|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:6860 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-09-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | C/05/468324 | | Rechtsgebied | : | Burgerlijk procesrecht | | Indicatie | : | Voorlopige bewijsverrichting ex artikel 196 Rv. Voorlopig getuigenverhoor. Horen van getuigen. Nederlandse rechter onbevoegd om van verzoek kennis te nemen. Toepassing artikel 4, 7 en 8 Brussel I-bis verordening (EEX). Artikel 200 Rv: de rechter wijst een verzoek om te bepalen dat hoger beroep wordt open gesteld af. Daarom geen hoger beroep mogelijk op grond van artikel 200 lid 2 Rv. | | Trefwoorden | : | koopovereenkomsten | | | paarden | | | | Uitspraak | RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/468324 / HA RK 26-96
Beschikking van 4 september 2026
in de zaak van
de vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika
HAYSTACK SPORT & EQUESTRIAN LLC,
gevestigd te Loxahatchee, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Haystack,
advocaat: mrs. D. Çölkusu en L.M. Schelstraete,
tegen
1 [verweerder] ,
wonende te [woonplaats] , [land] ,
2. de vennootschap naar het recht van België
[bedrijf]
,
gevestigd te [plaats] , België,
verwerende partijen,
hierna te noemen [verweerder] en [bedrijf] en samen [verweerder] c.s.
advocaat: mr. A. van Toorn.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 29 mei 2026, met 13 producties,
- het verweerschrift van 18 augustus 2026, met 3 producties,
- de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Verschenen namens Haystack is mr. Çölkusu en namens [verweerder] c.s. mr. Van Toorn.
- de pleitaantekeningen van mr. Çölkusu, waaruit hij heeft voorgedragen de tekst uit randnummers 16 tot en met 28.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Haystack is gevestigd in Florida, Verenigde Staten van Amerika en drijft een onderneming in de aankoop, training, ontwikkeling en verkoop van dressuurpaarden. Zij koopt haar paarden onder andere in Europa.
2.2.
[verweerder] is professioneel dressuurruiter en paardentrainer. [bedrijf] is de persoonlijke vennootschap van [verweerder] , van waaruit hij een onderneming exploiteert in de training en bemiddeling bij koop en verkoop van paarden en het begeleiden en coachen van dressuurruiters.
2.3.
[verweerder] heeft voor Haystack werkzaamheden verricht in verband met de aankoop door haar van paarden in Europa, zoals het bij Haystack onder de aandacht brengen van paarden waar zij mogelijk interesse in zou kunnen hebben, het onderhouden van contacten met en als tussenpersoon fungeren tussen Haystack en partijen van wie Haystack, mogelijk, een paard koopt, en het begeleiden van veterinaire keuringen. Wanneer een door [verweerder] bij Haystack onder de aandacht gebracht paard door Haystack werd gekocht, werd daarvoor door Haystack aan [bedrijf] een commissie betaald.
2.4.
Bij brief van 1 augustus 2025 heeft de advocaat van Haystack [verweerder] c.s. aansprakelijk gesteld voor door Haystack geleden schade. De brief vermeldt dat [verweerder] c.s. in strijd met het recht van Florida, Verenigde staten van Amerika heeft gehandeld doordat [verweerder] c.s. bij de transacties van een vijftal paarden zowel van Haystack als van de verkoper een commissie of andere vergoeding heeft ontvangen. Haystack verlangt betaling van € 142.550,00 van [verweerder] c.s. aan schadevergoeding.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Haystack verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking een voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in artikel 196 Rv te bevelen door het horen van getuigen.
3.2.
