Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3437 
 
Datum uitspraak:01-05-2026
Datum gepubliceerd:15-05-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24_4037
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Beroep tegen de door de korpschef aan eiser opgelegde straf van (primair) onvoorwaardelijk ontslag en (subsidiair) ongeschiktheidsontslag is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat één van de door de korpschef aan eiser verweten plichtsverzuimen niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. De straf van (primair) onvoorwaardelijk ontslag is onevenredig aan de door eiser gepleegde plichtsverzuimen. Ten aanzien van de straf van (subsidiair) ongeschiktheidsontslag is de rechtbank van oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen verbetertraject is aangeboden.
Trefwoorden:aow
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/4037
uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. J. Sajtos),

en

de korpschef van de Nationale Politie, de korpschef
(gemachtigden: mr. A.H. Lenting, G.R.C. Vurink, S. Obbink).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) uit Den Haag, de Staat.


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door de korpschef aan eiser opgelegde straf van (primair) onvoorwaardelijk ontslag en (subsidiair) ontslag wegens ongeschiktheid anders dan door ziels- of lichaamsgebrek (hierna: ongeschiktheidsontslag). Eiser is het niet eens met deze straffen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de korpschef hierover.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser krijgt daarom gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.



1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop

2. Met het besluit van 26 september 2023 heeft de korpschef besloten om primair aan eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en subsidiair de straf van ongeschiktheidsontslag, op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. Met het bestreden besluit van 8 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij dat besluit gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de korpschef deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is sinds 7 augustus 2008 werkzaam bij de politie als “generalist GGP”, hoofdagent. Hij is sinds 21 januari 2022 werkzaam als wijkagent in de binnenstad van [plaats 2] . In januari 2023 is hij bevorderd tot brigadier.


3.1.
Op 25 maart 2023 is op internet een filmpje verschenen Oranjevoetbalsupporters die in een personenbus onderweg zijn naar Parijs voor de wedstrijd Frankrijk-Nederland. Dit filmpje is opgenomen op 24 maart 2023 nabij het hotel van de inzittenden in een buitenwijk van Parijs. De bus reed op een markt tussen de lokale bevolking door. In dit filmpje is door de inzittenden van de bus een aantal uitspraken gedaan met een mogelijk racistisch en/of discriminerend karakter. In deze bus zaten acht personen, waarvan zes politieambtenaren van de eenheid Oost-Nederland, basisteam [plaats 2] . Eiser was één van hen.



3.2.
Uit de informatie die de korpschef over dit filmpje ontvangen heeft, heeft hij opgemaakt dat eiser in dit filmpje te horen zou zijn, althans dat eiser – ten tijde van het filmpje – aanwezig zou zijn geweest in de bus waarin dit filmpje is opgenomen. De korpschef heeft begrepen dat eiser wellicht één van degenen is die zich in het betreffende filmpje uitlaat op een discriminatoire en/of racistische wijze dan wel anderszins dingen zegt die een politieambtenaar dient na te laten. Daarom heeft de korpschef bij brief van 27 maart 2023 eiser meegedeeld dat in zijn opdracht een disciplinair onderzoek (disciplinair onderzoek I) wordt ingesteld, omdat het vermoeden bestaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een vorm van (ernstig) plichtsverzuim. De korpschef stelt eiser buiten functie met ingang van het moment dat de brief aan hem wordt uitgereikt, op grond van artikel 84, tweede lid, van het Barp.



3.3.
Naar aanleiding van het filmpje is een disciplinair onderzoek gestart. De bevindingen van het disciplinair onderzoek zijn vastgelegd in het ‘Rapport disciplinair onderzoek onderzoeksnummer: [onderzoeksnummer 1] VIK Oost-Nederland’ van 20 april 2023. Bij dit onderzoek is onder meer eiser gehoord op 7 april 2023.



3.4.
Bij brief van 21 april (uitgereikt op 24 april) 2023 heeft de korpschef eiser geïnformeerd over het feit dat hij recent vernomen heeft dat eiser mogelijk zwaar geweld heeft gebruikt tegen een in te sluiten verdachte. Deze geweldstoepassing vormde aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek. De korpschef heeft een disciplinair onderzoek (disciplinair onderzoek III) ingesteld naar de mogelijke gedragingen van eiser in de nacht van 4 op 5 februari 2023.



3.5.
In het ‘Rapport disciplinair onderzoek onderzoeksnummer: [onderzoeksnummer 2] ’ van 7 mei 2023 en het ‘Aanvullend rapport disciplinair onderzoek onderzoeksnummer: [onderzoeksnummer 2] ’ van 9 mei 2023 zijn de resultaten vastgelegd van het onderzoek naar plichtsverzuim door eiser in de vorm van (mogelijk) niet proportioneel/subsidiair toepassen van geweld op een geboeide, aangehouden verdachte in de nacht van 3 op 4 februari 2023. Deze verdachte heeft daarbij een gebroken scheen- en kuitbeen (een dubbelzijdige gecompliceerde volledige onderbeenfractuur) opgelopen door het gebruik van een wapenstok door eiser. Ook bij dit onderzoek is eiser gehoord, namelijk op 4 mei 2023. Naar aanleiding van de bevindingen van dit disciplinair onderzoek is door de officier van justitie geconcludeerd dat het gebruik van de wapenstok in de omstandigheden niet geoorloofd was. Gelet op alle omstandigheden acht de officier van justitie het niet opportuun om een strafrechtelijk onderzoek te starten.



3.6.
Naar aanleiding van de bevindingen van de disciplinaire onderzoeken I en III heeft de korpschef eiser, bij brief van 22 mei 2023, meegedeeld te overwegen hem de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen en subsidiair hem ongeschiktheidsontslag te verlenen. Voor de korpschef staat – op grond van het feitencomplex dat is onderzocht tijdens de disciplinaire onderzoeken I en III – vast dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan:


het niet aanspreken van anderen op het doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen, die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich dragen;


het (zelf) doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen, die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich dragen;


het niet rechtmatig, op disproportionele wijze en in strijd met de Ambtsinstructie toepassen van geweld op een - weg te voeren - aangehouden en geboeide verdachte;


het toebrengen van (ernstig) letsel bij - een weg te voeren - aangehouden verdachte.


De korpschef is voornemens deze gedragingen, in onderlinge samenhang, aan te merken als - een vorm van zeer ernstig - plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp. Dat plichtsverzuim is eiser toe te rekenen. Verder heeft hij het voornemen eiser daarvoor de straf op te leggen van onvoorwaardelijk ontslag, op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp. Subsidiair is de korpschef voornemens eiser ongeschiktheidsontslag te verlenen, op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. De korpschef schorst eiser met onmiddellijke ingang in aansluiting op de buitenfunctiestelling, op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b, van het Barp. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze tegen dit voornemen in te dienen.



3.7.
Bij brief van zijn gemachtigde van 26 mei 2023 heeft eiser zijn zienswijze tegen het strafvoornemen naar voren gebracht. Ook heeft er op 8 juni 2023 een ‘verantwoordings- en zienswijzegesprek voorgenomen strafoplegging’ plaatsgevonden. Op 31 augustus 2023 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren (AGFA). Op 4 september 2023 heeft de AGFA een advies uitgebracht aan de korpschef. Dit advies ziet uitsluitend op de uitlatingen van eiser in het filmpje. AGFA concludeert in haar advies dat er vanuit de norm van artikel 10, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017 geen bezwaren aanwezig zijn om eiser een disciplinaire straf op te leggen, vanwege de aan de commissie voorgelegde uitlatingen.



3.8.
Vervolgens heeft de korpschef het besluit van 26 september 2023 genomen. Daarbij heeft hij het advies van de AGFA en de zienswijzen van eiser betrokken. De korpschef handhaaft de voorgenomen straf van onvoorwaardelijk ontslag. De korpschef kan zich vinden in het advies van de AGFA. De zienswijze maakt niet dat hij tot een ander standpunt komt. Ook niet met betrekking tot de subsidiaire ontslaggrond. De korpschef is van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet disproportioneel is en – met betrekking tot de subsidiaire ontslaggrond – dat een functioneringstraject achterwege kan blijven. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is volgens de korpschef evenredig aan de ernst en de omvang van het eiser verweten plichtsverzuim. Daarom legt de korpschef primair aan eiser de straf op van onvoorwaardelijk ontslag op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp. Deze straf wordt onmiddellijk na de bekendmaking van dit besluit ten uitvoer gelegd, op grond van artikel 82 van het Barp. Subsidiair besluit de korpschef eiser ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor het ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp.



