Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:30771 
 
Datum uitspraak:14-10-2026
Datum gepubliceerd:19-10-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/703136
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Overeenkomst waarbij consument huis verkoopt aan wederpartij, daarbij een voorschot op de koopsom krijgt en de mogelijkheid heeft de overeenkomst binnen enkele maanden te ontbinden tegen vergoeding van een ontbindingvergoeding. Deze constructie is in de gegeven omstandigheden strijdig met dwingendrechtelijke regels inzake consumentenkrediet (art. 7:57 BW). Het omzeilen van de regels die ertoe strekken een consument te beschermen tegen ontoelaatbare vormen van kredietverstrekking is op grond van artikel 7:73 lid 2 BW niet toegestaan. De overeenkomst is daarom vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 BW.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
koopovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/703136 / HA ZA 26-367


Vonnis van 14 oktober 2026


in de zaak van


HOOGHUYS VASTGOED B.V. te Eindhoven,
eisende partij,
gedaagde partij in reconventie,
advocaat: mr. D. Vong te Rijen,

tegen



[gedaagde partij]
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. R. Stekelenburg te Leersum.

Partijen worden hierna ook Hooghuys en [gedaagde partij] genoemd.




1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 1 april 2026 met producties 1 t/m 11;
- de conclusie van antwoord houdende een eis in reconventie van 3 juni 2026 met producties 1 t/m 16;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het tussenvonnis van 24 juni 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.



1.2.
Op 2 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van door de advocaten aan de rechtbank overgelegde spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd. Na de mondelinge behandeling is een datum bepaald voor het wijzen van vonnis.





2De feiten


2.1.

[gedaagde partij] is eigenaar van de woning aan de [adres] (te weten van het appartementsrecht, rechtgevende op de woning, gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [kadastraal nummer] , hierna: de woning).



2.2.
Hooghuys is een onderneming die in een advertentie op Marktplaats onder meer het volgende over haar bedrijfsactiviteiten vermeldt:

OVERWAARDE BENUTTEN???
voor het aanvullen van uw inkomsten
grote uitgaven bekostigen
bieden van financiële ondersteuning

en:

Wanneer de marktwaarde van uw woning hoger is dan het bedrag van uw hypotheek, ontstaat er overwaarde. Deze overwaarde kan worden benut zonder dat u hoeft te verhuizen.



2.3.
Op 30 september 2025 heeft [gedaagde partij] via e-mail contact gezocht met Hooghuys. Een medewerker van Hooghuys, de heer [naam] , heeft daarop telefonisch contact gehad met [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft vervolgens foto’s van de woning aan [naam] toegestuurd. Op 3 oktober 2025 heeft [naam] een WhatsApp-bericht gestuurd aan [gedaagde partij] met daarin het bedrag van een te verstrekken geldbedrag (€ 70.000), de verkoopprijs van de woning (€ 510.000) en het bedrag dat verschuldigd is als [gedaagde partij] de koop zou ontbinden (€ 50.000).



2.4.
Vervolgens heeft [naam] op 4 oktober 2025 een bezoek gebracht aan [gedaagde partij] . Tijdens dat bezoek heeft hij ook een rondgang door de woning gemaakt om deze te bezichtigen. [naam] heeft aan [gedaagde partij] een overeenkomst voorgelegd die partijen ter plekke hebben ondertekend (hierna: de overeenkomst). Die middag heeft [naam] een kopie van de ondertekende overeenkomst per WhatsApp aan [gedaagde partij] gestuurd.



2.5.
Boven de overeenkomst staat “Koopovereenkomst registergoed” (hierna: de Overeenkomst). In de overeenkomst is opgenomen dat [gedaagde partij] de woning verkoopt aan Hooghuys voor een koopprijs van € 510.000. Ten aanzien van de levering is bepaald dat de woning op verzoek van Hooghuys geleverd zal worden aan een derde (een zogenaamde ABC-transactie) en dat [gedaagde partij] haar medewerking zal verlenen aan de “ABC-akte”. De levering zal plaatsvinden aan een door de Hooghuys aan te wijzen derde op een door Hooghuys aan te wijzen moment. De overeenkomst bepaalt tevens:


Waarborgsom, bankgarantie


Artikel 4

Tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen is koper verplicht uiterlijk binnen 3 dagen na ondertekening van deze koopovereenkomst bij de notaris als waarborgsom/aanbetaling te storten een bedrag van:

€ 70.000 (…).
Bovengenoemde aanbetaling komt in mindering op de koopsom. (…)


