|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:1324 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25_1950 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Het beroep van eiseres tegen de weigering van een Wajong-uitkering is ongegrond. Het UWV mocht het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit op grond van artikel 4:6 van de Awb afwijzen. Er is geen sprake van nova. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1950
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A. van Klaveren-Drost).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de (herhaalde) aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een herhaalde aanvraag ingediend voor een Wajonguitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen hiermee hebben ingestemd heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1996, heeft in de periode van 2008-2018 een VMBO-diploma landbouw en MBO-diploma’s Bloemendetailhandel en Verkoopspecialist behaald, alsmede een Havo-certificaat. In het kader van deze opleidingen heeft zij verschillende stages verricht. Op haar achttiende verjaardag woonde eiseres in Duitsland, op 14 maart 2019 heeft zij zich in Nederland gevestigd.
Op 16 november 2020 heeft het UWV een Aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen (Wajong-aanvraag) ontvangen. Op deze aanvraag vermeldt eiseres dat zij veel lichamelijke pijn heeft, waaronder zenuwpijn in haar arm. Zij zit midden in een onderzoek naar pijn in haar onderbuik. Daarnaast is zij altijd misselijk en vaak duizelig. Volgens eiseres kreeg zij in 2014 last van haar ziekte. Ook heeft eiseres al vanaf zes- of zevenjarige leeftijd psychische problemen zoals paniekaanvallen, waarvoor tot nu toe geen psycholoog haar heeft kunnen helpen.
De aanvraag is, na een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek, bij besluit van 18 december 2020, afgewezen omdat eiseres arbeidsvermogen heeft.
Het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing is door het UWV bij besluit van 26 juli 2021 ongegrond verklaard.
3.1.
Op 21 juni 2024 heeft eiseres een herhaalde aanvraag ingediend. Deze aanvraag staat in onderhavige uitspraak centraal.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres heeft bij haar herhaalde aanvraag een diagnose-verklaring gevoegd van het Autisme Kenniscentrum van 16 augustus 2023, waarin de volgende diagnosen worden vermeld: autismespectrumstoornis (ASS), depressieve stoornis, recidiverende episode, matig, posttraumatische stressstoornis (PTSS), paniekstoornis en andere gespecificeerde stoornis. Daarnaast maakt eiseres melding van prikkelbaar darmsyndroom en fibromyalgie
Bij besluit van 23 oktober 2024 heeft het UWV de aanvraag afgewezen omdat eiseres in haar aanvraag geen nieuwe informatie heeft vermeld. Uit de informatie blijkt dat de diagnosen zijn gewijzigd, maar het stellen van een andere diagnose op een eerder bekend feitencomplex (symptomen) is geen novum. De analyse arbeidsvermogen wordt gehandhaafd en eiseres is onverminderd in staat de taak van “plaatsen van onderdelen op printplaat (1702)” uit te voeren.
4.1.
Bij besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het standpunt gehandhaafd dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht, zodat niet met terugwerkende kracht kan worden teruggekomen op de beslissing van 18 december 2020. Het UWV heeft daaraan toegevoegd dat de overgelegde medische informatie niet maakt dat de beslissing van 18 december 2020 niet juist was, zodat deze beslissing ook naar de toekomst niet wordt herzien.
De medische beoordeling door het UWV
5. Aan de afwijzing van de eerste aanvraag van eiseres ligt de volgende beoordeling ten grondslag.
De primaire verzekeringsarts heeft de aanvraag mondeling besproken met de arbeidsdeskundige, hiervan is geen medisch rapport opgemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft eiseres op 9 juli 2021 gesproken, lichamelijk en psychisch onderzoek verricht en informatie van de GZ-psycholoog uit 2016 en 2017 en van de huisarts uit 2020 en 2021 beoordeeld. De GZ-psycholoog stelde als werkdiagnose paniekstoornis met agorafobie en een depressieve stoornis eenmalig, licht. Eiseres heeft zelf de behandeling gestaakt omdat zij niet gemotiveerd was en zich door haar vriend onder druk gezet voelde. Op 11 november 2020 meldde eiseres zich bij de huisarts vanwege toenemende angstklachten, de huisarts schreef medicatie voor.
