Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:25552 
 
Datum uitspraak:02-09-2026
Datum gepubliceerd:04-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL25.33120
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Visum kort verblijf. Schending hoorplicht in bezwaar. Beroep gegrond.
Trefwoorden:agrarisch
arbeidsovereenkomst
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.33120

V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] , [v-nummer 3] en [v-nummer 4]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1968, hierna: eiser


[eiseres]
, geboren op [geboortedag 2] 1980,


[eiser 2]
, geboren op [geboortedag 3] 1998,


[eiser 3]
, geboren op [geboortedag 4] 2004,
allen van Pakistaanse nationaliteit, hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. I.G. te Pas),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een visum kort verblijf van eisers. Eisers zijn niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en geen hoorzitting heeft gehouden. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eisers hebben een visum voor kort verblijf aangevraagd met het doel ‘verblijf bij [persoon 1] (referent)’. Zij willen hun (stief)zoon/broer bezoeken in Nederland.

2.1.
De minister heeft deze aanvragen met de primaire besluiten van 31 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juni 2025 heeft de minister het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.



2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [persoon 2] (de broer van eiser) en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


Achtergrond

3. Eisers zijn de vader, stiefmoeder en de broers van [persoon 3] (referent). Zij hebben een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij referent in de periode van 30 oktober 2024 tot en met 6 januari 2025, om aanwezig te kunnen zijn bij het huwelijk, dan wel het geregistreerd partnerschap, van referent met zijn partner. Vanwege hun seksuele geaardheid durven zij niet samen naar Pakistan te reizen. Daarnaast is de partner van referent ziek.


Het bestreden besluit

4. De minister heeft de visumaanvragen afgewezen, omdat de sociale en economische binding van eisers met Pakistan onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eisers (tijdig) het Schengenbied zullen verlaten. De minister stelt dat, nu wordt getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur, ook wordt getwijfeld aan de juistheid van het opgegeven reisdoel. De minister heeft de visumaanvragen van eisers afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii en onder b van de Visumcode.


4.1.
De minister weegt in het nadeel mee dat eiser met zijn hele gezin naar Nederland reist en er daarom geen sociale band met het land van herkomst meer bestaat, omdat er geen eigen achterblijvend gezin is waarvoor eiser verantwoordelijkheid draagt. De meereizende meerderjarige zoons van eiser zijn ongehuwd en hebben geen kinderen. Eiser stelt dat hij samen met zijn echtgenote voor zijn schoonmoeder zorgt, maar er is niet gebleken dat andere familieleden die zorg niet zouden kunnen overnemen. Wat betreft de economische binding is niet gebleken dat eisers over een stabiel en regelmatig inkomen beschikken om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. De echtgenote van eiser heeft aangegeven huisvrouw te zijn en eiser is gepensioneerd. Er is niet vast komen te staan dat hij daarnaast met zijn agrarisch bedrijf daadwerkelijk inkomsten genereert.


Het beroep



Doel en omstandigheden van het verblijf


5. De minister heeft ter zitting aangegeven dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet meer worden tegengeworpen. De beroepsgrond die zich hiertegen richt, behoeft daarom geen bespreking meer.





Hoorplicht


6. Eisers voeren aan dat er ten onrechte is afgezien van horen in bezwaar. In het bestreden besluit worden aannames gedaan en vragen opgeworpen, waaruit blijkt dat er zaken zijn die verduidelijkt hadden kunnen worden op een hoorzitting.


6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de stukken die eisers hebben overgelegd onvoldoende zijn en geen aanleiding geven om eisers en/of referent te horen. In de bezwaarprocedure is genoeg gelegenheid geboden om informatie te verstrekken en stukken te overleggen. Een hoorzitting zou niet tot een ander oordeel leiden.


6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van de procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.


6.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers ter staving van hun aanvraag de volgende stukken hebben overgelegd:


een familie uittreksel met vertaling dat is afgegeven op 30 augustus 2024. Op dit uittreksel staat het gezin van eisers vermeld;


een kopie van de huwelijksakte van eiser en zijn echtgenote met vertaling;


garantstellingen van de referent bij de visumaanvragen;


een uittreksel uit de basisregistratie personen van referent;


uitnodigingsbrieven bij de visumaanvragen;


bewijs van retourvliegtickets;


bewijs van reisverzekering;


loonstroken van referent;


kopieën van het paspoort en de verblijfstitel van referent;


medische stukken over de gezondheidssituatie van de partner van referent;


kopie van het paspoort van de partner van referent;


bankafschriften van eiser;


een werkgeversverklaring van de werkgever van referent afgegeven op 16 september 2024;


arbeidsovereenkomst van referent van 20 mei 2024;


verklaringen van de scholen van zoons van eiser afgegeven op 27 september 2024 en 1 oktober 2024 waarop hun inschrijvingen worden bevestigd en hun studies en leerjaren worden vermeld;


kopieën van alle pagina’s van de paspoorten van eisers;


aanvraagformulieren.




