Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:20383 
 
Datum uitspraak:16-06-2026
Datum gepubliceerd:22-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/9016
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Beroep tegen opgelegde last onder dwangsom vanwege het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de ontsluitingsweg op het [perceel 1] in [plaats 1], ten behoeve van de realisatie en ontsluiting van de beoogde woningen op het [perceel 2] in [plaats 2], [gemeente 2]; beroep ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/9016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers
(gemachtigden: mr. O.E. de Maes Janssens-de Vries en mr. E. van Brandwijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente 1] , het college
(gemachtigden: mr. A.M. van de Laar en mr. J.C.L. de Bruijn).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats 2] , belanghebbenden
(gemachtigde: mr. D.T.J.T. Boerman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het college aan eisers opgelegde last onder dwangsom vanwege het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de ontsluitingsweg op het perceel [perceel 1] in [plaats 1] , ten behoeve van de realisatie en ontsluiting van de beoogde woningen op het perceel [perceel 2] in [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] . Eisers zijn het niet eens met opgelegde last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde last onder dwangsom.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom kon opleggen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 29 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het college eisers gelast om de dreigende overtreding van het gebruik van het perceel in strijd met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bestemmingsplan per direct te beëindigen en nadien beëindigd te houden.


2.1.
Met het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten en verduidelijkt.



2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben nadere stukken overgelegd.


2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Het beroep is tegelijk behandeld met de beroepen met zaaknummers SGR 24/8888 en SGR 25/3660. [eiser 1] en de gemachtigden van eisers zijn verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] . Belanghebbenden en hun gemachtigde zijn verschenen.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eisers zijn mede-eigenaar van het perceel met de adressen [perceel 2] in [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] . Op dit perceel bevinden zich de zogenoemde [gebouwen] die in het verleden onderdeel zijn geweest van een complex van Defensie. Het perceel is grotendeels omringd door water en de enige beschikbare ontsluitingsweg is de niet-openbare ontsluitingsweg op het perceel [perceel 1] in [plaats 1] (gemeente [gemeente 1] ). Op 23 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van [gemeente 2] aan eisers een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [perceel 2] voor de huisvesting van arbeidsmigranten voor de duur van tien jaar. Bij de verlening van de omgevingsvergunning is het college van burgemeester en wethouders van [gemeente 2] ervan uitgegaan dat het perceel kan worden ontsloten via de ontsluitingsweg op het perceel [perceel 1] .


3.1.
Belanghebbenden wonen aan de [adres] in [plaats 1] . Op 25 augustus 2023 hebben zij een handhavingsverzoek ingediend, omdat zij overlast (zullen) ondervinden van het gebruik van de ontsluitingsweg, ten behoeve van de beoogde tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel [perceel 2] .



3.2.
Het college heeft een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eisers bekendgemaakt, omdat het op grond van de regels van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan om de ontsluitingsweg op het perceel [perceel 1] te gebruiken ten behoeve van de ontsluiting van de beoogde tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel [perceel 2] .


3.3.
Omdat het college in de door eisers ingediende zienswijze geen aanleiding heeft gezien om van zijn voornemen af te zien, heeft het college met het besluit van 29 januari 2024 een preventieve last onder dwangsom aan eisers opgelegd, omdat het college vreest dat de ontsluitingsweg in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan gebruikt zal gaan worden ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel [perceel 2] .



3.4.
Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 21 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dit verzoek afgewezen.



3.5.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eisers heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten en verduidelijkt. Eisers worden gelast om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang gelezen met de artikelen 17.1, aanhef en onder e, en 6.1, aanhef en onder c van het bestemmingplan “ [bestemmingsplan 1] ” en artikel 3.1 van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” per direct te beëindigen en beëindigd te houden. Eisers kunnen de overtreding beëindigen en beëindigd houden door de ontsluitingsweg, gelegen op het perceel aan de [perceel 1] te [plaats 1] , niet te gebruiken ten behoeve van (het realiseren van) de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel [perceel 2] in [gemeente 2] . Als eisers niet, niet volledig of niet tijdig aan deze lastgeving voldoen, dan verbeuren zij een dwangsom van € 15.000,-- ineens.


Overgangsrecht Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) komen te vervallen. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4 3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het handhavingsverzoek is op 25 augustus 2023 ingediend. Dat betekent dat dat in deze zaken de Wabo van toepassing blijft.


Juridisch kader

5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of
gedeeltelijk bestaat uit het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een
bestemmingsplan.



