Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:27103 
 
Datum uitspraak:18-09-2026
Datum gepubliceerd:18-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:Awb 26-111
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Ongegrond. Er bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referente en haar moeder en broertje. Samenwonen is daartoe onvoldoende en de emotionele band is niet essentieel voor het dagelijks functioneren. Daarnaast is geen sprake van financiele afhankelijkheid. De minister heeft het standpunt dat tussen referente en eisers geen familie- en gezinsleven bestaat deugdelijk gemotiveerd.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: Awb 26/111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen


[naam], eiseres,geboren op [geboortedatum],van Pakistaanse nationaliteit,V-nummer: [nummer],

en


[naam], eiser,geboren op [geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit,V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: eisers,(gemachtigde: mr. F. Ayar),

en

de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. D. Post).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor verblijf bij [referente] (referente). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Referente heeft voor haar moeder en broertje (eisers) een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. De minister heeft de aanvraag van eisers afgewezen. Volgens de minister zijn er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referente en haar moeder en broertje. Om die reden is geen sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.


Juridisch kader

4. De rechtbank overweegt dat de minister moet vaststellen of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan familie- en gezinsleven moet worden aangenomen tussen referente en eisers. Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of sprake is van een beschermd gezinsleven van feitelijke aard is. Hierbij kunnen bijvoorbeeld van belang zijn het hebben samengewoond door de familieleden, de mate van emotionele afhankelijkheid, de mate van financiële afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. De rechtbank mag het onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering bij de beoordeling of er familie- en gezinsleven bestaat volledig toetsen, maar moet de uitkomst van die beoordeling met enige terughoudendheid toetsen, omdat die uitkomst volgt uit een weging van omstandigheden.Bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen moeder en dochterStandpunt eiseres
5. Eiseres voert - kort samengevat - aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen haar en referente. Referente heeft namelijk het grootste deel van haar leven met haar moeder (eiseres) samengewoond. Eiseres heeft referente als alleenstaande moeder opgevoed en daardoor hebben zij een sterkere band dan gebruikelijk. Verder is er sprake van emotionele afhankelijkheid, referente is onmisbaar voor haar moeder. Door de ernstige medische situatie van eiseres is zelfstandig functioneren voor haar onmogelijk. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers nog toegevoegd dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de overgelegde medische en financiële stukken. Ook is betoogd dat referente de financiële bijdrage sinds twee maanden direct overmaakt naar de rekening van haar moeder. Hierbij heeft de gemachtigde aangegeven dat ze deze betaalbewijzen nog aan de rechtbank kunnen overleggen. Dit kon niet eerder worden ingediend, omdat het pas later is ontstaan.Samenwonen en emotionele afhankelijkheid
6. De rechtbank overweegt dat de minister er terecht op heeft gewezen dat uit de eerdere samenwoning op zichzelf niet volgt dat tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Inmiddels is referente al een tijd weg uit Pakistan en de minister heeft erop mogen wijzen dat eiseres zich daar staande kunnen houden. Verder heeft de minister kunnen vinden dat niet aannemelijk is gemaakt dat de emotionele band tussen eiseres en referente de gebruikelijke emotionele band tussen een ouder en meerderjarig kind overstijgt. Hoewel een nauwe onderlinge band begrijpelijk is door onder meer de afwezigheid van de vader van referente, is niet onderbouwd dat deze emotionele band essentieel is voor het dagelijks functioneren van eiseres of referente. Eiseres heeft zich immers in het verleden ook zelfstandig kunnen redden. Daar komt bij dat eiseres en referente elkaar ook op afstand emotioneel kunnen ondersteunen.Financiële afhankelijkheid
7. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de ex-tunc toetsing, het bestreden besluit door de rechtbank wordt getoetst aan de hand van (a) het toepasselijke recht zoals dat gold en (b) de relevante feiten die zich voordoen op het moment van het nemen van het bestreden besluit. Dat een document is opgemaakt of ingediend op een later tijdstip dan dat moment, is daarbij niet bepalend. Als de feiten waarover dat document gaat zich maar voordeden op het moment van het nemen van het besluit, ontstaat er geen strijd met de ex-tunc toetsing.Omdat de stukken die de gemachtigde van eiseres wil indienen betaalbewijzen zijn van de afgelopen twee maanden waarmee hij wil onderbouwen dat referente inmiddels rechtstreeks geld overmaakt naar haar moeder, gaat het om feiten en omstandigheden die dateren van na het bestreden besluit. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid te stellen deze stukken te overleggen.

