|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:26403 | | | | | Datum uitspraak | : | 02-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL26.18878 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | VK, asiel, Eritrea, onvoldoende gemotiveerd waarom problemen vanwege illegale uitreis kinderen ongeloofwaardig, geen 3 EVRM-risico door overschrijden visumtermijn, beroep gegrond. | | Trefwoorden | : | landbouwgrond | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18878
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Taha),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de problemen van eiseres in Eritrea ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1963. Haar man is ongeveer zeven jaar geleden opgepakt en overleden naar aanleiding van de illegale uitreis van haar dochter [naam] . Tegen die tijd is ook haar grond in beslag genomen door de lokale autoriteiten vanwege de illegale uitreis van haar kinderen. Vijf jaar na het overlijden van haar man is eiseres legaal uit Eritrea vertrokken op basis van een Schengenvisum. Bij terugkeer naar Eritrea vreest zij opgepakt te worden door de autoriteiten en in de gevangenis te belanden vanwege het overschrijden van de visumtermijn en de illegale uitreis van haar kinderen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen in Eritrea vanwege het overschrijden van de visumtermijn en de uitreizen van de kinderen.
4.1.
De minister betrekt bij de beoordeling dat eiseres analfabeet is, nooit naar school is geweest, en als herder en op het land werkte en haar (zes) kinderen grootbracht. Dat is het referentiekader van eiseres.
4.2.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister acht de problemen van eiseres in Eritrea vanwege het overschrijden van de visumtermijn en de uitreizen van de kinderen niet geloofwaardig.
Ten eerste heeft eiseres niet alle relevante elementen overgelegd, en daar heeft zij geen bevredigende verklaring voor. Eiseres heeft haar paspoort niet overgelegd, waardoor haar reisbewegingen en verklaringen niet verifieerbaar zijn. Zij heeft bij de politie niet verklaard dat het paspoort kwijt was geraakt, maar later in het aanmeldgehoor wel. De minister vindt dit tegenstrijdig en volgt niet dat eiseres dit bij de politie niet heeft verklaard, omdat zij er niet aan had gedacht en niet wist hoe de asielprocedure in elkaar steekt.
Ten tweede vormen de verklaringen van eiseres over de problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De gestelde problemen met de autoriteiten stroken namelijk niet met dat eiseres legaal het land kon verlaten met een uitreisvisum, omdat het verkrijgen daarvan volgens het Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2025, p. 24 erg moeilijk is. Verder blijkt uit het Algemeen ambtsbericht, p. 54 dat men zonder problemen kan terugkeren naar Eritrea na een legale uitreis. Volgens de minister verklaart eiseres ook wisselend over haar problemen in Eritrea. Zij verklaart in het nader gehoor namelijk enerzijds wel over problemen met de autoriteiten, en zegt anderzijds dat zij geen problemen heeft ondervonden.
Verder is volgens de minister niet aannemelijk dat de grond van eiseres in beslag is genomen vanwege de illegale uitreis van haar kinderen, omdat zij niet eenduidig en concreet verklaart over of dit persoonlijk aan haar is medegedeeld en door wie en op welke wijze dit besluit is genomen. Ook verklaart eiseres summier en tegenstrijdig over de gebeurtenis met haar man en de daaruit voortvloeiende problemen. Zij kan niet toelichten wat er met haar man is gebeurd en waarom hij om het leven is gekomen. Het is een aanname van eiseres dat zijn overlijden in verband staat met de illegale uitreis van haar dochter. Zij heeft ook niet nader toegelicht op welke manieren zij druk ervaarde vanuit de overheid na het overlijden van haar man, en heeft nog jaren in Eritrea kunnen verblijven.
Ten derde heeft eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend, en daar heeft zij geen goede verklaring voor. Zij heeft zich namelijk pas vier maanden na aankomst gemeld, twee weken na het verstrijken van haar visum. De minister volgt niet dat dit is omdat zij niet wist hoe de procedure werkte, omdat haar zoon in Nederland de asielprocedure heeft doorlopen en voor haar het visum heeft aangevraagd.
4.3.
