Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3556 
 
Datum uitspraak:10-02-2026
Datum gepubliceerd:19-03-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:24_3762
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Eiseres is moedermaatschappij in een fiscale eenheid en is 50% firmant in een VoF. De Vof heeft bij de verkoop van een schip in 2018 een boekwinst behaald die is gedoteerd aan de HIR. De Vof is in 2019 ontbonden. Bankschulden van de Vof zijn in 2019 gedeeltelijk kwijtgescholden (de kwijtschelding). In geschil is of eiseres ter zake van de kwijtschelding aanspraak maakt op de kwijtscheldingsvrijstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat bij de bepaling van de zelfstandige winst van eiseres de dotatie aan de HIR buiten aanmerking moet worden gelaten. Eiseres maakt dan ook niet aannemelijk dat zij aanspraak op de kwijtscheldingsvrijstelling had gehad indien zij niet in fiscale eenheid was gevoegd. De rechtbank vermindert de bij de aanslag Vpb in rekening gebrachte belastingrente. Beroep derhalve gegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
fiscale eenheid
herinvesteringsreserve
inkomstenbelasting
invorderingsrente
kwijtscheldingswinst
vennootschapsbelasting
verliesverrekening
vrijstelling
wet op de vennootschapsbelasting
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 24/3762

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen


[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr.drs. M.J.A. van Dijk),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.




Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd (de aanslag). Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2024 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025.
Namens eiseres zijn [naam] (bestuurder van eiseres) en de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [medewerker belastingdienst 1] , mr. [medewerker belastingdienst 2] en mr. [medewerker belastingdienst 3] .




Overwegingen


Feiten

1. Eiseres heeft, onder meer, 100% van de aandelen in [bedrijfsnaam A] B.V. (A BV). Met ingang van 2008 was eiseres als moedermaatschappij met A BV verbonden in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (de fiscale eenheid).
A BV had tot en met februari 2018 het door haar geëxploiteerde motortankschip [schip 1] in eigendom (schip 1). Schip 1 is in 2018 verkocht.

2. Verder was eiseres voor 50% firmant in de VOF [bedrijfsnaam B] (B VoF).
Eiseres participeerde middels B VoF voor 50% in motorvrachtschip [schip 2] (schip 2). Schip 2 is in 2018 verkocht en op 9 januari 2019 geleverd aan de koper.
Met de verkoop van schip 2 behaalde eiseres een boekwinst van € 724.833, die zij in 2018 heeft gedoteerd aan de herinvesteringsreserve (de HIR).
B VoF is per 1 december 2019 ontbonden.


3. Schip 2 was door B VoF gefinancierd met gelden van de ING Bank N.V. (de bank). Krachtens overeenkomst van 8 januari 2019 tussen (de vennoten van) B VoF en de bank, heeft de bank op voorwaarde van betaling van € 4.600.000 finale kwijting verleend voor de leenschulden van de VoF, inhoudende een gedeeltelijke kwijtschelding. Het deel daarvan dat eiseres aangaat, bedraagt € 392.556 (de kwijtschelding).

4. Eiseres heeft op 2 januari 2019 de vennootschap [bedrijfsnaam C] B.V. (C BV) opgericht. C BV is per oprichtingsdatum gevoegd in de fiscale eenheid.
C BV is voor 50% firmant in de, eveneens op 2 januari 2019 opgerichte, VoF [bedrijfsnaam D] (D VoF). In 2019 is door D VoF het schip [schip 3] verworven (schip 3).
Ter zake van de investering in dit schip heeft eiseres in 2019 € 586.172 van de HIR afgeboekt.

5. A BV heeft in de loop van 2019 duwbak [schip 4] verworven (schip 4).
Eiseres heeft ter zake van de investering in schip 4 € 108.236 afgeboekt van de HIR.

6. Eiseres heeft op 5 augustus 2020 aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 gedaan naar een belastbare winst, tevens belastbaar bedrag van € 2.535 negatief. Zij heeft daarbij de kwijtscheldingswinstvrijstelling toegepast voor het volledige bedrag van de kwijtschelding (€ 392.556).

