|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:30804 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL26.59434 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Bewaring ex artikel 59a Vw. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.59434
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
v-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiseres op 6 oktober 2026 op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiseres, de gemachtigde van eiseres en een tolk zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is in bewaring stellen met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiseres opgelegde maatregel van bewaring
4. Volgens de minister is de bewaring nodig, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Machtiging tot binnentreden
5. Eiseres voert aan dat de machtiging tot binnentreden in de woning (HV01a) onrechtmatig is, omdat daarin niet is gemotiveerd waarom de machtiging dringend noodzakelijk was. Dit volgt volgens eiseres niet uit de machtiging en ook niet uit het proces-verbaal van staandehouding en overbrenging (M105). Volgens eiseres kon de machtiging daarom niet worden gebruikt voor de staandehouding.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de machtiging voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 van de Awbi. De machtiging vermeldt namelijk wie de machtiging heeft afgegeven, aan wie de machtiging is gegeven en bevat een dagtekening. Daarnaast vermeldt de machtiging de wettelijke grondslag en het doel waartoe wordt binnengetreden. Eiseres heeft dit niet betwist. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres over de dringende noodzakelijkheid zo, dat zij doelt op artikel 7 van de Awbi. Op grond van het eerste lid kan tussen middernacht en 6 uur ‘s morgens slechts zonder toestemming van de bewoner worden binnengetreden voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Op grond van het tweede lid geldt hetzelfde bij afwezigheid van de bewoner. De eis van dringende noodzakelijkheid is geen voorwaarde voor de bevoegdheid tot binnentreden zelf, maar geldt alleen in deze twee situaties. Geen van beide situaties heeft zich in het geval van eiseres voorgedaan. Uit de M105 blijkt dat de woning om 07:11 uur is betreden en dat eiseres op dat moment in haar woning aanwezig was. Artikel 7 van de Awbi is daarom niet aan de orde. De machtiging hoefde het binnentreden dus niet uitdrukkelijk als dringend noodzakelijk aan te merken en is rechtsgeldig. De beroepsgrond slaagt niet.
Onjuiste tolk
6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat tijdens de staandehouding en de ophouding een onjuiste tolk is gebruikt. Uit de M105 en het proces-verbaal van gehoor (M110) blijkt dat gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk in de taal Pidgin-Engels. Uit de M110 volgt verder dat aan eiseres is gevraagd of zij de tolk goed kon verstaan. Eiseres heeft hierop bevestigend geantwoord en daarbij verklaard dat zij Pidgin-Engels met de tolk sprak. Uit het gehoor blijkt ook verder nergens dat eiseres op enig moment niet begreep wat haar werd gevraagd of wat haar werd verweten. Bovendien heeft eiseres op de zitting bevestigd dat zij Pidgin-Engels spreekt en heeft zij desgevraagd zelf aangegeven dat zij de voorkeur geeft aan vertaling door de tolk in het Pidgin-Engels en niet Engels. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag
7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. De minister heeft op 30 juli 2026 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiseres over te nemen. Op 4 augustus 2026 heeft Duitsland dit claimverzoek geaccepteerd. Eiseres heeft op 17 augustus 2026 een overdrachtsbesluit ontvangen.
Gronden
8. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, k, p, r en s terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor de gronden a en k is voldoende dat zij feitelijk juist zijn.
Het is feitelijk juist dat eiseres Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie heeft verplaatst (a). Eiseres heeft verklaard dat zij geen geldig reisdocument, zoals een paspoort of visum, had toen zij Nederland binnenkwam en tijdens haar reis door Europa. De minister heeft hieraan in de maatregel terecht de conclusie verbonden dat eiseres Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2020 en 23 januari 2023 slaagt niet. In de eerste zaak werd enkel verwezen naar het reisverhaal van de vreemdeling en het feit dat hij in een vrachtauto was aangetroffen. In de tweede zaak werd enkel verwezen naar de asielaanvraag en werd een uitleg gegeven over het verloop van de Dublinprocedure. Anders dan in die zaken berust het vermoeden in de maatregel op de eigen verklaringen van eiseres.
8.1.
