|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:3552 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB-24_3499 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Boete wegens schending inlichtingenplicht. Beroep ongegrond. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden. Daarom is de SVB verplicht om een boete op te leggen. Het bestreden besluit en de beleidsregels zijn niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Voor de toetsing van de dringende redenen bestaat dan geen aanleiding. De SVB hoefde niet te anticiperen op het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid. | | Trefwoorden | : | aow | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3499
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde boete op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met (de hoogte van) de boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 13 februari 2024 is een bedrag van eiser teruggevorderd en is aan hem een boete opgelegd. Met het bestreden besluit van 2 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser, geboren op [geboortedag] 1947, is op [geboortedag] 2012 65 jaar oud geworden. Vanaf die datum ontvangt eiser een ouderdomspensioen, waaronder een inkomensafhankelijke AOW-toeslag. Eiser krijgt die toeslag, omdat zijn partner geen inkomen heeft en jonger is dan 65 jaar.
3.1.
De partner van eiser is vanaf 28 februari 2018 betaald gastouder geworden voor hun kleinkinderen. Zij heeft op die datum een bemiddelingsovereenkomst gastouder gesloten.
3.2.
De SVB heeft op 27 december 2021 een melding van de Belastingdienst ontvangen, inhoudende dat de partner van eiser overige inkomsten buiten dienstbetrekking heeft genoten in 2018 en 2019. De SVB heeft daarom met de brief van 11 mei 2022 verzocht om gegevens betreffende de inkomens van eisers partner in de jaren 2018 en 2019. Indien er vanaf het jaar 2012 ook sprake is geweest van inkomen, is eiser verzocht om ook over die jaren de volledige aangiftes en belastingaanslagen op te sturen. Eiser heeft daarop op 19 mei 2022 aangiftes en belastingaanslagen over de jaren 2018 tot en met 2021 overgelegd. In februari en november van 2023 heeft de SVB eenzelfde melding ontvangen van de Belastingdienst. De SVB heeft daarop in december 2023 aanvullend gegevens over de inkomsten van eisers partner in 2022 en van vóór 2018 opgevraagd. Die gegevens heeft eiser op 5 januari 2024 overgelegd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 13 februari 2024 is een bedrag van € 24.008 aan te veel uitbetaalde AOW-toeslag teruggevorderd en is een boete opgelegd van € 5.533,33.
4.1.
Met het besluit van 2 mei 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft vanaf 28 februari 2018 tot 27 december 2021 doorlopend zijn mededelingsverplichting geschonden door niet te vermelden dat zijn partner inkomsten uit arbeid had. Dat het een laag inkomen is, ontslaat eiser niet van die verplichting. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat eiser te goeder trouw jaarlijks het inkomen van zijn partner doorgeeft aan de Belastingdienst. De omstandigheid dat de Belastingdienst niet eerder dan december 2021 aan de SVB heeft laten weten dat eisers partner inkomsten heeft, leidt niet tot een andere beslissing gelet op de mededelingsverplichting die eiser heeft.
In eisers situatie kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Hij heeft namelijk niet zelf melding gemaakt van het inkomen van zijn partner. Daarnaast is het benadelingsbedrag hoger dan € 150. Het is niet gebleken dat het voor eiser feitelijk onmogelijk was om aan zijn mededelingsverplichting te voldoen. Er is in eisers situatie dan ook geen sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid. Er is in zijn situatie ook geen sprake van een rechtvaardigingsgrond of van een dringende reden.
Er is ook niet gebleken van een verminderde verwijtbaarheid of bijzondere financiële of sociale omstandigheden. Het benadelingsbedrag wordt vanwege de verjaringstermijn van vijf jaar berekend over de periode februari 2019, zijnde vijf jaar voorafgaand aan bekendmaking van het primaire besluit, tot en met december 2021, zijnde het moment dat de SVB bekend is geworden met het inkomen van eisers partner. Over die periode is aan eiser € 15.660,37 te veel betaald. In principe wordt een boete van 50% van het benadelingsbedrag
opgelegd. Wegens een maximering van de boetebedragen, is een boete opgelegd van
€ 5.533,33.
Is er aanleiding voor matiging van de boete?
5. Eiser verzet zich tegen de (hoogte van de) boete die door de SVB is opgelegd. Hij doet daarbij een beroep op het evenredigheidsbeginsel en, onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), op de dringende redenen. Eiser heeft aangevoerd dat hij al zwaar genoeg is gestraft, doordat hij de te veel uitgekeerde AIO-aanvulling moet terugbetalen en dit op zijn AOW-pensioen wordt gekort. Daarom vraagt hij de boete op nihil te stellen of te matigen. Daarnaast heeft eiser gewezen op het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid.
5.1.
De SVB heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de boeteoplegging de evenredigheidstoets doorstaat.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, doordat hij niet uit eigen beweging aan de SVB heeft gemeld dat zijn partner inkomsten had. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de (hoogte van de) opgelegde boete.
6.1.
Uit de AOW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten volgt dat de SVB verplicht is een boete op te leggen indien iemand de inlichtingenplicht schendt. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht, bedraagt de boete 50% van het benadelingsbedrag. De SVB kan daar alleen van afzien indien sprake is van dringende redenen.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak wordt een bestuurlijke boete vol getoetst op de evenredigheid. Daarbij worden alle feiten en omstandigheden betrokken, waarbij zowel wordt gekeken naar de oorzaken als de gevolgen van de boete, waaronder de financiële gevolgen. De verruimde uitleg in de rechtspraak van de dringende reden gaat niet verder dan deze indringende toets op de evenredigheid.