7. Bij brief van 11 mei 2023 heeft verweerder verzocht om toelichting op de aangifte Vpb voor het jaar 2019. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Kwijtscheldingswinstvrijstelling
Bij de bepaling van de belastbare winst wordt een bedrag van € 392.557 als vrijgestelde kwijtscheldingswinst aangemerkt. Deze kwijtscheldingswinst heeft betrekking op het aandeel van [eiseres] in [B VOF].
Omdat sprake is van een fiscale eenheid is artikel 15ac lid 2 Wet op de vennootschapsbelasting van toepassing. Indien u van mening [bent] dat de vrijstelling van toepassing is, dan verzoek ik u aannemelijk te maken dat de kwijtscheldingswinst niet tot de winst van [eiseres] zou hebben behoord indien deze geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid.
Mocht dit het geval zijn dan is er toch voor een (gering) te hoog bedrag aan vrijstelling opgenomen omdat het verlies in het jaar zelf € 2.535 bedraagt.”

8. Bij e-mail van 15 juni 2023 heeft (de gemachtigde van) eiseres gereageerd op de brief van 11 mei 2023. In deze e-mail is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Kwijtscheldingswinstvrijstelling
(…)
In de bijlage vindt u een overzicht van de enkelvoudige belastbare winsten van [eiseres] over de jaren 2012 tot en met 2019 en een overzicht van de belastbare winsten van de fiscale eenheid (voor verliesverrekening) over de jaren 2012 tot en met 2019, uitgesplitst over de in de fiscale eenheid gevoegde vennootschappen. De aangiften vennootschapsbelasting worden vanaf het jaar 2012 door ons kantoor verzorgd.
(…) Na de verkoop en levering van [schip 2] is [B VOF] ontbonden. Sindsdien fungeert [eiseres] uitsluitend als houdstermaatschappij voor haar deelnemingen. Zoals hiervoor is toegelicht heeft de vervangende investering van [schip 2] plaatsgevonden in de gevoegde deelnemingen [C BV] en [A BV]. Indien [eiseres] geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid, zou zij geen vervangingsvoornemen hebben en ook geen herinvesteringsreserve kunnen vormen. Voor het bepalen van de belastbare winst van [eiseres] zoals bedoeld in artikel 15ac lid 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dient derhalve geen rekening te worden gehouden met mutatie van de herinvesteringsreserve.
(…)
Gelet op het totaal aan per saldo positieve belastbare winst over de jaren 2012 tot en met 2018 ad € 285.869 kan gesteld worden dat [eiseres] per 1 januari 2019 geen verrekenbare verliezen zou hebben als zij niet tot een fiscale eenheid had behoord. Derhalve kan de fiscale eenheid [eiseres] de kwijtscheldingswinstvrijstelling toepassen.
Uw opmerking en correctie met betrekking tot de beperking van de kwijtscheldingswinstvrijstelling met het verlies van de fiscale eenheid over 2019 ad € 2.535 is overigens terecht.”

9. De belastbare winsten van de fiscale eenheid volgens de ingediende aangiften Vpb zijn weergegeven in de tweede kolom van onderstaande tabel. De zelfstandige winsten van eiseres volgens haar opgave – dat wil zeggen de winsten, berekend alsof eiseres niet deel zou zijn van een fiscale eenheid – zijn weergegeven in de derde kolom.








boekjaar


fiscale eenheid


zelfstandig




2010


€ 225.830 -/-


€ 195.954 -/-




2011


€ 143.419


€ 92.499 -/-




2012


€ 215.307 -/-


€ 143.782 -/-




2013


€ 106.681


€ 85.431 -/-




2014


€ 224.443 -/-


€ 218.990 -/-




2015


€ 373.145


€ 284.835 -/-




2016


€ 540.769


€ 82.326




2017


€ 361.477


€ 104.645




2018


€ 249.266 -/-


€ 831.936 (107.103)




2019


€ 2.535 -/-


€ 83.039




totaal


€ 608.110


€ 80.455 (644.378 -/-)





De voor 2018 vermelde zelfstandige winst van € 831.936 is de winst zoals door eiseres bepaald zonder de dotatie aan de HIR in aanmerking te nemen. Met inachtneming van de dotatie aan de HIR bedraagt de zelfstandige winst voor dat jaar € 107.103.