5.1.
Ter plaatse van de ontsluitingsweg op het perceel [perceel 1] gelden de
bestemmingsplannen “ [bestemmingsplan 1] ” en “ [bestemmingsplan 2] ”. De ontsluitingsweg heeft voor het merendeel de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch bedrijventerrein’ en voor een klein gedeelte de bestemming 'Agrarisch - Bollenteelt - glastuinbouwconcentratiegebied’.



5.2.
Op grond van artikel 6.1 van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” zijn de voor 'Agrarisch - Bollenteelt - glastuinbouwconcentratiegebied' aangewezen gronden
bestemd voor:
a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een bollenteeltbedrijf zoals
genoemd in artikel 1 lid 1.10 onder b;
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag niet agrarische
producten': tevens de opslag van niet-agrarische producten;
de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water op
perceelsniveau, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen
en toegangswegen (...);



5.3.
Op grond van artikel 17.1 van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] " en
artikel 3.1 van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”
zijn de voor 'Agrarisch - Bedrijventerrein' aangewezen gronden bestemd voor:
a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.10 onder b;
a. de uitoefening van een grondgebonden veehouderijbedrijf zoals genoemd in artikel 1
lid 1.10 onder h;
b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - opslag 3': tevens voor
opslag en stalling van materialen ten behoeve van musea, verenigingen of andere
culturele instellingen in de bestaande gebouwen;
c. behoud en versterking en herstel van de voorkomende natuur-, landschaps- en
cultuurhistorische waarden, waaronder afschermend groen;
d. de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water,
nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en
toegangswegen.


Is voor het gebruik van de ontsluitingsweg een omgevingsvergunning vereist?

6. Voor zover eisers betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een omgevingsvergunning is vereist voor het door eisers gewenste gebruik van de ontsluitingsweg, verwijst de rechtbank naar de uitspraak in de zaak SGR 25/3660. Onder 5 van die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het gebruik van onderhavige ontsluitingsweg ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel [perceel 2] , geen gebruik is ten behoeve van de (agrarische) bestemmingen is dus in strijd is met artikelen 6.1, aanhef en onder c, en 17.1, aanhef en onder d, van de regels van de bestemmingsplannen. Daarom is voor het gebruik een omgevingsvergunning vereist die voorziet in van de bestemmingsplannen afwijkend gebruik.


Zijn eisers aan te merken als overtreders?

7. Eisers betogen dat zij niet als overtreders aangemerkt kunnen worden, omdat zij geen beschikking hebben over de overtreding en deze ook niet aanvaard hebben. Eisers voeren hiertoe aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij als verhuurders van de [gebouwen] beschikkingsmacht hebben over het gebruik van de ontsluitingsweg. Daarnaast stelt het college zich volgens eisers ten onrechte op het standpunt dat zij de overtreding hebben aanvaard, omdat zij wisten dat het perceel [perceel 2] niet op een andere manier ontsloten kon worden.



7.1.
Met de voorzieningenrechter overweegt de rechtbank dat het college eisers terecht als functioneel daders heeft aangemerkt. Eisers kunnen als eigenaar van het perceel beschikken over het gebruik van het perceel. Zij hebben de in 2019 verleende omgevingsvergunning voor de huisvesting van arbeidsmigranten aangevraagd zonder te voorzien in een ontsluitingsweg. Daarmee hebben zij erover beschikt dat de overtreding kan plaatsvinden en moeten zij worden geacht dit te hebben aanvaard. Het betoog slaagt niet.


Beginselplicht tot handhaving

8. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.


Is sprake van concreet zicht op legalisatie?

9. Eisers betogen dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat zij op 24 augustus 2024 een aanvraag om een omgevingsvergunning hebben ingediend ter legalisatie van het gebruik van de ontsluitingsweg. Volgens eisers was het college bovendien ten tijde van het bestreden besluit bereid de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het college in het raadsvoorstel positief heeft geadviseerd met betrekking tot de aanvraag.



9.1.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van concreet zicht op legalisatie. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit weliswaar een aanvraag om een omgevingsvergunning ter legalisatie was ingediend, maar dat uit de ten tijde van het bestreden besluit beschikbare informatie niet zonder meer is gebleken dat het college bereid was om de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat het raadsvoorstel van het college waarin de gemeenteraad wordt geadviseerd om de omgevingsvergunning te verlenen, pas dateert van 4 februari 2025 en dus van na het bestreden besluit is.


Is sprake van andere bijzondere omstandigheden?

10. Eisers betogen dat sprake is van andere bijzondere omstandigheden waardoor het college van handhavend optreden had moeten afzien. In dat kader beroepen zij zich onder meer op het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.



10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college ten tijde van het bestreden besluit een zwaarder gewicht toekennen aan het algemeen belang dat gediend is met handhaving van het bestemmingsplan dan aan de belangen van eisers. De rechtbank overweegt daartoe het volgende, aan de hand van de door eisers aangevoerde omstandigheden.