Wat betreft de vrees van eiseres om bij terugkeer te worden opgepakt, merkt de minister op dat dit niet raakt aan de (vervolgings)gronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook is geen sprake van een reëel risico op ernstige schade. Zo blijkt uit het Algemeen ambtsbericht, p. 26-27 en 54 niet dat het overschrijden van de visumtermijn leidt tot problemen met de Eritrese autoriteiten. Ook is ongeloofwaardig geacht dat eiseres in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Van haar mag worden verwacht dat zij bij terugkeer niet kenbaar maakt dat zij in Nederland asiel heeft aangevraagd. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres zich niet tijdig heeft gemeld.
5. De minister ziet ook geen aanleiding om eiseres een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen. Tussen eiseres en haar (meerderjarige) zoon in Nederland is geen sprake van emotionele banden die het gangbare overstijgen.
Geloofwaardigheid van de problemen van eiseres vanwege het uitreizen van haar kinderen
6. Eiseres voert aan dat de minister bij de tegenwerpingen over het visum en het paspoort onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Bovendien heeft zij duidelijk verklaard over hoe zij het visum heeft verkregen en dat zij daarmee is uitgereisd.
Verder stelt de minister ten onrechte dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over of zij problemen heeft ondervonden. Uit het nader gehoor, p. 20 blijkt immers dat eiseres onderscheid maakte tussen direct persoonlijk gevaar en de indirecte repressie (slechte behandeling) die zij wél heeft ondervonden. Dat is de reden dat zij verklaarde geen persoonlijke problemen te hebben met de autoriteiten.
Verder stelt eiseres dat zij tijdens het gehoor, p. 21 en 22, wat betreft de inbeslagname van de grond niet alleen het algemene patroon heeft benoemd, maar ook haar eigen geval heeft beschreven. Verder heeft de minister onvoldoende onderkend dat het relaas aansluit bij de landeninformatie, en heeft de minister het causale verband tussen de gebeurtenissen onvoldoende weerlegd. Eiseres wijst op het Algemeen ambtsbericht, p. 33 en het rapport van Human Rights Watch van 9 februari 2023 ‘Eritrea: Crackdown on Draft Evaders’ Families’, waaruit onder meer volgt dat ook familieleden van dienstplichtontduikers die al vertrokken zijn te maken kregen met repressie. Daaruit blijkt ook dat arbitraire detentie, informele bestraffing en gebrek aan transparantie juist kenmerkend zijn in Eritrea. De minister verwacht daarom ten onrechte van eiseres dat zij achteraf reconstrueert waarom haar echtgenoot precies is overleden. Eiseres heeft ook consequent verklaard dat haar dochter [naam] het land ontvluchtte om de militaire dienst te ontlopen, dat haar echtgenoot hiervoor verantwoordelijk werd gehouden, dat hij werd opgepakt en dat dit zijn dood werd, wat ook zo is samengevat door de hoormedewerker. Daaruit blijkt een causaal verband, dat de minister onvoldoende heeft weerlegd.
Tot slot stelt eiseres dat de latere asielaanvraag niet in haar nadeel mag werken, omdat zij in het nader gehoor heeft uitgelegd waarom zij zich niet eerder heeft gemeld, en dat dit te maken heeft met haar referentiekader. Ook mag volgens het UNHCR het niet spoedig indienen van de asielaanvraag niet zonder meer afdoen aan de geloofwaardigheid, de beslisser moet steeds beoordelen of het uitstel verschoonbaar is.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiseres over haar problemen in Eritrea geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor, p. 20 toegelicht waarom zij desgevraagd verklaarde dat zij geen persoonlijke problemen had ondervonden van de autoriteiten. De rechtbank acht haar toelichting dat zij hiermee doelde op direct persoonlijk gevaar aannemelijk, aangezien vlak daarvoor werd gesproken over de arrestatie en het overlijden van haar man. Eiseres heeft verder ook eenduidig verklaard over de problemen die zij heeft ondervonden.
