afgewezen.
Trefwoorden:bedrijfswoning
burgerlijk wetboek
glastuinbouwbedrijf
perceel
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaak- / rolnummer: C/09/689214 / HA ZA 25-660


Vonnis van 7 januari 2026


in de zaak van




1 [eiseres] ,
2. [eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers] c.s.,
advocaat: mr. J.P.G. Bouwman,

tegen



[gedaagde] B.V., te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B.J.P.M. Zwinkels.




1Waar gaat de zaak over?


1.1.

[gedaagde] heeft het recht om via het terrein van [eisers] c.s. een uitweg naar de openbare weg te gebruiken (een erfdienstbaarheid). [eisers] c.s. willen dat de erfdienstbaarheid wordt opgeheven. Zij voeren in dit verband aan dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden. Daarnaast heeft [gedaagde] volgens [eisers] c.s. geen redelijk belang meer bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid.



1.2.
Het vonnis is als volgt opgebouwd. De rechtbank noemt eerst welke stukken door partijen zijn ingediend en hoe de procedure is verlopen. Dan volgt een beschrijving van de feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn en waarover partijen het eens zijn. Vervolgens vat de rechtbank de vorderingen samen die zijn ingesteld. Daarna volgt de beoordeling van die vorderingen en de juridische argumenten die partijen over en weer naar voren hebben gebracht. Het vonnis wordt afgesloten met de beslissingen op de vorderingen.





2De procedure


2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 18 juli 2025 met producties 1-9;
- de conclusie van antwoord met productie 1;
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025, waarbij een plaatsopneming en mondelinge behandeling zijn bevolen;
- het proces-verbaal van de plaatsopneming van 1 december 2025.


2.2.
De plaatsopneming en de mondelinge behandeling (hierna: zitting) van de zaak hebben plaatsgevonden op 1 december 2025. De rechtbank heeft eerst de situatie ter plaatse bezichtigd. Daarna hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord.





3De feiten


3.1.

[eisers] c.s. wonen aan de [adres] . Hun woning is gelegen op het perceel met nummer 1247 (hierna: perceel 1247) (zie ook randnummer 3.3).



3.2.
Bij de aankoop van de woning door eiseres sub 1 is in de akte van levering van 4 juli 1995 de volgende erfdienstbaarheid opgenomen ten laste van het perceel:


“[...] gevestigd de erfdienstbaarheid van uitweg van- en naar de [straat] , uit te oefenen op de kortste en minst bezwaarlijke wijze via de dam, gelegen op laatstgemeld perceel nummer 1247.”




3.3.
De erfdienstbaarheid dateert uit 1953 en is ontstaan als gevolg van de splitsing van een groter perceel in dat jaar. Hierdoor ontstond het perceel met nummer 3240 (hierna: perceel 3240). Dit perceel is in eigendom van [gedaagde] , een glastuinbouwbedrijf. [gedaagde] bezit ook andere (omringende) percelen. De heren [naam 1] en [naam 2] zijn samen met andere bv’s via hun bv middellijk bestuurders van [gedaagde] . De actuele kadastrale situatie is als volgt:



























3.4.
Oorspronkelijk kon het glastuinbouwbedrijf van de [gedaagde] vanaf de openbare weg (de Middel Broekweg) uitsluitend worden bereikt via het perceel van [eisers] c.s. In 1995 heeft [gedaagde] de toegang tot het glastuinbouwbedrijf op een ander, naastgelegen perceel gerealiseerd. Het bedrijfsverkeer reed vanaf dit moment over dat perceel. Het (privé-)verkeer van en naar de bedrijfswoning van [gedaagde] bleef gebruik maken van de erfdienstbaarheid over het perceel van [eisers] c.s. (hierna: uitrit 1). De bedrijfswoning wordt momenteel bewoond door [naam 1] .



3.5.
Waar de uitweg eerst over de gehele lengte van het perceel van [eisers] c.s. liep en dat perceel ook door [gedaagde] gebruikt werd om de (privé-)voertuigen te keren, veranderde dit in 2002. De uitweg werd in dat jaar beperkt, in die zin dat de uitweg toen een stuk over het eigen perceel van [gedaagde] is gaan lopen voordat het op het perceel van [eisers] c.s. uitkwam.