3.9.
In bezwaar heeft de Bezwaaradviescommissie HRM (de Commissie) op 11 april 2024 advies over het bezwaar van eiser tegen het besluit van 26 september 2023 uitgebracht aan de korpschef. De Commissie komt tot de conclusie dat de verweten gedraging van het niet aanspreken van anderen op het doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen, die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich dragen, niet kan worden vastgesteld dan wel als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de uitlating “Ah, moet je eens kijken... dat is het toch ook.” (in reactie op de opmerking: “jullie zijn aan het filmen alsof we hier in een dierentuin rijden hè?”), is de Commissie van oordeel dat de verweten gedraging, te weten het (zelf) doen van een ongepaste en grensoverschrijdende uitlating, die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich draagt, niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de uitlating “minder, minder, minder” (in reactie op de vraag “wil je meer of minder") (tweede uitlating), staat het plichtsverzuim volgens de Commissie vast, omdat eiser dit erkent. Voor zover eiser ondanks zijn erkenning van dit plichtsverzuim zich erop wil beroepen dat hij ook voor deze tweede uitlating (enige) bescherming geniet van het recht op vrije meningsuiting, wijst de Commissie dit af. Ook staat het verweten plichtsverzuim, te weten het niet rechtmatig, op disproportionele wijze en in strijd met de Ambtsinstructie toepassen van geweld op een - weg te voeren - aangehouden en geboeide verdachte, vast, omdat eiser dat ook niet betwist. De Commissie ziet, anders dan de korpschef, geen reden om het toebrengen van (ernstig) letsel bij - een weg te voeren - aangehouden verdachte als zelfstandig plichtsverzuim aan te merken. De Commissie concludeert dat beide plichtsverzuimen eiser kunnen worden toegerekend. Op grond van de twee gevallen van plichtsverzuim en de daarvoor genoemde relativerende omstandigheden acht de Commissie de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan het plichtsverzuim. Naar haar oordeel zou ten hoogste de straf van voorwaardelijk ontslag evenredig kunnen zijn. Voor wat betreft het ongeschiktheidsontslag, concludeert de Commissie dat de twee resterende verweten gedragingen niet van dien aard zijn dat deze als onderbouwing kunnen dienen voor de stelling dat eiser – die klaarblijkelijk vijftien jaar lang goed gefunctioneerd heeft en nog in 2022 een voorwaardelijke plaatsing in de hogere functie van senior GGP met het werkterrein wijkagent heeft gekregen - de eigenschappen, mentaliteit en/of instelling mist die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie vereist zijn. Voorts heeft eiser ten aanzien van beide gedragingen vrijwel direct inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelen en heeft hij meermaals aangegeven hiervan te willen leren. Ook is niet gebleken dat eiser in zijn werk daadwerkelijk zou discrimineren dan wel onderscheid zou maken en is ook niet gebleken dat hij vaker is aangesproken op geweldsgebruik. De Commissie heeft dan ook geenszins kunnen concluderen dat het eiser zou ontbreken aan de juiste grondhouding. Gelet hierop kan niet gesteld worden dat een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Ook is de Commissie van oordeel dat het feit dat eiser is aangesproken op zijn handelen jegens een vrouwelijke collega niet kan dienen ter onderbouwing van de stelling dat hij eerder op zijn houding en gedrag (zoals hem dat verweten wordt) zou zijn aangesproken.
De Commissie adviseert de korpschef daarom om het bezwaar van eiser gegrond te verklaren en het besluit van 26 september 2023 te herroepen en een nieuw besluit te nemen.



3.10.
Vervolgens is de korpschef overgegaan tot afgifte van het bestreden besluit van 8 mei 2024, waarin hij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 26 september 2023 ongegrond verklaart.

4. Eiser is het niet met het bestreden besluit eens en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. De korpschef heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. Hieronder zal de rechtbank, voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen met betrekking tot de aan haar voorliggende rechtsvragen.


Wat vindt de rechtbank?



De omvang van het geschil

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitlating “minder, minder, minder” (in reactie op de vraag “wil je meer of minder”) die eiser in het busje heeft gedaan, moet worden aangemerkt als plichtsverzuim. Ook is niet geschil dat het niet rechtmatig, op disproportionele wijze en in strijd met de Ambtsinstructie, door eiser toepassen van geweld (door middel van een wapenstok) op een weg te voeren, aangehouden en geboeide verdachte, aangemerkt moet worden als plichtsverzuim.



5.1.
Tussen partijen is wel in geschil of de uitlating van eiser in het busje “Ah, moet je eens kijken... dat is het toch ook.” (in reactie op de opmerking van zijn collega [naam collega] : “jullie zijn aan het filmen alsof we hier in een dierentuin rijden hè?”), als plichtsverzuim moet worden aangemerkt. De rechtbank beoordeelt dit in rechtsoverweging 6.



5.2.
Ook bestaat er tussen partijen geen overeenstemming over de vraag of het niet aanspreken van anderen op het doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen, die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich dragen, moet worden aangemerkt als plichtsverzuim. Dit beoordeelt de rechtbank in rechtsoverweging 7.



5.3.
Daarnaast is in geschil de vraag of het toebrengen van (ernstig) letsel bij - een weg te voeren - aangehouden verdachte als zelfstandig plichtsverzuim is aan te merken. Hierover gaat rechtsoverweging 8.


5.4.
Tot slot verschillen partijen van mening over de vraag of de (primair) opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim (rechtsoverweging 10) en of de korpschef eiser (subsidiair) op goede gronden ongeschiktheidsontslag heeft verleend. Deze onderwerpen worden besproken in de rechtsoverwegingen 10 en 11.


Moet de ‘dierentuin-opmerking’

van eiser worden aangemerkt als plichtsverzuim?

6. Hiertoe stelt de korpschef zich in het bestreden besluit en in zijn verweerschrift van 5 februari 2026 op het volgende standpunt. De ‘dierentuin-opmerking’ van eiser vat de korpschef op als discriminerend en racistisch. Eisers uitleg, dat hij deze opmerking niet zo bedoelde, baat hem niet. Daargelaten of eiser daadwerkelijk angstig was, rechtvaardigt deze angst in geen geval de door eiser, en de andere inzittenden van het busje, gedane uitingen met racistische en discriminatoire kenmerken. Dat het een besloten privéaangelegenheid betrof, maakt dit niet anders. Evenmin maakt de setting van een besloten privéaangelegenheid dat de korpschef niet zou mogen optreden tegen eiser, temeer nu die – voor zover relevant – van een besloten karakter is ontdaan, omdat het filmpje openbaar is geworden. Eiser blijft eraan voorbijgaan dat het tegelijk veelzeggend is dat hij zijn “angst” niet uitspreekt, maar ( terwijl het overduidelijk is dat het marktpubliek een migratieachtergrond heeft) zich uitlaat op een racistische en anderszins ronduit minachtende wijze en daarbij de omstanders – als vooroordeel – associeert met criminaliteit. Eiser neemt in de conversatie een prominente rol in, zowel met zijn woorden als met zijn lachen, waarmee hij – grievende – uitlatingen van anderen bevestigt. Eiser remt dus niet af, maar wakkert (flink) aan. Dat eiser zijn ‘dierentuin-opmerking’ niet racistisch bedoelde, maakt niet dat die wel als zodanig kan (en mag) worden gekwalificeerd door de korpschef. Het is de constellatie van opmerkingen in de conversatie en het daarbij lachen om andermans uitlatingen, oftewel de interactie in het busje, die de context maakt, waarin (ook) de ‘dierentuin-opmerking’ van eiser moet worden geplaatst. Eiser erkent dat zijn opmerking “minder, minder” wel racistisch en discriminerend is, hoewel hij niet die bedoeling had. Eiser is dan ook moeilijk te volgen. En hiermee is ook niet te rijmen dat díe uitlating wel racistisch en discriminerend is, maar zijn ‘dierentuin-opmerking’ niet. Temeer gezien de daaraan voorafgaande aaneenschakeling van opmerkingen die racistisch en discriminatoir van aard zijn. Voor de korpschef is het onbegrijpelijk dat eiser stelt dat niet objectief is vast te stellen of de uitlating van eiser een racistisch karakter had en daarmee tot doel had anderen te krenken. Ook als eiser niet dit doel heeft, laat het onverlet dat zijn ‘dierentuin- opmerking’ wel degelijk als grievend en racistisch en discriminerend wordt en is opgevat. Verder vindt de korpschef in het advies van de AGFA steun en bevestiging dat hij niet vanuit een “eigen, subjectief ingekleurd beeld” de ‘dierentuin-opmerking’ als plichtsverzuim heeft gekwalificeerd. Eiser vergeet de impact die ook zijn woorden hebben gehad op onder meer zijn voormalige collega’s en de onrust die ook zijn opmerkingen teweeg hebben gebracht. Eiser heeft hiermee gedaan wat een goed politieambtenaar in gelijke omstandigheden had behoren na te laten te doen. Dit maakt dat de korpschef de 'dierentuin-opmerking’ als plichtsverzuim aanmerkt. De ‘dierentuin-opmerking’ geniet geen bescherming van het in artikel 10, tweede lid, van het EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting.