De minister betwist in het bestreden besluit ook niet dat de kinderen van eiseres illegaal het land hebben verlaten, dat haar man is opgepakt en dat haar landbouwgrond in beslag is genomen. De minister heeft op de zitting ook bevestigd dat deze gebeurtenissen op zichzelf niet worden betwist, maar stelt dat het causale verband met het illegaal uitreizen van [naam] en/of de andere kinderen van eiseres niet aannemelijk is geworden. De rechtbank kan de onderbouwing door de minister hierin niet volgen. De minister betwist immers niet de tijdlijn die eiseres schetst, namelijk dat de arrestatie van haar man en de inbeslagname van haar grond heeft plaatsgevonden na de illegale uitreis van [naam] . De minister heeft op de zitting wel de vraag gesteld waarom eiseres en haar man niet eerder in de problemen zijn gekomen, aangezien hun andere kinderen al eerder waren uitgereisd. Eiseres heeft daarop toegelicht dat het verschil is dat [naam] al een oproep had gekregen voor de militaire dienst, terwijl haar andere kinderen al waren uitgereisd voordat zij een oproep hadden gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de volgorde en het tijdpad ten onrechte niet kenbaar in de afweging betrokken, terwijl die wel relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het causaal verband.
Aangezien de gebeurtenissen en het tijdpad niet worden betwist, is van belang dat uit de landeninformatie blijkt dat de illegale uitreis van kinderen kan leiden tot de door eiseres gestelde problemen. Uit het Algemeen ambtsbericht, p. 33 blijkt dat familieleden van dienstplichtontduikers te maken kregen met maatregelen als detentie en inbeslagname van oogst of bezittingen. Dit gebeurde ook bij familieleden van dienstplichtontduikers van wie duidelijk was dat zij inmiddels het land hadden verlaten, waarbij het dan meer dient als drukmiddel dan als strafmaatregel. Uit het rapport van Human Rights Watch van 9 februari 2023 volgt dat de repressie zich juist ook uitstrekt tot oudere ouders. De rechtbank kan het standpunt van de minister op zichzelf wel volgen dat uit het gegeven dat arrestaties en inbeslagnames kunnen volgen op dienstplichtontduiking nog niet direct volgt dat dit in het geval van eiseres en haar man ook de aanleiding is geweest. De volgorde en het tijdpad van de gebeurtenissen die eiseres schetst passen echter wel in het kader dat wordt geschetst in het Algemeen ambtsbericht en het rapport van Human Rights Watch. Dat maakt een causaal verband wel meer aannemelijk, en de minister heeft hier in de motivering van het besluit geen aandacht aan besteed. Gelet op het voorgaande is niet inzichtelijk waarom de minister het causale verband tussen de uitreis van de kinderen van eiseres en de arrestatie van haar man en de inbeslagname van haar grond niet aannemelijk acht.
8. De minister heeft wel terecht tegengeworpen dat eiseres niet alle relevante elementen heeft overgelegd en hier geen goede verklaring voor heeft. Op zitting is gebleken dat de minister het ontbreken van het paspoort van belang vindt in het kader van de algemene geloofwaardigheid van eiseres. Verder heeft de minister toegelicht dat uit het paspoort bijvoorbeeld zou kunnen blijken of eiseres vaker (legaal) is uitgereisd. De rechtbank volgt de minister hierin. Eiseres heeft verklaard dat zij het paspoort in België is kwijtgeraakt. Zij heeft in het nader gehoor, p. 5-7 geen duidelijke uitleg gegeven over het kwijtraken van het paspoort, en over waarom zij dit bij de politie niet heeft verteld. Dat dit kan worden toegeschreven aan haar referentiekader volgt de rechtbank niet. Dat eiseres analfabeet is en geen opleiding heeft gehad, betekent immers niet dat zij tijdens de reis niet let op haar documenten, en geen eenduidige uitleg kan geven over het kwijtraken van het paspoort.
