Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3020 
 
Datum uitspraak:21-04-2026
Datum gepubliceerd:24-04-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB - 25_2012
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Spoedeisende bestuursdwang vanwege het houden en fokken van een groot aantal honden en het besluit om kostenverhaal. De rechtbank oordeelt dat het college gelet op de aangetroffen situatie spoedeisende bestuursdwang heeft kunnen toepassen. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden om hiervan af te zien. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de hoogte van de door het college teruggevorderde kosten niet onredelijk is.
Trefwoorden:bestemmingsplan
bestuursdwang
perceel
tarieven
zorgkosten
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/2012
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres 1] en [eiseres 2] , uit [plaats 1] , eiseressen
(gemachtigde: mr. D. de Jong),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg
(gemachtigden: mr. E. Celik en mr. E. Hilferink).

Als derde-partij heeft aan de procedure deelgenomen: woningcorporatie Kleurrijk wonen
(gemachtigden: mr. E. van Alphen en B. Frinking).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het toepassen van spoedeisende bestuursdwang vanwege het houden en fokken van een groot aantal honden en het besluit om kostenverhaal voor de kosten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de last onder bestuursdwang. In de beslissing op bezwaar van 26 maart 2025 heeft het college de bezwaarschriften van eiseressen tegen de last onder bestuursdwang en het besluit kostenverhaal ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten. Eiseressen zijn het niet eens met de beslissing op bezwaar. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake was van een overtreding op grond waarvan het college bevoegd was om handhavend op te treden. Gelet op de ernstige situatie was het college bevoegd om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om van het kostenverhaal af te zien. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Aan eiseressen is op 29 juli 2024 een last onder bestuursdwang opgelegd met betrekking tot het houden en fokken van ongeveer 70 honden. Het college is op dezelfde dag overgegaan tot uitvoering van de bestuursdwang.


2.1.
Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de last onder bestuursdwang. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland tijdens de bezwaarfase verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, om hun honden weer terug te krijgen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van eiseressen in de uitspraak van 9 augustus 2024 afgewezen.



2.2.
In het besluit van 20 november 2024 heeft het college de gemaakte kosten voor de uitvoering van de last onder bestuursdwang van 29 juli 2024 op eiseressen verhaald.



2.3.
In de beslissing op bezwaar van 26 maart 2025 heeft het college de bezwaarschriften van eiseressen tegen de last onder bestuursdwang en het kostenverhaalsbesluit ongegrond verklaard.



2.4.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseressen [eiseres 1] met gemachtigde, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van Kleurrijk Wonen.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van de last onder bestuursdwang en het kostenverhaalsbesluit

3. Eiseressen huurden (in elk geval ten tijde van het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang) de woning [locatie] in [plaats 2] . Sinds maart 2024 hebben de politie en Kleurrijk Wonen (de woningcorporatie die de woning aan eiseressen verhuurde) klachten van omwonenden ontvangen in verband met overlast door het houden van een groot aantal honden. Dit heeft geleid tot bezoeken door de woningcorporatie, de Dierenpolitie en de Landelijke Inspectiedienst. Kleurrijk Wonen en omwonenden hebben vervolgens melding gedaan bij het college. Op 3 en 18 juli 2024 heeft een toezichthouder van het college controles uitgevoerd. Op 23 juli 2024 is opnieuw een controle uitgevoerd, waarbij de toezichthouders met een machtiging tot binnentreden van de burgemeester toegang tot de woning hebben gekregen. In het controlerapport van 25 juli 2024 is vastgelegd wat de toezichthouders hebben aangetroffen. Bij de controle is vastgesteld dat eiseressen het perceel in strijd met de woonbestemming gebruiken door het houden en fokken van ongeveer 70 honden (chihuahua’s). Tijdens de controle is het volgende geconstateerd:

“In de woning op de [locatie] zijn ongeveer 70 honden aangetroffen en 5 nestjes met puppy's. Er is sprake van geluidsoverlast en stankoverlast. In de woonkamer in de woning staan meerdere benches. Alle honden verblijven in de woonkamer en komen niet op de bovenverdieping. Ook worden de honden niet uitgelaten.



