|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:22133 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 07-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 23/7215 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | BPM | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | forfaitair | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | taxatie | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7215
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
SBJ Automotive B.V, gevestigd te Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: A.FM.J. Verhoeven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 9 september 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 4088. Er is daarbij een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 5.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2023 het bezwaar ongegrond verklaard en geen proceskosten vergoed.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld op 3 november 2023.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 1 december 2023.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 15 maart 2021, voor de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz S Coupe 63 4 Matic AMG uit Bondrepubliek Duitsland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: auto), in het kentekenregister. De registratie is op 25 maart 2021 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] .
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
7 november 2016
CO2-uitstoot
242 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 158.852
Bruto bpm
€ 45.633
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 237.845
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 35.892
Verschuldigde bpm
€ 6.886
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] en ondertekend door [naam 4] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 15 maart 2021 tussen 10.00 en 10.30 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 72.303 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken vastgesteld op € 21.950,66, inclusief btw. Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 26 maart 2021 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die gedeeltelijk afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
7 november 2016
CO2-uitstoot
242 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 164.812
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 245.058
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 59.506 (koerslijst)
Bruto schadecalculatie
€ 770
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 554
Handelsinkoopwaarde
€ 58.952
5. Bij brief van 22 maart 2021 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de gegevens van DRZ, zij het wel nog rekening houdend met een nadere vermindering van de handelsinkoopwaarde tot € 58.952 in verband met vastgestelde schade van € 770,heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 10.974. Na aftrek van de voldane bpm (€ 6.886), resteert een te betalen bedrag van € 4.088. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 23 augustus 2022 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd op 9 september 2022.
Geschil 6.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiser ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiser in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van het beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eisers rechten;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiseres, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Eiseres is niet degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Hierdoor is de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd waardoor de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Daarvoor verwijst eiser naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017;
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
De auto is een zogenaamde ‘ex-rental’ en op grond daarvan dient de in aanmerking te nemen handelsinkoopwaarde te worden verminderd;
Het onderzoek door DRZ kan niet aan een naheffing ten grondslag worden gelegd nu deze dienst niet onafhankelijk is;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
Er dient een leeftijdskorting vergoed te worden, indien er zich meer dan vijf dagen bevinden tussen datum aangifte en datum tenaamstelling;
De gewijzigde wijze van heffing, waarbij thans een CO2-meting met behulp van de zogenaamde WLTP-methode plaatsvindt terwijl in het verleden gebruik werd gemaakt van de NEDC-methode, leidt tot een verboden onderscheid en daarmee tot schending van artikel 110 VWEU;
Verweerder had gebruik moeten maken van de Scandinavische rekenmethode. Eiseres verwijst daarvoor naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:1963);
De belastingrente die eiseres in rekening is gebracht is in strijd met artikel 110 VWEU;
Eiseres heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
10. Eiseres heeft verschillende niet ter zake doende argumenten aangevoerd. Hierop zal de rechtbank niet ingaan. Eiseres voert als grief aan dat verweerders keuze voor ambtshalve teruggaaf onjuist en nadelig is, maar er heeft geen ambtshalve teruggaaf plaatsgevonden.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het VWEU. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief b)
13. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiseres volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
14. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
15. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
16. Anders dan eiseres betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
17. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De heffing van griffierecht (grief c)
18. Eiseres stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiseres.
19. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiser over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)
20. Eiseres stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiser voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 22 november 2022, namelijk bij brieven van 1 november 2022 en 8 november 2022. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
22. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiseres nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
23. In het onderhavige geval heeft eiseres met dagtekening 29 juni 2022, respectievelijk 23 augustus 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiseres kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eiseres rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)
24. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De tenaamstelling van de aanslag (grief g)
25. De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd aan eiseres, zijnde degene die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd. Dit is in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 7 van de Wet bpm.
