Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:29669 
 
Datum uitspraak:03-09-2026
Datum gepubliceerd:14-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:24/8640
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning aan de gemeente Zuidplas voor het verbouwen van een boerderij aan de Bredeweg 182 in Zevenhuizen (thans: Bredeweg 1 in Cortelande). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door alsnog een parkeervoorschrift aan de verleende omgevingsvergunning te verbinden.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
perceel
stallen
tarieven
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/8640

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas
(gemachtigde: mr. M. Hornstra).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Zuidplas, vergunninghoudster (gemachtigde: mr. L. van Schie-Kooman).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning aan de gemeente Zuidplas voor het verbouwen van een boerderij aan de [adres 1] (thans: [adres 2] ). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning aan de hand van deze beroepsgronden.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door alsnog een parkeervoorschrift aan de verleende omgevingsvergunning te verbinden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 25 april 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een boerderij en het tijdelijk gebruiken van die boerderij als informatiecentrum.


2.1.
Met het besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, door de aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover die ziet op het bouwen van een pergola en het gebruik van het gebouw als informatiecentrum in heroverweging af te wijzen en het voorschrift met betrekking tot het inrichtingsplan in te trekken.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster. De gemachtigde van vergunninghoudster werd ter zitting bijgestaan door [naam] .




Beoordeling door de rechtbank


De feiten

3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Vergunninghoudster heeft het voornemen om in het Middengebied van de Zuidplaspolder een nieuw dorp en twee bedrijventerreinen te ontwikkelen. De kern van de ontwikkeling wordt gevormd door de realisatie van een nieuw dorp van 8.000 woningen, ook wel het Vijfde Dorp genoemd. Vergunninghoudster wil met het oog op deze ontwikkeling op de locatie [adres 2] (voorheen: [adres 1] ) gedurende tien jaar een tijdelijk informatiecentrum huisvesten. Ter plaatse wordt een bestaande boerderij aan de [adres 2] gerenoveerd en worden de direct naastgelegen gronden achter [adres 4] (voorheen: [adres 5] ) ingericht als bijbehorend parkeerterrein. De vergunning waar het in deze zaak om draait, ziet op de renovatie van de boerderij.


3.1.
Eiser is mede-eigenaar en vennoot van de firma [bedrijfsnaam] . De vennootschap is gevestigd aan de [adres 6] . Het betreft een agrarisch bedrijf met verschillende vestigingslocaties en de gronden van het bedrijf liggen verspreid over de Zuidplaspolder. Eén van de gronden is het perceel dat kadastraal bekend is als [kadastraal nummer] . Tussen partijen is niet in geschil dat dat perceel grenst aan de gronden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft ( [perceel 1] en [perceel 2] ).


Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Vergunninghoudster heeft op 22 december 2023 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de boerderij aan de [adres 2] en het tijdelijk wijzigen naar een bijeenkomstfunctie van deze locatie. Het college heeft deze vergunning met het primaire besluit verleend. Aan de omgevingsvergunning is door het college het voorschrift verbonden dat het gebouw pas in gebruik mag worden genomen als bijeenkomstcentrum, nadat een definitief inrichtingsplan van het buitenterrein is afgestemd met de onafhankelijke landschapsarchitect van Dorp, Stad en Land en akkoord is bevonden. Ten tijde van het nemen van dit besluit gold het bestemmingsplan ‘Het Nieuwe Midden’ (het oude bestemmingsplan) en rustte op deze locatie de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Lintzone’.



4.1.
Op 14 mei 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas het bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1’ (het nieuwe bestemmingsplan) vastgesteld. Volgens dit bestemmingsplan rusten op de betreffende locatie de bestemmingen ‘Gemengd’ en ‘Waarde-Archeologie 3’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van gemengd – informatiecentrum’. Dit bestemmingsplan gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.



