|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:9745 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 22-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 25/8634 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Hoewel eiser terecht heeft aangevoerd dat hij ongelijk wordt behandeld, is de door eiser ontvangen WGA-uitkering terecht niet betrokken in de grondslag voor de berekening van de arbeidskorting. Het kabinet heeft voldoende actie ondernomen om de discriminatie op te heffen. Een beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | arbeidskorting | | | belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | loonbelasting | | | uitkering | | | verzamelinkomen | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/8634
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
17 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 30 oktober 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2024 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en [naam].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 28 maart 2025 de aangifte IB/PVV 2024 ingediend naar een verzamelinkomen van € 58.911. Dit inkomen bestaat voor € 1.465 uit inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en voor € 57.446 uit inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.
2. Het inkomen uit vroegere dienstbetrekking bestaat voor € 37.939 uit een van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ontvangen uitkering op basis van de Werkhervattingsregeling Gedeeltelijke Arbeidsongeschikten (WGA-uitkering).
3. Met dagtekening 30 mei 2025 is de definitieve aanslag IB/PVV 2024 aan eiser opgelegd conform de ingediende aangifte. In deze aanslag is rekening gehouden met een arbeidskorting van € 124. De arbeidskorting is berekend over de inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking.
4. In geschil is of eiser recht heeft op een hoger bedrag aan arbeidskorting. Meer specifiek is in geschil of de WGA-uitkering terecht niet is betrokken in de grondslag voor de berekening van de arbeidskorting. Eiser voert aan dat hij wordt gediscrimineerd ten opzichte van belastingplichtigen die de WGA-uitkering rechtstreeks van hun werkgever ontvangen. Bij die belastingplichtigen wordt de WGA-uitkering namelijk wel in aanmerking genomen voor de berekening van de arbeidskorting. Dit verschil in behandeling is volgens eiser in strijd met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP bij het EVRM. Artikel 94 van de Grondwet verplicht tot onverwijlde toepassing van het EVRM, aldus eiser. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht geen arbeidskorting is berekend over de ontvangen WGA-uitkering.
5. De arbeidskorting geldt op grond van artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Onder arbeidsinkomen wordt op grond van artikel 8.1, eerste lid, letter e, van de Wet IB 2001 verstaan, voor zover hier van belang, het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als loon. De door het UWV betaalde WGA-uitkering kan niet worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Zij valt daarom niet onder de definitie van arbeidsinkomen. Maar, indien een WGA-uitkering wordt betaald via een werkgever bij wie de uitkeringsgerechtigde ook loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, vindt op grond van artikel 9.4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 samenvoeging van die uitkering met dat loon plaats tot één loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Vervolgens wordt over het gehele samengevoegde bedrag arbeidskorting berekend.
6. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 november 2024 geoordeeld dat de ongelijke behandeling voor de arbeidskorting van een WGA-uitkering naar gelang deze door het UWV of via de werkgever wordt betaald een ongeoorloofde schending is van het verbod van discriminatie in artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP bij het EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 IVBPR. De Hoge Raad heeft destijds echter ook geoordeeld dat het vooralsnog aan de wetgever is om in dit rechtstekort te voorzien, omdat de wijze waarop gelijke behandeling kan worden bereikt (keuze tussen verschillende alternatieven) de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. De rechtbank overweegt dat het voorgaande ook geldt voor deze zaak. Dat betekent dat de rechtbank eiser geen rechtsherstel biedt voor de geconstateerde schending van het discriminatieverbod.
7. Het kabinet heeft bij schriftelijke reactie van 14 maart 2025 op het voornoemde arrest besloten om de discriminatie op te heffen door met ingang van 2027 ook door de werkgever betaalde WGA-uitkeringen niet langer mee te laten tellen voor de berekening van de arbeidskorting. Deze inperking houdt in dat in geen enkel geval meer arbeidskorting kan worden toegepast over socialezekerheidsuitkeringen. Volgens het kabinet sluit inperking het meest aan bij een doel van de arbeidskorting (stimuleren arbeidsparticipatie) en wordt hiermee voorkomen dat nieuwe mogelijke discriminaties ontstaan (bijvoorbeeld tussen mensen met een WGA-uitkering en mensen met een andere socialezekerheidsuitkering). Het kabinet heeft ervoor gekozen deze inperking door te voeren per 1 januari 2027. De redenen daarvoor zijn (i) zorgen dat degenen die een financieel nadeel ondervinden door de inperking niet te abrupt worden geconfronteerd met inkomensdaling en (ii) softwareontwikkelaars en werkgevers de nodige tijd geven om te anticiperen op deze aanpassing.
8. De rechtbank is van oordeel dat het kabinet voldoende actie heeft ondernomen om de discriminatie op te heffen. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 15 november 2024 heeft overwogen, sluit het goed aan bij het doel van de arbeidskorting om een WGA-uitkering in geen enkel geval meer mee te tellen voor de berekening van de arbeidskorting. Dat volgens eiser uit door hem verkregen WOO-stukken volgt dat de ongelijke behandeling reeds vanaf 2018 bekend was kan, gelet op het voornoemde arrest, hier geen verandering in brengen.
9. Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat dit hem niet kan baten omdat het hier gaat om bepalingen in de Wet IB 2001, een wet in formele zin. Toetsing van formele wetgeving aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel, is in strijd met het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dat is het geval als die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. Dergelijke bijzonderheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Deze hoge uitzondering is in dit geval niet aan de orde. De ongelijke behandeling vindt namelijk haar oorzaak in wettelijke bepalingen en regelgeving, waarbij de wet- en regelgever bewust ervoor hebben gekozen om in sommige gevallen de WGA-uitkering mee te laten tellen voor de berekening van de arbeidskorting, en in andere gevallen niet.
10. Hoewel eiser terecht heeft aangevoerd dat hij ongelijk wordt behandeld en de rechtbank begrijpt dat dit voor hem om een groot (financieel) belang gaat, kan dit, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet leiden tot berekening van arbeidskorting over de WGA-uitkering. De rechtbank kan de aanslag ook niet uit coulance verminderen, nu deze bevoegdheid is voorbehouden aan verweerder. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van
mr. Z.F. de Bruijne, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 maart 2026.
De griffier is verhinderd
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane en van de Minister van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid van 14 maart 2025, 2025-0000079599.
Vgl. Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3270, r.o. 3.2.5.
Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, r.o. 3.6.2 en 3.6.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|