Door dit grote aantal honden en nestjes met puppy's wordt het houden van honden aangemerkt als bedrijfsmatige activiteit. Het gebruik zelf en de ruimtelijke uitstraling van dit gebruik is niet meer verenigbaar met de woonbestemming. Dit is een overtreding van de Omgevingswet en het omgevingsplan.”


In het besluit van 29 juli 2024 staat dat aan eiseressen een last onder bestuursdwang wordt opgelegd en dat gelijk wordt overgegaan tot het ten uitvoer leggen van de last door feitelijk handelen. Daarbij is aangegeven dat de kosten die daarvoor worden gemaakt bij eiseressen in rekening worden gebracht. In het besluit staat dat sprake is van een overtreding omdat het grote aantal honden en nestjes met puppy’s dat wordt gehouden wordt aangemerkt als bedrijfsmatige activiteit. Het gebruik zelf en de ruimtelijke uitstraling van dit gebruik is niet meer verenigbaar met de woonbestemming. Daarom heeft het college aan eiseressen een last onder bestuursdwang opgelegd. Eiseressen moeten de overtreding (laten) beëindigen en beëindigd (laten) houden. Dit kunnen eiseressen doen, zo staat in het bestreden besluit, door:

“Te stoppen met het bedrijfsmatig houden en fokken van honden. Dit betekent dat alleen het hobbymatig houden van honden op het perceel is toegestaan. Dit betekent dat er maximaal 5 volwassen honden en maximaal 1 keer per kalenderjaar een nestje puppy's op het perceel (gemeente Culemborg, sectie [sectie] , nummer [nummer] ) met het adres [locatie] aanwezig mogen zijn.”


Vervolgens is het college direct overgegaan tot de uitvoering van de last onder bestuursdwang. Daarbij zijn ongeveer 125 honden aangetroffen die allemaal uit de woning zijn weggehaald. Eiseressen hebben vijf honden mee kunnen nemen en de andere honden zijn voor de duur van 14 dagen opgevangen door de dierenbescherming. Deze periode liep af op 11 augustus 2024. Daarna zijn de honden door de dierenbescherming aangeboden voor herplaatsing.


3.1.
In het besluit van 20 november 2024 heeft het college de kosten van de uitvoering van de last onder bestuursdwang op eiseressen verhaald. Eiseressen moeten voor de uitvoering van de last onder bestuursdwang € 52.243,76 betalen aan het college.




Bestuursdwangbesluit


Wettelijk kader

4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.


4.1.
Op het perceel [locatie] in [plaats 2] , gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan “Voorkoop”. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Culemborg. Op het perceel geldt de bestemming “Wonen”.





De overtreding

5. Artikel 12 van het bestemmingsplan “Voorkoop” bepaalt dat de gronden met de bestemming “Wonen” zijn bestemd voor onder ander woondoeleinden en een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Volgens artikel 1 van het bestemmingsplan is een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf een beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend waarvan de ruimtelijke uitwerking of uitstraling met de woonfunctie verenigbaar is en waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en degene die het beroep of het bedrijf uitoefent ook bewoner van de woning is.



5.1.
Eiseressen hebben geen gronden gericht tegen het standpunt van het college dat het houden van ongeveer 70 honden niet past bij de begripsomschrijving van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Het houden van deze aantallen honden is een gebruik dat niet verenigbaar is met de woonbestemming. Gezien de ruimtelijke uitstraling van het gebruik en de aard, omvang en intensiteit van dit gebruik is deze uitstraling van dien aard, dat deze planologisch gezien niet meer met de woonfunctie valt te rijmen. Dat betekent dat niet in geschil is dat sprake is van een overtreding en daarom is het college bevoegd om handhavend op te treden.


Beginselplicht tot handhaving

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, moet in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Handhavend optreden is alleen onevenredig, als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.


Beroepsgronden tegen het bestuursdwangbesluit

7. Eiseressen betogen dat het college door het toepassen van spoedeisende bestuursdwang jegens hen onevenredige en disproportionele middelen heeft ingezet. Het college heeft het besluit volgens eiseressen onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is van belang dat zowel de gemeente als de (deskundige) instanties al maanden van de situatie bij eiseressen de woning op de hoogte waren, en dat er ook afspraken waren gemaakt en stappen waren gezet om de situatie uiterlijk in september 2024 te beëindigen. Ook geven eiseressen aan dat zij leven voor de hondjes en dat de inbeslagname hun leven kapot heeft gemaakt en dat ze onuitsprekelijk verdrietig zijn. De gevolgen voor eiseressen zijn dus groot. Het kwijtraken van de honden en de woning is voor eiseressen een traumatische ervaring. Die omstandigheden in combinatie met de in de rapportage van 25 juli 2024 aangegeven verbeterde omstandigheden, hadden volgens eiseressen aanleiding moeten zijn om van de last onder bestuursdwang af te zien en hadden, in de beslissing op bezwaar, aanleiding moeten zijn dit besluit alsnog te herroepen.