6.1.
Eiser voert hierover – samengevat – het volgende aan. Hij voelde angst toen het busje over de markt reed. Door een van de inzittenden is zonder toestemming van eiser, dan wel van de anderen in het busje, een filmfragment op sociale media geplaatst. Toen zij ermee bekend zijn geraakt, is alles in het werk gesteld om het fragment offline te krijgen. Van belang is dat eiser in het filmfragment niet herkenbaar in beeld was en het niet bekend was dat hij politieambtenaar was. Eiser en andere betrokken politieambtenaren hebben, nadat zij bekend raakten met het feit dat het filmfragment op internet stond, direct contact gezocht met de teamleiding van Basisteam [plaats 2] . Eiser heeft direct en consistent aangegeven dat hij ontzettend veel spijt heeft van hetgeen in het filmfragment is te horen. Hij heeft nimmer de intentie gehad om iemand te kwetsen. Ten aanzien van de ‘dierentuin-opmerking’ is eiser van mening dat deze uitspraak geen plichtsverzuim oplevert. Eiser blijft herhalen dat hij de suggestie verre van zich werpt, dat hij de bevolking op de markt als dieren (in een dierentuin) heeft omschreven of daarop heeft gedoeld. Voor eiser was hetgeen hij zag een surrealistisch beeld. De beschrijving die de ander gaf met de term dierentuin, interpreteerde eiser in de zin van een bezienswaardigheid en een attractie. Dat is de context waarin hij zijn uitspraak heeft gedaan. De korpschef blijft de uitspraak van eiser invullen en interpreteren, zonder rekening te houden met hetgeen eiser hiermee heeft bedoeld. Eiser sluit zich aan bij het oordeel van de Commissie dat de verweten gedraging niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Eiser wijst er op dat de korpschef met een bepaalde blik, een subjectief ingekleurd beeld, naar deze uitspraak kijkt. Vanuit die blik wordt eiser het verwijt gemaakt en wordt een link gelegd met (institutioneel) racisme en ‘de Blauwe Familie’. Feit blijft dat naar het oordeel van eiser en van de Commissie niet objectief kan worden vastgesteld dat de uitlating van eiser een racistisch karakter had en daarmee tot doel had om anderen te krenken.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de korpschef wel degelijk de uitlatingen had moeten toetsen aan artikel 10 van het EVRM en artikel 10, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017. Eiser verwijst in dit verband naar het overzicht van de jurisprudentie over dit onderwerp dat door de procureur-generaal bij de Hoge Raad is opgesteld en naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De straf van onvoorwaardelijk ontslag, is (mede) ingegeven door de meningsuitingen van eiser te sanctioneren. Daarmee is sprake van een causaal verband tussen een meningsuiting en een sanctie, waardoor de sanctie is te kwalificeren als een 'inmenging' in de zin van artikel 10 van het EVRM. Nu de sanctie hoofdzakelijk het gevolg is van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting moet worden nagegaan of de inmenging toelaatbaar is onder artikel 10, tweede lid, van het EVRM.
Volgens het EHRM moeten bij de belangenafweging die een rechter moet uitvoeren in het kader van uitingen van een werknemer die gevolgd zijn door een sanctie zijdens de werkgever in ieder geval de volgende omstandigheden worden afgewogen: de aard van de meningsuiting; de motieven van de werknemer voor de uiting; de schade die de werkgever door de uiting van de werknemer heeft geleden en de zwaarte van de door de werkgever opgelegde sanctie.
Het onvoorwaardelijke ontslag dat aan eiser is opgelegd is de zwaarst mogelijke straf en daarmee inmenging. Bij het bepalen van de hoogte van de straf spelen de uitlatingen van eiser een grote rol. Gelet op de aard van de meningsuiting, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, de motieven die eiser had, de aard en omvang van de schade en de wijze waarop deze is ontstaan stelt eiser zich op het standpunt dat de sanctie die de korpschef heeft opgelegd een te zware sanctie is. Om die reden moet, voor zover het opportuun is om eiser te bestraffen, rekening worden gehouden met bovenstaande criteria,
waardoor een eventuele sanctie naar het oordeel van eiser lager moet uitvallen.



6.2.
Eiser heeft diverse malen, zowel in bezwaar als in zijn beroepsgronden en tijdens de zitting, benadrukt dat de gewraakte uitlatingen zijn gedaan tijdens een besloten privésetting en niet tijdens de uitoefening van de functie van politieambtenaar. Het was niet de bedoeling dat van en in deze setting filmopnames gemaakt zouden worden en eiser was zich er ook niet van bewust dat er tijdens deze setting gefilmd werd en dat deze opnames op sociale media gezet zouden worden. Voor zover eiser zich daarmee op het standpunt stelt dat, nu de bewuste uitlatingen zijn gedaan in een besloten privésetting, deze uitlatingen niet kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim, overweegt de rechtbank als volgt. Met de korpschef is de rechtbank van oordeel dat de door de politieambtenaren afgelegde beroepseed en de aan dit ambt verbonden beroepscode niet alleen gelden tijdens de uitoefening van de functie, dus op de werkvloer. Ook in een al dan niet besloten privésituatie moet de politieambtenaar zich bewust zijn van deze afgelegde beroepseed en de geldende beroepscode. Eiser had zich dan ook in het busje onderweg naar Parijs bewust moeten zijn van deze eed en code en zich daarnaar moeten gedragen. Dat betekent dat het, voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van plichtsverzuim, niet relevant is of het vermeend gepleegde plichtsverzuim heeft plaatsgevonden in een ‘privésetting’ (in dit geval het busje) of tijdens de uitoefening van zijn functie.



6.3.
De rechtbank zal ten aanzien van de ‘dierentuin-opmerking’ eerst beoordelen of het een opmerking is die discriminatoir of racistisch van aard is en daardoor moet worden aangemerkt als plichtsverzuim.


6.3.1.
Tijdens de zitting is vast komen te staan dat het een gebruikelijke opmerking van [naam collega] is om een rommelige situatie, zowel privé als zakelijk, te omschrijven als een ‘dierentuin’. Binnen de politie-eenheid waarin eiser werkzaam was, is dat algemeen bekend zoals de korpschef tijdens de zitting heeft bevestigd. Verondersteld kan dan ook worden dat eiser bekend was met deze gebruikelijke opmerking/typering van [naam collega] . Uit het dossier volgt, en op de zitting is gebleken, dat [naam collega] niet bestraft is door de korpschef voor het doen van zijn, ogenschijnlijk discriminerende, opmerking “jullie zijn aan het filmen alsof we hier in een dierentuin rijden hè?”. Zíjn opmerking is door de korpschef niet aangemerkt als racistisch of discriminerend van aard. Juist omdat het voor [naam collega] een algemeen gebruikelijke uitdrukking was waarmee hij een rommelige situatie omschreef. De rechtbank acht de verklaring van eiser, die er op neer komt dat zijn reactie op de opmerking van [naam collega] ook bedoeld was als een reactie in de lijn met het spraakgebruik van [naam collega] , aannemelijk. Dus refererend aan de toestand op de markt als zijnde een rommelige situatie. Eiser heeft de opmerking van [naam collega] in die context mogen begrijpen en de rechtbank beoordeelt de reactie van eiser dan ook in die context. Het is de rechtbank niet gebleken van objectieve aanknopingspunten dat eiser met zijn reactie een andere, racistische of discriminerende, bedoeling had. Daarvoor is onvoldoende dat eiser voorafgaand aan zijn ‘dierentuin-opmerking’ de ‘minder minder-opmerking’ – die wel als racistisch en/of discriminerend kan worden beschouwd en daarom (wel) is aangemerkt als plichtsverzuim – heeft gemaakt. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat in dit verband niet van belang is hoe de dierentuinopmerking kan zijn overgekomen op derden die kennis hebben genomen van het filmpje en die [naam collega] en diens gebruik van het woord ‘dierentuin’ niet kennen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de ‘dierentuin-opmerking’ die eiser heeft gemaakt niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. De rechtbank komt daardoor niet toe aan de vraag of deze opmerking de bescherming geniet van artikel 10 van het EVRM.


Moet het niet aanspreken van anderen op het doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen, die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich dragen, worden aangemerkt als plichtsverzuim?

