Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:6829 
 
Datum uitspraak:10-07-2026
Datum gepubliceerd:26-08-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 25/1197
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Handhavingsverzoek tegen windbreekgaas aan zijgevel rundveestal afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de omgevingsplanactiviteit en de technische bouwactiviteit voor het windbreekgaas vergunningsvrij zijn, zodat verweerder terecht het handhavingsverzoek van eisers heeft afgewezen. Het beroep van eisers is ongegrond.
Trefwoorden:bestemmingsplan
bouwvergunning
fijnstof
landbouwbedrijf
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 25/1197

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R.T.L.J. Jongen),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld, verweerder
(gemachtigde: mr. G.B. Falkenberg).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam derde-partij] uit [vestigingsplaats] (de derde-partij)
(gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de plaatsing van windbreekgaas aan de oostzijde van de rundveestal van de derde-partij. Verweerder heeft besloten om niet te handhavend op te treden, omdat plaatsing van het windbreekgaas volgens verweerder vergunningsvrij is.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat zowel de omgevingsplanactiviteit als de technische bouwactiviteit voor het windbreekgaas aan de zijgevel van de rundveestal van de derde-partij vergunningsvrij zijn. Hierdoor heeft verweerder terecht het handhavingsverzoek van eisers afgewezen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

Eisers hebben verweerder om handhaving verzocht vanwege het in afwijking van de vergunning hebben van windbreekgaas aan de oostzijde van de rundveestal op het perceel kadastraal bekend als [kadasternummer] .

Verweerder heeft het verzoek om handhaving bij besluit van 6 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 is verweerder bij dit besluit gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [naam] namens de derde-partij en de gemachtigden van eisers, de derde-partij en verweerder.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit.


2. Eisers zijn woonachtig aan de [adres 1] te [woonplaats] en zijn buren van de derde-partij. De derde-partij oefent een landbouwbedrijf uit op het adres [adres 2] te [vestigingsplaats] en heeft in 1984 een bouwvergunning gekregen voor het bouwen van een rundveestal en een werktuigenberging. De derde-partij heeft in 1999 een windbreekgaas aan de oostzijde van de rundveestal laten ophangen. De door eisers gestelde overtreding ziet op het windbreekgaas aan de oostzijde van de rundveestal van de derde-partij op het perceel kadastraal bekend als [kadasternummer] .


2.1.
Eisers hebben op 11 april 2022 verweerder verzocht om informatie over de vraag of het windbreekgaas van de rundveestal van de derde-partij in strijd is met de verleende vergunning van 29 mei 1984, het bestemmingsplan of de (destijds geldende) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bij brief van 2 augustus 2022 heeft verweerder hierop gereageerd en aangegeven dat geen sprake is van strijdigheid.



2.2.
Eisers hebben verweerder op 24 oktober 2024 verzocht om handhavend op te treden omdat volgens eisers het windbreekgaas niet in overeenstemming is met de verleende vergunning en tevens niet vergunningsvrij is omdat het volgens hen een gevelwijziging betreft.



2.3.
Op 6 december 2024 heeft verweerder het handhavingsverzoek afgewezen, omdat er volgens verweerder geen omgevingsvergunning is vereist voor de gevelopening en het aanbrengen van het windbreekgaas.



2.4.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit op hun handhavingsverzoek. Volgens eisers is het openmaken van de gevel en het aanbrengen van het windbreekgaas wel degelijk vergunningplichtig.



2.5.
Met het bestreden besluit is, onder meer onder verwijzing naar het advies van de Intergemeentelijke bezwaarschriftencommissie Voerendaal-Simpelveld, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daarom hebben eisers beroep ingesteld.


Gronden van beroep


3. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de derde-partij een windbreekgaas aan de oostzijde van de rundveestal heeft bevestigd zonder een daartoe benodigde omgevingsvergunning voor zowel de technische bouwactiviteit als de omgevingsplanactiviteit.