10. De aanslag is opgelegd naar een belastbare winst van € 390.021 (€ 2.535 negatief + € 392.556) en een belastbaar bedrag van € 390.021. Het bedrag van de aanslag in € 85.505 en de uiterste betaaldatum is 23 september 2023. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 16.115.



Geschil

11. In geschil is of de aanslag naar een juist bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of recht bestaat op toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling. Daarnaast is in geschil of een juist bedrag aan belastingrente in rekening is gebracht. Niet in geschil is dat de herinvesteringsreserve ter zake van de vervreemding van schip 2 in 2018 terecht in dat jaar is gevormd.

12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling ten onrechte niet in aanmerking is genomen. Daarnaast stelt eiseres zich onder verwijzing naar de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024 op het standpunt dat de belastingrente tot een te hoog bedrag in rekening is gebracht.

13. Het standpunt van verweerder is dat de aanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd en dat de in rekening gebrachte belastingrente op het juiste bedrag is berekend.


Beoordeling van het geschil



De aanslag

14. Op de voet van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) juncto artikel 3.13, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) behoren de voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers niet tot de winst, voor zover die voordelen de som van verrekenbare verliezen en de overigens in het desbetreffende jaar behaalde winst overtreffen (de kwijtscheldingswinstvrijstelling).

15. Artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb luidt, voor zover hier van belang:
“Artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt bij het bepalen van de winst van een fiscale eenheid geen toepassing, behoudens voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat de in dat onderdeel bedoelde voordelen niet tot de winst van de schuldenaar zouden hebben behoord indien deze geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid. (…)”

Dit artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb is bij de totstandkoming ervan toegelicht als volgt:
“Als gevolg van het bestaan van de fiscale eenheid kunnen de verliezen van de schuldenaar, die kunnen leiden tot het prijsgeven van vorderingen door crediteuren, reeds zijn verrekend met winsten van andere tot de fiscale eenheid behorende maatschappijen. Indien binnen de fiscale eenheid geen te verrekenen verliezen meer openstaan, wordt de kwijtscheldingswinst volledig vrijgesteld, terwijl in de situatie dat de schuldenaar niet van de fiscale eenheid zou hebben deel uitgemaakt, de verliezen die mede aan de kwijtschelding ten grondslag liggen alsnog te verrekenen verliezen open zouden staan, en zouden worden weggestreept tegen de vrij te stellen kwijtscheldingswinst. Als gevolg van de toepassing van het fiscale eenheidsregime zou de vrij te stellen kwijtscheldingswinst derhalve hoger uitvallen. Om dit te voorkomen, wordt voorgesteld de regeling die kwijtscheldingswinst vrijstelt van belastingheffing, niet toe te passen op maatschappijen die deel uitmaken van een fiscale eenheid, behoudens voorzover de desbetreffende maatschappij (schuldenaar) aannemelijk kan maken dat de kwijtscheldingswinst zou zijn vrijgesteld indien hij geen deel zou hebben uitgemaakt van de fiscale eenheid.”

16. De kwijtscheldingswinstvrijstelling geldt derhalve niet bij de bepaling van de winst van een fiscale eenheid, behoudens voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat de fiscale-eenheidsmaatschappij jegens welke de desbetreffende vorderingen zijn prijsgegeven aanspraak op de vrijstelling had gehad als zij niet in fiscale eenheid was gevoegd. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het daarbij om de vraag of en in hoeverre verrekenbare verliezen alsdan aan toepassing van de vrijstelling in de weg hadden gestaan. Daarmee is het aan eiseres om aannemelijk te maken in hoeverre er geen sprake is van verrekenbare verliezen, als zij geen deel zou hebben uitgemaakt van een fiscale eenheid.