7. Ten aanzien van het niet aanspreken van anderen die grensoverschrijdende uitlatingen doen met een racistisch kenmerk stelt de korpschef in het bestreden besluit en in het verweerschrift dat hij van oordeel is, dat ook het door eiser in een privésetting niet aanspreken van anderen, als zij racistische en discriminatoire opmerkingen maken, als plichtsverzuim kan worden beschouwd. Eiser weet en wist heel goed welke uitspraken grensoverschrijdend waren, waardoor er van hem actie werd verwacht. Dat eiser hier niet bij stilstond of “er niet zo mee bezig” was, komt voor zijn eigen rekening. Gelet op de levendige deelname – zowel actief als reactief – van eiser aan het gesprek, is het niet aannemelijk dat hij niet heeft gehoord dat anderen grensoverschrijdende uitlatingen deden met een racistisch en discriminatoir kenmerk en hen daar niet op heeft kunnen aanspreken. Uit zijn antwoorden op tijdens het disciplinaire onderzoek gestelde vragen is genoegzaam op te maken dat eiser zichzelf ook prima een beeld kon vormen van tegen welke uitlatingen hij had moeten optreden. De korpschef is daarom van mening dat eiser door dit na te laten zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De korpschef vindt niet dat hij eiser precies had moeten voorhouden bij welke uitingen hij had moeten ingrijpen en dat hij, nu hij dit niet heeft gedaan, eiser niet kan verwijten dat hij heeft verzuimd om anderen aan te spreken. In het verweerschrift van 5 februari 2026 heeft de korpschef nader geconcretiseerd op welke uitlatingen eiser zijn collega’s had moeten aanspreken.




7.1.
Eiser voert hierover het volgende aan. Noch in het bestreden besluit, noch in het primaire besluit heeft de korpschef geconcretiseerd ten aanzien van welke uitlatingen van anderen, hij diegene daarop had moeten aanspreken. Hiermee voldoet de korpschef niet aan de voorwaarden die volgens vaste rechtspraak aan de vaststelling van plichtsverzuim worden gesteld. Door het niet concretiseren van de uitspraken waar eiser iemand op had moeten aanspreken, kan hij zich hier evenmin tegen verweren. De conclusie is dan ook dat wat de korpschef eiser verwijt, niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Het is eiser bekend dat vier collega’s niet gestraft zijn wegens het doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich dragen. Ten overvloede merkt eiser op dat, als de korpschef eventueel door andere gedane uitspraken niet als zodanig kwalificeert, deze uitspraken ook niet ten grondslag kunnen liggen aan het verwijt dat eiser gemaakt wordt, als deze uitspraken wel zouden zijn geconcretiseerd. Ten aanzien van de uitlating "wil je meer of minder?", is het eiser onbekend of de korpschef deze uitlating als een ongepaste en grensoverschrijdende uitlating, die vanzelf een racistisch kenmerk in zich draagt, heeft aangemerkt. Mocht dit niet zo zijn, dan geldt dezelfde redenering als hierboven wordt uitgelegd. Als de korpschef dit wel zo heeft aangemerkt, dan stelt eiser zich op het standpunt dat het niet aanspreken van de betreffende collega, na het doen van zijn uitlating, geen zelfstandig plichtsverzuim oplevert. De reactie van eiser op deze collega heeft de korpschef al als plichtsverzuim aangemerkt en het niet aanspreken op de uitlating ligt daarin besloten. Eiser heeft in een busje met acht personen gezeten en daarin zijn door iedereen opmerkingen gemaakt. Eiser heeft niet alle losse opmerkingen van iedereen gehoord en niet alle opmerkingen als zodanig zijn tot hem doorgedrongen. Dat geldt onder meer voor uitlatingen die door twee collega’s zijn gedaan. Mochten er al uitlatingen door deze twee collega’s zijn gedaan die niet door de beugel zouden kunnen en waarvan verwacht had mogen worden dat eiser hier actie op had ondernomen, dan is wel vereist dat eiser ze heeft gehoord en dat ze ook bewust tot hem zijn gekomen. Ook ten aanzien hiervan noemt de korpschef niet concreet om welke uitspraken het gaat en komt de korpschef met de onderbouwing dat het hem niet aannemelijk lijkt dat eiser de uitspraken niet heeft gehoord. De onderbouwing voor het kwalificeren van plichtsverzuim is onvoldoende.



7.2.
De rechtbank is van oordeel dat door de korpschef geconcretiseerd moet worden op welke uitlatingen eiser de andere aanwezigen in het busje had moeten aanspreken. In het bestreden besluit wordt deze concretisering door de korpschef niet gegeven. Er wordt alleen aangegeven dat uit de verklaring van eiser opgemaakt moet worden dat eiser zelf voldoende in staat is (gebleken) het hiervoor noodzakelijke onderscheid te maken. Eiser weet en wist volgens de korpschef heel goed welke uitspraken grensoverschrijdend waren, waardoor er van hem actie werd verwacht. Dat eiser hier niet bij stilstond of “er niet zo mee bezig” was, komt voor zijn eigen rekening, aldus de korpschef. Nu in het bestreden geen nadere concretisering is gegeven op welke uitlatingen eiser de anderen had moeten aanspreken, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent.



7.3.
In het verweerschrift wordt deze nadere concretisering wel gegeven onder randnummer 113 en 114. De korpschef geeft daarin namelijk aan van mening te zijn dat eiser tenminste [persoon A] successievelijk [persoon B] had moeten aanspreken ten aanzien van hun opmerkingen “er staat daar weer eentje met een bomgordel hier” respectievelijk “je kunt wel een vracht winkeldieven hier op heterdaad betrappen” en “ze zoeken allemaal een goede plek om ons te vermoorden”. Verder stelt de korpschef dat van eiser ook had mogen worden verwacht dat hij anderen had aangesproken bij opmerkingen waarvan hij vindt dat “die niet door de beugel zouden kunnen”. Dit geldt volgens de korpschef net zo goed voor de vraag van [persoon C] “wil je meer of minder?”. De rechtbank begrijpt uit het verweerschrift dat de korpschef eiser concreet verwijt dat hij de anderen niet heeft aangesproken op het maken van die drie opmerkingen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Eiser is in het kader van disciplinair onderzoek I op 7 april 2023 verhoord. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij gehoord heeft dat ‘[persoon A]’([persoon A]) de opmerking “er staat daar weer eentje met een bomgordel hier” heeft gemaakt en dat hij deze super racistisch vindt. Ten aanzien van de opmerking “je kunt wel een vracht winkeldieven hier op heterdaad betrappen” heeft eiser verklaard dat hij gehoord heeft dat [persoon B] deze opmerking gemaakt heeft en dat het niet netjes is om zoiets te zeggen. Ten aanzien van de opmerking “ze zoeken allemaal (de rechtbank begrijpt: alleen) nog een goede plek om ons te vermoorden” heeft eiser verklaard dat hij gehoord heeft dat [persoon B] dat gezegd heeft en dat het niet iets is wat je hoort te zeggen, maar eiser denkt dat [persoon B] dezelfde angst had die hij ook voelde. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat eiser (in ieder geval) deze drie uitlatingen én gehoord heeft én van mening is dat deze niet door de beugel kunnen. Verder acht de rechtbank van belang dat eiser naar aanleiding van de concretisering in het verweerschrift niet betwist heeft dat deze opmerkingen bewoordingen zijn waarop je als politieambtenaar je collega, gelet op artikel 77, tweede lid, van het Barp, moet aanspreken. Daarom zal de rechtbank het gebrek in het bestreden besluit, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), passeren, omdat eiser daardoor niet is benadeeld. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het door eiser niet aanspreken van anderen op het doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen, die van zichzelf een racistisch kenmerk in zich dragen, moet worden aangemerkt als plichtsverzuim.


Moet het toebrengen van (ernstig) letsel bij - een weg te voeren - aangehouden verdachte als zelfstandig plichtsverzuim worden aangemerkt?

8. Hierover stelt de korpschef zich in het bestreden besluit en in zijn verweerschrift op het standpunt dat het inzetten van de wapenstok het gebruikte geweld disproportioneel en onrechtmatig maakt, niet het slaan op het onderbeen. Het toebrengen van letsel door het slaan met de wapenstok vindt de korpschef een gedraging die losstaat van het gebruikte geweld. Dat de korpschef het veroorzaakte letsel als plichtsverzuim aanmerkt, volgt dus niet zozeer uit het disproportionele en onrechtmatige gebruik van de wapenstok, maar uit de wijze waarop eiser dit geweldsmiddel inzette door het (meermaals) - fors - slaan op het onderbeen. Eiser had bij het gebruik van de wapenstok anders moeten handelen door zijn kracht te matigen, niet te slaan op het onderbeen van de verdachte en dit niet had moeten herhalen. Eiser heeft ook hierin de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit fors overschreden. Daarbij heeft eiser, door met kracht te (blijven) slaan op het onderbeen, terwijl hij meer dan bekend was met de kans op het veroorzaken van ernstig en blijvend letsel alsook dat deze kans met elke volgende slag (aldaar) toeneemt, het - meer dan - aanmerkelijke risico aanvaard, dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit maakt ook dat de korpschef het verwezenlijken van dit risico eiser als (apart) plichtsverzuim verwijt. Het spreekt hierbij eveneens voor zich dat het in geen geval de bedoeling is dat eiser zijn frustratie of ongenoegen over de opstelling van de verdachte afreageert op de verdachte. Dat eiser naar voren brengt dat hij de verdachte heeft gewaarschuwd baat hem niet. Eiser weet heel goed dat (en waarom), hoewel het als ‘voorkeur’ wordt uitgeleerd, het de bedoeling is dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat op bijvoorbeeld de voorkant van het onderbeen wordt geslagen. Door dit wel te doen, dus door – op een buitensporige wijze – met kracht (en gericht) meerdere keren op het onderbeen te slaan van de verdachte heeft eiser, nu hem de impact en de mogelijke (fysieke) gevolgen van een slag met de wapenstok bekend waren, het meer dan aannemelijke risico genomen dat de verdachte letsel zou oplopen. Dat dit risico zich vervolgens heeft geopenbaard komt naar het oordeel van de korpschef voor rekening van eiser.



