|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:1238 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 24/8483 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw voor de tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten. Geen onbehoorlijk bestuur. Aantal arbeidsmigranten. Leefbaarheidstoets. Parkeernorm. Landschappelijke waarden. Alternatieve locatie. Relativiteit. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | fruitteelt | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8483
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [plaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel
(gemachtigde: mr. J. Uijlenbroek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2].
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Met de beslissing op bezwaar heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Eisers zijn het hier niet mee eens voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de beslissing op bezwaar in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 21 december 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd met het bestemmingsplan. Met de beslissing op bezwaar van 16 oktober 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] en [persoon B] namens de derde-partij. Eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college samen met [persoon C] hebben digitaal deelgenomen aan de zitting (via Microsoft Teams).
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij exploiteert aan de [locatie 1] in [plaats 2] een fruitteeltbedrijf. Jaarrond werken er arbeidsmigranten (seizoenarbeiders) bij het bedrijf, met een piek in de maanden augustus en september. In de huidige situatie worden de mensen gehuisvest in caravans op het erf. De derde-partij wil een permanente situatie creëren voor het huisvesten van de arbeidsmigranten. Op 5 juni 2023 heeft de derde-partij daarom een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een gebouw met dertig kamers, voor de huisvesting van maximaal zestig arbeidsmigranten. Het gebouw heeft een oppervlakte van 853 m2 en is 5,49 meter hoog. De gevraagde huisvesting ziet op maximaal zes maanden per jaar. De aanvraag ziet op de activiteit “bouwen van een bouwwerk”.
3.1.
Eisers wonen aan de [locatie 2] in [plaats 1] . De afstand tussen het perceel van eisers en de derde-partij bedraagt ongeveer 130 meter. De afstand tussen het perceel van eisers en het gebouw voor de huisvesting bedraagt ongeveer 150 meter. Eisers vrezen voor overlast en zijn daarom in beroep gegaan tegen de beslissing op bezwaar.
3.2.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied - Veegplan” en het perceel heeft de bestemming “Agrarisch”. Binnen het bouwvlak mogen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van één agrarisch bedrijf. De goothoogte mag maximaal 7 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 12 meter. Met een goothoogte van 2,7 meter en een bouwhoogte van 5,49 meter voldoet het gebouw hieraan. Het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten is niet toegestaan binnen de agrarische bestemming. Op grond van artikel 3.5.1. van de planregels kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het toegestane gebruik voor het verlenen van huisvesting van seizoenarbeiders, met dien verstande dat:
de huisvesting uitsluitend bedoeld is voor seizoenarbeiders die tijdelijk werkzaam zijn voor het betreffende agrarische bedrijf;
het betreft wisselend gebruik, afhankelijk van de bedrijfsmatige noodzaak in de productiegebonden seizoenen;
de aanwezige bedrijfsgebouwen voor dit doel mogen worden ingericht voor een overnachtingsaccommodatie, die niet geschikt is voor zelfstandige bewoning, en/of daarbij behorende voorzieningen;
indien aangetoond wordt dat onvoldoende ruimte aanwezig is binnen de aanwezige bedrijfsgebouwen deze voor dit doel ook mogen worden uitgebreid, waarbij de regels voor bedrijfsgebouwen overeenkomstig deze regels van toepassing zijn;
indien mogelijkheden voor de sub c genoemde overnachtingsaccommodatie redelijkerwijs ontbreken, in plaats daarvan en maximaal gedurende 4 aaneengesloten maanden, binnen het bouwvlak tijdelijke mobiele woonunits mogen worden geplaatst, met geen groter gezamenlijk oppervlak dan 100 m2, geen hogere hoogte dan 3 m en mits wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing;
aangetoond wordt dat de omvang van de overnachtingsaccommodatie en/of het aantal te realiseren woonunits is afgestemd op de behoefte aan tijdelijke arbeidskrachten;
van de sub e genoemde periode kan worden afgeweken indien aangetoond wordt dat de aard van de agrarische bedrijfsvoering noodzaakt tot de huisvesting van seizoenarbeiders buiten de genoemde periode;
de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad;
voor zover de gronden zijn gelegen binnen de 100%-letaliteitszone van een voor het aspect externe veiligheid relevante buisleiding of de 200 meter-zone van een voor het aspect externe veiligheid relevante transportroute, een positief advies van de Veiligheidsregio is ontvangen.