Mocht het college spoedeisende bestuursdwang toepassen?



7.1.
Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Dit staat in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de vraag of het college spoedeisende bestuursdwang mocht toepassen dient beoordeeld te worden of het college, gelet op de ten tijde van de oplegging van de last onder bestuursdwang aanwezige kennis en ter beschikking staande gegevens, ervan mocht uitgaan dat zich een overtreding voordeed en of het daarbij tot de conclusie kon komen dat een zodanige situatie zich voordeed dat spoedeisende bestuursdwang was vereist om deze situatie te beëindigen.



7.2.
De rechtbank oordeelt dat het college spoedeisende bestuursdwang heeft kunnen toepassen en dat het bestreden besluit op dit onderdeel voldoende is gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe dat er sinds maart 2024 meerdere meldingen zijn gedaan van overlast. Eiseressen waren daarover al in contact met onder andere de verhuurder van de woning, woningcorporatie Kleurrijk Wonen en de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn om tot een oplossing voor de ontstane situatie te komen. De meldingen van overlast zijn pas op 7 mei 2024 bekend geworden bij het college. Op dat moment had het college nog geen volledig beeld van de situatie. Dat al langer sprake was van een overtreding staat niet in de weg aan de toepassing van spoedeisende bestuursdwang door een bestuursorgaan. Bepalend bij de beoordeling van de vraag of spoedeisende bestuursdwang mocht worden toegepast is namelijk het moment waarop het bestuursorgaan op de hoogte raakte van het bestaan van de spoedeisende situatie. In de voorliggende procedure zijn meerdere controles uitgevoerd door de toezichthouders van het college op 3 juli 2024, 17 juli 2024 en 23 juli 2024. Pas bij de controle van 23 juli 2024 hebben de toezichthouders toegang gekregen tot de woning en is de volle omvang van de situatie in de woning vastgesteld. Daarbij is geconstateerd dat de woning van eiseressen onleefbaar was geworden omdat de woning zwaar vervuild is geraakt als gevolg van het houden van de honden. Daarmee was niet alleen sprake van gevaar voor de gezondheid van eiseressen, maar ook voor hun honden en omwonenden. Gelet op wat de toezichthouders hebben aangetroffen heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de aangetroffen situatie op 23 juli 2024 zodanig onhoudbaar was dat een acute sluiting en ontruiming van de woning nodig was zonder daarbij aan eiseressen een begunstigingstermijn te geven. Het college heeft daarbij terecht het welzijn van de honden en het welzijn van eiseressen in aanmerking genomen. Onder verwijzing naar het controlerapport heeft het college terecht aan de spoedeisende bestuursdwang ten grondslag gelegd dat alle honden zich in de woonkamer bevonden, de honden vrijwel niet buiten kwamen en hun behoefte in het huis deden. Voor de woning was er, zo blijkt ook uit het rapport, een sterke hondengeur te ruiken en in de woning rook het naar urine. Er was sprake van stank- en geluidsoverlast. In de woonkamer stonden meerdere benches en hekken en in sommige benches lagen nestjes met puppy's. Er was sprake van schimmelvorming en vochtplekken en de keukenkasten waren aangevreten. Daarnaast blaften de honden ongecontroleerd. Het college heeft vervolgens zes dagen later, op 29 juli 2024, bestuursdwang toegepast. Gelet op de aard van het gevaar (ingrijpen kon enkele dagen worden uitgesteld) en de tijd die aangenomen mag worden nodig te zijn voor het voorbereiden van de bestuursdwang (gelet op het grote aantal honden mag worden aangenomen dat ingrijpen enige voorbereidingstijd kost), is de rechtbank van oordeel dat de tijd die nodig was om bestuursdwang voor te bereiden, niet maakt dat het college geen spoedeisende bestuursdwang mocht toepassen en eiseressen een begunstigingstermijn had moeten worden gegund.