Bij de verzekeringsarts b&b kon eiseres zich prima verwoorden, wel maakte ze een wat gespannen/gedrogeerde indruk (oxazepam). De aandacht en concentratie waren goed. De stemming was wat vlak en het affect angstig. Het denken was ongestoord, er was sprake van gegeneraliseerde angst.
De verzekeringsarts b&b gaat uit van een gemengde angst- en /of stemmingsstoornis bij ontwijkende en afhankelijke trekken in de persoonlijkheid. Op lichamelijk gebied zijn er aspecifieke pijnklachten van het houdings- en bewegingsapparaat (lage rug en linkerarm).
Voor eiseres gelden op 16 november 2020 de volgende beperkingen in activiteiten:
“-algemene taken en eisen: beperkt in omgang met stress en verblijven tussen grote groepen mensen/in groepsverband ondernemen van enkelvoudige of meervoudige taken;
-samenwerken: omgaan met negatieve kritiek en hanteren van conflicten in direct contact en onbekenden, ook telefonisch;
-mobiliteit: handhaven van staande houding tot ½ uur, gebogen houding tot 5 minuten, tillen/dragen tot 5 kg, incidenteel 10 kg toegestaan, duwen/trekken 10 kgf, lopen ½ uur, incidenteel tot 1 uur aaneengesloten en niet frequent klimmen;
-specifieke omgevingsfactoren: geen aanhoudende trillingen op nek, linkerarm en rug.”
5.1.
Aan het bestreden besluit ligt de volgende beoordeling ten grondslag.
De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en kennisgenomen van de door eiseres overgelegde diagnose-verklaring van het Autisme Kenniscentrum van 16 augustus 2023 en van de door eiseres in de aanvraag beschreven medische informatie. In zijn rapport van 23 oktober 2024 vermeldt de verzekeringsarts onder meer het volgende. Bij recentere diagnostiek zijn andere diagnosen gesteld: fibromyalgie, autisme, depressieve stoornis, paniekstoornis en andere gespecificeerde angststoornis. Voor de diagnose fibromyalgie geldt, dat deze diagnose gesteld wordt per exclusionem, dus bij uitsluiten van afwijkingen bij onderzoek in aanwezigheid van chronische pijnklachten van het bewegingsapparaat. Deze ontstonden volgens anamnese bij eerdere beoordeling in 2014 bij het tillen van een pot tijdens stage. Bij de voorgaande beoordeling is uitgegaan van aspecifieke pijnklachten van het houdings- en bewegingsapparaat. Er is daardoor feitelijk sprake van hetzelfde klachtenbeeld. Voor de psychische problematiek geldt dat, hoewel er nu een andere diagnose is gesteld, de klachten en het functioneren niet wezenlijk anders zijn dan ten tijde van de vorige beoordeling. De eerder aangegeven beperkingen in functioneren zijn nog steeds passend bij het functioneren van eiseres, zodat er geen aanleiding is om de vorige beoordeling te herzien. Een andere diagnostische interpretatie van reeds bekende feiten en omstandigheden kan niet worden beschouwd als een nieuw feit of omstandigheid.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) heeft eveneens het dossier bestudeerd en sluit zich aan bij de primaire verzekeringsarts. Volgens de verzekeringsarts b&b is er in het kader van de duuraanspraken geen grond om de eerdere beslissing van 18 december 2020 vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt voor onjuist te houden, er zijn geen gebreken. Met betrekking tot de door eiseres ervaren gezondheidsverslechtering overweegt de verzekeringsarts b&b dat een verslechtering in de Wajong-verzekerde periode (tot vijf jaar na het bereiken van de achttienjarige leeftijd) niet objectief is vastgesteld.