Bijzondere ontbindingsmogelijkheid

De verkopers hebben het recht om deze koopovereenkomst te ontbinden onder de navolgende voorwaarden (mogelijkheid 1):
- De ontbindingsverklaring dient door hen beiden tezamen en tegelijkertijd te worden uitgebracht met kopie aan de notaris.
- De ontbindingsverklaring dient binnen 31 januari 2026 na inschrijving in het kadaster van de koopovereenkomst te zijn ontvangen door koper en de notaris.
- De terugbetaling van de waarborgsom/aanbetaling (€ 70.000,-) vermeerderd met een ontbindingsvergoeding van € 50.000,- dient zonder inhoudingen, verrekening, opschorting of voorbehouden en onder verlening van finale kwijting binnen dezelfde termijn, dus binnen 31 januari 2026 na inschrijving (hier is de valutadatum bedoeld) van de koopovereenkomst in het kadaster (dit is een fatale termijn) te zijn bijgeschreven op de bankrekening van koper. (…)



2.6.
Op 13 oktober 2025 heeft Hooghuys de overeenkomst laten inschrijven bij het Kadaster op grond van artikel 7:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).



2.7.
Op 21 oktober 2025 is een ‘Akte van geldlening en vestiging hypotheek- en pandrechten’ verleden bij de notaris. In die akte heeft [gedaagde partij] een recht van hypotheek op de woning verleend aan Hooghuys ten bedrage van € 270.000, alsmede een pandrecht op de roerende zaken in de woning en alle huidige en toekomstige vorderingen van [gedaagde partij] ter zake van de woning of de roerende zaken. In die akte staat:



2.1

Overeenkomst van geldlening

Partijen verklaren dat zij een schriftelijke koopovereenkomst hebben gesloten op vier oktober tweeduizend vijfentwintig. In artikel 4 van deze koopovereenkomst hebben Partijen opgenomen dat Schuldenaar ten titel van lening een aanbetaling op de koopprijs ontvangt na vervulling van een aantal voorwaarden, hierna te noemen: Overeenkomst van Geldlening. (…) In het kader van de Overeenkomst van Geldlening zijn Partijen overeengekomen dat Hypotheekgever ten behoeve van Hypotheekhouder het Hypotheekrecht en het Pandrecht zal verlenen.



2.8.
Op 21 oktober 2025 heeft Hooghuys een bedrag van € 70.000 aan [gedaagde partij] verstrekt via de derdenrekening van de notaris.



2.9.
Bij brief van 21 januari 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] geschreven dat [gedaagde partij] de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigt op grond van dwaling en/of misbruik van omstandigheden dan wel ontbindt op grond van wanprestatie. De gemachtigde heeft meegedeeld dat [gedaagde partij] het bedrag van € 70.000 wenst terug te storten aan Hooghuys en heeft Hooghuys gesommeerd om daaraan medewerking te verlenen door haar bankrekeningnummer door te geven. Verder is meegedeeld dat [gedaagde partij] de vergoeding van € 50.000 die genoemd is in de overeenkomst niet zal voldoen.



2.10.
Tussen de gemachtigden van partijen is verder gecorrespondeerd, waarbij Hooghuys zich op het standpunt heeft gesteld dat de vergoeding van € 50.000 wel verschuldigd is.



2.11.
Hooghuys heeft haar bankrekeningnummer niet doorgegeven aan [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft het bedrag van € 70.000 op de derdengeldenrekening van de notaris gestort. De notaris heeft dat bedrag echter weer teruggestort aan [gedaagde partij] .



2.12.
Op 18 maart 2026 heeft Hooghuys conservatoir leveringsbeslag gelegd op de woning.





3Het geschil


3.1.
Hooghuys vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:



[gedaagde partij] te bevelen om binnen 14 dagen na het vonnis een werkende en complete set sleutels van de woning ter beschikking te stellen aan Hooghuys en/of een door Hooghuys aan te wijzen derde;



[gedaagde partij] te bevelen om te gehengen en gedogen dat de onder sub 1 genoemde set sleutels door Hooghuys en/of door Hooghuys aan te wijzen derden zal worden gebruikt om de woning te laten bezichtigen;



[gedaagde partij] te verbieden om zichzelf of anderen in de woning aanwezig te laten zijn ten tijde van de onder sub 2 benoemde bezichtigingen;



[gedaagde partij] te bevelen om binnen 14 dagen na de dag waarop het in dezen te wijzen vonnis gewezen is, te gehengen en te gedogen dat Hooghuys de woning aan derden te koop aanbiedt;