Haystack stelt dat [verweerder] c.s. bij de bemiddeling voorafgaande aan de totstandkoming van koopovereenkomsten met betrekking tot een vijftal paarden niet alleen van Haystack, maar ook van de verkoper een commissie, althans ander financieel voordeel heeft ontvangen zonder daarover Haystack van tevoren in te lichten. Haystack meent dat [verweerder] c.s. daardoor tegenstrijdige belangen hadden bij deze transacties. Haystack heeft [verweerder] c.s. aansprakelijk gesteld voor door haar geleden schade die zij door het handelen van [verweerder] c.s. heeft geleden en het einde van de samenwerking aangezegd. De grondslag van een mogelijk in te stellen vordering zal volgens Haystack zijn een tekortkoming in de nakoming op grond van artikel 6:74 BW of onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW. Haystack wil vijf getuigen horen die betrokken waren bij transacties van de paarden aan de zijde van de verkopers, welke getuigen mogelijk over informatie beschikken die Haystack niet heeft. Het doel van de getuigenverhoren is bewijs veilig stellen en opheldering krijgen over de feiten. Zo kan Haystack beoordelen of zij een procedure kan beginnen, en zo ja tegen wie en op welke feitelijke grondslag dat kan worden gebaseerd.
3.3.
[verweerder] c.s. verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Allereerst betogen zij dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het geschil ten gronde kennis te nemen. Ook betogen zij dat Haystack niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Verder menen zij dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat Haystack onvoldoende belang heeft bij haar verzoek, omdat het in strijd is met de goede procesorde en omdat zij misbruik maakt van bevoegdheid.
4De beoordeling
4.1.
De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om van het verzoek kennis te nemen. Aan haar komt namelijk geen internationale rechtsmacht toe. Er zal geen hoger beroep worden opengesteld tegen deze beslissing. Deze beslissingen worden hierna nader toegelicht.
4.2.
Haystack meent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen op grond van de artikelen 4, 7 en 8 Brussel I-bis. Haystack overweegt niet alleen vorderingen uit onrechtmatige daad in te stellen tegen [verweerder] c.s., maar ook tegen de verkopers van de betreffende paarden, waarvan een aantal in Nederland woonplaats hebben, zodat volgens Haystack de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 Brussel I-bis bevoegd is om van de zaken tegen hen kennis te nemen. Op grond van artikel 8 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter dan ook bevoegd om het geschil tegen [verweerder] c.s. te behandelen, omdat dit nauw samenhangt met het geschil met de verkopers. Voor zover een aan
[verweerder] c.s. toe te rekenen schadeveroorzakende gebeurtenis in Nederland heeft plaatsgevonden, kan de Nederlandse rechter ook aan artikel 7 lid 2 Brussel I-bis bevoegdheid ontlenen, aldus Haystack. Welke grondslag Haystack uiteindelijk zal kiezen, hangt volgens haar juist af van de feiten die met het horen van de getuigen moet worden opgehelderd.
4.3.
[verweerder] c.s. menen dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, nu zij ook niet bevoegd is om van het geschil ten gronde kennis te nemen. De Belgische rechter is volgens hen bevoegd om van die zaak kennis te nemen. De voor dat geschil relevante aanknopingspunten bevinden zich namelijk niet in Nederland, maar voornamelijk in België, betogen [verweerder] c.s. Zo hebben [verweerder] c.s. woonplaats in België en ook de werkzaamheden van [verweerder] c.s. als bemiddelaar werden uitgevoerd vanuit de woning en stal in België. Verder vindt de administratie van de onderneming, zoals het opstellen en verzenden van facturen, in België plaats. Voorts stonden drie van de vijf gekochte paarden in België. Ten slotte is in alle koopovereenkomsten voor de paarden tussen Haystack en de verkopers de Belgische rechter als bevoegde rechter aangewezen.
4.4.
De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen dient te worden beantwoord aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis). Het verzoek valt immers binnen het materiële toepassingsgebied van Brussel I-bis als bedoeld in artikel 1 van die verordening, omdat het onderliggende geschil een burgerlijke of handelszaak betreft. De grondslag van de vorderingen in die zaak is namelijk een tekortkoming in de nakoming van een bemiddelingsovereenkomst of agentuurovereenkomst, althans onrechtmatige daad van [verweerder] c.s. jegens Haystack op grond waarvan [verweerder] c.s. naar de stellingen van Haystack de door haar geleden schade dienen te vergoeden. Omdat [verweerder] c.s. woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat die gebonden is aan Brussel I-bis, namelijk België, is de Brussel I-bis verordening ook formeel van toepassing. De verordening is ten slotte ook temporeel van toepassing, nu het onderliggende geschil een rechtsvordering betreft die na 10 januari 2015 zal worden ingesteld.