Het beoordelingskader
6. Het UWV heeft op het verzoek van eiseres om terug te komen van het besluit van 8 juni 2011 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
6.1.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
Vooraf
7. Op grond van vaste rechtspraak kan met nieuwe feiten die pas in de fase van beroep of hoger beroep naar voren worden gebracht, bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten geen rekening worden gehouden.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt in beroep een medisch rapport ingebracht (zie hierna onder het kopje ‘De beroepsgronden’). Omdat het UWV in de gelegenheid is gesteld om op dit medisch rapport te reageren en ook daadwerkelijk van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt, zal de rechtbank dit rapport bij de beoordeling betrekken.
De beroepsgronden
8. In beroep verwijst eiseres naar de vastgestelde diagnosen door het Autisme Kenniscentrum. Nadrukkelijk wordt betwist dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, de gediagnosticeerde ASS en PTSS moeten als zodanig worden gezien. Doordat deze diagnosen pas later zijn gesteld, waren de verzekeringsartsen van het UWV bij de vorige beoordeling hiervan niet op de hoogte en hebben zij de beperkingen niet juist kunnen vaststellen.
Eiseres heeft in beroep een verslag overgelegd van een in december 2022 door klinisch psycholoog [naam psycholoog] afgenomen diagnostisch onderzoek. Dit verslag bevat de volgende conclusie in termen van DSM-5: een autismespectrumstoornis (matig) en een depressieve stoornis, recidiverende episode (matig).
8.1.
Het UWV heeft op de beroepsgronden gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts b&b van 6 oktober 2025. De vragen die voorliggen zijn of de ingebrachte informatie niet bekend was of bekend had kunnen zijn bij beslissing gedateerd 18 december 2020 en of deze nieuw ingebrachte informatie tot een andere beslissing per toekomende datum moet leiden. Volgens de verzekeringsarts b&b is dit niet het geval. Als er in 2020 meer naar de onderliggende problematiek voor de symptomen was gekeken dan had de diagnose ASS gesteld kunnen worden, waarmee de mogelijkheden voor eiseres preciezer in kaart hadden kunnen worden gebracht. Dit kan echter niet als nieuw feit dat nog niet bekend was of bekend had kunnen zijn worden gezien. Maar ondanks de nu gestelde diagnose ASS (en de gevolgen daarvan) is er nog steeds arbeidsvermogen. Er zijn namelijk geen argumenten om te stellen dat eiseres, als de ASS eerder bekend was geweest, geen uur aaneengesloten, gedurende vier uur per dag geen passende fysiek niet te zware taak kan verrichten, waarbij geen overmatig appel wordt gedaan op haar psycho-sociale mogelijkheden en psychische flexibiliteit. De taak moet daarom eenvoudig, routinematig, gestructureerd voorspelbaar zijn en in een rustige omgeving kunnen worden verricht. Ook heeft zij hiervoor de werknemersvaardigheden.
Dat er een beperkte zelfzorg is kan met psycho-educatie worden verholpen en geeft niet zozeer een indicatie voor een beperking voor het arbeidsvermogen.
8.2.
De CRvB heeft eerder geoordeeld dat een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing van die uitkering, naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb), dan wel een beroep wordt gedaan op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid, ofwel om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). De rechtbank begrijpt de beroepsgronden echter aldus, dat enkel wordt betoogd dat eiseres wél nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, wat voor het UWV aanleiding had moeten zijn om terug te komen op het besluit van 18 december 2020. De rechtbank zal het geschil aldus beoordelen.
8.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om eiseres te volgen in haar stelling dat de gediagnosticeerde ASS en PTSS als nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden gezien in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Indien een beroep wordt gedaan op een nieuw feit, dan is het uiteraard van belang dat het betreffende feit betrekking heeft op de beoordeling waarvan verzocht wordt om op terug te komen. De rechtbank maakt daarbij een onderscheid tussen de door het Autisme Kenniscentrum op 16 augustus 2023 vastgestelde diagnose ASS en de vastgestelde diagnose PTSS. Voor wat betreft de diagnose ASS zijn partijen het erover eens dat deze diagnose weliswaar later is gesteld, maar evenzeer betrekking heeft op de toestand ten tijde van de vorige beoordeling in 2020 dan wel bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd. De verzekeringsarts b&b schrijft immers dat deze diagnose bij uitvoeriger onderzoek in 2020 gesteld had kunnen worden. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de CRvB waaruit volgt dat het gegeven dat er aanvankelijk niet, maar later wel een diagnose is te stellen, geen nieuw feit is.