3.1.
Eisers vinden dat sprake is van een omgevingsplanactiviteit die vergunningplichtig is omdat met het volledig vervangen van een gevel niet wordt voldaan aan de in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Bbl gestelde eisen, in het bijzonder onder e. Een wijziging van de gevel van deze omvang is te omvangrijk om vergunningsvrij te kunnen zijn. Volgens eisers kan de vergunningplicht niet omzeild worden middels artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan. De bedoeling van de wetgever met artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan is volgens eisers om te voorkomen dat activiteiten die niet vergunningsvrij zijn ingevolge artikel 2.29, van het Bbl niet alsnog vergunningsvrij kunnen zijn op grond van artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan.



3.2.
Eisers vinden dat sprake is van een technische bouwactiviteit die vergunningplichtig is omdat met het (volledig) verwijderen van de gevel en het vervangen met windbreekgaas de isolatie van het bouwwerk is gewijzigd. Doordat de isolatie van de gevel is verwijderd en vervangen kan er volgens eisers geen sprake zijn van een vergunningvrije technische bouwactiviteit zoals bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder b, van het Bbl. Hierdoor blijft aldus eisers de vergunningplicht van artikel 2.25, onder b, van het Bbl van toepassing.



3.3.
Verder is er volgens eisers sprake van strijd met de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 22.18 van het omgevingsplan omdat de opening van de gevel zorgt voor onder meer overlast van fijnstof, geur en geluid en dit voorkomen dient te worden. De uitzondering van artikel 22.18, derde lid, van het omgevingsplan doet zich hier aldus eisers niet voor, zodat de zorgplicht geldt. Ook afdeling 22.3 van het omgevingsplan staat volgens eisers niet aan de zojuist genoemde zorgplicht in de weg omdat deze afdeling (met uitzondering van artikel 22.44 van het omgevingsplan) materiële regels bevat over het voorkomen van een gevaar voor de gezondheid of veiligheid. Mocht dat wel het geval zijn dan wordt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44 van het omgevingsplan overtreden.


De zorgplicht


4. De rechtbank overweegt dat het door eisers gestelde over de zorgplicht buiten de reikwijdte van dit beroep valt. Blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding. Eisers hebben in hun handhavingsverzoek niet verzocht om handhavend op te treden op grond van een vermeende schending van de zorgplicht. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. Gelet hierop komt geen betekenis toe aan wat eisers hebben aangevoerd over de zorgplicht omdat dit naar het oordeel van de rechtbank buiten de omvang van het onderhavige geding valt en als zodanig dus ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.


De omgevingsplanactiviteit


5. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Simpelveld (hierna: het omgevingsplan) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. In geschil is of de uitzondering op deze vergunningplicht uit artikel 22.27, aanhef en onder i, van het omgevingsplan van toepassing is.



5.1.
In artikel 22.27, aanhef en onder i, van het omgevingsplan is bepaald dat de vergunningplicht uit artikel 22.26 van het omgevingsplan niet geldt indien de activiteit betrekking heeft op: ‘’een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;


2. geen uitbreiding van het bouwvolume;


3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.’’




5.2.
Tussen partijen is in geschil of aan de derde voorwaarde van artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan wordt voldaan en welke gevolgen dit heeft. De rechtbank overweegt als volgt.



5.3.
De rechtbank stelt om te beginnen vast, en partijen twisten daar ook niet over, dat het aanbrengen van windbreekgaas in de zijgevel van de stal kwalificeert als een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen. Tussen partijen staat verder niet ter discussie dat inhoudelijk aan het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan is voldaan, met uitzondering van artikel 22.26 van het omgevingsplan dat bepaalt dat het verrichten van een bouwactiviteit verboden is zonder omgevingsvergunning. Dat het openen van de zijgevel en het aanbrengen van windbreekgaas een (ruimtelijke) bouwactiviteit behelst, staat tussen partijen niet ter discussie. Aldus, zo concludeert de rechtbank, bestaat er in beginsel een omgevingsvergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen. Dat is slechts anders, als sprake is van een van de uitzonderingen voor vergunningvrij bouwen.



