Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:29472 
 
Datum uitspraak:24-09-2026
Datum gepubliceerd:12-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 26/3209
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Spreidingswet. In het Verdeelbesluit Zuid-Holland heeft de minister voor de gemeenten in de provincie, waaronder de gemeente Albranswaard, bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers er gerealiseerd moeten worden. Met het bestreden besluit heeft een herverdeling van de restopgave plaatsgevonden. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het beleid laat geen ruimte voor het meewegen van al de door het college genoemde specifieke omstandigheden (planologisch, juridisch, veiligheidskundig of infrastructureel) op grond waarvan geen geschikte locatie kan worden gevonden. Dit kan aan de orde komen bij het interbestuurlijk toezicht. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat de minister toch de specifieke problemen van de gemeente Albrandswaard had moeten meewegen.
Trefwoorden:agrarisch
landinrichtingswet
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3209

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen


het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, eiser
(gemachtigden: mr. R. Janssen, mr. D.R. Kuijpers en mr. drs. H. Doornhof),

en



de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigden: mr. B.S. Jaasma, mr. I.M. van der Heijden en mr. A. Al-Edani).

Partijen zullen hierna respectievelijk het college en de minister worden genoemd.




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van het college tegen het Verdeelbesluit Zuid-Holland van de minister op grond van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (de Spreidingswet).


1.1.
De minister heeft met het Verdeelbesluit van 20 december 2024 bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers de gemeenten in de provincie Zuid-Holland moeten realiseren. Met het bestreden besluit van 8 december 2025 heeft de minister beslist op de bezwaren van een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Albrandswaard.



1.2.
De rechtbank Rotterdam heeft het bij haar ingediende beroep van het college, na een verzoek daartoe van de minister, op 10 april 2026 verwezen naar deze rechtbank waar het beroep van het college van Bodegraven-Reeuwijk tegen hetzelfde besluit al aanhangig was. Deze rechtbank heeft met de verwijzing ingestemd.



1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026, tegelijk met het beroep bekend onder nummer SGR 26/355, op zitting behandeld. Voor de onderhavige zaak hebben aan de zitting deelgenomen: de gemachtigden van het college, vergezeld van [naam 1] en [naam 2] . Voorts de gemachtigden van de minister, vergezeld van mr. S.J.M. Peters en drs. [naam 3] . In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.








Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


2. In het Verdeelbesluit Zuid-Holland heeft de minister voor alle aangewezen gemeenten in de provincie, waaronder de gemeente Albrandswaard, bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers er gerealiseerd moeten worden. Het college is het niet eens met het aantal opvangplaatsen dat de gemeente Albrandswaard moet realiseren.
Volgens het college is het vanwege structurele planologische en publiekrechtelijke beperkingen niet mogelijk om uitvoering te geven aan het verdeelbesluit.


Wat zijn de regels?


3. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.


Hoe worden de opvangplaatsen over de gemeenten verdeeld?


4. De minister heeft toegelicht dat op grond van de Spreidingswet wordt vastgesteld hoe de verdeling van het benodigde aantal opvangplaatsen over alle provincies wordt bepaald (provinciale opvangopgave) en hoe een indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente wordt bepaald (indicatieve verdeling). De provinciale opvangopgave is de optelsom van de indicatieve verdelingen per gemeente in die provincie. Voor de indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente vormt het inwonersaantal van gemeenten en de sociaaleconomische status (neergelegd in de "SES-WOA-score" per gemeente) een uitgangspunt. Ook de duur van de eerder geboden opvang, de omvang van de eerder geboden opvang en de aanwezigheid van speciale opvangmodaliteiten binnen de gemeente worden hierbij betrokken.

5. De colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten, gedeputeerde staten en het COA treden met elkaar in overleg over de verdeling van de provinciale opvangopgave. De commissaris van de Koning brengt hiervan aan de minister een verslag uit (het provinciaal verslag). Als het deze partijen niet lukt om de provinciale opvangopgave onderling te verdelen, dan zal de minister de provinciale opvangopgave verdelen op basis van een berekening.

