|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:32519 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-11-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-11-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.57267 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Intrekking verblijfsvergunning / eiser voldoet niet meer aan de beperking / ongegrond | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57267
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer] ,
van Marokkaanse nationaliteit
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. F.M. Reidinga).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verblijfsvergunning van eiser mocht intrekken en een terugkeerbesluit mocht opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 7 juni 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken vanaf 5 april 2023. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij deze intrekking gebleven.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL25.57268, op 29 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. In oktober 2020 heeft eiser een mvv aangevraagd voor verblijf bij zijn toenmalige partner (hierna: referente). Bij besluit van 11 april 2022 is eiser een mvv verstrekt. Eiser is vervolgens naar Nederland gereisd.
3.1.
Op 8 april 2023 heeft referente aangifte gedaan van mishandeling door eiser. Nadien is het huwelijk ontbonden.
3.2.
Bij besluit van 7 juni 2024 is de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht tot 5 april 2023 omdat eiser sindsdien niet meer voldoet aan de beperking van zijn verblijfsvergunning. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet is betwist dat het huwelijk op 5 april 2023 feitelijk is ontwricht. Het besluit tot intrekking geldt tevens als terugkeerbesluit.
3.3.
Eiser heeft op 13 juni 2024 bezwaar ingesteld tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning.
3.4.
Op 16 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Eiser heeft, desgevraagd, geantwoord contact te hebben met zijn ouders en broers en zussen in Marokko. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat zijn vrouw hem onrecht heeft ongedaan en dat hij door haar heeft vastgezeten. Ook heeft eiser verklaard in Nederland in de Ziektewet te zijn beland en inmiddels een bijstandsuitkering te ontvangen. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft naar voren gebracht dat eiser geen diagnose of behandeling heeft.
3.5.
Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. In dit besluit heeft de minister overwogen dat hij op grond van hetgeen is aangevoerd geen aanleiding ziet om terug te komen op het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning per 5 april 2023. Eiser heeft zijn stelling dat hij het slachtoffer zou zijn geweest van huiselijk geweld niet met stukken onderbouwd of op andere wijze aangetoond. Zijn beroep op medische omstandigheden kan evenmin slagen. Daarbij is er onder meer op gewezen dat in de overgelegde medische stukken geen diagnose is gesteld of is opgenomen dat eiser ziek is en niet kan werken of goed kan functioneren. Ook is volgens de minister de intrekking van eisers verblijfsvergunning en het opleggen van een terugkeerbesluit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan terugkeer van eiser naar Marokko niet verwacht zou mogen worden. Daarbij is er op gewezen dat eiser slechts elf maanden en zeven dagen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, sinds 14 april 2025 een uitkering ontvangt, er familie in Marokko woont en eiser heeft aangegeven geen sociale contacten in Nederland te hebben. Na afweging van alle belangen, weegt het belang van de Nederlandse Staat zwaarder dan het belang van eiser.
Beoordeling
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het huwelijk tussen eiser en referente is ontbonden en dat de gezinsband op 5 april 2023 is verbroken.
5. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS volgt uit het stelsel van de Vw 2000 dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de minister om een verblijfsvergunning in te trekken, omdat de betrokken vreemdeling niet meer voldoet aan het doel waarvoor de minister een vergunning heeft verleend, tevens heeft beoogd een beslissing tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop die vreemdeling niet meer aan dat doel voldeed.
6. In geschil is of de minister eiser bij het doortoetsen in aanmerking had moeten brengen voor voortzetting van zijn verblijf in Nederland.
6.1.
Op grond van artikel 3.6b van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve worden verleend:
onder een beperking verband houdend met medische behandeling, tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden;
(…)
aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat eiser -zoals de minister in het bestreden besluit ook stelt- geen enkele onderbouwing heeft gegeven van zijn stelling dat hij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld en voldoet aan het in B9 van de Vc 2000 opgenomen beleid. Het dossier wijst veeleer op het tegenovergestelde, nu juist tegen eiser aangifte is gedaan. Eiser heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat hij heeft vastgezeten, maar heeft geen enkel document overgelegd over de afloop van deze aangifte. Uit het dossier kan de rechtbank in ieder geval niet afleiden dat de zaak is geseponeerd of eiser door de rechter is vrijgesproken. De stelling van eiser mist dan ook elke onderbouwing en behoefde door de minister niet te worden gevolgd.6.3. Ook de in beroep betrokken stelling dat de minister nader medisch onderzoek had moeten verrichten slaagt niet; op de hoorzitting is reeds aan de orde gekomen dat eiser geen diagnose of behandeling heeft. De minister heeft in het bestreden besluit verder voldoende toegelicht waarom de medische situatie niet kan leiden tot een verblijfsvergunning voor het doel tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden.
6.4.
Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM zijn door eiser in beroep evenmin argumenten gegeven die leiden tot het oordeel dat deze beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd.
7. De rechtbank ziet ook in hetgeen overigens is bepleit geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudominiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vgl. ABRvS 26 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3399. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|