3.6.

[gedaagde] heeft in 2017 een siertuin aangelegd op haar perceel 3240. De uitweg die van de bedrijfswoning via het perceel van [eisers] c.s. naar uitrit 1 en de openbare weg leidde, is daarbij weggehaald. [gedaagde] is daarop gebruik gaan maken van een tweede in- en uitrit (hierna: uitrit 2) om van en naar de bedrijfswoning te komen. Uitrit 2 loopt niet alleen over het eigen perceel van [gedaagde] , maar ook over de percelen met nummers 4205 (eigendom van [naam 1] en hierna: perceel 4205) en 4206 (eigendom van [naam 2] en echtgenote en hierna: perceel 4206). De dam bij uitrit 2 die naar de openbare weg leidt, kan uitsluitend worden bereikt door over laatstgenoemde twee percelen te rijden.



3.7.
Bij het herindelen van de tuin heeft [gedaagde] tegen de erfafscheiding met [eisers] c.s. een laag stenen muurtje geplaatst dat tot aan het water doorloopt. Aan de andere kant van dit muurtje hebben [eisers] c.s. een houten wand geplaatst met daarop een groen hek. Dit hek is doorgetrokken tot aan het water. Van bovenaf zien de percelen er op dit moment als volgt uit, waarbij ook uitrit 1 en 2 door de rechtbank zijn weergegeven:





















4Het geschil


4.1.

[eisers] c.s. vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


primair

a. opheft de erfdienstbaarheid ten behoeve van perceel 3240 ( [gedaagde] ) en ten laste van perceel 1247 ( [eisers] c.s.), zoals gevestigd bij notariële akte van 4 juli 1995;
b. voor recht verklaart dat het vonnis ex artikel 3:17 lid 1, aanhef en onder e BW, kan worden ingeschreven, althans [gedaagde] veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan de doorhaling van de erfdienstbaarheid in de openbare registers, op straffe van een dwangsom (€ 250.000,00) indien [gedaagde] hieraan niet, althans niet tijdig meewerkt, en vermeerderd met een dwangsom van € 250,00 per dag zo lang die overtreding voortduurt;
c. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van de doorhaling.


subsidiair

d. [gedaagde] gebiedt mee te werken aan de opheffing althans het schriftelijk doen van afstand van de erfdienstbaarheid, met gelijktijdige doorhaling van de erfdienstbaarheid in de openbare registers, op straffe van een eenmalige dwangsom van € 250.000,- en een dwangsom van € 250,00 per dag zo lang de overtreding voortduurt;

e. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van de doorhaling.


primair en subsidiair

f. [gedaagde] veroordeelt in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.



4.2.

[eisers] c.s. leggen daaraan - samengevat - ten grondslag dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden. [gedaagde] heeft de uitweg die gelegen was op het heersende erf (3240) in 2017 namelijk verwijderd en veranderd in een siertuin. Het heersende erf is hierdoor volledig en permanent afgesloten van het dienende erf. [gedaagde] heeft ook geen redelijk belang meer bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Zij maakt sinds 2017 namelijk gebruik van een andere, eigen in- en uitrit om van en naar de openbare weg te komen (uitrit 2). Uitrit 2 loopt weliswaar over de percelen 4205 en 4206 (zie hiervoor onder 3.3 en 3.6), maar de eigenaren van deze percelen zijn de middellijk bestuurders van [gedaagde] en tevens broers van elkaar. Een van de twee broers ( [naam 1] ) bewoont de bedrijfswoning op perceel 3240 en maakt gebruik van uitrit 2. Hiermee is het doel waarvoor de erfdienstbaarheid ooit gevestigd is komen te vervallen. Door geen medewerking te verlenen aan de opheffing van de erfdienstbaarheid, maakt [gedaagde] misbruik van bevoegdheid, aldus [eisers] c.s.



4.3.