Geringe ruimtelijke impact

11. Eisers betogen dat de overtreding een dusdanig geringe ruimtelijke impact heeft, dat handhavend optreden onevenredig is. Eisers achten hierbij van belang dat de ontsluitingsweg wel gebruikt mag worden voor agrarische doeleinden en dat daardoor de ontsluitingsweg op die manier door zwaar verkeer gebruikt kan worden.


11.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst, omdat gebruik ten behoeve van (het realiseren van) huisvesting van arbeidsmigranten een wezenlijk ander gebruik is dan gebruik van de weg overeenkomstig de (agrarische) bestemming. Bovendien kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat de ontsluitingsweg mogelijk intensiever en frequenter zal worden gebruikt dan wanneer de ontsluitingsweg voor agrarische, of andere, doeleinden wordt gebruikt.


Misbruik van bevoegdheid

12. Eisers betogen dat handhavend optreden onevenredig is, omdat zonder de ontsluitingsweg geen gebruik kan worden gemaakt van de in 2019 verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van de [gebouwen] . Door alsnog handhavend op te treden maakt het college misbruik van zijn handhavingsbevoegdheid, aldus eisers.



12.1.
De rechtbank begrijpt het belang van eisers om te beschikken over een ontsluitingsweg naar het perceel, omdat zij anders de [gebouwen] niet kunnen benutten voor het door hen gewenste (en vergunde) gebruik voor huisvesting van arbeidsmigranten. Dit is echter onvoldoende voor het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is. De rechtbank betrekt hierbij dat de in 2019 verleende omgevingsvergunning niet door het college is verleend, maar door het college van burgemeester en wethouders van [gemeente 2] . Bovendien heeft het college in het bestreden besluit overwogen dat de last onder dwangsom wordt ingetrokken wanneer sprake is van concreet zicht op legalisatie. Gelet hierop volgt de rechtbank eisers niet in het betoog dat handhavend optreden misbruik van bevoegdheid oplevert.


Gelijkheidsbeginsel

13. Eisers betogen dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat het college niet handhavend optreedt tegen het gebruik van de belanghebbenden van dezelfde ontsluitingsweg.



13.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel zijn er vereisten die voortvloeien uit vaste rechtspraak. Er dient sprake te zijn van een feitelijk en rechtens vergelijkbaar geval, dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. Het is aan eisers om hun beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen.



13.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat het gebruik van de (volledige) ontsluitingsweg ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten geen vergelijkbare ruimtelijke uitstraling heeft ten opzichte van het gebruik van een klein deel van de ontsluitingsweg ten behoeve van de woning aan de [adres] . Over de afwijzing van het handhavingsverzoek met betrekking tot dat gebruik oordeelt de rechtbank in de uitspraak in de zaak SGR 24/8888. De rechtbank is van oordeel dat hiermee een verschil zit in de ingrijpendheid en de aard en ernst van de beide overtredingen. Dat jegens belanghebbenden is afgezien van handhavend optreden omwille van evenredigheid, betekent niet dat het college daardoor verplicht is ook in het geval van eisers af te zien van handhavend optreden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.


Duidelijkheid van de last

14. Eisers betogen dat de opgelegde last onder dwangsom niet voldoende duidelijk is. Volgens eisers is onduidelijk wat onder “de toegangsweg, gelegen op het perceel aan de [perceel 1] te [plaats 1] , niet te gebruiken ten behoeve van (het realiseren van) de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel De [perceel 2] , [gemeente 2] ”, moet worden verstaan.



14.1.
De rechtbank overweegt dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen.



14.2.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de opgelegde last onvoldoende duidelijk is. Uit de formulering van de last blijkt voldoende duidelijk dat eisers de ontsluitingsweg niet mogen gebruiken om de huisvesting van arbeidsmigranten te realiseren op hun perceel, omdat dit in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. De rechtbank betrekt daarbij dat het college juist specifiek voor deze formulering heeft gekozen, zodat het perceel nog wel bereikbaar blijft voor onder meer hulpdiensten.

15. Het betoog van eisers dat onduidelijk is of sprake is van een preventieve last onder dwangsom en dat het college daarom niet in de last had mogen opnemen dat eisers het strijdig gebruik direct moeten beëindigen en beëindigd houden, slaagt ook niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het bestreden besluit is verduidelijkt dat de last onder dwangsom is opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtreding die bestond uit het gebruikmaken van de ontsluitingsweg voor (het realiseren van) de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel met de [gebouwen] . Dat betekent dat geen sprake is van een preventieve last onder dwangsom.




Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3935.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1504.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.
Link naar deze uitspraak