Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:21834 
 
Datum uitspraak:07-07-2026
Datum gepubliceerd:05-08-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.61452
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Dublin, Cyprus, statushouder
Trefwoorden:landbouw
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61452

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Burema),

en



de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag.


1.1.
Eiser heeft op 8 januari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 9 december 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Cyprus. Ook moet eiser Nederland onmiddellijk verlaten.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag van eiser aan de hand van eisers beroepsgronden.


2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Waar gaat deze zaak over?

3. Aan het besluit de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, is het volgende voorafgegaan.



3.1.
Eiser stelt een staatloze Palestijn afkomstig uit Gaza te zijn. Op 8 januari 2025 heeft hij in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Eiser heeft echter voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland al in Cyprus, een verzoek om internationale bescherming ingediend. De autoriteiten van Cyprus hebben op 25 september 2024 aan eiser internationale bescherming verleend tot 25 september 2027. Tijdens het aanmeldgehoor van 18 januari 2025 heeft eiser onder meer naar voren gebracht dat Cyprus een land is met veel problemen, vooral met de overheid. Verder stelt hij veel te hebben meegemaakt op het gebied van racisme, vooral bij het zoeken naar werk. De bevolking discrimineert enorm. Eiser stelt ook te zijn mishandeld. Tijdens het gehoor bescherming EU van 4 december 2025 heeft eiser aangevoerd dat hij in Cyprus niet de bescherming kreeg die hij nodig had. Hij had geen huisvesting, geen inkomen en liep daar gevaar vanwege Israëliërs.


Kan de minister voor Cyprus uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende rekening houdt met het gegeven dat eiser weliswaar internationale bescherming geniet in Cyprus, maar op geen enkele wijze daar rechten aan die status kan ontlenen. Eiser voert aan in Cyprus onder extreem slechte omstandigheden te hebben geleefd. Hij had daar geen stabiele huisvesting, was vrijwel dakloos, had nauwelijks werk en was grotendeels afhankelijk van familieondersteuning. Deze situatie voldoet volgens eiser aan de definitie van materiële deprivatie zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft overwogen in het arrest Jawo. Hoewel formeel regelingen bestaan voor inkomensondersteuning, stelt eiser dat het verkrijgen hiervan praktisch onmogelijk is zonder woonruimte, die vanwege hoge huurprijzen, discriminatie en taalbarrières nauwelijks te vinden is. Eiser heeft bovendien ervaren dat hij van de Cypriotische autoriteiten geen effectieve hulp kan verwachten. Ondanks deze feiten handhaaft de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Cyprus, dit op basis van een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 maart 2025. De Afdeling is in die uitspraak weliswaar tot de conclusie gekomen dat de situatie in Cyprus ernstig is, maar niet de drempel van ernstige systeemfouten bereikt die leiden tot een reëel risico op schending van fundamentele rechten. Uit rapportages van onder meer AIDA blijkt echter dat de meeste asielzoekers en statushouders in Cyprus onder mensonterende omstandigheden leven en een reëel risico lopen op dakloosheid en armoede. De situatie zoals deze formeel in Cyprus geregeld lijkt te zijn en de minister als uitgangspunt neemt, komt niet overeen met de feitelijke situatie zoals deze jarenlang door organisaties als AIDA wordt gerapporteerd en waaruit geen verbetering, maar feitelijk verslechtering van de situatie in Cyprus blijkt te bestaan. De beslissing van de minister berust dus op onjuiste gronden en is onvoldoende gemotiveerd. Gezien de ernst van de situatie had de minister de asielaanvraag van eiser wél in behandeling moeten nemen.



4.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in Cyprus internationale bescherming heeft gekregen en daar nog altijd een beschermingsstatus heeft.