3.3.
Omdat het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten niet direct is toegestaan, heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit ook aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. Volgens het college voldoet het plan aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 3.5.1. van de planregels en is ook sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft daarom de gevraagde omgevingsvergunning op 21 december 2023 verleend.
3.4.
In de beslissing op bezwaar van 16 oktober 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Is er sprake van onbehoorlijk bestuur?
4. De omgevingsvergunning is op 22 december 2023 naar de derde-partij verzonden. Op 9 januari 2024 is de omgevingsvergunning gepubliceerd. Eisers betogen dat zij onvoldoende tijd gehad hebben om een bezwaarschrift in te dienen tegen de omgevingsvergunning. Eisers wisten niet dat zij nadere stukken konden indienen en zijn hier ook niet op gewezen door het college. Daarom is volgens eisers sprake van onbehoorlijk bestuur.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de verleende omgevingsvergunning een besluit op een aanvraag is. Een dergelijk besluit wordt bekend gemaakt door toezending daarvan aan de aanvrager. Dat is op 22 december 2023 gebeurd, zodat de bezwaartermijn op 23 december 2023 is aangevangen. In de publicatie in het Gemeenteblad is de verzenddatum van 22 december 2023 genoemd. Ook staat er dat tot 3 februari 2024 bezwaar kan worden gemaakt. Eiseres hebben op 1 februari 2024 een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend. Eisers hadden ook eerst een pro forma bezwaarschrift kunnen indienen, of tot tien dagen voor de hoorzitting nadere stukken kunnen indienen. Dat hebben eisers niet gedaan, omdat zij bij de motivering van dat wat in het bezwaarschrift staat, zijn gebleven. In dat wat eisers betogen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd?
5. Eisers betogen dat zij tijdens de hoorzitting de bezwaren van de Stichting Leefomgeving Rivierenland (SLR) bij hun bezwaren hebben gevoegd. In de beslissing op bezwaar en het advies van de bezwarencommissie wordt hier niet op ingegaan. De secretaris van de bezwarencommissie heeft desgevraagd geantwoord dat in het advies van eisers ook de bezwaargronden van SLR zijn meegenomen. Volgens eisers wijkt het advies dat ziet op de bezwaren van SLR af van het advies dat ziet op de bezwaren van eisers. De beslissing op bezwaar is daarom volgens eisers onvoldoende gemotiveerd.
5.1.
Uit de e-mail waar eisers naar verwijzen volgt dat de bezwarencommissie in het advies ook is ingegaan op de bezwaargronden van SLR, bijvoorbeeld de structuurvisie en de Roemernorm. Eisers geven niet aan wat er niet klopt aan het advies van de bezwarencommissie. Omdat eisers het niet eens zijn met de beslissing op bezwaar, ligt het ook op de weg van eisers om concreet te benoemen wat er onjuist zou zijn aan de beslissing op bezwaar en het advies van de bezwarencommissie dat daaraan ten grondslag ligt. De enkele opmerking dat het advies van de bezwarencommissie afwijkt is daarvoor niet voldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Wijze van beoordelen
6. Voordat de rechtbank ingaat op de beroepsgronden die zien op de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”, benadrukt de rechtbank dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Heeft het college in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen verlenen?