4.5.
De rechtbank kan geen bevoegdheid ontlenen aan de bepalingen uit de Brussel I-bis verordening. Voor deze beslissing heeft de rechtbank de volgende redenen.
4.6.
Ten aanzien van [verweerder] c.s. geldt dat zij woonplaats hebben in België, zodat op grond van artikel 4 Brussel I-bis in beginsel de Belgische rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Ook aan artikel 7 Brussel I-bis kan de rechtbank geen bevoegdheid ontlenen. In dit artikel zijn zeven alternatieve bevoegdheidsgronden opgenomen op grond waarvan een persoon met woonplaats in een lidstaat kan worden opgeroepen voor een rechter in een andere lidstaat. In lid 1 van dit artikel is bepaald dat ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst een persoon kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Bij een overeenkomst tot het verstrekken van diensten is dit de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, kan volgens lid 2 een persoon ook voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen worden opgeroepen. De dienst die [verweerder] c.s. hebben verricht is volgens Haystack het optreden als tussenpersoon of handelsagent. Die dienst is verricht vanuit België, althans ligt aldaar het zwaartepunt. [verweerder] c.s. hebben immers onweersproken gesteld dat zij in België woonplaats hebben, en hun werkzaamheden voor Haystack hoofdzakelijk vanuit België hebben verricht. Het enkele feit dat een aantal van de tot stand gekomen koopovereenkomsten is gesloten met Nederlandse verkopers en dat in Nederland paarden zijn bekeken en gekocht, maakt nog niet dat [verweerder] c.s. hun diensten vanuit Nederland verrichtten, zoals Haystack betoogt. De bezoeken aan en contacten met verkopers in Nederland, maken immers deel uit van de dienstverlening van [verweerder] c.s. vanuit België. Dat de diensten niet in Nederland zijn verricht betekent dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is op grond van lid 1, en ook niet op grond van lid 2. Het schadetoebrengende feit zoals Haystack dat heeft gesteld, heeft zich – indien en voor zover dat al komt vast te staan zoals Haystack dat stelt – immers evenmin voorgedaan in Nederland omdat (het zwaartepunt van) de communicatie tussen [verweerder] c.s., de verkopers en Haystack via de vanuit België werkenden [verweerder] c.s. verliep. De door Haystack gestelde afspraken die erop neerkomen dat (ook) de verkopers aan [verweerder] c.s. een commissie of andere geldelijke vergoeding zouden betalen, zijn daarmee dus in of vanuit België gemaakt. Haystack heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgens haar volgt dat het schadetoebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan.
4.7.
De rechtbank begrijpt het betoog van Haystack gegrond op artikel 8 Brussel I-bis aldus, dat zij meent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek tegen [verweerder] c.s. kennis te nemen, omdat het onderliggende geschil met [verweerder] c.s. nauw samenhangt met de mogelijke geschillen van Haystack met de verkopers, van welke geschillen de rechtbank kennis mag nemen op grond van artikel 4 Brussel I-bis nu vier van de vijf verkopers woonplaats hebben in Nederland. Uit hetgeen Haystack stelt, blijkt dat zij overweegt om vorderingen in te stellen tegen de verkopers van de paarden in Nederland, omdat uit hetgeen de nog te horen getuigen zullen verklaren zal blijken wat er is gebeurd en wat zij, als verkopers, hebben afgesproken met [verweerder] c.s., zodat daarna kan worden beoordeeld of er enige civielrechtelijke aanspraak op de verkopers bestaat. In het verzoekschrift staat dat Haystack bewust niet stelt dat de verkopers daadwerkelijk onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar. Dit acht Haystack echter wel aannemelijk gelet op de bestendige handelswijze van [verweerder] c.s., aldus steeds Haystack. Dit betoog faalt. De rechtbank stelt voorop dat Haystack het onderhavige verzoek heeft ingesteld uitsluitend tegen [verweerder] c.s. en heeft verzocht om de verkopers in dat verband als getuigen te mogen horen. Haystack heeft de te horen getuigen/verkopers dus niet reeds zelf in het verzoekschrift aangemerkt als belanghebbenden, hetgeen wel op haar weg had gelegen als Haystack daadwerkelijk zou menen dat zij mogelijk een vordering op de getuigen/verkopers zou kunnen hebben en