[gedaagde partij] te verbieden om handelingen te verrichten die een doorverkoop van de woning aan een derde mogelijk kunnen frustreren of bemoeilijken;



[gedaagde partij] te bevelen om de woning na betekening van een exploot door Hooghuys, in welk exploot een leverdatum, een levertijdstip en een notaris vermeld staan, op de in dat exploot vermelde datum ten overstaan van de in dat exploot vermelde notaris aan Hooghuys (of een door Hooghuys aan te wijzen derde) te leveren;



[gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte van een dag per overtreding van een van de onder 1, 2, 3, 4, en/of 5 genoemde bevelen/verboden met een maximum van € 20.000 per bevel/verbod;



[gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 44.000 in één keer en € 2.000 per daaropvolgende dag waarop de overtreding voortduurt met een maximum van € 64.000 bij niet naleving van het onder 6 gevorderde bevel;



en om, indien [gedaagde partij] één of meer van de bevelen en of verboden onder 1 t/m 5 (voor zover toegewezen) niet naleeft of schendt:
9. [gedaagde partij] te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de woning te ontruimen en leeg, vrij van gebruik, aan Hooghuys ter beschikking te stellen en in beheer over te dragen;
10. Hooghuys te machtigen om alle door [gedaagde partij] achtergelaten spullen, op kosten van [gedaagde partij] af te voeren;
11. Hooghuys te machtigen om derden in te schakelen die de woning namens Hooghuys beheren;
12. te bepalen dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde partij] die benodigd is om de notariële levering te laten plaatsvinden indien [gedaagde partij] geen gevolg geeft aan het onder 6 gevorderde bevel;

en om, onder de voorwaarde dat de voorwaarde waar de vorderingen 9 t/m 12 aan verbonden zijn niet vervuld wordt en desondanks het onder 6 gevorderde bevel toch niet wordt nageleefd:
13) te bepalen dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde partij] die benodigd is om de notariële levering te laten plaatsvinden;

en, subsidiair, om:
14) [gedaagde partij] te bevelen om de woning op een dag gelegen minimaal 14 dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis op een door Hooghuys bij exploot aan te zeggen levertijdstip en leverdatum en ten overstaan van een door Hooghuys bij exploot aan te zeggen notaris, aan Hooghuys (of een door Hooghuys aan te wijzen derde) te leveren;
14) Hooghuys te machtigen om alle door [gedaagde partij] achtergelaten spullen, op kosten van [gedaagde partij] af te voeren;
14) Hooghuys te machtigen om bij gelegenheid van de notariële levering een bedrag van (maximaal) € 40.800 op te schorten bij het betalen van de koopsom ten tijde van de levering;
met veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten van deze procedure.



3.2.
De grondslag van de vorderingen van Hooghuys is nakoming van de overeenkomst door medewerking van [gedaagde partij] aan een verkoop en levering van de woning aan Hooghuys of een derde in het kader van een ABC-transactie.



3.3.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Hooghuys, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Hooghuys, met veroordeling van Hooghuys in de kosten van deze procedure.



3.4.

[gedaagde partij] voert het volgende aan. [gedaagde partij] stelt dat de overeenkomst tussen partijen niet kwalificeert als een koopovereenkomst. De overeenkomst functioneert materieel als overeenkomst van geldlening en was door [gedaagde partij] bedoeld als tijdelijke financiering. [gedaagde partij] heeft aan haar verplichtingen onder de geldleningsovereenkomst voldaan, doordat zij het bedrag van de lening van € 70.000 tijdig heeft terugbetaald, althans daartoe bereid was. De vergoeding van € 50.000 is zij niet verschuldigd, omdat deze bepaling uit de overeenkomst vernietigd moet worden op grond van dwaling, misbruik van omstandigheden en/of strijd met de wet.



3.5.
In reconventie vordert [gedaagde partij] , voor het geval de vorderingen in conventie worden afgewezen, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:


te verklaren dat de hypothecaire inschrijving ten behoeve van Hooghuys op de woning waardeloos is in de zin van artikel 3:29 BW, alsmede te verklaren dat de gevestigde pandrechten teniet zijn gegaan en waardeloos zijn, met machtiging aan de Bewaarder tot doorhaling van de hypothecaire inschrijving;


althans vervangende toestemming te geven voor het doorhalen van de hypothecaire inschrijving en het vervallen althans teniet laten gaan van de gevestigde pandrechten;


althans Hooghuys te veroordelen tot ondertekenen van de akte van royement van de hypothecaire geldlening zoals ingeschreven in het kadaster; op straffe van een dwangsom;


voor recht te verklaren dat de tussen Hooghuys en [gedaagde partij] gesloten overeenkomst een geldleenovereenkomst is ex 7:129 BW;


Hooghuys te veroordelen – naar de rechtbank begrijpt – om binnen twee dagen na het ten deze te wijzen vonnis het conservatoire beslag op de woning op te heffen op straffe van een dwangsom;


met veroordeling van Hooghuys in de proceskosten in reconventie.