Was sprake van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?



7.3.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. De rechtbank wil wel aannemen dat eiseressen alles voor hun honden wilden doen, maar uit het dossier blijkt dat eiseressen niet (goed) in staat zijn gebleken om voor dit grote aantal honden te zorgen. Dat eiseressen al in overleg waren met een aantal instanties over het aanpakken van de ontstane situatie en zij tot 18 september 2024 de tijd hadden gekregen van Kleurrijk wonen om zelf verbeteringen aan te brengen en de situatie zelf te beëindigen maakt niet dat het college geen last onder bestuursdwang heeft kunnen toepassen. Dat is geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien. Het college heeft daartoe een zelfstandige bevoegdheid. Daarnaast is het college ook niet gebleken van zicht op een oplossing ter plaatse dan wel een andere plaats waar de honden wel op een legale manier ondergebracht zouden kunnen worden.


Toegang tot de woning



7.4.
Voor zover eiseressen aanvoeren dat het niet juist is dat zij op 3 juli 2024 de toezichthouder geen toegang hebben gegeven tot de woning maakt dit het voorgaande niet anders. Uit het door de toezichthouder opgemaakte controlerapport blijkt dat eiseressen liever niet wilden dat de toezichthouder de woning binnen ging en er daarom alleen met de bewoner aan de voordeur is gesproken. Ongeacht de reden van het niet binnentreden brengt dit mee dat de toezichthouder dus op dat moment nog niet zelf de situatie ter plekke heeft kunnen waarnemen en daarmee niet van de ernst van de situatie op de hoogte is geweest.


Controlerapport van 30 juli 2024



7.5.
Voor zover eiseressen aanvoeren dat het controlerapport van 30 juli 2024, dat is opgemaakt naar aanleiding van het uitvoeren van de bestuursdwang op 29 juli 2024, niet in de beslissing op bezwaar meegenomen kon worden omdat dit rapport is opgemaakt na de oplegging van de last onder bestuursdwang volgt de rechtbank dit niet. Het is juist dat dit rapport niet ten grondslag lag aan de last onder bestuursdwang. Het rapport kon echter wel worden meegenomen in de beslissing op bezwaar omdat dat besluit een algehele heroverweging inhoudt op grond van artikel 7:11 van de Awb. Uit het controlerapport van 30 juli 2024 blijkt dat de situatie nog ernstiger was dan op grond van het controlerapport van 25 juli 2024 was aangenomen. Uit dat controlerapport blijkt dat er 125 levende honden in de woning aanwezig waren. En daarnaast 1 hond die dezelfde dag is overleden. Verder lagen er 30 overleden honden/pups in de vriezer en lag er een vooralsnog onbekend aantal overleden honden begraven in de tuin van [locatie] . Het controlerapport van 30 juli 2024 bevestigt achteraf dan ook de noodzaak voor direct handhavend optreden.


Advies van de commissie bezwaarschriften



7.6.
Voor zover eiseressen opkomen tegen het advies van de commissie bezwaarschriften overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft het advies van de commissie bezwaarschriften aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegd en heeft dat naar het oordeel ook kunnen doen. Het college stelt terecht dat het advies van de commissie bezwaarschriften aansluit bij de bevindingen uit de controlerapporten van de toezichthouders. Eiseressen voeren aan dat zij hebben weersproken dat zij de toezichthouder op 3 juli 2024 de toegang tot de woning hebben geweigerd, maar in het rapport van de toezichthouder staat onder meer en voor zover hier van belang:

“Zij wilde liever niet dat ik de woning binnen ging i.v.m. de honden. Daardoor gesproken met de bewoner aan de voordeur.”