De verdeling van de bewijslast en de gestelde ‘ex-rental-status’ (grief h en i)
26. De rechtbank stelt voorop dat de kwalificatie als ‘ex-rental’ uitsluitend van betekenis kan zijn bij een waardering van de auto aan de hand van een koerslijst. Indien bij de aangifte wordt gekozen voor een op de specifieke auto toegespitst taxatierapport moeten de negatieve effecten van het verhuurverleden geacht wordt bij die taxatie te zijn betrokken. Verder, en omdat DRZ de door verweerder verdedigde waarde mede heeft gebaseerd op een koerslijstwaarde, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft gesteld dat recht bestaat op een ex-rental waardering van de auto en voorts dat de bewijslast, om aannemelijk te maken dat geen recht bestaat op de ex-rental waardering, bij verweerder ligt. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat – die feiten in aanmerking genomen - de geheven belasting niet in strijd is met de in artikel 110 VWEU. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783.
27. Eiseres heeft in de aangifte niet aangegeven dat sprake is van een ex-rental terwijl zulks ook niet blijkt uit het door eiser overgelegde taxatierapport. Eiseres heeft ook daarna geen aanvullende stukken overgelegd op grond waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat wel sprake is van een ex-rental. De aangedragen grief kan dan ook niet slagen.De onafhankelijkheid van de DRZ (grief j)
28. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om voor de door hem noodzakelijk geachte controle een door hem te kiezen deskundige in te schakelen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de gekozen taxateur, terwijl er evenmin aanleiding kan worden gevonden om vanwege de werkwijze van de DRZ geen of minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in diens betoog dat de rapportage van DRZ niet aan de bestreden naheffingsaanslag ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1676).
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief k)
29. Het door eiseres bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Het taxatierapport moet in ieder geval één maand voorafgaand aan de aangifte worden opgemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
30. Verweerder heeft een hertaxatie laten uitvoeren door DRZ. DRZ heeft 72 percent (geldend tot 1 januari 2023) overeenkomstig de wettelijke bepaling van de bevonden schade in aftrek gebracht. Die nationale bepaling is – zo heeft eiseres gesteld – in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu deze forfaitair is opgenomen in de nationale bepalingen en betrekking heeft op alle voertuigen, ongeacht de datum eerste toelating. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat een dergelijke nationale bepaling in kennelijke strijd is met het recht van de Unie, nu een dergelijke regeling moet uitgaan van de wettelijke regeling, zoals die geldt ten tijde van de eerste toelating (Hof van Justitie, 16 november 2023, NM, EU:C:2023:888, dictum). De aanslag is tot een te hoog bedrag vastgesteld. De schade moet voor 100 percent in mindering worden gebracht, nu elke andere vermindering in strijd is met het recht van de Unie. De uitlegging van de Hoge Raad doet niet ter zake, nu de Hoge Raad niet bevoegd is het Unierecht rechtsgeldig en bindend uit te leggen (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72) en zich onrechtmatig heeft onttrokken aan zijn wettelijke verwijzingsplicht (Hof van Justitie, 26 juni 2025, Remling, C-767/23, EU:C:2025:486 en aldaar aangehaalde rechtspraak, o.m. Cilfit, AFNE, Consorzio, Kubera).
31. Verweerder heeft het hierboven weergegeven standpunt van eiseres betwist. De rechtbank overweegt ten oordeelt als volgt. Op grond van artikel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bpm geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 31 dan wel 72% van het schadebedrag. Op eiseres rust de last de waardevermindering als gevolg van schade aannemelijk te maken. Hiertoe verwijst de rechtbank naar achtereenvolgens de arresten HvJ ECLI:EU:C:2001:109, overweging 39 (Gomes Valante) en HvJ ECLI:EU:C:2003:228, overweging 60, waaruit volgt dat die bewijslastverdeling niet in strijd is met het Unierecht. Het percentage van 72 of, sinds 1 januari 2022, 31 is een gedeeltelijke tegemoetkoming in die bewijslast en kan dus evenmin in strijd zijn met het Unierecht. Daarom slaagt de beroepsgrond niet. De vraag hoe het percentage tot stand is gekomen is daarmee niet relevant.
De zogenaamde ‘(extra-)leeftijdskorting’ (grief l)
32. Eiseres stelt dat in het onderhavige geval een leeftijdskorting vergoed dient te worden, omdat er zich meer dan vijf dagen bevinden tussen de datum van de aangifte (in casu 15 maart 2021) en de datum van de tenaamstelling (in casu 25 maart 2021).