6. De minister legt de verdeling vast in een verdeelbesluit. De minister neemt de verdeling die is opgenomen in het provinciale verslag als uitgangspunt voor het verdeelbesluit. Dit aantal wordt aangevuld met opvangplaatsen die in het provinciale verslag als kansrijk worden aangemerkt. Dit zijn vaak plannen die al in een vergevorderd stadium zijn, maar nog niet zijn gerealiseerd. De minister doet dat, mede ter bevordering van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid, aangezien daarmee wordt voorkomen dat gemeenten die al
kansrijke plannen hebben, geen wettelijke taak krijgen. De minister berekent vervolgens hoeveel opvangplaatsen er nog extra moeten komen om aan de provinciale opvangopgave te voldoen (restopgave). Deze restopgave wordt vervolgens verdeeld. In dat kader worden allereerst gemeenten uitgesloten die voor verdeling van de restopgave al boven hun eigen indicatieve verdeling zitten. De restopgave wordt dus alleen verdeeld onder gemeenten die op grond van het provinciaal verslag nog onder hun eigen indicatieve verdeling blijven. Daarnaast worden gemeenten uitgesloten die in de afgelopen tien jaar gemiddeld een grotere bijdrage hebben geleverd aan de opvangopgave dan van de gemeente op basis van de indicatieve verdeling mocht worden verwacht. Hierbij speelt de duur (maanden, jaren) en omvang (aantal opvangplaatsen) van de eerder geboden asielopvang een rol. Wanneer de gemiddelde historische bijdrage van een gemeente hoger was dan de indicatieve verdeling, is de gemeente niet meegenomen bij de verdeling van de restopgave. Ditzelfde is gedaan voor gemeenten die een uitzonderlijke bijdrage hebben geleverd aan de opvang van Oekraïners.


Wat heeft de minister beslist voor de provincie Zuid-Holland en de gemeente Albrandswaard?


7. Voor de provincie Zuid-Holland geldt dat in het provinciaal verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen. De totale provinciale opgave bedroeg 19.776 opvangplaatsen en het aantal dat gemeenten konden realiseren kwam uit op 17.431. De minister heeft daarom een verdeling gemaakt van de restopgave van 2.345 plaatsen, die bestond uit 1.601 reguliere opvangplaatsen en 744 opvangplaatsen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv-ers). De minister heeft de gemeenten uitgesloten die meer opvangplaatsen realiseerden dan op basis van de indicatieve verdeling van hen verwacht mocht worden en die een uitzonderlijke historische bijdrage in het kader van de opvang van ontheemden uit Oekraïne hebben geleverd. Om het totaal van de overgebleven (de totale opgave min het aantal dat al door de uitgesloten gemeenten wordt gerealiseerd) 11.575 opvangplaatsen te realiseren, moesten de overgebleven gemeenten 91% van hun indicatieve verdeling realiseren. Gemeenten die op basis van het provinciale verslag al ten minste 91% van hun indicatieve verdeling realiseerden, hebben geen deel van de restopgave gekregen, omdat zij al voldoende hebben gedaan om hun deel van de provinciale opvangopgave te realiseren. Zij hebben in het verdeelbesluit het aantal opvangplaatsen toegewezen gekregen zoals zij op basis van het provinciaal verslag al realiseren. Voor de overige zeventien gemeenten resteerde daarmee een gezamenlijke opgave van 7.567 opvangplaatsen. Dit betreft de gemeenten Albrandswaard, Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Capelle aan den IJssel, Delft, Gorinchem, Krimpenerwaard, Lansingerland, Leidschendam-Voorburg, Maassluis, Molenlanden, Nissewaard, Papendrecht, Schiedam, Den Haag, Voorne aan Zee en Westland. Om tot een sluitende verdeling te komen, moesten deze gemeenten in totaal ongeveer 90% van hun indicatieve verdeling realiseren. Het ging om 6.228 reguliere opvangplaatsen en 1.339 amv-opvangplaatsen. Dat betekent dat de gemeenten ongeveer 85% van hun indicatieve verdeling regulier en ongeveer 150% van hun indicatieve verdeling amv moeten realiseren.