8.1.
Eiser stelt zich hierover op het standpunt dat sprake is van een oorzaak-gevolg-situatie. Het toebrengen van letsel is een direct uitvloeisel van het andere verwijt dat de korpschef eiser maakt, namelijk dat hij niet rechtmatig, op disproportionele wijze en in strijd met de Ambtsinstructie geweld heeft toegepast. Eiser erkent dat hij andere keuzes had moeten maken gedurende de aanhouding van de verdachte. Voordat eiser de wapenstok heeft ingezet, heeft hij verdachte wel meermaals gewaarschuwd dat hij moest meewerken, omdat eiser anders het geweldsmiddel zou inzetten. Tijdens het slaan met de wapenstok heeft eiser, zoals aangeleerd, gericht op de armen en benen. Eiser is zich ervan doordrongen dat hij door op deze wijze geweld te hebben aangewend, niet professioneel heeft gehandeld. Jaarlijks wordt door een politieambtenaar, zeker door de gebiedsgebonden politie, veelvuldig geweld gebruikt. Om die reden is het zeer belangrijk om politieambtenaren bewust te maken wanneer geweld mag worden toegepast en op welke wijze dit vervolgens dient te gebeuren. Het doel hierin is om te leren van gemaakte fouten, dit bespreekbaar te maken en bewustwording te creëren. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de kans moet krijgen om te leren van zijn fout en dat hij om die reden niet de straf van ontslag opgelegd moet krijgen. De Commissie is eveneens volgens eiser terecht van oordeel dat het toebrengen van (ernstig) letsel niet als zelfstandig plichtsverzuim moet worden aangemerkt, omdat het letsel rechtstreeks voortvloeit uit het op onrechtmatige en disproportionele wijze toepassen van geweld.



8.2.
De rechtbank is met de korpschef van oordeel dat het toebrengen van (ernstig) letsel bij - een weg te voeren - aangehouden verdachte als zelfstandig plichtsverzuim moet worden aangemerkt. Hierna zal zij uitleggen waarom zij dat vindt.


8.2.1.
Artikel 7, eerste lid, van de Politiewet 2012 bepaalt dat de ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevoegd is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.
In het zevende lid van dit artikel is bepaald dat de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dient te zijn.



8.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser, zoals hij zelf heeft erkend, de wapenstok in het geheel niet had moeten gebruiken bij het wegvoeren van de aangehouden verdachte. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het gebruik daarvan door eiser in verhouding tot het beoogde doel, het onder controle krijgen van de aangehouden verdachte, niet redelijk en gematigd was, omdat daardoor (mogelijk blijvend) ernstig letsel aan het onderbeen van deze verdachte is ontstaan. Dat toebrengen van dit letsel staat niet in verhouding tot het doel van het onder controle brengen van de verdachte. Nu letsel is ontstaan door de wijze waarop eiser zijn wapenstok heeft gebruikt, kan, naar het oordeel van de rechtbank, in het midden blijven hoe vaak eiser op welke plaatsen op het been van de verdachte heeft geslagen.



8.2.3.
Uit het voorgaande volgt dus dat eiser niet alleen artikel 7, eerste lid van de Politiewet 2012 heeft geschonden door in strijd met de Ambtsinstructie de wapenstok te gebruiken, maar ook in strijd heeft gehandeld met het zevende lid van dat artikel omdat het toebrengen van het letsel niet in verhouding stond tot het doel en evenmin gematigd was. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het toebrengen van (ernstig) letsel bij - een weg te voeren - aangehouden verdachte als zelfstandig plichtsverzuim moet worden aangemerkt.


Tussenconclusie

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van vier afzonderlijke gevallen van plichtsverzuim. Dat betreft:


het doen van de uitlating “minder, minder, minder” (in reactie op de vraag “wil je meer of minder"),


het niet aanspreken van anderen op het doen van ongepaste en grensoverschrijdende uitlatingen, die van zichzelf een discriminatoir of racistisch kenmerk in zich dragen,


het niet rechtmatig, op disproportionele wijze en in strijd met de Ambtsinstructie door eiser toepassen van geweld op een - weg te voeren - aangehouden en geboeide verdachte en


het toebrengen van (ernstig) letsel bij - een weg te voeren - aangehouden verdachte.


De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de hiervoor vastgestelde plichtsverzuimen niet aan eiser kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat de korpschef bevoegd was aan eiser een disciplinaire straf op te leggen. Hierna zal de rechtbank de vraag beantwoorden of deze vier gevallen van plichtsverzuim samen maken dat de primaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag evenredig is.


Is de straf van onvoorwaardelijk strafontslag evenredig aan de gepleegde plichtsverzuimen?

10. De korpschef stelt zich in het bestreden besluit en in het verweerschrift op het standpunt dat de straf van ontslag in verhouding staat tot het samenstel van plichtsverzuimen. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vormen van plichtsverzuim die, in onderlinge samenhang bezien, dermate ernstig zijn dat alleen de straf van onvoorwaardelijk ontslag hierbij past. Het kan niet zo zijn dat een politieambtenaar die zich schuldig heeft gemaakt aan een samenstel van plichtsverzuimen zoals in het onderhavige het geval is, onderdeel blijft van een organisatie die juist het vertrouwen van de samenleving moet genieten ten aanzien van een onkreukbaar en integer karakter. Eiser heeft hierop een zeer ernstige en onherstelbare inbreuk gemaakt. Hier doen de relativerende omstandigheden niet aan af. Evenmin wegen die op tegen de ernst van de door eiser gepleegde plichtsverzuimen. Anders dan de commissie ziet de korpschef dan ook niet in dat deze omstandigheden hier strafverlichtend zouden moeten zijn. Dat eiser spijt heeft betuigd en zijn excuses heeft aangeboden siert hem, maar ook dit neemt de plichtsverzuimen noch de ernst hiervan weg. Evenmin kunnen de spijtbetuiging en excuses ertoe leiden dat eiser toch nog een kans op behoud van zijn aanstelling kan worden geboden. Daarvoor zijn voor de korpschef de misdragingen van eiser te ernstig, raken ze zo intens aan de waarden waarvoor het korps wil staan, staan ze te ver af van wat van een politieambtenaar mag worden verwacht en doen ze (hierdoor) te veel afbreuk aan het politieambt, doordat ze onder meer het vertrouwen in de politie ondermijnen.
Voor het standpunt dat de straf van (onvoorwaardelijk) ontslag in zo’n geval – ook bij een ‘first offender’ – niet onevenredig hoeft te zijn, vindt voor de korpschef steun in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In het bijzonder wijst de korpschef op de uitspraak van de CRvB van 13 november 2014, waarbij een onberispelijke staat van dienst en spijtbetuiging niet tot een lagere straf leidden, maar de CRvB juist – net als bij eiser het geval was – onder meer de leidende positie, en bijgevolg de voorbeeldfunctie (er was bijvoorbeeld ook een aspirant getuige van het handelen van eiser), laat meewegen. Verder wil de korpschef nuanceren dat eiser “uit eigen beweging” zijn teamleiding in kennis heeft gesteld van het filmpje en wat hierin is te zien. Het is juist niet eiser geweest die deze actie heeft verricht, maar [naam collega] . Ook is het niet eiser geweest die het filmpje ‘offline’ heeft gehaald of – samen met “zijn collega’s” – heeft geprobeerd dit te doen. Ook behoeft het nuance dat de dienst waarin eiser zijn wapenstok inzette tegen de weg te voeren verdachte, een “drukke horecadienst” betrof waardoor eiser “onder druk” stond en hij “op meerdere plekken nodig was”. Zoals uit camerabeelden blijkt, was het niet direct noodzakelijk dat eiser collega’s bijstond bij de uitzetting van een aantal bezoekers van ‘De Zaak’. Evenmin komt uit de verklaring van eiser iets naar voren over een “drukke horecadienst” of dat “er niet veel collega’s” waren, hetgeen ook niet geval was aangezien zo nodig ook collega’s van de ‘noodhulp’ konden bijspringen, en ook de gehoorde getuigen bevestigen niet echt wat eiser hierover nu in zijn beroepschrift stelt. Sterker nog, eiser verklaart zelf: “het was niet druk”. Dat eiser gedurende het jegens hem ingestelde onderzoek heeft meegewerkt en hij open is geweest over zijn handelen, maakt niet dat de korpschef de straf van (onvoorwaardelijk) ontslag achterwege moet laten. Ook de reflectie van eiser op zijn gedragingen en zijn spijtbetuigingen, hetgeen op zijn minst van eiser kon worden verwacht, kunnen aan de ernst van zijn misdragingen niet afdoen. Dit temeer nu eiser in een kort tijdsbestek zich tot tweemaal toe dusdanig normoverschrijdend heeft laten gaan en het niet voor het eerst is dat eiser grenzen van anderen niet respecteert en eiser ook vaker – weliswaar onvoldoende gedocumenteerd – door zijn leidinggevende(n) erop is gewezen zijn handelen bij te stellen.