4.2.
In beginsel mag de minister gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), het Vluchtelingenverdrag en van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Cyprus zijn verdragsverplichtingen jegens statushouders niet zal nakomen en dat hij dus een reëel risico loopt op schending van fundamentele rechten bij terugkeer naar Cyprus. Bij de beantwoording van de vraag of eiser hierin is geslaagd, is niet zoals eiser heeft betoogd het Jawo-arrest van belang, maar het arrest Ibrahim. In dit arrest benadrukt het HvJEU dat de drempel voor een beroep op artikel 4 van het Handvest – dat gelijkstaat aan artikel 3 van het EVRM – onverminderd hoog blijft. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.



4.3.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen waaruit volgt dat hij bij terugkeer in een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige situatie terechtkomt. De rechtbank licht dit als volgt toe.



4.4.
Hoewel uit de AIDA-rapporten (update 2025) blijkt dat de situatie voor statushouders in Cyprus moeilijk kan zijn, ziet de rechtbank in de persoonlijke ervaringen van eiser in dit geval geen aanwijzingen dat hij bij terugkeer geen effectieve toegang tot de arbeidsmarkt en huisvesting zal hebben. Dat het lastig is om dat te verkrijgen, betekent niet dat eiser daartoe geen rechten heeft of dat het voor hem praktisch onmogelijk is om dat te verkrijgen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen volgt dat hij een bestaan heeft opgebouwd in Cyprus. Eiser heeft namelijk zelf verklaard dat hij in Cyprus tot aan zijn vertrek naar Nederland huisvesting en arbeid heeft gehad. Zo heeft eiser in dit verband verklaard dat hij drie tot vier maanden bij een man heeft ingewoond en daarna samen met een vriend voor ongeveer anderhalf jaar een studio heeft gehuurd. Verder heeft eiser verklaard dat hij in Cyprus eerst in de landbouw heeft gewerkt en daarna in de bouw. Na het verkrijgen van zijn verblijfsvergunning was het bovendien relatief gemakkelijk om werk te vinden en werkte hij sindsdien als kassier in een supermarkt/nachtwinkel. Dat eiser niet opnieuw zijn eigen huisvesting zal kunnen regelen of toegang zal hebben tot de arbeidsmarkt, heeft hij niet geconcretiseerd of onderbouwd. Verder is niet gebleken dat uit het beleid van de Cypriotische autoriteiten blijkt dat statushouders structureel niet worden geholpen om hun rechten te effecturen of dat de Cypriotische autoriteiten onverschillig staan tegenover de door statushouders ondervonden problemen. Eiser betoogt dat hij problemen heeft gehad met Israëlische personen in Cyprus en ook dat zijn werkgever hem vanwege zijn afkomst slecht heeft behandeld. Maar zelfs als deze stellingen juist zouden zijn, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het dan aan eiser is om hierover te klagen bij de (hogere) autoriteiten of aangifte te doen bij de politie. Eiser heeft dit niet gedaan. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij niet heeft onderbouwd waarom de politie hem niet zou geloven en dat zijn stellingen dus onvoldoende zijn om te concluderen dat effectieve rechtsbescherming in Cyprus ontbreekt. Omdat eiser geen bescherming heeft gevraagd aan de Cypriotische autoriteiten, is er dus geen aanwijzing dat deze autoriteiten hem niet willen of kunnen beschermen tegen dergelijke problemen.



4.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt de beroepsgrond niet.





Conclusie en gevolgen

5. De minister heeft eisers aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij internationale bescherming heeft in Cyprus. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk hoeft te behandelen en eiser terug dient te keren naar Cyprus. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.


Met zaaknummer NL25.61453.


HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, Jawo


ECLI:NL:RVS:2025:1109


het nieuwste AIDA-rapport (2024 update) over Cyprus is op 14 april 2025 verschenen (en is niet betrokken in de hiervoor genoemde uitspraak van de afdeling)


Het Jawo-arrest is van belang voor vreemdelingen aan wie (nog) geen internationale bescherming is verleend. Eiser bevindt zich als statushouder echter in een andere positie dan een asielzoeker.


ECLI:EU:C:2019:219.


Zie pagina 6 van het “gehoor bescherming EU”.


Zie pagina’s 6 en 7 van het “gehoor bescherming EU”.
Link naar deze uitspraak