6.4.
Verder stelt de rechtbank vast dat eisers in bezwaar onder meer de volgende stukken hebben ingediend:
- ingevulde vragenlijst Visumaanvraag;
- een familie uittreksel met vertaling dat is afgegeven op 16 januari 2025. Op dit uittreksel staat het gezin van eisers vermeld;


een familie uittreksel met vertaling dat is afgegeven op 12 juli 2023. Op dit uittreksel staat het gezin van de oudste dochter van eiser vermeld;


nieuwe medische stukken met betrekking tot de gezondheidssituatie van de partner van referent;


bankafschriften van referent;


betaalspecificatie van het UWV van de WIA-uitkering van de partner van referent;




verklaringen van werknemers van eiser inzake zorgen voor het agrarisch bedrijf gedurende zijn afwezigheid;


een arbeidsovereenkomst van referent van 14 oktober 2024;


pensioenpasje van eiser;


eigendomsbewijzen onroerend goed van eiser;


dienstbewijs van eiser;


bankafschriften bank- en spaarrekening van eiser;


een vertaalde brief van de arts van de schoonmoeder van eiser waarin staat dat zij zorgbehoevend is vanwege astma en ischemische hartziekte;


verklaringen van de scholen van zoons van eiser afgegeven op 23 januari 2025 waarop hun inschrijvingen worden bevestigd en hun studies en leerjaren worden vermeld.




6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het bezwaar van eisers ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard en had hij niet kunnen afzien van het horen van eisers in de bezwaarfase. Het is de rechtbank gebleken dat eisers nieuwe stukken hebben ingediend in bezwaar en door middel van de bezwaargronden hun aanvragen nader hebben onderbouwd. Zo is de inkomenssituatie van referent toegelicht en met stukken onderbouwd. Ook is toegelicht dat eiser pensioen ontvangt vanwege zijn militaire achtergrond en daarnaast nog inkomen genereert met zijn agrarisch bedrijf, dat tijdens zijn afwezigheid zou worden waargenomen door twee werknemers. Daarnaast zijn eisers ingegaan op de zorg die zij dragen voor de schoonmoeder van eiser die bij hen in huis woont en dat de jongere zus van de echtgenote van eiser de zorg op zich zal nemen tijdens hun afwezigheid.


6.6.
De rechtbank oordeelt dat eisers op zijn minst een begin van bewijs hebben geleverd om hun economische binding aan te tonen. In het bestreden besluit is aangegeven dat op basis van het eigendom van onroerend goed en de stelling dat eiser een agrarisch bedrijf runt niet zonder meer kan worden vastgesteld dat er sprake is van wezenlijke economische binding. Gelet op het aantal stukken dat eisers hebben overgelegd over hun financiële situatie, het eigendom van de woning en het agrarische bedrijf van eiser, had het op de weg van de minister gelegen om eisers de gelegenheid te bieden om dit nader toe te lichten op een hoorzitting. De minister had dan nadere vragen kunnen stellen over in hoeverre eiser gebonden is aan zijn bedrijf en of er daadwerkelijk inkomsten mee worden gegenereerd. Ten aanzien van de studies van de broers van referent, stelt de minister in het bestreden besluit dat niet vast is komen te staan dat zij een dusdanige waarde hechten aan hun opleidingen om op basis daarvan tijdig terug te keren naar Pakistan. Ook op dit punt hebben eisers met de stukken over hun studies een begin van bewijs aangeleverd. Welke waarde zij hieraan hechten is bij uitstek iets waar de minister op een hoorzitting meer hoogte van had kunnen krijgen.


6.7.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers ook inspanningen verricht om hun sociale binding met Pakistan te onderbouwen. De minister stelt in het bestreden besluit dat op grond van de aanwezige familieleden in Pakistan en de zorg voor de schoonmoeder van eiser niet zonder meer kan worden aangenomen dat de sociale binding van eisers met het land van herkomst zodanig sterk is dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. De gemachtigde van eisers heeft hierover in beroep en op zitting toegelicht dat de oudste dochter van eiser en de zus van de echtgenote van eiser de zorg voor de schoonmoeder niet langdurig op zich kunnen nemen vanwege hun eigen gezinnen. Dit hadden eisers kunnen toelichten op een hoorzitting. Daarbij heeft de minister miskend dat het feit dat eisers hun hele leven in Pakistan wonen, een indicatie van sociale binding is.


6.8.
De rechtbank oordeelt dat het op de weg van de minister had gelegen om eisers te horen om meer duidelijkheid te krijgen over de sociale en economische binding. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake is van een situatie waarin er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de aangevoerde bezwaren niet tot een ander standpunt zouden kunnen leiden. Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat er in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting is gehouden. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.


7.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten en moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden. Deze vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.






Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.



Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.


Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.


Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.


Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Link naar deze uitspraak