9. De minister heeft ook terecht tegengeworpen dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, en daar heeft geen goede verklaring voor heeft. Eiseres heeft zich immers pas twee weken na het verstrijken van haar visum gemeld voor asiel. Dat dit toegeschreven zou kunnen worden aan haar referentiekader of persoonlijke omstandigheden, volgt de rechtbank niet. De minister heeft er terecht op gewezen dat de zoon van eiseres in Nederland de asielprocedure heeft doorlopen en voor haar een visum heeft aangevraagd, en dat van eiseres verwacht mocht worden dat zij hem (tijdig) om informatie of hulp vroeg. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat zij ervan uitging dat zij in ieder geval de periode dat het visum geldig was kon afwachten, maar dat verklaart niet waarom zij haar aanvraag dan niet voor het verstrijken van het visum heeft ingediend.
10. Gelet op wat in overweging 7. is overwogen, heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de problemen van eiseres in Eritrea ongeloofwaardig zijn en kan de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand blijven. Dat eiseres haar paspoort niet heeft overgelegd en haar asielaanvraag niet tijdig heeft ingediend (overweging 8. en 9.) kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk op zichzelf niet de doorslag geven in de geloofwaardigheidsbeoordeling.
Risico bij terugkeer vanwege het overschrijden van de visumtermijn
11. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Eritrea problemen zal ondervinden, omdat zij niet binnen de visumtermijn is teruggekeerd, bij haar legale uitreis alles is geregistreerd en de autoriteiten haar zullen aanspreken omdat zij bij haar kinderen is geweest. Ook hebben de autoriteiten haar vóór haar vertrek voorzieningen en bestaansmiddelen afgenomen. Uit het Algemeen ambtsbericht blijkt ook dat een legale uitreis niet zonder meer vrijwaart van problemen bij terugkeer. Eiseres heeft op de zitting nog gewezen op de toelichting van 30 april 2025 op het Algemeen ambtsbericht Eritrea van december 2023, p. 1, waar onder meer staat dat personen die later terugkwamen dan toegestaan vanuit het buitenland te maken konden krijgen met nadelige gevolgen waaronder detentie.
12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt vanwege het overschrijden van de visumtermijn. In de toelichting van 30 april 2025, p. 2 is gereageerd op de passage die eiseres aanhaalt. In de toelichting wordt weliswaar bevestigd dat uit twee in het ambtsbericht aangehaalde bronnen kan worden opgemaakt dat aan het uitreisvisum in bepaalde gevallen van officiële reisdoelen een termijn verbonden was waarbinnen de houder moest terugkeren, maar volgt ook dat uit verschillende andere bronnen expliciet blijkt dat er aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn is verbonden. Personen die reisden voor officieel bezoek in het buitenland lopen het risico dat hun verblijf in het buitenland als illegaal werd beschouwd indien zijn niet terugkeerden na het bezoek. Voor andere reizigers (zoals eiseres) zou dit risico ‘vrijwel nihil’ zijn. Daarbij heeft de minister terecht gewezen op het Algemeen ambtsbericht van december 2025, p. 25-27 waaruit blijkt dat er geen terugkeertermijn op het uitreisvisum staat en dat personen die legaal zijn uitgereisd op een willekeurig moment kunnen terugkeren naar Eritrea. De rechtbank ziet in het Algemeen ambtsbericht ook geen aanknopingspunten dat eiseres problemen zal krijgen omdat zij op bezoek is geweest bij haar kinderen die eerder illegaal zijn uitgereisd, of omdat haar grond haar eerder is afgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
13. Eiseres voert aan dat tussen haar en haar zoon wel degelijk sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zij heeft tijdens het nader gehoor, p. 15 en 16 verklaard dat hij haar in de gaten houdt en waar nodig hulp biedt, en dat zij vooral bij het regelen van zaken waarvoor kennis nodig is, afhankelijk van hem is. Dat zij niet bij haar zoon wil inwonen omdat hij een gezin heeft, betekent niet dat geen sprake is van afhankelijkheid. Dat geldt ook voor het feit dat eiseres alleen in Eritrea heeft geleefd: zij leefde immers van wat de kinderen haar stuurden.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen. Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar de bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de praktische en emotionele steun die eiseres van haar zoon ontvangt niet het gangbare overstijgt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
15.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
15.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 maart 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 2 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, versie van 28 februari 2026 (Vw).
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|