5.4.
De uitzonderingen op de vergunningplicht in deze zaak die in aanmerking komen zijn enerzijds artikel 22.29, onder e, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl) en anderzijds artikel 22.27 van het omgevingsplan.


5.4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de betreffende bouwactiviteit niet vergunningvrij is op grond van artikel 22.29, onder e, van het Bbl. Dat standpunt volgt de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van een activiteit die betrekking heeft op een gevelpaneel en daarmee van een uitzondering op de vergunningplicht als hiervoor bedoeld. De rechtbank overweegt dat als het openen van de gevel en het aanbrengen van windbreekgaas al gezien moet worden als het wegnemen van gevelpanelen in de zin dat de oude golfplaten gevelpanelen zijn die zijn vervangen door windbreekgaas, dan is dit op een dusdanige schaal gebeurd dat in feite door de derde-partij een nieuwe gevel is gerealiseerd. Immers, er zijn in deze zaak door de derde-partij niet slechts één of een paar panelen van de gevel weggehaald. Dan kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer worden gesproken van een vergunningvrije activiteit op grond van artikel 22.29, onder e, van het Bbl. Dit oordeel wordt ook ondersteund door de rechtspraak van de Afdeling. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019 heeft een wijziging van deze omvang, waarbij vrijwel volledig de onderste helft van de zijgevel is opengemaakt, geen betrekking op een kozijn of gevelpaneel, zodat geen sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.29 van het Bbl. In tegenstelling tot waar eisers vanuit gaan, is de rechtbank niet van oordeel dat het aanbrengen van windbreekgaas wel betrekking heeft op een gevelpaneel maar alleen door de omvang niet als vergunningvrij is aangemerkt. Dat standpunt is naar het oordeel van de rechtbank niet in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling die bepaalt dat alleen sprake kan zijn van artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Bbl als de activiteit betrekking heeft op een gevelpaneel. Of dat het geval is, zo heeft de Afdeling bepaald, wordt mede ingegeven door de omvang van het bouwplan.



5.4.2.
In onderhavige situatie is de zijgevel van de rundveestal volledig geopend en een windbreekgaas bevestigd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het geen betrekking heeft op een gevelpaneel en betreft het dus geen activiteit als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Bbl.




5.5.
Om vergunningvrij te zijn op grond van artikel 22.27 van het omgevingsplan is, voor zover in deze zaak in geschil, vereist dat wordt voldaan aan artikel 22.27, aanhef en onder i, onder 3, van het omgevingsplan. Partijen zijn het daarover oneens of dat het geval is. Zij verschillen van mening wat het gevolg ervan is dat de omvang van de wijziging van de zijgevel geen betrekking heeft op een gevelpaneel. De rechtbank is van oordeel dat aan de derde voorwaarde uit artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan is voldaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.


5.5.1.
In de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016 is geoordeeld dat het stuken van een muur geen activiteit is als bedoeld in het thans geldende artikel 2.29 van het Bbl, zodat het niet aan toepassing van de derde voorwaarde van het thans geldende artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan in de weg staat. Eenzelfde redenering geldt ook in deze zaak. Het wegnemen van de oorspronkelijke gevel en het aanbrengen van het windbreekgaas is, zoals hiervoor door de rechtbank geoordeeld, geen vergunningvrije activiteit als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Bbl. Het vervangen van de volledige of een groot deel van de gevel, al dan niet inclusief gevelpanelen, is namelijk geen activiteit die betrekking heeft op een gevelpaneel. Daarmee is dan ook voldaan aan artikel 22.27, aanhef en onder i, onder 3, van het omgevingsplan. Van het omzeilen van een uitzondering op de vergunningplicht is, in tegenstelling tot wat eisers aanvoeren, geen sprake. Dat zou pas aan de orde zijn als de activiteit in kwestie wel betrekking zou hebben op een gevelpaneel maar er niet aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van de vergunningvrije uitzondering uit artikel 2.29 van het Bbl zou zijn voldaan en de activiteit dan toch via de band van artikel 22.27 van het omgevingsplan vergunningvrij zou zijn. Artikel 2.29 van het Bbl geldt in deze zaak echter helemaal niet.