3.6.

[gedaagde partij] legt aan de vorderingen in reconventie ten grondslag dat als de vorderingen in conventie worden afgewezen, de hypothecaire inschrijving, de gevestigde pandrechten en het gelegde conservatoire beslag ongedaan moeten worden gemaakt zonder dat daarvoor nadere procedures hoeven worden gestart.



3.7.
Hooghuys voert verweer tegen de vorderingen in reconventie. Hooghuys stelt, kort samengevat, dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat deze niet passen binnen de systematiek van de wet. Een eventuele toewijzende beslissing in reconventie moet om die reden niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard en de dwangsommen moeten worden afgewezen, aldus Hooghuys.



3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


in conventie



4.1.
Hooghuys vordert dat [gedaagde partij] de woning aan haar overdraagt. [gedaagde partij] betwist dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten en meent dat in feite sprake is van een overeenkomst van geldlening.



4.2.
Uit de stukken komt het volgende naar voren. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde partij] meerdere malen geld heeft overgemaakt aan derden ten behoeve van iets dat door deze derden werd voorgesteld als een belegging in crypto. Deze derden hebben haar voorgespiegeld dat zij nog één aanvullende storting moest doen voordat het vermogen zou vrijkomen en aan [gedaagde partij] kon worden uitgekeerd. Toen zij deze derden heeft gezegd dat zij geen geld meer had, zijn zij gaan meedenken op welke wijze [gedaagde partij] kapitaal beschikbaar zou kunnen krijgen en hebben in dat verband de naam Hooghuys genoemd. [gedaagde partij] heeft vervolgens contact opgenomen met Hooghuys. Zij heeft in haar contacten met Hooghuys niet besproken dat zij behoefte had aan kapitaal in verband met een belegging in crypto.



4.3.
De rechtbank leidt uit de processtukken en het verhandelde ter zitting af dat [gedaagde partij] behoefte had aan een kortlopende lening. In dat verband heeft zij Hooghuys benaderd en vervolgens is de Overeenkomst tot stand gekomen, waarbij [gedaagde partij] haar huis verkoopt, snel een voorschot op de kooprijs krijgt en de overeenkomst kan ontbinden als zij dat voorschot vermeerderd met een vergoeding van € 50.000 aan Hooghuys (terug)betaalt.



4.4.
Niet in geschil is dat financiële instellingen alleen kortlopende leningen mogen verstrekken binnen strenge kaders, waarbij onder meer een maximum is gesteld aan de rente die in rekening mag worden gebracht. Om te voorkomen dat een kredietnemer te grote risico’s aanvaardt, heeft de wetgever de (totale) kredietvergoeding die een kredietgever mag bedingen bij een consumentenkrediet in de zin van artikel 7:57 BW, gemaximeerd in artikel 7:76 lid 2 BW. Ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst was die maximale kredietvergoeding vastgesteld op een rentepercentage van 14% per jaar en per 1 januari 2026 is dat 12%. Een lening van € 70.000 met een rentevergoeding van € 50.000 (een rentevergoeding van ruim 71%) en met een recht van hypotheek tot zekerheid van de betaling van een en ander, is binnen het kader van de regels inzake consumentenkrediet niet mogelijk. Het omzeilen van de regels die ertoe strekken de consument te beschermen tegen ontoelaatbare vormen van kredietverstrekking is op grond van artikel 7:73 lid 2 BW niet toegestaan.



4.5.
In dit geval is – op initiatief van Hooghuys – een constructie gekozen die niet anders kan worden begrepen dan als het omzeilen van de wettelijke regels inzake consumentenkrediet. Het mag zo zijn dat [gedaagde partij] in haar gesprekken met Hooghuys niet eerlijk is geweest over de reden van haar liquiditeitsbehoefte, maar duidelijk was wel dat zij niet de wens had om haar huis te verkopen. Zij wilde op korte termijn en voor korte tijd geld lenen. Het leningselement stond op de voorgrond en de nadruk lag op het door Hooghuys te betalen voorschot en de mogelijkheid de transactie op korte termijn ongedaan te maken tegen betaling van een vergoeding van € 50.000. Gesteld noch gebleken is dat partijen hebben onderhandeld over belangrijke elementen bij een verkooptransactie zoals de verkoopprijs en datum van overdracht. Hooghuys heeft de gekozen constructie in een overeenkomst opgenomen en die overeenkomst aan [gedaagde partij] toegezonden, wetende dat kortlopende leningen met deze rente en zekerheid niet zijn toegestaan.