8. Op basis van de indicatieve verdeling van 31 januari 2024 zou de gemeente Albrandswaard 170 opvangplaatsen, waarvan 156 reguliere opvangplaatsen en 14 amv-opvangplaatsen, moeten realiseren. Uit het provinciaal verslag volgt dat de gemeente Albrandswaard geen opvangplaatsen zou realiseren. De minister heeft in het verdeelbesluit bepaald dat Albrandswaard 149 opvangplaatsen moet realiseren (126 regulier en 23 amv).

9. Een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Albrandswaard, heeft bezwaar gemaakt tegen het verdeelbesluit. De minister heeft met het bestreden besluit de bezwaren van een aantal gemeenten gegrond verklaard, waardoor een nieuwe restopgave ontstond en een deel van de opvangplaatsen moest worden herverdeeld. De nieuwe restopgave is op dezelfde wijze als in het verdeelbesluit verdeeld. De bezwaren van het college en een aantal andere gemeenten zijn ongegrond verklaard. Voor de gemeente Albrandswaard is in het bestreden besluit bepaald dat, op grond van de herverdeling, in totaal 153 (131 reguliere en 22 amv) opvangplaatsen gerealiseerd moeten worden.


Wat vindt het college in beroep?


10. Het college heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit. Dit had reeds voorafgaand aan het verdeelbesluit en het bestreden besluit moeten worden beoordeeld. Dit criterium heeft een zelfstandige betekenis binnen het beoordelingskader en kan niet worden gereduceerd tot een abstract uitgangspunt dat iedere gemeente in beginsel in staat moet worden geacht een opgelegde opgave te realiseren. De Beleidsregel vereist juist een concrete beoordeling, toegespitst op de feitelijke omstandigheden in de betrokken gemeente. Deze beoordeling kan niet worden doorgeschoven naar het interbestuurlijk toezicht. Een dergelijke verschuiving ontneemt ook de bezwaarprocedure zijn betekenis als volwaardige heroverweging van het verdeelbesluit. De minister had voorafgaand aan - en in ieder geval bij heroverweging van - het verdeelbesluit moeten onderzoeken of binnen het grondgebied van Albrandswaard feitelijk geschikte en realiseerbare locaties beschikbaar zijn.

11. Ook materieel gezien berust het bestreden besluit op een onjuiste beoordeling van de uitvoerbaarheid. De gemeente is samen met het COA op zoek naar opvangplaatsen voor asielzoekers, maar heeft tot op heden geen geschikte locatie kunnen vinden. Ter onderbouwing van het ontbreken van feitelijke uitvoerbaarheid heeft de gemeente een inventarisatie verricht van potentiële opvanglocaties binnen haar grondgebied, zoals neergelegd in de Raadsinformatiebrief van 23 mei 2023. Deze inventarisatie omvatte 23 reële locaties. Het locatieonderzoek toont aan dat telkens sprake is van cumulatieve belemmeringen zoals juridisch (eigendom), planologisch (strijd met bestaande ontwikkelingen of beschermingsregimes), fysiek (ondergrond, maatvoering), veiligheidskundig (buisleidingen, externe veiligheidscontouren) of infrastructureel (bereikbaarheid en parkeren). Zo vallen delen van het grondgebied van de gemeente binnen een bij besluit van Gedeputeerde Staten vastgesteld herinrichtingsgebied op grond van de Landinrichtingswet, waardoor aanpassing van het betreffende herinrichtingsplan dan wel afwijking daarvan nodig is. Voorts zijn er structurele planologische beperkingen omdat delen van het grondgebied zijn gelegen binnen diverse beschermingscategorieën, waarop de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening van toepassing is. Ook vallen delen van het grondgebied binnen werkingsgebieden van gas-, water- en hoogspanningsleidingen. Daarnaast maakt een deel van het grondgebied onderdeel uit van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam waarvoor een planologische kernbeslissing (PKB PMR 2006) is genomen, waarvan de uitvoeringsplanning in de komende jaren is voorzien. Dit gebied is geen planologisch ongebonden agrarisch terrein. Het is zonder ingrijpende planwijzigingen uitgesloten om opvanglocaties in dat gebied beschikbaar te maken. Een taakstelling die uitsluitend via langdurige herbestemmingsprocedures, grondaankoop of afwijking van veiligheidsnormen kan worden gerealiseerd, kan niet worden aangemerkt als een uitvoerbare taak in de zin van de Beleidsregel.