33. Verweerder stelt zich dienaangaande op het standpunt dat extra leeftijdskorting niet van toepassing is bij onderhavige naheffing.
34. Eiseres stelt dat er altijd extra leeftijdskorting moet worden toegepast als er meer dan vijf werkdagen zijn verstreken tussen de aangifte en de tenaamstelling. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiser naar een uitspraak van rechtbank Gelderland van 24 oktober 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:4793). De rechtbank begrijpt dat eiseres doelt op de volgende passage uit die uitspraak.
“(…)artikel 6, tweede lid, van de Wet bpm (…) is naar het oordeel van de rechtbank echter niet in strijd met het Unierecht. Daarbij is van belang dat er standaard (op basis van goedkeurend beleid in het Kaderbesluit bpm, nr. 2017/1135M) rekening wordt gehouden met een termijn van vijf werkdagen tussen de aangifte en registratie. De rechtbank acht het aannemelijk dat in het merendeel van de gevallen die termijn genoeg is om de registratie af te ronden. Voor zover dat in het individuele geval niet lukt, bestaat recht op leeftijdskorting.”
35. De rechtbank stelt voorop dat in de laatste zin de tekst logischerwijze zou moeten eindigen met “bestaat recht op extra leeftijdskorting”, aangezien de termijn van vijf werkdagen al leeftijdskorting kan inhouden. De zin omschrijft enkel de regeling uit het Kaderbesluit bpm en bevat geen oordeel. Hieruit volgt dus niet de conclusie die eiseres hieraan wenst te verbinden. Een andere onderbouwing heeft eiser niet gegeven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toepassing van extra leeftijdskorting.
De CO2-uitstoot (grief m) en de Scandinavische rekenmethode (grief n)
36. Met betrekking tot deze problematiek heeft de rechtbank Zeeland West-Brabant prejudiciële vragen gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen bij arrest van 26 april 2024 geadresseerd (ECLI:NL:HR:2024:653). Voor wat betreft de in aanmerking te nemen CO²-uitstoot en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen bij de import van gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat de omstandigheid dat de CO²-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, alleen dan niet leidt tot strijd met artikel 110 VWEU, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO²-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is. Met betrekking tot de vraag wat de belastingplichtige in dit verband daarvoor aannemelijk moet maken heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de belastingplichtige, die stelt dat artikel 110 VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
37. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat sprake is van een gebruikte auto met een kilometerstand waaruit blijkt dat de auto niet nieuw is. Ook is sprake van een datum van eerste toelating in Bondsrepubliek Duitsland op 7 november 2016 voorafgaande aan de registratie ervan in Nederland. De eerste vraag is daarmee bevestigend beantwoord. Voor wat betreft de tweede vraag lijkt het redelijk om aan te nemen dat het betreffende type AMG S 63 4Matic in dezelfde vorm en met gelijke specificaties ook op de Nederlandse markt als nieuw is verkocht. Het vragen van een nader bewijs dienaangaande aan eiseres acht de rechtbank dan ook zinledig.
38. In het onderhavige geval is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een uitstoot ter grootte van 242 gram per kilometer. De rechtbank heeft aan de hand van het in de ‘Kennisgeving Naheffingsaanslag’ van 29 juni 2022 met vermelde kenteken van de auto [kenteken] , op basis van openbare bronnen (i.c. www.voertuig.net), vastgesteld dat deze uitstoot overeenkomt met de uitkomst van een zogenaamde NEDC-meting. Het WLTP-resultaat is niet geregistreerd. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het WLTP-resultaat lager zou komen te liggen dan het NEDC-resultaat. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres geen nadeel heeft ondervonden dat kan worden toegeschreven aan de toegepaste wijze van meten van de CO²-uitstoot en dat daarom niet van strijdigheid met artikel 110 VWEU is gebleken.
39. Eiseres heeft betoogd dat verweerder bij de vaststelling van de omvang van de CO²-uitstoot van de auto gebruik had moeten maken van de zogenaamde ‘Scandinavische berekeningsmethode’. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uitgangspunt bij de bepaling van de CO²-uitstoot vormt artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm. Het eerste en tweede lid van dit artikel luiden als volgt (tekst 2025).