7.1.
Verder overweegt de rechtbank dat de minister er terecht op heeft gewezen dat uit de eerder overgelegde betaalbewijzen niet volgt dat er structureel geld werd overgemaakt via een vriendin van referente. Ook als dat het geval zou zijn, is niet gebleken dat dit geld voor eiseres bedoeld was. Bovendien zou de financiële steun, als die wordt aangenomen, ook op afstand worden voortgezet. Daarnaast heeft de minister zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat met de overgelegde financiële stukken onvoldoende is onderbouwd dat eiseres volledig afhankelijk zou zijn van het geld dat referente naar Pakistan stuurt. De minister is daarmee in de besluitvorming ingegaan op de door eiseres overgelegde financiële stukken.


7.2.
Tot slot heeft de minister mogen vinden dat uit de verstrekte documenten niet blijkt dat eiseres haar gezondheidstoestand zodanig is dat de hulp van referente noodzakelijk is voor eiseres om zelfstandig te kunnen functioneren. Uit de stukken volgt weliswaar dat eiseres medische problemen heeft, maar hieruit volgt niet dat zij niet zelfstandig kan functioneren of aangewezen is op de zorg van referente. Hierbij wijst de minister er terecht op dat ook het meerderjarige broertje (eiser) van referente zijn moeder kan ondersteunen. De minister is daarmee in de besluitvorming ingegaan op de door eiseres overgelegde medische stukken.
8. Dit betekent dat de beroepsgronden niet slagen. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen zus en broertje

9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen hem en referente. Net als voor haar moeder, is referente ook financieel verantwoordelijk voor haar broertje. Referente heeft altijd samengewoond met haar broertje. Door de afwezigheid van een vader en de ziekte van hun moeder heeft referente bovendien een moederrol op zich genomen. Hun onderlinge band en afhankelijkheid van elkaar zijn verder versterkt door een ernstig ongeluk van haar broertje.


9.1.
Ook hier heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte overwogen dat tussen referente en haar broertje geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.


9.2.
Zoals al is overwogen vanaf r.o. 6. is samenwonen op zichzelf niet voldoende om te spreken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser en referente emotioneel afhankelijk van elkaar zijn. Dat het ongeluk van eiser impact heeft gehad op het gezin is begrijpelijk, maar leidt niet tot een onderlinge bijzondere emotionele afhankelijkheid. Bovendien is eiser inmiddels meerderjarig en mag van hem een bepaalde zelfstandigheid worden verwacht. Net als bij eiseres heeft de minister kunnen stellen dat geen sprake is van financiële afhankelijkheid tussen eiser en referente. Dat referente maandelijks geld overmaakt, de schoolkosten van haar broertje betaald en voorziet in zijn dagelijks levensonderhoud, is onvoldoende onderbouwd. Ook hier geldt dat financiële steun op afstand kan plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.Heeft de minister een juiste afweging gemaakt van de door eisers aangevoerde belangen?
10. Eisers voeren aan dat bij de beoordeling of sprake is van familie- of gezinsleven tussen eisers en referente, de minister ten onrechte niet heeft gekeken naar de omstandigheden van hun relatie in onderlinge samenhang. Volgens eisers moet er gekeken worden naar het langdurig samenwonen, de (financiële) afhankelijkheid, de structurele zorgrol, de emotionele bindingen en de afwezigheid van een vader.


10.1.
De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat de minister het standpunt dat tussen referente en eisers geen familie- en gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM deugdelijk heeft gemotiveerd in een individuele beoordeling. Daarbij heeft de minister alle aangedragen factoren, zoals samenwoning, de emotionele afhankelijkheid, financiële afhankelijkheid en medische omstandigheden meegenomen in de beoordeling. De minister heeft zich bij de weging van die feiten en omstandigheden in onderling verband niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hieruit geen bijkomende elementen van afhankelijkheid volgen. Hij heeft er daarbij terecht op gewezen dat referente niet aannemelijk heeft gemaakt dat eisers de fysieke aanwezigheid van referente nodig hebben voor voortzetting van de eventuele financiële steun en de voor eiseres benodigde zorg, gelet op de betrokken informatie over wat het voor eisers en referente betekent om van elkaar gescheiden te leven.Belangenafweging
11. Volgens eisers is er wel sprake van familie- en gezinsleven en had de minister daarom een belangenafweging moeten maken.


11.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat gelet op het voorgaande de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen referente en eisers. Om die reden hoefde de minister geen belangenafweging te maken.Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra – van der Veen, griffier, op 18 september 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, r.o. 9.


EHRM 9 oktober 2003, Slivenko tegen Letland, ECLI:CE:ECHR:2003:1009JUD004832199, onder 97 en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, onder 55-57.


EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.


EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.


EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.


EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
Link naar deze uitspraak