4.2.
Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit herroepen, voor zover de omgevingsvergunning ziet op het bouwen van de pergola en het wijzigen van het gebruik van de boerderij en voor zover aan de omgevingsvergunning een voorschrift met betrekking tot een inrichtingsplan voor de te realiseren parkeerplaats is verbonden. Het college stelt zich in het bestreden besluit – kort samengevat – op het volgende standpunt. Het bouwen van de pergola was al vergunningvrij en het gebruik van de boerderij als informatiecentrum is vergunningvrij geworden met de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. Omdat het beoogde gebruik van de gronden voor een informatiecentrum en parkeren niet in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, is bij nader inzien geen plaats voor een voorschrift dat het gebouw pas in gebruik mag worden genomen als informatiecentrum nadat een definitief inrichtingsplan van het buitenterrein is afgestemd met een onafhankelijke landschapsarchitect. Een dergelijk voorschrift zou in strijd zijn met artikel 2.22, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ook een parkeervoorschrift zou in strijd zijn met dat artikel. Gelet hierop heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de vergunningvrije activiteiten in heroverweging afgewezen. Het voorschrift met betrekking tot het inrichtingsplan is door het college ingetrokken.


Toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning op 22 december 2023 is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing.



5.1.
De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van deze uitspraak.


Ontvankelijkheid van het beroep



Is eiser belanghebbende?

6. Vergunninghoudster heeft ter zitting bij de rechtbank bepleit dat eiser niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Volgens haar kan enkel de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] als belanghebbende worden aangemerkt. Het beroepschrift is volgens vergunninghoudster ingediend door eiser in zijn hoedanigheid als natuurlijk persoon. Eiser is weliswaar eigenaar van de percelen die gelegen zijn naast de locatie waarop het bestreden besluit ziet, maar deze percelen worden enkel gebruikt voor de bedrijfsvoering van zijn vennootschap. Eiser zelf woont op een te grote afstand om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.



6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser als belanghebbende in beroep kan worden aangemerkt. Daartoe stelt zij voorop dat het bestreden besluit aan eiser zelf als natuurlijk persoon is gericht. Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat belanghebbendheid bij besluiten op grond van de Wabo in beginsel wordt aangenomen bij bewoners en eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het betrokken besluit ziet, of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, als die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Omdat eiser eigenaar is van een perceel dat grenst aan een van de percelen waarop het bestreden besluit betrekking heeft, is zijn belanghebbendheid bij het beroep gericht tegen het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank gegeven. Dat deze percelen gebruikt worden door de vennootschap onder firma waar eiser mede-eigenaar van is, maakt dat niet anders.


Heeft eiser procesbelang?

7. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft, omdat hij door het instellen van beroep niet kan bereiken wat hij daarmee beoogt. Eiser wil namelijk dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift wordt verbonden dat ziet op de instandhouding van parkeerplaatsen, maar dat is op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo niet toegestaan. Een dergelijk voorschrift is namelijk niet nodig met het oog op een belang dat voor de bouwactiviteit (waar de verleende omgevingsvergunning sinds het bestreden besluit alleen nog op ziet) in artikel 2.10 van de Wabo is aangegeven. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het college naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 november 2024.



7.1.
Voor de ontvankelijkheid in beroep is onder meer vereist dat de belanghebbende ook daadwerkelijk een belang heeft bij het voeren van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben.



7.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser belang heeft bij het voeren van deze beroepsprocedure. Het maximale resultaat dat eiser met zijn beroep kan bereiken, is dat de rechtbank zijn beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit vernietigt en het primaire besluit, zelf in de zaak voorziend, herroept. Hierdoor zou een situatie ontstaan die, zowel volgens het wettelijk regime dat gold ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag als ten tijde van de uitspraak van de rechtbank, erop neerkomt dat vergunninghoudster niet kan gaan bouwen zonder een overtreding te begaan. Zou vergunninghoudster dat wel doen, zou dat voor het college een grondslag zijn om over te kunnen gaan tot handhaving. Zowel volgens de wet- en regelgeving zoals die gold ten tijde van het indienen van de vergunningaanvraag als die ten tijde van de uitspraak van de rechtbank is immers een omgevingsvergunning nodig voor de betreffende bouwactiviteit. In zoverre is de situatie in deze zaak dus anders dan in de zaak waar het college naar verwijst. In die zaak ging het namelijk om een verleende omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die onder vigerend recht niet langer vergunningplichtig was. Zou de rechtbank in die zaak het beroep gegrond hebben verklaard, het bestreden besluit hebben vernietigd en het primaire besluit, zelf in de zaak voorziend, hebben herroepen, zou er voor het bevoegd gezag nog geen grondslag zijn geweest om over te gaan tot handhaving. Dit omdat er nu eenmaal geen sprake meer kon zijn van een overtreding van de vergunningplicht. Of artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo in de weg staat aan het door eiser gewenste vergunningvoorschrift, vergt een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Om die reden heeft eiser belang bij een beoordeling van zijn beroep.