1 Voor de toepassing van artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
2 Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;
c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-uitstoot is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;
d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.
40. Uit de redactie van deze bepaling blijkt dat voor de vaststelling van de uitstoot sprake is van een rangorde, waarbij aan een methode eerst wordt toegekomen indien de eerdergenoemdemethodes niet tot een vaststelling hebben kunnen leiden.
41. In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiseres verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiseres gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
Belastingrente en artikel 110 VWEU (grief o)
42. Verweerder heeft eiseres belastingrente in rekening gebracht. Dat is, zo heeft eiseres gesteld, in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu belastingrente onder het bereik van artikel 110 VWEU valt (Hof van Justitie, 27 april 2022, AirBNB Ierland/ Brussels Hoofdstedelijk Gewest, EU:C:2022:303, r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Eiseres heeft in dit kader gewezen op het hiervoor vermelde arrest van het Hof van Justitie. Daarin wordt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, in punt 27 overwogen dat het begrip “fiscale bepalingen” van artikel 114, tweede lid, VWEU zowel ziet op materiële regels als op procedureregels en dat de wijze van invordering niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort. Derhalve valt de heffing van belastingrente onder de reikwijdte van 110 VWEU. Verweerder heeft dat gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.
43. De rechtbank stelt voorop dat het Airbnb-arrest geen betrekking heeft op artikel 110 VWEU, maar antwoord geeft op vragen over Richtlijn 2000/31/EG en het dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU. In onderhavige zaak is noch die Richtlijn van toepassing noch is sprake van dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU.
44. In artikel 6 van de Wet Bpm is bepaald dat tot 1 januari 2022 de belasting op aangifte moet worden voldaan voordat een personenauto op naam is gesteld in het kentekenregister. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat ook bij de registratie van binnenlandse personenauto’s geen kenteken wordt afgegeven zolang de ter zake van die registratie verschuldigde belasting niet is voldaan. Zo de nadere invulling van artikel 114, tweede lid, VWEU uit het Aribnb-arrest al onverkort heeft te gelden voor artikel 110 VWEU, is in het voorliggend geval dan ook geen sprake van een met artikel 110 VWEU strijdig verschil in heffingsmodaliteiten. Dat er wellicht bij de registratie van een ingevoerde gebruikte auto een langere periode kan zijn gelegen tussen de betaling van de verschuldigde belasting en de registratie van die auto dan bij de registratie van een binnenlandse auto en daardoor wellicht rentenadeel wordt ondervonden, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de heffingssystematiek maar van de keuze om het voertuig pas op een latere datum te laten registreren (zie ook Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.).
45. Het in rekening brengen van belastingrente is gebaseerd op het niet tijdig hebben voldaan van het wettelijk verschuldigde bedrag aan belasting. Dat geldt voor zowel binnenlandse voertuigen als voor voertuigen welke hier te lande worden ingevoerd. Een onderscheid wordt daarbij derhalve niet gemaakt. Van strijd met artikel 110 VWEU kan dan ook niet worden gesproken. Het vorenstaande geldt, zo oordeelt de rechtbank, onverkort voor het voldoen van bpm na 1 januari 2022 waarbij het belastbare feit is verlegd naar het doen van aangifte en goedkeuring door de RDW. De rechtbank verwerpt derhalve deze stelling.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief p)
46. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie
47. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
48. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
49. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer
19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiseres betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
50. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
51. Vast staat dat de gemachtigde ter zitting van 20 oktober 2025 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
52. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.
53. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiseres geregistreerd onder nummers SGR 23/7163 en SGR 23/7365 die vrijwel identieke geschillen betreffen en die op dezelfde zitting zijn behandeld. De vastgestelde samenhang brengt mee dat het verzoek om immateriële schadevergoeding slechts in onderhavig beroep beoordeeld wordt. Gezien het feit dat eiseres in geen van de bovenstaande zaken een standhoudende rekenkundige invulling heeft gegeven aan haar grieven, komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen financieel belang speelt bij deze zaken. Er bestaat daarom geen recht op vergoeding van immateriële schade.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af, en
neemt voor wat betreft de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade samenhang aan in de zaken met zaaknummers SGR 23/7163, SGR 23/7365.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|