Voor wat betreft de diagnose PTSS geldt aanvullend het volgende. De rechtbank vindt in het dossier geen aanknopingspunten dat de diagnose PTSS bij de eerdere beoordeling in 2020 is gesteld. De bij de beoordeling in 2020 betrokken medische informatie (van een psychotherapeut/psycholoog uit december 2016 en van de huisarts uit december 2020) maakt geen melding van deze diagnose, en ook de verzekeringsarts b&b vermeldt deze diagnose niet in zijn rapport van 13 juli 2021. De diagnose PTSS is in het door eiseres ingebrachte diagnostisch onderzoek uit 2022 niet gesteld. Dit onderzoek richtte zich op het bevestigen of uitsluiten van een aandachtstekortstoornis, PTSS en/of een persoonlijkheidsstoornis. In het onderzoeksrapport wordt de diagnose PTSS niet gesteld, wel komt naar voren dat eiseres veel klachten heeft die wijzen op PTSS. De conclusie in termen van DSM-5 luidt: autismespectrumstoornis (matig), depressieve stoornis, recidiverende episode, matig. Een eetstoornis wordt uitgesloten.
Gelet op de door eiseres overgelegde medische informatie is de rechtbank van oordeel dat eiseres hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat de diagnose PTSS eveneens betrekking heeft op haar gezondheidstoestand op achttienjarige leeftijd. De enkele diagnosestelling door het Autisme Kenniscentrum in 2023, zonder onderliggende medische argumentatie, is hiervoor onvoldoende.
De rechtbank merkt hierbij wel op dat voor de belastbaarheid van eiseres niet de diagnose (ASS en wel of geen PTSS) doorslaggevend is, maar dat het vooral gaat om de beperkingen die eiseres op achttienjarige leeftijd ondervond.
De rechtbank licht dit hierna verder toe.
8.4.
Eiseres stelt dat de diagnosen ASS en PTSS bij de eerdere beoordeling in 2020 nog niet waren vastgesteld, waardoor de beperkingen niet objectief konden worden vastgesteld door de verzekeringsarts. Deze beroepsgrond slaagt niet, omdat op grond van vaste rechtspraak van de CRvB de diagnose voor het bepalen van de arbeidsbelemmeringen en het arbeidsvermogen niet van belang is.
8.5.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b in zijn rapporten van 27 maart 2025 en 6 oktober 2025 navolgbaar en overtuigend heeft gemotiveerd dat, hoewel hij zich kan vinden in de diagnose ASS en accepteert dat eiseres daaruit al belemmeringen op haar achttiende levensjaar ondervond, de betreffende diagnose geen ander licht laat schijnen op de beoordeling uit 2020. De rechtbank voegt hieraan toe dat de UWV-artsen bij de vorige beoordeling in 2020 kennis hebben genomen van het traumatische verleden van eiseres en de daaruit voortvloeiende klachten. Zo wordt in een brief van de GZ-psycholoog van 23 februari 2017 vermeld dat eiseres EMDR-therapie heeft geprobeerd. In de kern komt het erop neer dat eiseres ook met de in 2023 gestelde diagnosen ASS en PTSS, in staat is om een eenvoudige, routinematige, gestructureerde en voorspelbare taak in een rustige omgeving te verrichten. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen, omdat de te stellen voorwaarden aan een uit te voeren taak in grote lijnen overeenkomen met de gegeven adviezen in het diagnostisch onderzoek uit 2022.
8.6.
Wat eiseres heeft aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 december 2016 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594
Zie de uitspraak van 5 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:91.
Zie pagina 2 van het diagnostisch onderzoek door Praktijk Kramer uit december 2022.
Zie de uitspraak van 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1571.
Zie de uitspraak van 3 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1785.
Zie de uitspraak van 10 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1802 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|