10.1.
Eiser voert aan dat hem een lichtere straf opgelegd moet worden dan onvoorwaardelijk strafontslag. De (politiechef, nu zijnde de) korpschef had al vroegtijdig, namelijk voordat de besluitvorming was afgerond, een optreden in de media. Toen had zij al een oordeel over de inhoud van het filmpje, en zij plaatste het incident in een rij van incidenten en van institutioneel racisme. Daardoor is eiser in de beeldvorming al schuldig bevonden en veroordeeld vóór (de afronding van) het onderzoek. Dit maakt dat eiser al van begin af aan op achterstand stond. Door de stellingname direct vanaf het begin van de politiechef, kon zij gedurende de procedure niet meer terug of afschalen zonder persoonlijke imagoschade voor haarzelf. Gelet op de timing van de politiechef is het blijkbaar belangrijker om in de media een statement te maken dan de procedure goed te doorlopen.
Eiser voert verder over de evenredigheid van de straf aan dat voor wat betreft de ongepaste uitlatingen, het om één uitlating gaat, die gedaan is tijdens een voetbalreis met kennissen. Het ging bovendien om een besloten privéaangelegenheid. Eiser heeft de uitlating gedaan in een voor hem bijzondere setting, waarbij hij zich op dat moment niet veilig en angstig voelde. Vanaf het begin heeft eiser de onjuistheid van zijn uitlating erkend, zijn spijt betuigd en hiervoor excuses aangeboden. Wel heeft hij altijd aangegeven dat hij met zijn uitlating niet de bedoeling heeft gehad om iemand te beledigen of te discrimineren. Van belang is daarnaast dat hij niet eerder is bestraft of gewaarschuwd wegens het doen van uitlatingen met een racistisch of discriminatoir karakter. Eiser doet een beroep op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 augustus 2019. In deze zaak gaat het eveneens om één uitlating, die een racistisch of discriminatoir karakter heeft. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de disciplinaire straf niet evenredig is. In geval van eiser zijn de financiële gevolgen nog veel groter, gelet op het strafontslag dat hem is opgelegd. Ten aanzien van het tweede verwijt dat eiser wordt gemaakt – het niet rechtmatig, op disproportionele wijze en in strijd met de Ambtsinstructie toepassen van geweld op een aangehouden en geboeide verdachte – speelt mee dat eiser hier zijn verantwoordelijkheid neemt. Van belang is verder dat eiser niet eerder is bestraft of gewaarschuwd wegens vergelijkbaar plichtsverzuim. In eerdere uitspraken hebben respectievelijk de rechtbank Haarlem en de CRvB geoordeeld, dat kritisch moet worden gekeken naar de evenredigheid van straffen bij het op disproportionele wijze toepassen van geweld. De omstandigheden die betreffende nacht waren niet makkelijk, omdat het een drukke horecadienst was, er niet veel collega's waren en eiser in zijn rol als coördinator op meerdere plekken tegelijk nodig was. Eiser stond die dienst onder druk en heeft onder die druk bepaalde keuzes gemaakt die hij, zoals aangegeven, betreurt en waar hij spijt van heeft.



10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de straf van onvoorwaardelijk strafontslag evenredig is aan de door eiser gepleegde plichtsverzuimen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij dat vindt.


10.2.1.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat kwalificaties als “ernstig” of “zeer ernstig” niet rechtstreeks bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een opgelegde straf als (on)evenredig aan het daaraan ten grondslag gelegde plichtsverzuim moet worden beschouwd; alleen de feitelijke aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, zijn daarvoor bepalend.



10.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de korpschef terecht wijst op het grote belang van een onkreukbare politieorganisatie. Gelet daarop mogen aan een politieambtenaar hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Dat neemt echter niet weg dat uit het samenspel van gedragingen en omstandigheden kan volgen dat oplegging van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet evenredig is. Dat is hier het geval.



10.2.3.
Allereest is van belang dat de rechtbank in 6.3.1 tot het oordeel is gekomen dat de ‘dierentuin-opmerking’ die eiser in het busje heeft gemaakt, en waar de korpschef zwaar aan tilt, niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Met betrekking tot de resterende gedragingen die wel als plichtsverzuim zijn aan te merken, is van belang dat het weliswaar om vier plichtsverzuimen gaat maar in feite twee incidenten betreft.



10.2.4.
Eiser heeft weliswaar eenmalig in een besloten setting een discriminatoire opmerking gemaakt en niet steeds de juiste keuzes gemaakt (door in strijd met de ambtsinstructie de wapenstok te gebruiken en anderen niet aan te spreken op ongepaste opmerkingen), maar de ernst van deze gedragingen is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat onvoorwaardelijk strafontslag daaraan evenredig is. De rechtbank acht verder van belang de door de Bezwaaradviescommissie HRM genoemde omstandigheden met betrekking tot de evenredigheid onder punt 7.3 van het advies en betrekt deze bij haar oordeel. De rechtbank oordeelt verder dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de korpschef de plichtsverzuimen en de relevante omstandigheden onvoldoende onbevangen heeft beoordeeld. Daartoe is van belang dat de toenmalige politiechef van de eenheid Oost-Nederland, mevrouw [persoon D] (later de korpschef), op 19 juli 2023 – dus nog voordat de AGFA een advies had uitgebracht op 4 september 2023 en voordat het besluit van 26 september 2023 was genomen – in een interview met het Algemeen Dagblad, al heeft aangegeven dat één van de agenten die betrokken was bij het filmpje, strafontslag zou krijgen. Duidelijk is dat het daarbij ging om eiser, omdat hij de enige is die strafontslag heeft gekregen. Doordat de politiechef, voordat de (primaire) besluitvorming in de zaak van eiser was afgerond, al in de media had aangekondigd dat strafontslag zou volgen (daarmee doelend op eiser), was het voor de korpschef, naar het oordeel van de rechtbank, (kennelijk) niet meer mogelijk om eventueel tot een lichtere strafmaat voor eiser te komen. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deze onzorgvuldigheid bij het bepalen van de strafmaat heeft meegespeeld.



10.2.5.
De rechtbank acht verder van belang dat uit het verweerschrift en wat tijdens de zitting door de korpschef is aangegeven, is gebleken dat er bij het bepalen van de strafmaat op de achtergrond andere zaken mee hebben gespeeld die kennelijk hebben bijgedragen aan het besluit, maar niet kenbaar in het bestreden besluit zijn meegenomen. Zo zou eiser in de jaren voor zijn ontslag meerdere keren aangesproken zijn op zijn functioneren, houding en gedrag, teneinde daarin verbetering aan te brengen. Niet alleen ten aanzien van de zaken die door de korpschef als plichtsverzuim zijn aangemerkt. Door de korpschef is verzuimd om de gesprekken waarin eiser is aangesproken op zijn functioneren goed vast te leggen. Hierdoor is het voor de rechtbank niet mogelijk om te beoordelen hoeveel van dergelijke gesprekken er plaats hebben gevonden, wat er tijdens deze gesprekken is besproken en welke afspraken er met eiser zijn gemaakt met betrekking tot het verbeteren van zijn functioneren, houding en gedrag. Dat leidt ertoe dat de rechtbank de zaken die op de achtergrond spelen en door de korpschef (impliciet) zijn betrokken bij het bepalen van de strafmaat niet kan betrekken bij de vraag of de straf van onvoorwaardelijk strafontslag evenredig is aan de door eiser gepleegde plichtsverzuimen.



10.2.6.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig is aan de door eiser gepleegde plichtsverzuimen, ook als deze in onderlinge samenhang worden bezien. Dat betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet berust op een deugdelijke motivering en daarom niet in stand kan blijven.