Aantal arbeidsmigranten
7. Eisers betogen dat onvoldoende is aangetoond dat het nodig is om zestig arbeidsmigranten te huisvesten. Op 11 september 2024 is een omgevingsvergunning gepubliceerd voor veertig caravans waarin arbeidsmigranten tijdelijk gehuisvest worden. Volgens eisers blijkt hieruit dat in het hoogseizoen geen zestig plekken nodig waren. Eisers menen dat het lijkt op een toekomstige uitbreiding of dat huisvesting van arbeidsmigranten voor derden gefaciliteerd wordt.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag de volgende motivering voor zestig arbeidsmigranten volgt:
“De noodzaak voor de inzet van deze 60 werknemers wordt onderbouwd met cijfers van het CBS en informatie uit de praktijk. De opbrengst voor de teelt van Conference peren lag in Nederland gemiddeld op 35.357 kg per ha en voor Doyenne de Comice op 33.898 kg per ha (Fruitteelt; oogst een teeltoppervlakte appels en peren ([website 1]), november 2022). Voor het bedrijf van initiatiefnemer – met een omvang van respectievelijk 45,5 ha en 1,5 ha – betekent dit een jaaropbrengst van 1.659.590 kg peren. Een werknemer plukt gemiddeld 175 kg peren per uur. Op basis van een werkweer van 40 uur, betekent dit 7.000 kg per werknemer per weer. Er ligt dus een werkvoorraad van circa 237 weken. De werkzaamheden moeten in circa drie tot vier weken worden afgerond, wat betekent dat er 60 tot 80 arbeidskrachten nodig zijn om dit rond te krijgen. In de praktijk stonden er in november 2022 voor het bedrijf van initiatiefnemer circa 70 personen op de loonlijst.
In aanvulling op de bovenstaande berekening wordt verwezen naar een recente publicatie van Wageningen Universiteit (Wageningen Economic Research) voor de Nederlandse fruitteeltsector ( [website 2] ) op basis van cijfers van het CBS. Hierin is onder meer een analyse van ‘aantal bedrijven, bedrijfsomvang en areaal fruitteelt’ opgenomen. In de publicatie staat dat een fruitteeltbedrijf in Nederland in 2019 een gemiddelde omvang had van 12 ha. Het bedrijf van initiatiefnemer beslaat 48 ha aan de teelt van peren en is daarmee een ‘zeer groot bedrijf’ (grootklasse 5 Standaard Verdien Capaciteit). Gelet op de omvang van het bedrijf, is de huisvesting van 60 personen noodzakelijk om de peren tijdig te kunnen oogsten.”
De rechtbank ziet in het betoog van eisers geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefte voor zestig arbeidsmigranten niet voldoende onderbouwd is. Eisers verwijzen slechts naar de omgevingsvergunning voor veertig tijdelijke stacaravans. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat veertig plekken voldoende zijn. Bovendien moet het college beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Leefbaarheidstoets
8. Eisers betogen dat de leefbaarheidstoets summier is. Er is volgens eisers in de leefbaarheidstoets te weinig aandacht besteed aan de vraag of het huisvesten van zestig personen in een kleine gemeenschap aanvaardbaar is. Ook wordt ten onrechte aangegeven dat er geen overlastgevende factoren in de omgeving aanwezig zijn. In de omgeving zit namelijk de horecagelegenheid “[naam horecagelegenheid]”. Dit is volgens eisers een overlastgevende factor. Dat blijkt ook uit de last onder dwangsom die de gemeente Buren op 23 april 2024 heeft opgelegd vanwege het overschrijden van grenswaarden van geluid.
Volgens eisers moeten er daarom nadere voorschriften gesteld worden om overlast te voorkomen.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het gaat om tijdelijke huisvesting en niet om permanente huisvesting. Alleen tijdens de piek van het seizoen worden er maximaal zestig personen gehuisvest. Het gaat om tijdelijke, seizoensgebonden huisvesting die qua intensiteit en duur beperkt is. De huisvesting wordt op een ruime afstand van meer dan 100 meter van de bestaande woningen geplaatst. De enkele omstandigheid dat op een locatie arbeidsmigranten worden gehuisvest, leidt niet tot een verstoring van de openbare orde. De huisvesting vindt plaats op het perceel van de derde-partij, waardoor sprake is van sociale controle. Bij overlast kunnen eisers de gemeente bellen. Er wordt handhavend opgetreden bij onevenredige overlast. Verder heeft het college een leefbaarheidstoets uitgevoerd. Hieruit volgt een positief advies. De door eisers genoemde overlast van het restaurant kan niet worden toegerekend aan de hier aangevraagde huisvesting, omdat de leefbaarheidstoets betrekking heeft op de impact van het voorgenomen gebruik op de omgeving. De overlast van het restaurant houdt geen verband met de huisvesting van arbeidsmigranten.