mede in dat verband de verkopers als getuigen wil horen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de verkopers/getuigen als belanghebbenden aan te merken, omdat Haystack geen enkel voldoende concreet feit heeft gesteld waaruit zou kunnen volgen dat zij een vordering zou kunnen hebben op de verkopers. Alle feiten die Haystack stelt zien immers op het doen en laten van [verweerder] c.s. Dat het doen en laten van [verweerder] c.s. plaatsvond telkens tegenover enerzijds één van de verkopers en anderzijds Haystack, maakt dat niet anders. Haystack heeft met betrekking tot de verkopers slechts op enkele plaatsen in haar verzoekschrift aan de verwijten aan het adres van [verweerder] c.s. toegevoegd dat zij mogelijk (ook) vorderingen heeft op de verkopers, zonder dat op enigerlei wijze te concretiseren. Illustratief in dit verband is dat Haystack in haar verzoekschrift ‘de verkopers’ telkens gezamenlijk noemt, terwijl Haystack ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat de verkopers vijf individuele verkopers zijn die onderling niets met elkaar te maken hebben en dat het enige hen bindende aspect is dat de contacten tussen enerzijds Haystack en anderzijds de individuele verkopers tot stand zijn gebracht door [verweerder] c.s. Uit het doen en laten van [verweerder] c.s. – de bestendige handelwijze, zoals Haystack dat noemt – volgt echter nog niet dat ook één van de verkopers, laat staan alle vijf, iets verkeerd heeft gedaan ten opzichte van Haystack. Al met al valt niet in te zien dat Haystack thans, gelet op hetgeen zij in het verzoekschrift heeft aangevoerd, een vordering zou kunnen hebben op de verkopers en komt het de rechtbank voor dat Haystack met deze redenering eigenlijk probeert om rechtsmacht te creëren voor het verzoek jegens [verweerder] c.s. De slotsom is derhalve dat het beroep van Haystack op artikel 8 Brussel I-bis niet opgaat, zodat de rechtbank evenmin op grond van dit artikel rechtsmacht heeft.
4.8.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting te bevelen door het horen van getuigen staat geen hoger beroep open, tenzij de rechter anders bepaalt. Haystack heeft ter zitting verzocht om te bepalen dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen deze beschikking, zonder dat verzoek te motiveren. De rechtbank zal geen hoger beroep toestaan. De wetgever heeft de mogelijkheid voor de rechter om te bepalen dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing om een verzoek tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting af te wijzen bedoeld voor die gevallen waarin de vraag of een voorlopige bewijsverrichting moet worden toegestaan omstreden is, principieel ligt of nieuwe vragen opwerpt waarbij enige rechtsontwikkeling gewenst is. Bij het onderhavige verzoek is dat niet het geval, nu de rechtbank zal beslissen dat zij niet bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over het verzoek om de voorlopige bewijsverrichting te bevelen. Daarom is er geen reden om te bepalen dat hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld.
4.9.
Haystack zal worden veroordeeld in de proces- en nakosten, zoals door [verweerder] c.s. verzocht, nu Haystack in het ongelijk is gesteld. De proceskosten van [verweerder] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punt × € 653,00)
Totaal
€
1.647,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart zich onbevoegd om van de onderhavige zaak kennis te nemen,
5.2.
veroordeelt Haystack in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] c.s. tot op heden begroot op € 1.647,00,
5.3.
veroordeelt Haystack in de na deze beschikking ontstane kosten van [verweerder] c.s., begroot op € 189,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Haystack niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 98,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. M.C. van der Mei te Arnhem op 4 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
1782 / 1496
HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6545, NJ 2012/128.
Artikel 4 Brussel I-bis.
Artikel 66 jo 81 Brussel I-bis.
Zie artikel 7 lid 1 sub b, tweede streepje Brussel I-bis.
Artikel 7 lid 2 Brussel I-bis.
Artikel 200 lid 2 Rv.
Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 64-65. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|