Ook is feitelijk juist dat eiseres op 17 augustus 2026 een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en dat zij geen medewerking verleent aan de overdracht aan Duitsland (k). Eiseres is niet verschenen op het vertrekgesprek van 14 september 2026. Tijdens het vertrekgesprek van 23 september 2026 en tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft zij bovendien aangegeven dat zij niet terug wil naar Duitsland. Hieruit mag de minister afleiden dat eiseres geen medewerking verleent en ook niet zal verlenen aan de overdracht.
8.2.
De gronden p, r en s zijn ook feitelijk juist en het risico op onderduiken is in de maatregel voldoende gemotiveerd. Eiseres beschikt niet over een document voor grensoverschrijding, zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb (p). Zij staat niet ingeschreven in de BRP en heeft ook niet op een andere manier aangetoond dat zij een vaste woon- of verblijfplaats heeft (r). Dat zij in het azc kan verblijven, is daarvoor onvoldoende. Verder beschikt eiseres over onvoldoende middelen van bestaan (s). Zij is voor haar levensonderhoud afhankelijk van opvangvoorzieningen van het COa en de minister heeft terecht gesteld dat dit onvoldoende is om haar verblijf in Nederland en haar reis naar het land van herkomst te bekostigen. Wat eiseres aanvoert onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2020, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in die zaak – die zag op een gebrekkige motivering van het terugkeerbesluit ten aanzien van het ontbreken van voldoende middelen van bestaan – heeft de minister in deze zaak de bewaringsgrond over het ontbreken van voldoende middelen van bestaan wel deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft daarbij feitelijk kunnen toelichten dat eiseres niet beschikt over het vereiste bedrag van € 55,- per dag, zoals vermeld in de Vc.
9. De rechtbank concludeert dat alle gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat. In de maatregel staat weliswaar dat deze wordt opgelegd in het belang van de openbare orde, maar anders dan eiseres stelt, leest de rechtbank hierin niet dat is gekozen voor de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Uit de maatregel blijkt voldoende duidelijk dat het gaat om artikel 59a van de Vw 2000 en het vereiste van een onderduikrisico, zoals ook is bepaald in artikel 44 van de AMbV.
Lichter middel
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. De rechtbank acht daarbij van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. De minister heeft hierbij de verklaringen van eiseres tijdens het vertrekgesprek van 23 september 2026 kunnen betrekken, waarin zij heeft aangegeven dat zij niet wil meewerken aan de overdracht aan Duitsland. Dat het overdrachtsbesluit ten tijde van dit vertrekgesprek nog niet in rechte vaststond, doet daar niet aan af. Bovendien is tijdens dit gesprek duidelijk aangegeven wat de gevolgen zijn bij een positieve en bij een negatieve uitspraak. Dat aan eiseres niet eerder een lichter middel is opgelegd, maakt dit oordeel ook niet anders. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan.
10.1.
Overigens is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiseres en dat zicht op overdracht aan Duitsland binnen een redelijke termijn bestaat. De minister heeft op dezelfde dag als de inbewaringstelling de geplande overdracht van 14 oktober 2026 aangekondigd bij de Duitse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op 9 oktober 2026 bij kennisgeving de overdrachtsgegevens verstuurd aan de gemachtigde van eiseres. Er zijn geen aanwijzingen waaruit op voorhand kan worden geconcludeerd dat deze overdracht aan Duitsland geen doorgang zal kunnen vinden. Dat ten tijde van het opleggen van de maatregel nog geen sprake was van een onherroepelijk oordeel van de Afdeling over het overdrachtsbesluit, doet hieraan niet af. Het hoger beroep tegen het overdrachtsbesluit heeft namelijk geen schorsende werking. Bovendien heeft de Afdeling op 13 oktober 2026 uitspraak gedaan, het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Conclusie en gevolgen
12. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiseres in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. Ook voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen aanleiding om de bewaring op enig moment onrechtmatig te achten.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenbewaring.
Vreemdelingenwet 2000.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Asiel- en Migratiebeheer verordening.
Zie artikel 44 van de Asiel- en Migratiebeheer verordening (AMbV), artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Vreemdelingenbesluit 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMbV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw.
Algemene wet op het binnentreden.
Zie artikel 5.6, derde lid, van het Vb en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2020:1307.
ECLI:NL:RVS:2023:242.
Basisregistratie Personen.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Paragraaf A1/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
ECLI:NL:RVS:2026:6048.
Zie het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|