Eiseressen voeren ook aan dat ten onrechte is opgenomen dat op 23 juli 2024 zou zijn gebleken dat de honden niet op een correcte diervriendelijke wijze werden verzorgd en dat de woning op 23 juli 2024 ernstig was vervuild. In het rapport van de toezichthouder staat echter dat alle honden (toen geschat: zo’n 70) in de woonkamer waren en dat de honden niet boven of buiten komen. De uitwerpselen van de honden werden direct verwijderd en daarmee waren eiseressen de hele dag bezig. Naast de constatering dat de vloer van de woonkamer er, voor het aantal honden dat er werd gehouden, redelijk bijgehouden/ schoon uitzag, staat ook in het rapport dat in de keuken schimmelvorming en vochtplekken werd waargenomen (“keukenkasten aangevreten - rot weg”) en dat binnen de geur van hondenurine werd geroken. De passages waar eiseressen naar verwijzen zijn naar het oordeel van de rechtbank dus niet onzorgvuldig. Dat de situatie in het verweerschrift van het college in de bezwaarfase op deze punten (deels) in gelijke bewoordingen wordt beschreven maakt op zichzelf niet dat daarmee sprake is van een onzorgvuldig of eenzijdig voorbereid advies. Dat de commissie bezwaarschriften niet uitdrukkelijk ingaat op de bezwaren van eiseressen maakt het voorgaande ook niet anders. Uit de opsomming van de bezwaargronden in het advies blijkt dat de commissie bezwaarschriften de bezwaren van eiseressen tegen de feitenweergave door het college heeft gezien en meegewogen. Hoewel het beter zou zijn geweest als de commissie daar in het advies vervolgens ook uitdrukkelijk op zou zijn ingegaan, maakt dat het advies gelet op het voorgaande niet onzorgvuldig. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen sluit het advies van de commissie bezwaarschriften aan bij de controlerapporten van de toezichthouders en hebben de bezwaren dus niet tot een andere conclusie hoeven leiden.


Oordeel voorzieningenrechter



7.7.
Voor zover eiseressen aanvoeren dat het college in de beslissing op bezwaar niet heeft kunnen verwijzen naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 9 augustus 2024 volgt de rechtbank dat niet. Het college heeft de overwegingen van de voorzieningenrechter kunnen gebruiken bij haar afweging in de beslissing op bezwaar en die tot de hare kunnen maken.


Niet ruimtelijke omstandigheden meegewogen



7.8.
Voor zover eiseressen aanvoeren dat het college in de beslissing op bezwaar het toepassen van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigt met overwegingen die niet ruimtelijk van aard zijn, maar die zien op aspecten als dierenwelzijn en de vermeend ongezonde situatie in de woning, en niet met name in bezwaren van ruimtelijke aard overweegt de rechtbank als volgt. In de eerste plaats is sprake van een overtreding van de planvoorschriften door zoveel honden te houden dat dit als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt hetgeen ter plaatse niet is toegestaan. Dit dient in de hoofdzaak juist een ruimtelijk belang (namelijk: een woning gebruiken zoals die bestemd is). Daarnaast heeft het college de aanwezige omstandigheden kunnen meenemen in de belangenafweging of gehandhaafd wordt of niet. Daarbij heeft het college het welzijn van de bewoners, omwonenden en de dieren kunnen meewegen. Artikel 3:4, eerste lid, van de Awb bepaalt immers dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt.

8. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep voor zover dat ziet op de toepassing van spoedeisende bestuursdwang niet.




Het kostenverhaal

9. Eiseressen voeren aan dat de door het college opgevoerde kosten in het kostenverhaalsbesluit hoger zijn dan redelijk is. Het hele verhaal van 'extra kosten' miskent volgens eiseressen dat er door de dierenbescherming kennelijk vooraf een vaste prijs is opgegeven, waarin kennelijk alle kosten waren begrepen. Daarbij past dus niet een motivering van kosten die is gebaseerd op na 29 juli 2024 gebleken omstandigheden. Volgens eiseressen is het gehanteerde uurtarief ontoereikend gemotiveerd. Volgens eiseressen wordt in vergelijkbare gevallen veelal een veel lager uurtarief gehanteerd. Eiseressen voeren aan dat de opvang van een kleine hond bij de dierenbescherming € 17 per dag zou kosten, terwijl is gerekend met € 25 per hond. Volgens eiseressen was het college gehouden om de bestuursdwang zodanig vorm te geven dat dit voor eiseressen op de minst bezwarende manier gebeurde.


9.1.
In het besluit van 20 november 2024 heeft het college de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld op € 52.243,76. In het besluit van 20 november 2024 staat:
Wij hebben de onderstaande kosten gemaakt om de overtreding te stoppen. U moet deze kosten betalen.