Wat is het oordeel van de rechtbank?



Zijn het verdeelbesluit en de beslissing op bezwaar bevoegd genomen?


12. Het college heeft in beroep geen grond gericht tegen de bevoegdheid. De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid tot het nemen van een verdeelbesluit op grond van artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 1 van de Spreidingswet toekomt aan de minister van Justitie en Veiligheid, en dat de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 2 van het Besluit instelling Ministerie van Asiel en Migratie (Stcrt. 2024, 22497) is belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van asiel en migratie voor zover die voor 2 juli 2024 aan de minister van Justitie en Veiligheid waren opgedragen. Het bestreden besluit is genomen in de hoedanigheid van minister van Asiel en Migratie. In overeenstemming met haar eerdere rechtspraak ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het Verdeelbesluit Zuid-Holland en het bestreden besluit onbevoegd zijn genomen.


Wat staat er in het beleid en is het beleid redelijk?


13. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, heeft de minister een aanzienlijke beoordelingsruimte bij het nemen van het verdeelbesluit. In artikel 3 van de Beleidsregel is neergelegd dat de minister, wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, zich bij het nemen van het verdeelbesluit laat leiden door:
a. het streven naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland, waarbij hij zoveel mogelijk rekening houdt met de SES-WOA-score op gemeenteniveau;
b. de duur en omvang van eerder geboden asielopvang en de aanwezigheid van bijzondere opvangmodaliteiten binnen de gemeenten;
c. de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit.

14. Anders dan het college stelt, zien de in het beleid genoemde haalbaarheid en uitvoerbaarheid niet op de vraag of de gemeenten het aantal toegewezen opvangplaatsen concreet kunnen realiseren. De minister stelt terecht dat blijkens de toelichting de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit zien op de gevolgen hiervan voor de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen en voor het asiel-, vertrek- en opvangproces. Beoogd is dat de minister bij de vaststelling van het verdeelbesluit in aanmerking kan nemen of de bij de uitvoering betrokken partijen nog problemen zien bij de vastgestelde verdeling. Daaruit volgt niet dat hij gehouden is per gemeente te onderzoeken of en onder welke voorwaarden de toegewezen opvangplaatsen daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd.

15. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het beleid naast de genoemde omstandigheden geen ruimte laat voor het meewegen van andere aspecten die in de verschillende gemeenten aan de orde zijn. Het systeem is zo ingericht dat de gemeenten in de eerste plaats onderling zelf tot een verdeling kunnen komen. De minister stelt dat hij zich vervolgens zal inspannen om de op gemeentelijk niveau gemaakte keuzes te faciliteren. Als er toch opvangplaatsen moeten worden verdeeld, worden, zoals hiervoor is weergegeven, de nog niet gerealiseerde opvangplaatsen die in het provinciale verslag als kansrijk worden aangemerkt meegenomen in de berekening. Daarnaast houdt de minister rekening met de SES-WOA-score van een gemeente, dus zowel het inwonersaantal als de sociaaleconomische status van de gemeente, en wordt gekeken naar wat een gemeente eerder aan opvang heeft geboden en welke bijzondere opvangmodaliteiten een gemeente heeft. Hiermee kan naar het oordeel van de rechtbank tot een evenwichtige verdeling worden gekomen.