17. Eiseres stelt dat ‘stand alone’ in 2019 geen verlies uit eerdere jaren voor verrekening in aanmerking komt. Zij komt daartoe door bij de bepaling van de zelfstandige winst van eiseres de dotatie aan de HIR buiten aanmerking te laten, waarmee de winst 2018 € 831.936 bedraagt en met deze winst de daarvóór geleden en nog niet verrekende verliezen geheel worden verrekend (zie onder 9 hiervoor). Volgens eiseres moet de dotatie aan de HIR bij zelfstandige winstbepaling buiten aanmerking blijven om de reden dat zij zonder fiscale eenheid geen HIR had kunnen vormen; en wel omdat de vervangende investeringen niet door haar maar door A BV en C BV zijn gedaan.

18. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank overweegt dat bij de zelfstandige winstbepaling op de voet van artikel 15ac, tweede lid, Wet Vpb de dotatie aan de HIR bij eiseres in aanmerking dient te worden genomen. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

19. Het volgt uit de aard van de zaak dat bij de zelfstandige berekening van de winsten van de leden van een fiscale eenheid de vorming van de HIR in aanmerking wordt genomen bij de maatschappij die de desbetreffende boekwinst heeft gehaald. Zonder boekwinst is er immers niets om aan een HIR te kunnen doteren, zodat de HIR niet bij een andere maatschappij van de fiscale eenheid kan worden gevormd dan de maatschappij die de boekwinst heeft behaald. In dit geval heeft belanghebbende, als vennoot van B VoF de HIR gevormd hetgeen als zodanig ook niet in geschil is. Die vorming wordt niet beperkt door de omstandigheid dat niet belanghebbende, maar een andere maatschappij van de fiscale eenheid de herinvestering verricht ten laste van de door belanghebbende gevormde HIR. Daarbij bestond C BV in 2018 nog niet, zodat toerekening aan C BV van de dotatie aan de HIR in het jaar 2018, zoals belanghebbende kennelijk voor staat, zich niet laat denken.

20. Voor dit oordeel vindt de rechtbank bevestiging in het bepaalde in artikel 15ah van de Wet Vpb. Dit artikel schrijft zelfstandige winstberekening voor ten behoeve van de toepassing van de in het eerste lid daarvan genoemde voorschriften. Het vierde lid van artikel 15ah Wet Vpb luidt:
“Indien aan het voornemen tot herinvestering bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, gevolg is gegeven door een andere maatschappij van de fiscale eenheid dan de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd ter zake waarvan de herinvesteringsreserve is gevormd, wordt het bedrijfsmiddel waarin is geherinvesteerd voor de toepassing van het tweede lid geacht te zijn verworven door de maatschappij die het bedrijfsmiddel heeft vervreemd en onmiddellijk daarna te zijn overgedragen aan die andere maatschappij.”
Ook bij de winstsplitsing van artikel 15ah van de Wet Vpb wordt de HIR dus niet geacht te zijn gevormd door de fe-maatschappij die de herinvestering doet, indien deze is gevormd door een andere maatschappij, maar wordt de herinvestering juist geacht te zijn gedaan door de maatschappij die de HIR heeft gevormd.

21. Met inachtneming van de dotatie aan de HIR bedraagt de zelfstandige winst van eiseres voor het jaar 2018 € 107.103, waarmee na dat jaar € 727.714 aan verrekenbare verliezen resteerden. Deze overtreffen het saldo van de kwijtscheldingswinst en het overigens in 2019 behaalde resultaat, zodat op grond van artikel 3.13, eerste lid, van de Wet IB in verbinding met artikel 15ac, tweede lid, van de Wet Vpb de kwijtscheldingswinstvrijstelling toepassing mist. Daaruit volgt dat het beroep voor zover het tegen de aanslag is gericht ongegrond is.