Het college meent dat hij bij het verlenen van de omgevingsvergunning voldoende rekening heeft gehouden met de omwonenden. Daarbij merkt het college op dat zowel de gemeente als de politie in het verleden geen klachten heeft ontvangen over de arbeidsmigranten in dienst bij de derde-partij. Het college heeft daarom geen aanleiding gezien om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de leefbaarheidstoets niet te summier is. Uit de motivering bij het besluit volgt dat het college het “beoordelingsformulier leefbaarheidstoets” uit de beleidsregels “huisvesting arbeidsmigranten” gehanteerd. Hieruit volgt een positief advies. De rechtbank merkt daarbij op dat de derde-partij op de zitting heeft toegelicht dat hij al lange tijd arbeidsmigranten huisvest op het terrein en de afgelopen jaar twintig caravans en een woonunit op het perceel hebben gestaan, waar vijftig arbeidsmigranten in gehuisvest werden. Er zijn nooit meldingen van overlast gedaan. Omdat de derde-partij op het terrein woonachtig is, is er ook sprake van sociale controle. De rechtbank ziet in het betoog van eisers geen aanleiding voor het oordeel dat het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning noodzakelijk is om een goede ruimtelijke ordening te waarborgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Parkeernorm
9. Eisers betogen dat acht parkeerplaatsen voor zestig arbeidsmigranten onvoldoende zijn. Het college gaat volgens eisers ook ten onrechte uit van een parkeernorm van 0,25 parkeerplaats per onzelfstandige woonruimte. Volgens de beleidsregels “huisvesting arbeidsmigranten” geldt voor de categorie “rest bebouwde kom” een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per kamer. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de norm voor het buitengebied veel lager is.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat de beleidsregel waar eisers naar verwijzen niet van toepassing is bij de beoordeling van de aanvraag voor de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning. Die beleidsregels bevatten de voorwaarden en weigeringsgronden voor een onttrekkingsvergunning. Daar is in dit geval geen sprake van. Uit de situatietekening bij de omgevingsvergunning blijkt dat op het perceel van de derde-partij tien parkeerplaatsen gerealiseerd worden. In de Nota Parkeernormen Tiel 2022 is geen specifieke parkeernorm opgenomen voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Het college heeft daarom aansluiting gezocht bij de parkeernorm van 0,25 parkeerplaats per onzelfstandige woonruimte in het buitengebied, omdat dit de meest vergelijkbare gebruiksfunctie is. In totaal worden dertig onzelfstandige woonruimtes voor zestig personen gerealiseerd. De totale parkeerbehoefte komt daarmee op afgerond acht parkeerplaatsen. Dit wordt volledig op het perceel van de derde-partij opgevangen. De rechtbank ziet in wat door eisers is aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat dit onvoldoende zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Landschappelijke waarden
10. Eisers betogen dat de landschappelijke waarden ernstig worden aangetast. Doordat de gemeente Tiel geen enkele eisen van welstand en ruimtelijke kwaliteit heeft voor het buitengebied, is dit soort landschapsvervuiling kennelijk toelaatbaar.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat het bouwplan volgens het college aan de bouwvoorschriften voldoet. Dit wordt door eisers in beroep ook niet betwist. Bovendien is het perceel van de derde-partij in het bestemmingsplan niet voorzien van een specifieke aanduiding die maakt dat de gronden ook bestemd zijn voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. De afwijking van het bestemmingsplan ziet dus alleen op het gebruik van het perceel (voor de huisvesting van de arbeidsmigranten). Dit betekent een dergelijk gebouw op grond van het bestemmingsplan al is toegestaan en de landschappelijke waarden geen reden kunnen zijn om de vergunning te weigeren. Ook hebben eisers niet onderbouwd waarom er sprake zou zijn van ernstige aantasting van landschappelijke waarden. De beroepsgrond slaagt niet.
Alternatieve locatie
11. Eisers betogen dat een locatie die veel bezwaren wegneemt de locatie is waar tot op heden de, volgens eisers, illegale huisvesting gesitueerd was. De derde-partij heeft daar direct zicht op en ervaart dan zelf de hinder van de arbeidsmigranten.