7.3.
De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep.



Gestelde toename van verkeersbewegingen

8. Eiser betoogt dat het aantal verkeersbewegingen waar het college vanuit is gegaan bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het gebruik van de te verbouwen boerderij als informatiecentrum niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd is.



8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit herroepen, voor zover dat zag op het verlenen van een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het oude bestemmingsplan. De aanvraag van vergunninghoudster is in het bestreden besluit voor onder meer dit deel afgewezen, omdat hiervoor onder het nieuwe bestemmingsplan geen vergunning meer vereist is. In het bestreden besluit wordt enkel de verbouwing van de boerderij vergund op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Dat betekent dat in het bestreden besluit niet getoetst wordt, en ook niet hoefde te worden, of de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Die toets komt immers slechts aan de orde als de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. De vraag of het gebruik van het informatiecentrum leidt tot een onevenredige toename van verkeersbewegingen, die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, speelt in deze beroepsprocedure daarom geen rol.


Parkeervoorschrift

9. Eiser betoogt dat het college aan de verleende vergunning een voorschrift had kunnen verbinden dat ziet op de aanleg en instandhouding van parkeerplekken. Als het al zo zou zijn dat een voorschrift in dit geval wettelijk niet is toegestaan, geldt dat niemand door het stellen van een dergelijk voorschrift in zijn belangen wordt geschaad.



9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het in strijd is met artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo om een parkeervoorschrift te verbinden aan de verleende omgevingsvergunning. Een dergelijk voorschrift beschermt immers niet de belangen die het hier aan de orde zijnde toetsingskader van artikel 2.10 van de Wabo beoogt te beschermen.



9.2.
Op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het van toepassing zijnde toetsingskader. Dat betekent dat voorschriften verband dienen te houden met de belangen die het aan de orde zijnde toetsingskader, gelezen in verbinding met de toepasselijke regels van de geldende bestemming, beoogt te beschermen.



9.3.
In dit geval wordt het toetsingskader voor het verlenen van de omgevingsvergunning gevormd door artikel 2.10 van de Wabo, gelezen in verbinding met de op de activiteit ‘bouwen’ van toepassing zijnde planregels. Van die planregels maken de regels van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ (het parapluplan) onderdeel uit. In artikel 3.1 van de regels van het parapluplan is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen slechts wordt verleend als bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang van de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto’s in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.



9.4.
Het standpunt van het college dat geen parkeervoorschrift aan de verleende omgevingsvergunning kan worden verbonden omdat dat in strijd zou zijn met artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Een dergelijk voorschrift kan immers dienen ter bescherming van het belang dat wordt gediend met het voorzien in voldoende parkeerplekken; een belang dat artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 3.1 van het parapluplan beoogt te beschermen.



9.5.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. De beroepsgrond slaagt.



9.6.
Ter zitting bij de rechtbank hebben zowel het college als vergunninghoudster de rechtbank verzocht om, als zij tot de conclusie zou komen dat aan de omgevingsvergunning wel een parkeervoorschrift verbonden kan worden, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat als voorschrift aan de omgevingsvergunning wordt toegevoegd dat een parkeerplaats met 101 parkeerplekken moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden. Eiser heeft ter zitting medegedeeld dat hij zich daarin kan vinden. Met het oog op een finale geschilbeslechting ziet de rechtbank daarom aanleiding om zelf in de zaak voorziend een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarmee niet is voorzien in een voorschrift bij de omgevingsvergunning dat voldoende parkeerplekken moeten worden gerealiseerd en in stand gehouden. De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het volgende voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden: “Vergunninghoudster dient op het onbebouwde terrein bij het gebouw een parkeerplaats voor 101 parkeerplekken voor auto’s aan te leggen en in stand te houden.”

11. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

12. De rechtbank ziet eveneens aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


12.1.
De verzochte reiskosten van € 28,- voor een reis van 100 kilometer per auto komen op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Als adres van eiser is bij de rechtbank bekend de [adres 6] . De afstand per auto vanaf dat adres naar de rechtbank is per enkele reis via de snelste route volgens Google Maps om en nabij 25 kilometer. Eiser heeft dan ook recht op een vergoeding van € 14,- (€ 0,28 x 50 km) aan reiskosten.


12.2.
Ook de verzochte verletkosten komen slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Verletkosten van een partij zijn kosten van tijdverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Het gaat niet om tijdverzuim door voorbereidende handelingen, zoals het opstellen of lezen van processtukken en het voorbereiden van een zitting. Een partij die aan de rechter om vergoeding van verletkosten verzoekt, hoeft die kosten niet te specificeren; bij het ontbreken van een specificatie is enkel plaats voor vergoeding van het minimumtarief. Het minimumtarief bedraagt volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bpb € 9,- per uur. Eiser heeft zonder nadere specificatie verzocht om een vergoeding van zijn verletkosten voor een bedrag van € 300,-. In dit geval komen enkel de verletkosten voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis voor vergoeding in aanmerking. De zitting heeft in totaal 45 minuten geduurd. Inclusief de reistijd die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, acht de rechtbank een vergoeding van drie keer € 9,- per uur aan verletkosten redelijk.


12.3.
Eiser heeft tot slot, eveneens zonder nadere specificatie, verzocht om een vergoeding van kosten voor genoten rechtsbijstand voor een bedrag van € 1.000,-. Uit het dossier blijkt dat namens eiser door zijn voormalig advocaat op 31 oktober 2024 een pro forma beroepschrift is ingediend. Op 28 november 2024 heeft deze advocaat aan de rechtbank medegedeeld dat eiser heeft besloten het beroep zelf voort te zetten. Dat betekent dat enkel de kosten voor het indienen van het beroepschrift voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat het in dit geval gaat om het indienen van een pro forma beroepschrift en eiser vervolgens zelf een aanvullend beroepschrift met de gronden van het beroep heeft ingediend, past de rechtbank een wegingsfactor 0,5 toe. De rechtbank stelt de kosten voor rechtsbijstand in dit geval dus vast op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5).


12.4.
In totaal komt de rechtbank dan tot een bedrag van € 508,- aan te vergoeden proceskosten.








Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;


vernietigt het bestreden besluit voor zover daarmee geen voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden waarin is bepaald dat een parkeerplaats moet worden gerealiseerd en in stand gehouden;


bepaalt dat aan de omgevingsvergunning het volgende voorschrift wordt verbonden: “Vergunninghoudster dient op het onbebouwde terrein bij het gebouw een parkeerplaats voor 101 parkeerplekken voor auto’s aan te leggen en in stand te houden.”


bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser dient te vergoeden;


veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 508,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.













Griffier


Rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.











Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(…)

Artikel 7:12
1. De beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)

(…)

Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

(…)

Artikel 8:72
(…)
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
(…)
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.


Wet algemene bepalingen omgevingsrecht


Artikel 2.1
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)

Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
(…)

(…)

Artikel 2.22
(…)
2. Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. (…)
(…)


Parapluherziening Parkeren


Artikel 3 (Algemene bouwregels)

3.1 (
Parkeren)
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de op 29 september 2013 vastgestelde 'Beleidsnota Parkeernormen'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.







Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingsrecht.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671.


ECLI:NL:RBOVE:2024:6183.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:636.


Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2379.


Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:415.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511.
Link naar deze uitspraak