5.6.
Gelet op het voorgaande wordt aan alle voorwaarden van artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan voldaan, zodat de omgevingsplanactiviteit voor het windbreekgaas om die reden vergunningsvrij is als het gaat om de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen.





De technische bouwactiviteit


6. Op grond van artikel 5.2, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.25, onder b, van het Bbl is het bevestigen van het windbreekgaas in beginsel vergunningplichting, omdat het een bouwactiviteit betreft aan een gebouw, zijnde de rundveestal, die hoger is dan vijf meter. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Wel is in geschil of de uitzondering op die vergunningplicht van artikel 2.27, eerste lid, onder b, van het Bbl van toepassing is.



6.1.
In artikel 2.27, eerste lid, onder b, van het Bbl is onder meer bepaald dat de vergunningplicht uit artikel 2.25 van het Bbl niet geldt voor: ‘b. het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk waarbij de volgende onderdelen niet wijzigen: de draagconstructie, de indeling in brandcompartimenten, subbrandcompartimenten of beschermde subbrandcompartimenten; en de isolatie van de gevel, of een gevelpaneel, anders dan isolatie in een bestaande spouw met instandhouding van het bestaande buitengevelblad.’



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de isolatie van de zijgevel niet wordt gewijzigd en daarmee dat de technische bouwactiviteit vergunningvrij is. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De passage ‘isolatie van de gevel’ gaat naar het oordeel van de rechtbank over het gebruik van materiaal dat specifiek aangebracht wordt in of op de gevel vanwege zijn thermische isolerende werking en het brandgevaar dat daarbij hoort. Volgens de nota van toelichting op het Bbl gaat het bij isolatie van de gevel om het verkeerd aanbrengen van gevelisolatie. In de nota van toelichting wordt als voorbeeld ook verwezen naar een brand in een woontoren in Londen veroorzaakt door verkeerd aangebrachte thermische isolatie in de gevel. Uit die beperkte uitleg van de wetgever in combinatie met het voorbeeld leidt de rechtbank af dat het enkele feit dat het wegnemen van materiaal uit een gevel dat ervoor zorgt dat een gebouw in meer of mindere mate lucht- en winddicht wordt, nog niet betekent dat sprak is van het wijzigen van ‘isolatie van de gevel’. Het moet gaan om het aanbrengen (of wegnemen) van materiaal dat specifiek bedoeld is voor de thermische isolatie van gevels. Voordat het windbreekgaas werd bevestigd was de zijgevel bedekt met eterniet golfplaten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eterniet golfplaten geen thermisch isolerende werking en dus is dat geen gevelisolatie als bedoeld in artikel 2.27 van het Bbl. Dit betekent dat het wijzigen van de zijgevel van eterniet golfplaten naar windbreekgaas geen wijziging van de isolatie in de gevel betreft zodat op grond van artikel 2.27, eerste lid, onder b, van het Bbl de vergunningplicht van artikel 2.25, onder b, van het Bbl niet geldt.



6.3.
Gelet op het voorgaande is ook de technische bouwactiviteit voor het windbreekgaas vergunningsvrij.





Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de omgevingsplanactiviteit en de technische bouwactiviteit voor het windbreekgaas vergunningsvrij is en verweerder dus terecht het verzoek om handhaving van eisers heeft afgewezen. Er is immers geen overtreding.


7.1.
Het beroep is ongegrond en daarom krijgen eisers het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

















































Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.J.M. Thelen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 10 juli 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 juli 2026.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2944 en 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1998.


ECLI:NL:RVS:2019:1938, r.o. 2.3.


ECLI:NL:RVS:2016:162, r.o. 3.2.


Stb, 2022, 145, pagina 87.
Link naar deze uitspraak