16. Bij een wet zoals hier aan de orde, die een wettelijke taakstelling geeft aan de gemeenten, past het niet om van tevoren ook nog rekening te houden met alle mogelijke factoren die in een gemeente van invloed zijn op de mogelijkheid om die taakstelling uit te voeren. Dit zou ook niet werkbaar zijn. In elke gemeente gelden immers weer andere omstandigheden. Zo heeft de minister erop gewezen dat in grote steden uitdagingen spelen bij de asielopvang vanwege bevolkingsdichtheid. Verder zou in krimpgebieden bijvoorbeeld het gebrek aan voorzieningen een probleem kunnen vormen, net als het gebrek aan internationaal onderwijs. In landelijke gebieden zou leerlingenvervoer en bereikbaarheid een probleem kunnen vormen. Sommige gemeenten moeten rekening houden met Natura 2000-gebieden voor het realiseren van nieuwe locaties, terwijl het in andere gemeenten een probleem is om geschikte panden te vinden. Zoals de minister heeft gesteld zou het onmogelijk zijn om de genoemde individuele omstandigheden van alle betrokken gemeenten te inventariseren en objectief te wegen, in samenhang met de omstandigheden bij andere gemeenten in dezelfde provincie, om vervolgens deugdelijk te motiveren waarom de ene gemeentelijke uitdaging zwaarder weegt dan de andere gemeentelijke uitdaging. Daar komt bij dat de verschillende omstandigheden ook nog eens aan verandering onderhevig zijn. Dat maakt dat er bij het vaststellen van de verdeling slechts beperkt kan worden ingegaan op wat er in een specifieke gemeente aan de orde is. Zoals de minister heeft gesteld kan met alle voor een gemeente specifieke omstandigheden wel rekening worden gehouden bij het interbestuurlijk toezicht, mocht in de toekomst blijken dat een gemeente moeite heeft om de opdracht uit te voeren.


Zijn er bijzondere omstandigheden die maken dat de minister toch rekening moet houden met bepaalde specifieke omstandigheden van de gemeente Albrandswaard bij het vaststellen van het aantal opvangplaatsen?


17. Niet in geschil is dat het aantal opvangplaatsen dat Albrandswaard moet realiseren is berekend in overeenstemming met de Spreidingswet, het Besluit en de Beleidsregel, waarbij hierboven is geoordeeld dat de minister deze regels niet anders hoefde toe te passen en uit te leggen dan hij heeft gedaan in het bestreden besluit. De vraag die resteert is of er in deze zaak bijzondere omstandigheden spelen die maken dat de minister moest afwijken van het geldende beleid.

18. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld laat het beleid geen ruimte voor het meewegen van al de door het college genoemde specifieke omstandigheden per gemeente. De in het beleid genoemde haalbaarheid en uitvoerbaarheid zien niet op de vraag of de gemeenten het aantal toegewezen opvangplaatsen kunnen realiseren, maar op de gevolgen daarvan voor de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen en voor het asiel-, vertrek- en opvangproces. Zoals de minister heeft gesteld kan met alle voor een gemeente specifieke omstandigheden wel rekening worden gehouden bij het interbestuurlijk toezicht, mocht in de toekomst blijken dat een gemeente moeite heeft om de opdracht uit te voeren. Anders dan het college betoogt, betekent dit niet dat het criterium van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid geen zelfstandige betekenis heeft. Dat criterium verplicht de minister om de gevolgen van de verdeling voor de uitvoeringsketen en de hem bekende omstandigheden die aan een kansrijke realisering kunnen bijdragen in zijn afweging te betrekken, maar niet om vooraf per gemeente te onderzoeken of binnen haar grondgebied geschikte locaties beschikbaar zijn. De systematiek van de Spreidingswet wijst niet in een andere richting. Op grond van artikel 4, eerste lid, van die wet komen de feitelijke mogelijkheden per gemeente in de eerste plaats aan de orde in het overleg aan de provinciale regietafel; de gemeente Albrandswaard heeft in dat overleg geen opvangplaatsen aangeboden (zie 8). De artikelen 6, eerste lid, en 7 van de Spreidingswet leggen vervolgens op het college en de raad de taak om de opvangvoorzieningen mogelijk te maken, ook planologisch. Als die taak naar verwachting niet tijdig kan worden uitgevoerd, moet het college daarvan op grond van artikel 8 van de Spreidingswet onverwijld melding maken aan de minister, en kan het verdeelbesluit op grond van artikel 5, derde lid, van die wet bij bijzondere omstandigheden tussentijds worden gewijzigd, waarbij de minister zich op grond van artikel 4 van de Beleidsregel laat leiden door de in artikel 3 van de Beleidsregel genoemde omstandigheden. Dat het beoordelingskader van het verdeelbesluit deze omstandigheden niet omvat, ontneemt de bezwaarprocedure ten slotte niet haar betekenis. De heroverweging in bezwaar vindt plaats binnen hetzelfde wettelijke en beleidsmatige kader, en heeft in dit geval juist ertoe geleid dat de bezwaren van een aantal gemeenten gegrond zijn verklaard en dat een nieuwe restopgave is berekend en herverdeeld (zie 9).

19. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat de minister, in afwijking van zijn beleid, toch had moeten meewegen welke specifieke problemen Albrandswaard ondervindt met het realiseren van de opvangplaatsen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inventarisatie van 23 locaties waarop het college zich beroept, is neergelegd in de Raadsinformatiebrief van
23 mei 2023 en dus dateert van vóór de indicatieve verdeling van 31 januari 2024 en van ruim vóór het verdeelbesluit van 20 december 2024. Het college heeft niet toegelicht in welke opzichten die inventarisatie ten tijde van het bestreden besluit nog actueel was, terwijl het tegelijk stelt dat het samen met het COA naar geschikte locaties blijft zoeken. De minister heeft er terecht op gewezen dat de Spreidingswet gemeenten verplicht om asielopvang - ook planologisch - mogelijk te maken.Zoals de minister heeft gesteld kunnen voor de komst van een opvanglocatie verschillende besluiten nodig zijn, zoals de aanpassing van een omgevingsplan door de gemeenteraad of vergunningverlening door het college. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt waarom het onmogelijk is om locaties waarvoor de gemeenteraad of het college de hiervoor genoemde besluiten kan nemen, geschikt te maken. Dat bijvoorbeeld een locatie te klein is en daardoor maar zeer beperkt zou bijdragen aan het aantal opvangplaatsen, dat er problemen met parkeerruimte zullen ontstaan of dat er geen “overtuigend totaalbeeld” zou zijn, zijn omstandigheden die mogelijk op te lossen zijn. Er kan dan niet op voorhand worden gesteld dat realisatie van opvangplaatsen onmogelijk is op de betreffende locaties. Voor zover planologische beperkingen aan de orde zijn waarbij andere (bestuurs)organen beslissingsbevoegd zijn, is niet gebleken dat het college bij die (bestuurs)organen heeft onderzocht of er mogelijkheden zijn om het realiseren van opvangplaatsen toch mogelijk te maken. Dat de opvangplaatsen mogelijk niet kunnen worden gerealiseerd zonder ingrijpende aanvullende procedures, betekent niet dat dit niet van het college mag worden gevraagd. Gelet op de taak die de artikelen 6 en 7 van de Spreidingswet aan het college en de raad opdragen, vormt dit als zodanig ook geen belemmering om het aantal opvangplaatsen aan de gemeente op te leggen.

20. Gelet op het voorgaande mocht de minister het aantal opvangplaatsen voor Albrandswaard vaststellen op in totaal 153 opvangplaatsen, waarvan 131 reguliere opvangplaatsen en 22 amv-opvangplaatsen. Wat het college heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of ontoereikend is gemotiveerd of anderszins in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.




Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college geen gelijk krijgt en dat het aantal door de minister in het bestreden besluit vastgestelde opvangplaatsen voor Albrandswaard gelijk blijft.

22. Het college krijgt het griffierecht daarom niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat evenmin aanleiding.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, en mr. D.C. Laagland en
mr. B. Wallage, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:










Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Bijlage


Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (de Spreidingswet)


Artikel 3
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoe de verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen over alle provincies wordt bepaald en hoe een indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente wordt bepaald. De verdeling is gebaseerd op het aantal inwoners van de betreffende gemeente en op de Sociaaleconomische status – Welvaart, Opleiding en Arbeidsscore (SES-WOA-score) op gemeenteniveau, waarbij deze score wordt bepaald aan de hand van de meest recente «SES-WOA-score per gemeente» van het CBS. Bij de verdeling kan worden bepaald dat een gedeelte van de opvangplaatsen van bijzondere aard moet zijn.
2. Onze Minister maakt eens in de twee jaren voor 1 februari van het kalenderjaar de verdeling over alle provincies bekend alsmede de indicatieve verdeling per gemeente.