De rechtbank begrijpt deze rechtspraak zo dat indien – alle omstandigheden in aanmerking genomen – de oplegging van de boete evenredig is, er geen aanleiding bestaat om vervolgens nog te beoordelen of er dringende redenen zijn op grond waarvan de SVB had moeten afzien van het opleggen van een boete.
Evenredigheid
7. Omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, is de SVB verplicht een boete op te leggen tenzij er sprake is van dringende redenen op grond waarvan daarvan moet worden afgezien. De rechtbank is van oordeel dat de SVB bij de vaststelling van de boete terecht is uitgegaan van ‘gewone’ verwijtbaarheid. De terugvordering, die ten grondslag ligt aan de boeteoplegging, is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van de SVB, maar door een overtreding van de inlichtingenverplichting door eiser. Als eiser de inkomsten had doorgegeven, was de terugvordering niet ontstaan en de boete niet opgelegd. De rechtbank begrijpt dat eiser niet opzettelijk de inkomsten van zijn partner heeft verzwegen en wil wel geloven dat hij is vergeten dat hij de AIO-aanvulling ontving en dat deze inkomensafhankelijk was en ook dat hij het zou hebben gemeld als hij zich dat wél had gerealiseerd. Dat betekent echter niet dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Met de door eiser aangevoerde omstandigheden heeft de SVB ook rekening gehouden door uit te gaan van gewone verwijtbaarheid. Dat de SVB in de betaalspecificaties niet heeft gespecificeerd dat eiser een inkomensafhankelijke AOW-toeslag ontvangt, maakt dit niet anders. Eiser is namelijk bij de toekenning van zijn AOW-pensioen geïnformeerd over de AIO-aanvulling. Het is juist dat de terugvordering (en daarmee de boete) niet zo hoog zou zijn opgelopen als de Belastingdienst eerder een melding had gedaan bij de SVB, maar daar kan de SVB geen verwijt van worden gemaakt en het maakt het niet voldoen aan de inlichtingenplicht van eiser niet minder verwijtbaar.
7.1.
Bij de op te leggen boete moet de SVB ook rekening houden met de draagkracht van eiser. Bij de vaststelling van de draagkracht hanteert de SVB termijnen die zijn gerelateerd aan de mate van verwijtbaarheid. In het geval van eiser is sprake van (normale) verwijtbaarheid, daarom hanteert de SVB een termijn van twaalf maanden. De SVB verlaagt de boete als eiser deze niet binnen twaalf maanden kan betalen door zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen aan te spreken. De SVB heeft terecht overwogen dat eiser een betalingsregeling is overeengekomen met betrekking tot de terugvordering, dat eiser niet heeft aangegeven dat hij de boete niet binnen twaalf maanden kan terugbetalen en dat niet is gebleken dat door de oplegging van de boete eiser in financiële en/of sociale problemen komt.
7.2.
De SVB heeft de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. De SVB was daartoe, gezien de schending van de inlichtingenverplichting, verplicht op grond van artikel 17c, eerste lid, van de AOW. Dit is een wet in formele zin. De toepassing van een wet in formele staat in de weg aan toetsing hiervan aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders indien sprake is bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, in dit geval het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat zich dergelijke bijzondere omstandigheden voordoen, is door eiser niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken.
7.3.
De SVB heeft ook haar eigen beleid toegepast bij de oplegging van de boete. De rechtbank kan dit beleid (wel) toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Op grond van de SVB Beleidsregels (SB1111) maakt de SVB gebruik van de bevoegdheid tot het afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als de betrokkene in zo ernstige financiële en/of sociale omstandigheden verkeert dat het opleggen van een boete in redelijkheid niet aanvaardbaar is. Op grond van de SVB Beleidsregels (SB1243) dient de SVB bij de beoordeling van de evenredigheid van de in concreto op te leggen boete rekening te houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd, waarbij de draagkracht van de overtreder ingevolge de Memorie van Toelichting bij art. 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht Awb een rol kan spelen.
Bij beide beleidsregels gaat het om binnenwettelijk beleid, omdat deze beleidsregels hun grondslag vinden de artikelen 4:81 van de Awb, 17c, achtste lid, van de AOW en art. 5:46, tweede lid, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze beleidsregels zelf niet onevenredig. Ook is het bestreden besluit, gelet op hetgeen hierboven is overwogen 7.2. over de omstandigheden van dit geval, niet onevenredig. In dit verband is ook van belang dat eiser niet in zo ernstige financiële en/of sociale omstandigheden verkeert dat het opleggen van een boete, en de hoogte daarvan, in redelijkheid niet aanvaardbaar is.
Dringende redenen
7. Voor toetsing aan de dringende redenen bestaat geen aanleiding, gezien hetgeen is overwogen onder 6.2. en de omstandigheid dat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de oplegging en de hoogte van de boete evenredig is.
Anticiperende werking wetsvoorstel
8. De rechtbank is van oordeel dat de SVB bij het nemen van het bestreden besluit niet had moeten anticiperen op het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid. Er bestaat daar geen rechtsgrond voor.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Kamerstukken II 2024/25, 36785, nr. 4.
Artikel 17c van de AOW, in samenhang met artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Artikel 2, eerste en vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Artikel 17c, achtste lid, van de AOW.
Uitspraken van de CRvB van 2 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:530) en van 15 januari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:43).
Uitspraak van de CRvB van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
Zie in gelijke zin, de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19451. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|