Heeft de korpschef eiser subsidiair op goede gronden ongeschiktheidsontslag verleend?

11. Ten aanzien van het ongeschiktheidsontslag is en blijft de korpschef in het bestreden besluit en in zijn verweerschrift van oordeel, dat hij het bieden van een verbeterkans achterwege kan laten. Allereerst en bovenal benadrukt de korpschef dat de reden voor het ongeschiktheidsontslag is gelegen in de gedragingen die hij eiser als plichtsverzuim verwijt. Reeds uit die gedragingen blijkt voor hem dat het eiser (toch) aan de juiste mentaliteit en grondhouding ontbreekt voor het politieambt. Het is (alleen al) om die (meervoudige) gedragingen dat eiser geen verbeterkans behoeft te krijgen, aangezien dit volgens de korpschef niet zinvol is. Met zijn handelen heeft eiser voor de korpschef laten zien niet te kunnen functioneren als politieambtenaar. Dat eiser eerder is aangesproken op zijn functioneren als politieambtenaar weegt de korpschef mee. De korpschef volgt de Commissie er overigens niet in dat eiser niet een verbetering heeft kunnen laten zien als gevolg van zijn buitenfunctiestelling. Het gaat immers juist om gedragingen die niet zozeer op de werkvloer plaatsvonden, maar daarbuiten (buiten diensttijd). Een buitenfunctiestelling hoeft dus het laten zien van een verbetering in het geheel niet in de weg te staan. De opeenvolging van voorvallen in samenhang bezien, maakt dat bij de korpschef uiteindelijk niet het vertrouwen bestaat dat een hernieuwde verbeterkans wel succesvol zal zijn. De korpschef verliest hierbij niet uit het oog dat eiser hulp heeft gezocht en heeft aanvaard, maar het doet niet anders worden dat de korpschef het noodzakelijke in eiser te stellen vertrouwen verloren is. Dat het nu om andersoortige gedragingen gaat maakt niet dat geen ongeschiktheidsontslag kan worden verleend. Dat de gedragingen los bezien en van zichzelf van elkaar verschillen, doet er overigens niet aan af dat ze wel verschillende uitingsvormen zijn van het door eiser overschrijden van grenzen van anderen. Wat dat betreft ziet de korpschef een 'rode draad' in het functioneren van eiser. Het is voor het trekken van deze conclusie niet steeds vereist dat de functievervulling inhoudelijk niet naar behoren is. Ook als houding en gedrag een politieambtenaar ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan - zoals nu - van functieongeschiktheid worden gesproken.
Eiser heeft met zijn handelen (en houding) er (vaker) blijk van gegeven het niet zo nauw te nemen met de verplichtingen die voor hem als politieambtenaar gelden. Hierover is eiser aangesproken en hiermee is hem de kans geboden zijn gedrag ten goede bij te stellen. De korpschef heeft daarom niet het vertrouwen dat een hernieuwde verbeterkans wel succesvol zal zijn en eiser wel (duurzaam) blijk geeft van een houding die en het gedrag dat een politieambtenaar past. Het is gebleken dat eiser de beloftes van beterschap niet waar heeft gemaakt. Eiser heeft in 2021 succesvol gesolliciteerd naar de functie van senior GGP/Wijkagent. Naar aanleiding hiervan is eiser met ingang van 29 januari 2022 voorlopig aangesteld in de functie van senior GGP/wijkagent met het perspectief om definitief te worden benoemd in deze functie na afronding van het zogenaamde ‘Overgangstraject N3- Generalisten’. Eiser heeft aan de gestelde voorwaarde voldaan en is daarom begin 2023 bevorderd naar de functie van senior GGP/Wijkagent. Dit is niet het gevolg van een bewust handelen als blijk van goed functioneren, maar van het nakomen van een aan eiser gedane toezegging in 2022. Dit laat onverlet dat eiser hiervoor meermaals is aangesproken op zijn functioneren, houding en gedrag, dus niet alleen met betrekking tot de relatie van eiser met een vrouwelijke collega. De teamleiding zag bij eiser een stijgende lijn in zijn houding en gedrag. Dit vormde voor de teamleiding reden om eiser een kans te gunnen in de functie van senior GGP/Wijkagent, waarbij de hoop bestond dat eiser die stijgende lijn zou voortzetten. Ook als diens houding en gedrag iemand ongeschikt maken, zoals bij eiser het geval is, kan van functieongeschiktheid worden gesproken. Door zijn operationeel leidinggevenden zijn met eiser al veel langer gesprekken gevoerd over onder meer de proportionaliteit van zijn handelen. Ook na zijn bevordering, dus niet lang voor het incident op 4 februari 2023, zijn hierover met eiser (weer) gesprekken gevoerd. Weliswaar heeft eiser in de aanloop naar, en gedurende de periode van zijn voorlopige aanstelling als senior GGP/Wijkagent, verbetering laten zien, maar voor de korpschef is de conclusie gerechtvaardigd dat er geen sprake is van een duurzame verbetering, maar juist van een verval met het ‘dieptepunt’ op 4 februari 2023. Eiser heeft tijdens het stopgesprek van 28 maart 2023 wel zijn visie kunnen geven, maar dat heeft hij niet gedaan. De korpschef heeft verzuimd de gesprekken met eiser over zijn handelen en gedrag goed vast te leggen, maar dit maakt niet dat de gegeven voorbeelden niet kunnen worden meegewogen bij het achterwege laten van een verbeterkans. Dat de verweten gedragingen anders zijn dan in eerdere gevallen doet hieraan niet af.
Ook met de handelingen die nu aan de orde zijn, blijkt de ‘rode draad’ het overschrijden van andermans grenzen. Dat eiser open is geweest over zijn handelen op 4 februari 2023 en zijn uitlatingen in het busje en heeft gereflecteerd op zijn handelen maakt niet dat hieruit ook volgt dat hij in afdoende mate lering heeft getrokken om herhaling te voorkomen. Juist eiser heeft er eerder en vaker blijk van gegeven zijn eigen koers te varen, zijn eigen behoefte/belang voorop te stellen en hierbij geen of onvoldoende rekening te houden met de grenzen van een ander.




11.1.
Eiser voert hiertegen het volgende aan. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet een bestuursorgaan ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn - aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Voorts is een ongeschiktheidsontslag in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is slechts anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.
Het bieden van een verbeterkans kan niet bij voorbaat als zinledig worden beschouwd. Dat maakt dat van de uitzonderingssituatie, om geen verbeterkans te bieden, geen sprake is. Eiser wenst te wijzen op zijn lange staat van dienst van vijftien jaar, waarin hij blijkens zijn functionerings- en beoordelingsverslagen goed functioneert. Dat eiser de uitlating heeft gedaan en de aanhouding op deze wijze heeft uitgevoerd, betreurt hij. Dit maakt echter niet dat hij hier geen lering uit kan trekken. De zaken die juist in het voordeel van eiser spreken, zoals zijn goede staat van dienst en zijn recente bevordering in januari 2023, worden door de korpschef niet genoemd en evenmin meegewogen bij het al dan niet geven van een verbeterkans. De korpschef motiveert niet waarom eiser op het (brede) vlak vaker en meer gebreken heeft laten zien. Geconcludeerd moet worden dat de korpschef geen dossier heeft opgebouwd, over wanneer en op welke wijze eiser in de afgelopen jaren in zijn functioneren is aangesproken. Op 28 maart 2023 is er een gesprek met eiser gevoerd. Hiervan is een verslag opgemaakt op 30 maart 2023. Er heeft geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. In dit gesprek waren de conclusies vanuit de leiding al getrokken, zonder dat in deze privézaak naar de kant van eiser is gevraagd. De korpschef gebruikt dit gespreksverslag wel in het dossier om zijn stelling van ongeschiktheid van eiser te onderbouwen, terwijl eiser zich niet kan vinden in de inhoud van het gespreksverslag en niet de kans heeft gehad om hierop te reageren. Eiser onderschrijft de visie van de Commissie dat niet kan worden gesteld dat een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Eiser verwijst ook naar het oordeel van de Commissie dat door het ontbreken van een dossier, het stopgesprek dat voor eiser uit de lucht kwam vallen, het feit dat dit gesprek gelijktijdig met de buitenfunctiestelling plaatsvond, eiser zijn visie hierop niet heeft kunnen geven en geen verbetering heeft kunnen laten zien, omdat hij buiten functie was gesteld, maakt dat er onvoldoende grondslag voor de korpschef is om het ongeschiktheidsontslag mee te onderbouwen. Eiser heeft op eigen initiatief hulp gezocht bij een psycholoog. Hij heeft acht behandelingen gehad en deze behandelingen zijn succesvol afgerond op 31 januari 2025.