Artikel 5
1. Onze Minister neemt eens in de twee jaren voor 31 december van het kalenderjaar een verdeelbesluit, per provincie, waarin de benodigde opvangplaatsen per provincie, bedoeld in artikel 3, voor de duur van twee daarop volgende kalenderjaren voor asielzoekers over de in het besluit aangewezen gemeenten worden verdeeld.
2. Bij het verdeelbesluit slaat Onze Minister acht op het verslag, bedoeld in artikel 4, tweede lid, en streeft hij naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland. Hij houdt bij die verdeling zo veel mogelijk rekening met de Sociaaleconomische status – Welvaart, Opleiding en Arbeidsscore (SES-WOA-score) op gemeenteniveau, waarbij deze score wordt bepaald aan de hand van de meest recente «SES-WOA-score per gemeente» van het CBS.
(…).


Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (het Besluit)


Artikel 2.1
1. Onze Minister stelt op basis van de Meerjaren Productie Prognose en het capaciteitsbesluit van het COA vast wat de capaciteitsraming is. Deze capaciteitsraming gaat uit van de verwachte behoefte aan opvangplaatsen voor asielzoekers in een bij ministeriële regeling te bepalen periode of op een in zodanige regeling te bepalen datum.
2. De provinciale opvangopgave is de optelsom van de indicatieve verdelingen per gemeente in de provincie.
3. De indicatieve verdeling per gemeente is de uitkomst, rekenkundig afgerond op een geheel getal, van de volgende formulereeks:
(SES-WOA + 1)*iG/In = Wf
BO*Wf/TWf = Iv
in welke formule voorstelt:
a. SES-WOA: weergave van de sociaaleconomische status op gemeenteniveau (SESWOA-score per gemeente van het Centraal Bureau voor de Statistiek;
b. BO: de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid vastgestelde behoefte aan opvangplaatsen bedoeld in het eerste lid;
c. iG: het aantal inwoners van de gemeente volgens de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers;
d. In: het aantal inwoners van Nederland volgens de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers;
e. Wf: de wegingsfactor per gemeente;
f. TWf: de totale wegingsfactor die wordt berekend door alle wegingsfactors van de gemeenten (Wf) bij elkaar op te tellen;
g. Iv: de indicatieve verdeling per gemeente, bedoeld in artikel 3 van de wet.
(…).


Beleidsregel verdeelbesluiten (de Beleidsregel)


Artikel 2
1. De staatssecretaris neemt steeds het verslag van de commissaris van de Koning als uitgangspunt voor het nemen van een verdeelbesluit voor de provincie.
2. Wanneer in het verslag een volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, wordt deze verdeling uit het verslag door de staatssecretaris overgenomen in het verdeelbesluit.
3. Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, dan vult de staatssecretaris deze verdeling in.

Artikel 3
Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen laat de staatssecretaris zich bij het nemen van het verdeelbesluit leiden door:
a. het streven naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland, waarbij hij zoveel mogelijk rekening houdt met de SES-WOA-score op gemeenteniveau;
b. de duur en omvang van eerder geboden asielopvang en de aanwezigheid van bijzondere opvangmodaliteiten binnen de gemeenten;
c. de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit.




Met eerder zaaknummer ROT 26/448.


Artikel 8:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Genoemd in artikel 3, aanhef en onder c, van de Beleidsregel.


Zie de uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15471, r.o. 14 e.v.


Zie voetnoot 4, r.o. 18 tot en met 21.


Zie voetnoot 4 en de overwegingen 13 tot en met 16 in de onderhavige uitspraak.


Zie de artikelen 6, eerste lid, en 7 van de Spreidingswet.
Link naar deze uitspraak