De rentebeschikking

22. Op grond van artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt belastingrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden, te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990.

23. In verband met de COVID-19-crisis is het belastingrentepercentage voor (onder meer) de Vpb tussen 1 juni 2020 en 1 oktober 2020 verlaagd naar 0,01. Met ingang van 1 oktober 2020 bedraagt het belastingrentepercentage op grond van een delegatiebepaling in (het gewijzigde) artikel 30hb van de AWR een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage. In het op deze delegatiebepaling gebaseerde Besluit belasting- en invorderingsrente is de belastingrente voor de Vpb van 1 oktober 2020 tot 1 januari 2022 bepaald op 4% en met ingang van 1 januari 2022 op ten minste 8%.

24. De op de aanslag Vpb voor het jaar 2019 verschuldigde belasting bedraagt € 85.505. De over dit bedrag in rekening gebrachte belastingrente is over de periode van 1 juli 2020 tot en met 23 september 2023 berekend als volgt:












tarief


belastingrente




1 juli 2020 tot 1 oktober 2020


0,01%


€ 2




1 oktober 2020 tot 1 januari 2022


4%


€ 4.275




1 januari 2022 t/m 23 september 2023


8%


€ 11.838




Totaal





€ 16.115






25. In zijn arrest van 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het vanaf 1 januari 2022 toegepaste percentage van 8% onevenredig hoog is en dat het Besluit belasting- en invorderingsrente in zoverre onverbindend dient te worden verklaard. Dit percentage kan dan ook niet worden toegepast. Met inachtneming van het arrest van 16 januari 2026 zal de rechtbank de in rekening gebrachte belastingrente verminderen door aan te sluiten het percentage dat geldt voor andere belastingen. De rechtbank hanteert derhalve voor de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2023 een percentage van 4% en voor de periode daarna een percentage van 6%. Dat betekent dat de belastingrente moet worden verminderd tot € 10.590:












tarief


belastingrente




1 juli 2020 tot 1 oktober 2020


0,01%


€ 2




1 oktober 2020 tot 1 juli 2023


4%


€ 9.405




1 juli 2023 t/m 23 september 2023


6%


€ 1.183




Totaal





€ 10.590





Voor een verdere vermindering bestaat geen aanleiding.


Proceskosten

26. Omdat het beroep voor zover het is gericht tegen de rentebeschikking gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.993,60, bestaande uit € 19,60 aan reiskosten van de bestuurder van eiseres, € 106 aan verletkosten van de bestuurder van eiseres en € 1.868 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1; voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat geen aanleiding nu daar voorafgaande aan de uitspraak op bezwaar niet om is verzocht).





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de beschikking belastingrente;
- vermindert de in rekening gebrachte belastingrente tot € 10.590;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.993,60;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter en mr. R.C.H.M. Lips en mr. P.E. Halprin, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.




griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:






Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).


ECLI:NL:RBNNE:2024:4361


Kamerstukken II 1999/2000, 26 854, nr. 3, pagina 23.


de artikelen 13d, twaalfde en dertiende lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0002672/2025-01-01), 15ab, tweede lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0002672/2025-01-01), 15ac, zevende lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0002672/2025-01-01), 15ae (https://wetten.overheid.nl/BWBR0002672/2025-01-01) en 15ak, vijfde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0002672/2025-01-01), van de Wet Vpb.


Vanaf 2007 was de termijn voor voorwaartse verliesverrekening negen jaar; dat werd met ingang van 2019 zes jaar.


Artikel 3, onderdeel a, van de Verzamelspoedwet COVID-19; zie ook: Besluit van 17 juni 2020, houdende vaststelling van het Besluit belasting- en invorderingsrente (Stb. 2020/200).


Artikel 3, onderdeel c, van de Verzamelspoedwet COVID-19.


Artikel 1 van het Besluit belasting- en invorderingsrente als gewijzigd bij het Besluit van 17 december 2021 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten (Stb. 2021/657).


ECLI:NL:HR:2026:59.
Link naar deze uitspraak