4.6.
De door Hooghuys gekozen constructie is onder de omstandigheden waarin die in het geval van [gedaagde partij] is toegepast, strijdig met dwingendrechtelijke regels inzake consumentenkrediet. Het rechtgevolg daarvan is dat de overeenkomst vernietigbaar is op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. De gemachtigde van [gedaagde partij] heeft de vernietiging van de overeenkomst namens haar ingeroepen in de brief van 21 januari 2026 (zie paragraaf 2.9). Gelet op het bovenstaande treft die vernietigingsverklaring doel.



4.7.
Aangezien de overeenkomst is vernietigd, is de vordering van Hooghuys tot nakoming van de leveringsverplichting niet toewijsbaar. Ook de overige vorderingen in conventie – die allen zijn gebaseerd op die leveringsverplichting – zullen worden afgewezen.


in reconventie




4.8.

[gedaagde partij] heeft vorderingen in reconventie ingesteld voor het geval dat de vorderingen van Hooghuys in conventie worden afgewezen. Nu dat het geval is, komt de rechtbank aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen toe.



4.9.

[gedaagde partij] vordert onder 1 een verklaring van de rechtbank in de zin van artikel 3:29 BW, dat de hypothecaire inschrijving en de pandrechten waardeloos zijn.



4.10.
Het hypotheekrecht en de pandrechten als genoemd in paragraaf 2.7 strekken tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde partij] uit hoofde van de in de akte gedefinieerde ‘Overeenkomst van Geldlening’ (kort gezegd: de verstrekking van het bedrag van € 70.000 en de voorwaarden die daaraan verbonden zijn, en die zijn opgenomen in artikel 4 van de Overeenkomst). In deze procedure heeft de rechtbank vastgesteld de Overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd. Daarmee zijn het hypotheekrecht en de pandrechten waardeloos geworden. De rechtbank zal dat in het dictum verklaren. Dat onderdeel zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat artikel 3:29 lid 4 BW reeds een regeling bevat over het inschrijven van een dergelijke verklaring.



4.11.
Nu vordering 1 wordt toegewezen, heeft [gedaagde partij] bij vordering 2 en 3 geen belang meer, zodat die zullen worden afgewezen.



4.12.
Vordering 4 strekt ertoe een verklaring voor recht te verkrijgen dat de Overeenkomst kwalificeert als een geldleenovereenkomst in de zin van artikel 7:129 BW. Niet toegelicht is wat het belang is van [gedaagde partij] bij een dergelijke verklaring voor recht. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.



4.13.
De rechtbank begrijpt de vordering van [gedaagde partij] onder 5 zo, dat zij vraagt om Hooghuys te veroordelen tot opheffing van het conservatoir leveringsbeslag dat op 18 maart 2026 ten behoeve van Hooghuys op de woning is gelegd. Uitgangspunt is dat indien de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen – zoals hier het geval is – het beslag vervalt wanneer de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 704 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van het beslag, voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, komt het aan op een weging van de belangen van partijen. Nu [gedaagde partij] niet heeft gesteld of onderbouwd dat er aan haar kant belangen zijn die zwaarder wegen dan de belangen van Hooghuys bij handhaving van het beslag, zal vordering 5 worden afgewezen.


proceskosten in conventie




4.14.
Hooghuys is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:









- griffierecht


€


341







- salaris advocaat


€


1.306


(2 punten × € 653)




- nakosten


€


189


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.836










proceskosten in reconventie




4.15.
Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal de proceskosten dan ook compenseren tussen partijen, in die zin dat ieder partij de eigen proceskosten draagt.





5De beslissing

De rechtbank


in conventie



5.1.
wijst de vorderingen van Hooghuys af;



5.2.
veroordeelt Hooghuys in de proceskosten van [gedaagde partij] , tot op heden begroot op € 1.836, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als Hooghuys niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;


in reconventie




5.4.
verklaart de hypothecaire inschrijving ten behoeve van Hooghuys op het appartementsrecht, rechtgevende op de woning, gelegen aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [kadastraal nummer] , waardeloos in de zin van artikel 3:29 BW;



5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen;


in conventie en reconventie




5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Link naar deze uitspraak