[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [eisers] c.s. in de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Indien en voor zover de vordering van [eisers] c.s. wordt toegewezen, verzoekt [gedaagde] de kosten voor het opheffen van de erfdienstbaarheid voor rekening van [eisers] c.s. te laten komen. [gedaagde] betwist allereerst dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden. Door het muurtje weg te halen en de uitweg te herstellen, kan [gedaagde] de uitweg die voorheen over haar perceel liep eenvoudig weer in gebruik nemen. [gedaagde] betwist voorts dat zij geen redelijk belang meer heeft bij de erfdienstbaarheid. Immers, het gebruik van uitrit 2 berust uitdrukkelijk op een persoonlijk gebruiksrecht dat door [naam 1] en [naam 2] aan haar is toegekend. Dit recht is niet overdraagbaar, kan door ieder van de eigenaren of hun rechtsopvolgers eenzijdig worden beëindigd en biedt daarmee geen duurzame zekerheid op toegang tot de openbare weg voor de toekomst, aldus [gedaagde] .



4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


5.1.

[eisers] c.s. vorderen opheffing van de erfdienstbaarheid op grond van artikel 5:79 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”). Artikel 5:79 BW bepaalt dat een erfdienstbaarheid op vordering van de eigenaar van het dienend erf (in dit geval [eisers] c.s.) kan worden opgeheven, wanneer de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening in de toekomst nog zal terugkeren. Een erfdienstbaarheid kan daarnaast worden opgeheven wanneer de eigenaar van het heersend erf ( [gedaagde] ) geen redelijk belang meer heeft bij het gebruik daarvan en het niet aannemelijk is dat dit redelijk belang daarbij in de toekomst nog zal terugkeren.



5.2.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een “redelijk belang” spelen uitsluitend de belangen van de eigenaar van het heersend erf een rol. Er is dus géén sprake van een afweging van de belangen van beide partijen. Dit is alleen anders wanneer de situatie van misbruik van bevoegdheid zich voordoet. Van het ontbreken van een redelijk belang is pas sprake wanneer het voortbestaan van de erfdienstbaarheid geen betekenis meer heeft voor de gerechtigde. Dit wordt niet snel aangenomen. Zo kan de gerechtigde bijvoorbeeld nog een redelijk belang hebben wanneer hij via de erfdienstbaarheid een kortere route naar zijn perceel kan nemen dan zonder die route mogelijk zou zijn.



5.3.
De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak niet aan de criteria voor opheffing van de erfdienstbaarheid is voldaan. Enerzijds is niet vast komen te staan dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid permanent onmogelijk is geworden. Anderzijds is niet vast komen te staan dat [gedaagde] geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Ook misbruik van bevoegdheid kan niet worden aangenomen. Dit zal hierna worden toegelicht.


De uitoefening van de erfdienstbaarheid is niet blijvend onmogelijk geworden




5.4.
Uit de tekst van artikel 5:79 BW volgt dat voor de opheffing van een erfdienstbaarheid vanwege de onmogelijkheid om de erfdienstbaarheid uit te oefenen, vereist is dat niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening zal terugkeren. De rechtbank is van oordeel dat hiermee een blijvende (permanente) situatie wordt bedoeld. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. [gedaagde] heeft de uitweg die door haar tuin liep in 2017 weliswaar verwijderd, maar zij heeft ter zitting ook aangegeven dat zij die uitweg in de toekomst - indien nodig - weer kan herstellen. Ter plaatse heeft de rechtbank bovendien geconstateerd dat het muurtje dat [gedaagde] tegen de erfafscheiding heeft geplaatst, een laag muurtje betreft dat weggehaald zou kunnen worden. Datzelfde geldt voor de lage houten wand met daarbovenop het groene hek dat op het perceel van [eisers] c.s. staat. Nu herstel van de oude situatie mogelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van “onmogelijkheid” in de zin van artikel 5:79 BW.



[gedaagde] heeft nog een redelijk belang bij uitoefening van de erfdienstbaarheid




5.5.