11.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de door eiser gepleegde plichtsverzuimen tot ongeschiktheidsontslag zou kunnen leiden. Tussen partijen is wel in geschil de vraag of eiser een verbetertraject had moeten worden geboden. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hieronder zal zij uitleggen waarom zij dat vindt.


11.2.1.
Door de korpschef is in het verweerschrift en tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat eiser al eerder een verbetertraject is geboden en dat dit traject er niet toe heeft geleid dat het functioneren, de houding en het gedrag van eiser structureel verbeterd is. Zoals de rechtbank al eerder heeft opgemerkt in deze uitspraak, is door de korpschef niet - dan wel onvoldoende - vastgelegd welke gesprekken er met eiser hierover zijn gevoerd en welke afspraken er met hem daarover zijn gemaakt. Ook wordt door de korpschef in de besluitvorming gerefereerd aan de problematiek die er heeft gespeeld rondom zijn relatie met een vrouwelijke collega. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser daarvoor een waarschuwing is gegeven. Dat volgt niet uit het dossier. Verder acht de rechtbank, net als de Commissie, van belang dat eiser zich lerend heeft opgesteld, spijt heeft betuigd van de ontstane commotie en dat hij hulp heeft gezocht bij onder meer een psycholoog om zijn gedrag te verbeteren. Daarom is het de rechtbank niet gebleken dat het bieden van een verbetertraject door de korpschef aan eiser achterwege kan blijven. Dat leidt tot de conclusie dat, gelet op het voorgaande ook het subsidiaire ongeschiktheidsontslag geen standhoudt, omdat het onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit wordt daarom ook ten aanzien van de subsidiaire ontslaggrond vernietigd.


Overschrijding redelijke termijn

12. Eiser heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.




12.1.
Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid voert de Staat geen verweer op het verzoek om schadevergoeding.



12.2.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.



12.3.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de hele procesgang en de aard van het bestreden besluit en het daardoor getroffen belang van betrokkene.



12.4.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen: een half jaar voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan en anderhalf jaar voor de beroepsfase bij de rechtbank. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelduur rechtvaardigen. Er kunnen zich ook bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van de termijnen in verband met het belang dat voor de betrokkene op het spel staat.



12.5.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.



12.6.
Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.



12.7.
De korpschef heeft het bezwaarschrift van eiser ontvangen op 7 november 2023. Vanaf 7 november 2023 tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet zijn bijna twee jaar en vijf maanden verstreken. Dat zijn 29 maanden. Dat betekent, uitgaande van een uitspraak uiterlijk op 7 mei 2026, dat de in beginsel redelijk geachte termijn van twee jaar met zes maanden is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de termijn. De rechtbank acht de zaken niet dusdanig ingewikkeld dat daar reden voor is. De redelijke termijn is daarom overschreden. Dit betekent dat eiser recht heeft op een schadevergoeding.



12.8.
De bezwaarfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangen van het bezwaarschrift op 7 november 2023 tot het moment van verzenden van het bestreden besluit op 8 mei 2024, ruim zes maanden geduurd. Dat is een overschrijding met een deel van een maand. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn, te weten vijf maanden, heeft plaatsgevonden in de beroepsprocedure en moet om die reden worden toegerekend aan de Staat.



12.9.
Gelet op het uitgangspunt dat een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn overschreden is, wordt de door eiser geleden immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 500. Daarvan komt (1/6 x € 500) € 83 ten laste van de korpschef en (5/6 x € 500) € 417 ten laste van de Staat.




Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat betekent dat dit besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd.


13.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de korpschef een nieuw besluit op het bezwaar van eiser moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de korpschef hiervoor zes weken.



13.2.
De rechtbank ziet verder aanleiding te bepalen dat de korpschef de proceskosten van eiser vergoedt. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskosten voor het beroep bedragen dan in totaal € 1.868. Ook moet de korpschef het door eiser betaalde griffierecht van € 51 aan hem te vergoeden.


Proceskostenvergoeding schadevergoeding overschrijding redelijke termijn



13.3.
Voor het verzoek om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kent de rechtbank een half punt toe, derhalve een bedrag van € 467. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn deels te wijten is aan de korpschef en deels aan de Staat, moeten de korpschef en de Staat beiden een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiser vergoeden. Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is geen griffierecht verschuldigd.






Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 mei 2024;
- draagt de korpschef op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;
- veroordeelt de korpschef tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 83;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 417;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 2.101,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 233,50;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 51 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, voorzitter, en mr. J.M. Hollebrandse en mr. P.L. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op


De voorzitter is verhinderd de uitspraak te tekenen










griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)



Artikel 10

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.


Ambtenarenwet 2017



Artikel 10, eerste lid

De ambtenaar onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.


Politiewet 2012



Artikel 7, eerste lid

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.


Artikel 7, zevende lid

De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.


Besluit algemene rechtspositie politie



Artikel 76

1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.
2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 77, eerste lid

Aan de ambtenaar, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, kunnen de volgende straffen worden opgelegd:
a. schriftelijke berisping;
b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen en vrije dagen zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag;
c. vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste een vierde gedeelte van het aantal uren, bedoeld in artikel 17, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;
d. geldboete van ten hoogste € 22;
e. gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;
f. vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor de tijd van niet langer dan twee jaren;
g. het niet meetellen van een verdere diensttijd van ten hoogste vier jaren voor de vaststelling van het salarisnummer;
h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging;
i. plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt; of
j. ontslag.


Artikel 82

De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.


Artikel 94, eerste lid

Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, artikel 88a, 89, 90, 91, 92, of 93 kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;
c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
d. onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;
e. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
f. het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever op grond van artikel 49b;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h. het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd;
i. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, of
j. het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven of medewerking te verlenen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 49c.



Er is nóg een disciplinair onderzoek ingesteld, disciplinair onderzoek II, maar dat is verder niet van belang voor de uitspraak.


De ambtenaar onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.


Het gaat om de reactie van eiser “Ah, moet je eens kijken... dat is het toch ook.” op de opmerking [naam collega] “jullie zijn aan het filmen alsof we hier in een dierentuin rijden hè?”) Voor de leesbaarheid van de uitspraak gebruikt de rechtbank daarvoor de woorden ‘de dierentuin-opmerking’.


PHR L4 maart 2025, 24/0t34L, ECLI:NL:PHR:2025:324.


EHRM 2 oktober 2012,57942/1-0, ECLI:CE:ECHR:2012:1002DEC005794210 (Rujak/Kroatië, paragraaf 27-32 en EHRM tL julizo23,67783/I3, ECLI:CE:ECHR:2023:07LLJUD006778313 (Gaspari/Armenië nr,2l, paragraaf 27.


Eiser verwijst naar EHRM L6 juni 2022,39650/L8, ECLI:CE:ECHR:2022:0616JUD0039650t8 (Zurek/Polen), paragraaf 203-204.


Eiser verwijst naar EHRM 5 november 2AI9, Lt6O8l15, ECLI:CE:ECHR;2019:1104JUD001160815 (Herbai/Hongarije), paragraaf 39-49.


Eiser verwijst naar de uitspraak van Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU7813.


De korpschef wijst op de uitspraak van de CRvB van 15 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB2536 en die van de CRvB van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:550.


ECLI:NL:CRVB:2014:3729.


De korpschef wijst op de opname ‘[opname 1]’ vanaf 09:10 en de opname ‘[opname 2]’ vanaf 05:50.


Enkel de heer [persoon E] verklaart dat het “een horecadienst [was] die erg druk begon met veel opstootjes”. Deze dienst ving aan om 22:00 uur en omstreeks 00:26 werd de verdachte aangehouden tegen wie eiser de wapenstok heeft ingezet. Het is niet duidelijk of het voor de heer [persoon E] rondom de aanhouding en het wegvoeren van de betreffende verdachte nog steeds
“erg druk” was.


Eiser verwijst naar een interview van de toenmalige politiechef van de eenheid Oost-Nederland (op dat moment het bevoegd gezag), thans de korpschef van de nationale politie op 1 april 2023 aan het Algemeen Dagblad.


ECLI:NL:RBZWB:2019:3685.


Uitspraak van 3 juli 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AY3279, rechtsoverweging 2.13.


Uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3827, r.o. 4.2-4.3.


Zie bijvoorbeeld CRvB 25 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3224 en CRvB 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1528.


De korpschef wijst ter illustratie op de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:613, r.o. 4.6.


Eiser verwijst naar de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3254.


Eiser verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098.


In zijn aanvullend beroepschrift van 9 februari 2026 haalt eiser verklaringen aan van een collega en twee (oud-)leidinggevenden over zijn functioneren.


Eiser heeft een eindrapportage van deze behandeling overgelegd in beroep.


Staatscourant 2014, nr. 20210 en Staatscourant. 2017, nr. 62751.


Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Link naar deze uitspraak