Kosten dierenambulance


€ 6.746,05




Verblijfskosten Dierenbescherming


€ 42.500




Huur twee schatketens


€ 129,47




Uren bestuursdwang uitvoeren medewerkers ODR (8 uur twee toezichthouders, 12,5 uur medewerker)


€ 2.868,24





U moet dus € 52.243,76 betalen.



9.2.
Ten aanzien van het kostenverhaal overweegt de rechtbank dat uit artikel 5:25, eerste lid, van de Awb volgt dat bestuursdwang en het verhaal van de kosten ervan in de regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding zijn indien betrokkene van de ontstane situatie geen verwijt te maken valt en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat de kosten in redelijkheid niet (geheel) op betrokkene verhaald kunnen worden. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn om de kosten niet (geheel) te verhalen.



9.3.
In de voorliggende procedure is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de kosten van bestuursdwang niet (geheel) voor rekening van eiseressen zouden moeten komen.



9.4.
De rechtbank oordeelt dat de hoogte van de door het college teruggevorderde kosten niet onredelijk is. De gemachtigde van het college heeft wat betreft de hoogte van de door de Dierenbescherming aangegeven kosten tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat gerekend is met een bedrag van € 25 euro per hond. Er is daarbij uitgegaan van een kleine hond. De kosten bestaan uit de verblijfskosten voor 14 dagen. Het bedrag is weliswaar hoger dan het op de website van de Dierenbescherming genoemde bedrag van € 17 voor de opvang van een kleine hond, maar voor deze situatie (die afwijkt van de situatie waarvoor het bedrag van € 17 geldt) waren de kosten ook hoger begroot. De hoge kosten hebben te maken met de opvang van ongeveer 120 honden. Er zijn kosten gemaakt voor medische keuring, noodzakelijke medische behandelingen, chips en paspoorten en eten en drinken. Gedurende de opvangperiode is een aantal hoogdrachtige teefjes bevallen, wat extra kosten heeft opgeleverd. Op de dag van de uitvoering van de bestuursdwang was het 35 °C, waardoor er minder honden per auto vervoerd mochten worden. Hierdoor moest er vaker met de dieren gereden worden. Verder is bij het controleren van de dieren door de dierenarts gebleken dat veel dieren gezondheidsproblemen hadden, die tot extra zorgkosten hebben geleid. Ook moesten alle dieren op basis van het Besluit houders van dieren geïdentificeerd worden en een identificatiedocument krijgen. Dit betekent dat elke hond een chip moest krijgen en geregistreerd diende te worden. Zonder identificatie is opvang niet mogelijk en kon niet aan de uitvoering van de last worden voldaan. Omdat de oorspronkelijke factuur was gebaseerd op de aanwezigheid van veel minder honden bleken de kosten achteraf veel hoger te zijn dan begroot. Nu het college in het besluit kostenverhaal is uitgegaan van de vooraf ingediende factuur zijn niet de volledige kosten op eiseressen verhaald. Voor zover eiseressen voor het gehanteerde tarief hebben verwezen naar een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit de periode van 2012 tot en met 2017 waarin is gerekend met lagere tarieven maakt dat het voorgaande niet anders. Tarieven zijn sinds de genoemde uitspraken aan aanpassing onderhevig geweest door bijvoorbeeld inflatie, wijzigende marktomstandigheden en ontwikkelingen in de beroepspraktijk. Deze uitspraken geven daarom geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Voor zover eiseressen tijdens de zitting hebben beoogd te betogen dat het college bij het kostenverhaal rekening had moeten houden met de crowdfundingsactie van de Dierenbescherming voor de opvang van de honden waarbij € 91.000 euro is opgehaald volgt de rechtbank dat zonder nadere toelichting, en die ontbreekt, niet. De gemachtigde van het college heeft weliswaar op de zitting toegelicht dat haar ook bekend is dat een crowdfundingsactie is gestart, maar heeft daarnaast ook aangegeven dat de op eiseressen verhaalde kosten niet de daadwerkelijke kosten dekken.

10. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep voor zover dat ziet op het kostenverhaal niet.





Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op












griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBGEL:2024:5331.


Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:2529.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2830.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1488.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1183, onder 16.1 en 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3552, onder 7.2.
Link naar deze uitspraak