11.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op een aanvraag zoals die is binnengekomen. Als het project op zichzelf aanvaardbaar is, dwingt het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking, als op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van een of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
11.2.
De rechtbank oordeelt dat uit het voorgaande volgt dat het project op zichzelf aanvaardbaar is. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat met de alternatieve locatie op voorhand een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. In de enkele stelling dat eisers dan minder bezwaren hebben, betekent niet dat in zijn geheel sprake is van aanmerkelijk minder bezwaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Flora- en faunaonderzoek
12. Eisers betogen dat er geen flora-en faunaonderzoek is gedaan. De impact op de natuur is daarom nergens beschreven.
12.1.
Een burger kan zich niet met succes beroepen op regels of beginselen die kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Eisers beroepen zich op bepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb). Die bepalingen strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten. Eisers beroepen zich dus op een algemeen belang. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling moet in dat geval het relativiteitsvereiste worden tegengeworpen. Dit is anders als belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.
12.2.
Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woningen van eisers en de locatie waarop het voorziene project wordt uitgevoerd. Als die afstand hemelsbreed meer dan 100 meter bedraagt, zal in het algemeen niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. De kwaliteit van de directe leefomgeving van eisers houdt dan onvoldoende verband met de bescherming van de volgens hen op de gronden van het voorziene project levende diersoorten.
12.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan eisers het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen. Eisers wonen hemelsbreed op meer dan 100 meter afstand van de projectlocatie. Het is een te grote afstand om verwevenheid tussen het belang van eisers en het algemeen belang aan te nemen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.
Molenbiotoop
13. Eisers betogen dat het college het advies over de molenbiotoop naast zich heeft neergelegd. Hieruit blijkt volgens eisers dat het college geen rekening houdt met de omgeving, waaronder de molen.
13.1.
Het perceel van de derde-partij valt in het bestemmingsplan binnen de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone - molenbiotoop”. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor de vrije windgang van de molen. De regels van de gebiedsaanduiding strekken ter bescherming van de in het plangebied aanwezige molen. Dit strekt kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers. De rechtbank is van oordeel dat het relativiteitsvereiste, zoals onder overweging 12.1 omschreven, ook aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond in de weg staat.
Roemernorm
14. Voor zover eisers betogen dat niet voldaan wordt aan de “Roemernorm” oordeelt de rechtbank dat dit – nog daargelaten dat dit niet is onderbouwd – geen norm is waaraan getoetst moet worden bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Verwijzing naar het bezwaarschrift
15. Eisers betogen dat al hun andere bezwaren onvoldoende onderbouwd zijn afgewezen. De rechtbank overweegt dat het college in de beslissing op bezwaar gemotiveerd ingegaan is op de bezwaargronden. Het is dan aan eisers om in beroep concreet en gemotiveerd aan te voeren waarom zij het niet eens zijn met de beslissing op bezwaar. Eisers hebben in het beroepschrift, anders dan de beroepsgronden die hiervoor zijn besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van het bezwaarschrift in de beslissing op bezwaar onjuist zou zijn. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar (en dus ook de omgevingsvergunning) in stand blijft. Eisers krijgen dus geen gelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Wabo in samenhang met artikel 3.5.1. van het bestemmingsplan.
Dit volgt uit artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 6:8 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:6 in samenhang met artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 7:4 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136.
Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 augustus 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3577, r.o. 9.3.
Op grond van artikel 2.20a van de Wabo.
30 keer 0,25 = 7,5 parkeerplaats (afgerond 8)
Uit artikel 3.1. onder j van het bestemmingsplan Buitengebied volgt dat de gronden mede bestemd zijn voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden ter plaatse van de aanduidingen zoals zijn opgenomen in 39.2.1 van dat bestemmingsplan. De in artikel 39.2.1 genoemde aanduidingen ontbreken op het perceel van de derde-partij.
Uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2058.
Dit volgt uit artikel 8:69a van de Awb.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:283.
ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.66 en 10.67. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|