[eisers] c.s. betogen dat [gedaagde] geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, omdat zij gebruik kan maken van uitrit 2. De rechtbank vat het betoog van [eisers] c.s. zo op, dat zij van mening zijn dat de heren [naam 1] en [naam 2] als middellijk bestuurders van [gedaagde] op één lijn moeten worden gesteld met het bedrijf zelf. Immers, uitrit 2 loopt over het perceel 4205 van middellijk bestuurder [naam 1] en het perceel 4206 van middellijk bestuurder [naam 2] .



5.6.
Dit betoog van [eisers] c.s. faalt. Hoewel niet in geschil is dat de heren P. en [naam 1] middellijk bestuurders zijn van [gedaagde] , en dat zij [gedaagde] in de praktijk ter wille zijn door haar een uitweg te verschaffen over de percelen die zij in privé bezitten, gaat het om afzonderlijke (rechts)personen en afzonderlijke kadastrale percelen. De openbare weg kan vanaf het perceel van [gedaagde] (3240) via uitrit 2 niet worden bereikt zonder daarbij over de percelen 4205 ( [naam 1] ) en 4206 ( [naam 2] en echtgenote) te rijden. Niet alleen [gedaagde] , maar ook de heren [naam 1] en [naam 2] zouden in de toekomst kunnen besluiten om hun percelen te verkopen. Daarnaast zou [gedaagde] andere bestuurders kunnen krijgen (nog los van het feit dat [gedaagde] naast de bv’s van [naam 1] en [naam 2] ook nog andere bestuurders heeft). In het geval van een toekomstig geschil tussen de bestuurders van [gedaagde] of bij verkoop van het perceel 4205 en/of 4206 zou een situatie kunnen ontstaan waarin [gedaagde] weer is aangewezen op de erfdienstbaarheid die over het perceel van [eisers] c.s. loopt. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] geen redelijk belang meer heeft bij de erfdienstbaarheid. Zou de rechtbank al van oordeel zijn dat een redelijk belang op dit moment ontbreekt, dan nog zou, gelet op het bovenstaande, het redelijk belang van [gedaagde] in de toekomst dus kunnen terugkeren.



5.7.

[eisers] c.s. betogen verder dat [gedaagde] misbruik van bevoegdheid maakt door geen medewerking te verlenen aan de opheffing van de erfdienstbaarheid, omdat het doel op grond waarvan de erfdienstbaarheid is gevestigd - een uitweg naar de openbare weg - is komen te vervallen. Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] nog steeds een redelijk belang heeft bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Dat de huidige situatie nu anders is, doordat [gedaagde] sinds 2017 (door eigen toedoen) gebruik maakt van uitrit 2, maakt dit niet anders. Het doel op grond waarvan de erfdienstbaarheid destijds is gevestigd, is dan ook niet (blijvend) komen te vervallen. Ook het enkele feit dat [naam 1] op persoonlijke titel heeft aangegeven bereid te zijn om te overleggen over het opheffen van de erfdienstbaarheid in ruil voor het intrekken van een bezwaar van [eisers] c.s. tegen een aanbouw door gedaagde, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om misbruik van bevoegdheid door [gedaagde] aan te nemen.


De vorderingen van [eisers] c.s. zullen worden afgewezen




5.8.
Nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor opheffing van de erfdienstbaarheid op grond van artikel 5:79 BW en geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, zullen de vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen. Concreet betekent dit dat op het perceel van [eisers] c.s. - nog steeds - een erfdienstbaarheid rust ten gunste van perceel 3240 om, in de woorden van de akte van levering uit 1995, “[...] op de kortste en minst bezwaarlijke wijze” naar de [straat] te komen. Hierbij ligt het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat, mocht [gedaagde] in de toekomst weer aangewezen zijn op de erfdienstbaarheid, dat de uitweg dan wordt teruggebracht zoals deze liep kort voordat in 2017 de siertuin werd aangelegd.


Proceskosten




5.9.

[eisers] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:










- griffierecht





714,00







- salaris advocaat





1.842,00


(3 punten × tarief II € 614,00)




- nakosten





178,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





2.734,00











5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



5.11.
De veroordelingen wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.





6De beslissing

De rechtbank:


6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af,


6.2.
veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.734,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3
veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Povel, rechter, bijgestaan door mr. L. Klink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.



Vgl. Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736.


Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2873.
Link naar deze uitspraak