|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:24083 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 24/7906 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Onttrekkingsvergunning geweigerd, omdat de woning vergunningvrij aan de woonruimtevoorraad onttrokken mocht worden. Beroep niet-ontvankgelijk wegens geen procesbelang. | | Trefwoorden | : | forfaitair | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.A. Evertsz),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder
(gemachtigde: mr. C.T. Kreffer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering aan hem een onttrekkingsvergunning te verlenen.
1.1.
Verweerder heeft met het op 22 juli 2022 per e-mail verstuurde besluit (het primaire besluit) aan de toenmalige eigenaar van de woning op aanvraag een onttrekkingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 23 augustus 2024 op het bezwaar van derde-belanghebbenden heeft verweerder het primaire besluit herroepen en opnieuw op de aanvraag beslist. Hij heeft daarbij de aanvraag afgewezen.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft bij het primaire besluit op aanvraag van de toenmalige eigenaar van de woning aan [adres] een onttrekkingsvergunning verleend. Hierin heeft verweerder overwogen dat dit geen schaarse woning is. Omwonenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat is gebleken dat het wel om een schaarse woning gaat en met het realiseren van kamerbewoning de leefbaarheid in de buurt onevenredig wordt aangetast, omdat de parkeerdruk zal toenemen. Verweerder heeft het primaire besluit daarom herroepen.
3. Aangezien de aanvraag daarmee weer open lag, heeft verweerder opnieuw op de aanvraag beslist. Hangende de bezwaarfase was de Huisvestingsverordening Zoetermeer 2023 in werking getreden. Op grond van deze Huisvestingsverordening is verweerder tot het oordeel gekomen dat de woning, gelet op de WOZ-waarde van € 470.000,- per 1 januari 2023, buiten de reikwijdte van de vergunningplicht valt. Dit betekent dat voor de onttrekking van de woning aan de woningvoorraad geen vergunning nodig is. Verweerder heeft daarom de aanvraag afgewezen.
Wat zijn de regels?
4. In artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 staat dat het verboden is om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden.
Uit artikel 5:8, gelezen in samenhang met bijlage III, van de Huisvestingsverordening Zoetermeer 2023 volgt dat het verbod als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 uitsluitend van toepassing is op gebouwen, bevattende woonruimte, onder de huurprijsgrens, middenhuur woonruimten en woonruimten van eigenaren tot en met de NHG-kostengrens.
Uit informatie op de website van de NHG blijkt dat per 1 januari 2024 de NHG-grens is vastgesteld op € 435.000,-.
Heeft eiser procesbelang?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het bestreden besluit de vergunningplicht niet gold voor de woning van eiser. De woning is dan ook rechtmatig aan de woonruimtevoorraad onttrokken. De vraag die vervolgens voor ligt is welk belang eiser heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Eiser heeft erop gewezen dat het aannemelijk is dat de woning, door stijging van de NHG-grens, binnen afzienbare tijd alsnog binnen de vergunningsreikwijdte zal komen te vallen. Hij zal de woning dan niet meer kamergewijs mogen verhuren, waardoor hij hier minder inkomsten uit zal kunnen genereren. Eiser zou de woning zonder onttrekkingsvergunning niet hebben gekocht. Door de intrekking van de onttrekkingsvergunning leidt eiser schade. Ook heeft eiser erop gewezen dat verweerder in het bestreden besluit zich op het standpunt heeft gesteld dat het om een schaarse woning gaat. Hij heeft belang bij een inhoudelijke beoordeling hiervan, om te voorkomen dat dit standpunt formele rechtskracht krijgt. Tot slot stelt eiser procesbelang te hebben in verband met de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar.
7. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde gronden geen aanleiding om procesbelang aan te nemen. Naast dat het een onzekere toekomstige gebeurtenis is of de woning door een stijging van de NHG-grens mogelijk vergunningsplichtig wordt, wijst de rechtbank erop dat de woning legaal aan de woonruimtevoorraad is onttrokken. Dit is door verweerder ook meermaals -ter zitting- bevestigd. Dit verandert niet op het moment dat de woning onder de NHG-grens zou komen te vallen. Het moment van onttrekking is immers bepalend. Bovendien heeft verweerder erop gewezen dat bij een wijziging van regelgeving overgangsrecht van toepassing zal zijn. Gelet daarop ziet de rechtbank niet in dat de woning door de intrekking van de onttrekkingsvergunning in waarde zou zijn gedaald of dat eiser daardoor anderszins schade heeft geleden. Eiser heeft dit ook niet (voldoende) met stukken onderbouwd. Ook is niet gebleken van derving van huurinkomsten, omdat eiser de woning nog steeds kamergewijs mag verhuren. Eiser kan eventueel later een verzoek om schadevergoeding indienen, wanneer schade zich daadwerkelijk voordoet.
8. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat zonder inhoudelijke beoordeling van het beroep het standpunt van verweerder dat het om een schaarse woning gaat formele rechtskracht krijgt. De rechtbank zal zich over dit punt immers niet inhoudelijk uitlaten. Voor zover verweerder dit standpunt aan nieuwe besluitvorming ten grondslag zal leggen, zal eiser daartegen rechtsmiddelen kunnen aanwenden. De rechtbank wijst daarbij op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 1 juni 2011.
9. Verder is het vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat in het niet toekennen van proceskosten in bezwaar geen zelfstandig procesbelang meer wordt gezien.
10. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk. Redelijke termijn
11. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden.
12. Het is vaste rechtspraak dat een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift is. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken en voor de aanvang van de termijn uit te gaan van zes weken na de datum van het primaire besluit. Verder geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. In dit geval is het bezwaarschrift op 9 november 2022 door verweerder ontvangen. Ten tijde van de uitspraak zijn er 3 jaar, 9 maanden en 19 dagen verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 1 jaar en 9,5 maanden, oftewel 21,5 maanden.
13. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 9 november 2022 ontvangen en op 25 augustus 2024 een besluit op bezwaar genomen. De bezwaarfase heeft daarmee 1 jaar en 9,5 maanden geduurd. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaarfase van 15,5 maanden. Het overige deel van de totale termijnoverschrijding, zijnde 6 maanden, komt voor rekening van de rechtbank.
14. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 6/21,5 deel moet worden toegerekend aan de rechtbank en voor 15,5/21,5 deel moet worden toegerekend aan verweerder.
15. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag € 2.000,00. Omdat de overschrijding aan verweerder en de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van verweerder en de Staat. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 1.441,86 aan eiser en de Staat tot betaling van € 558,14 als vergoeding voor door eiser geleden immateriële schade.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
17. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder en de Staat ieder te veroordelen voor de vergoeding van de helft van de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden in totaal vastgesteld op € 467,- (1 punt ter waarde van € 934,00 voor het verzoek, met een wegingsfactor 0,5 (licht)) voor verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.441,86 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 233,50 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van € 558,14 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van € 233,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Na verkoop van de woning aan eiser is de onttrekkingsvergunning eveneens op naam van eiser gezet.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ6802.
Uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323, ro. 11.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|