Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:9705 
 
Datum uitspraak:14-09-2026
Datum gepubliceerd:06-10-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 24/4058
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Betreft beroep tegen een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bestaande stal en de nieuwbouw van een stal. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eisers procesbelang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) omdat de OBM nadat die onherroepelijk is geworden gaat gelden als een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteit, de rechtbank is van oordeel dat de aanvraag ziet op een volwaardig agrarisch bedrijf als bedoeld in het geldend bestemmingsplan en in zoverre daarmee niet in strijd is. De rechtbank stelt vast dat in dit geval terecht een vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd en dat eisers tegen de beslissing van verweerder dat geen milieueffectrapportage noodzakelijk is, geen gronden hebben aangevoerd. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat een verklaring van geen bedenkingen van het college van Gedupeerde Staten van Limburg ontbreekt in verband met de vereiste natuurtoestemming, staat het relativiteitsvereiste aan een eventuele vernietiging van het bestreden besluit in de weg. Ook de beroepsgrond dat verweerder bij de berekening van de emissie niert mocht uitgaan van de Rav-emissiefactoren, slaagt niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
eenden
gewassen
intensieve veehouderij
natuurbeschermingswet
omgevingsvergunning
paarden
rundvee
stallen
stalsysteem
veehouderij
vleesvarkens
wabo
wet milieubeheer
zeugen
 
Uitspraak
RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/4058

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026
in de zaak tussen

Tarpanen B.V., te Guttecoven, eiseres,


[eiser]
, te [woonplaats] , eiser, gezamenlijk te noemen eisers,
(gemachtigde: mr. E. Beele),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder,
(gemachtigden: mr. J.L.G. Niederer en C.B. Brück).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te [vestigingsplaats] ,
(gemachtigde: mr. T. Pothast).




Procesverloop

Bij besluit van 11juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de [vergunninghoudster] (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het project ‘nieuwbouw vleesvarkensstal en uitbreiden bestaande stal tot biggenstal’ op de locatie [adres] , [vestigingsplaats] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben een reactie op het verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor vergunninghoudster zijn [naam 1] en mr. R.A.M. Verkoijen verschenen.



Overwegingen

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Het verzoek om een besluit te nemen is op 4 maart 2020 ingediend. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo, alsmede andere relevante voor 1 januari 2024 geldende wet- en regelgeving van toepassing blijft.

2. Vergunninghoudster heeft op 4 maart 2020 bij verweerder een aanvraag om een omgevingsverguning ingediend voor het wijzigen en uitbreiden van haar inrichting aan de [adres] in [vestigingsplaats] . De aanvraag ziet op het ombouwen en uitbreiden van een (vleesvarkens)stal tot een stal voor het fokken, mesten en houden van 3.200 gespeende biggen en de nieuwbouw van een stal voor het houden van 1.620 vleesvarkens. De beide stallen worden voorzien van een gecombineerde luchtwasser (BWL 2009.12.V4) en een centraal afzuigsysteem, waarbij de afgewerkte lucht via de luchtwassers centraal en verticaal wordt uitgeblazen. Tegelijk met deze aanvraag is een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) ingediend en is verzocht om wijziging van de op 29 augustus 2013 is aan vergunninghoudster verleende vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (natuurvergunning).

3. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning is de beslissing van 18 april 2019 gevoegd waarbij verweerder op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) heeft beslist dat het opstellen van een milieueffectrapport (MER) niet noodzakelijk is bij de voorbereiding van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu.

4. Ter plaatse geldt onder meer het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sittard’ (hierna: het bestemmingsplan). Op de betrokken gronden ligt de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’. Die gronden zijn onder meer bestemd voor een agrarische bedrijfsuitoefening in de vorm van een volwaardige intensieve veehouderij, al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijfstak, met uitzondering van een pelsdierhouderij. Gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en parkeervoorzieningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt. De uitbreiding van de bestaande stal tot biggenstal voldoet volgens verweerder aan de geldende bestemming en bouwregels. Verweerder heeft het bouwplan van de nieuwe varkensstal echter in strijd bevonden met diverse regels van het bestemmingsplan maar daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo verleend.

5. Op 18 december 2023 heeft verweerder een ontwerpbesluit tot vergunningverlening vastgesteld voor de activiteiten en werkzaamheden:


Het (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo).


Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).


Het verrichten van een activiteit met effecten op het leefmilieu zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, juncto artikel 2.2.a van het Besluit omgevingsrecht (omgevingsvergunning beperkte milieutoets).



6. Eisers hebben tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning zienswijzen naar voren gebracht.

7. Op 13 december 2023 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen voor het bouwplan een ontwerpverklaring van geen bedenkingen afgegeven. De gemeenteraad heeft op 27 juni 2024 ingestemd met de reactie op de zienswijzen tegen het ontwerpbesluit en verklaard dat er geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Daartegen hebben eisers beroep ingesteld. De beroepsgronden hebben betrekking op goede ruimtelijke ordening, de m.e.r.-beoordelingsplicht en strijd met de Wet natuurbescherming. Ook betogen eisers dat de emissiereductie niet is aangetoond.


De formele punten



Procesbelang bij beoordeling omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM)?


9. Onder de Omgevingswet is de OBM komen te vervallen. Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.202, aanhef en onder f en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt een vergunningplicht voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het houden van meer dan 50 vleesvarkens van 25 kg en meer, respectievelijk het houden van meer dan 500 gespeende biggen van minder dan 25 kg. Dat is hier aan de orde. Nadat de OBM onherroepelijk is geworden, gaat die gelden als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Tegen het ontbreken daarvan kan handhavend worden opgetreden. Eisers hebben daarom een procesbelang bij het aanvechten van de rechtmatigheid van de verlening van de OBM.


Zijn eisers belanghebbende?


10. De rechtbank dient ambtshalve na te gaan of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 1:2, eerste lid van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken." Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid van de Awb. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het besluit ziet, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Een rechtstreeks betrokken belang wordt in beginsel aangenomen bij besluiten op het gebied van het omgevingsrecht en ruimtelijke ordening. Bij de vraag of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn wordt gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

11. Reeds gelet op de betrekkelijk korte afstand tussen de nieuwe en de te uit te breiden stal tot het bedrijfsgebouw van eiseres en de daarin gelegen woning van eiser merkt de rechtbank hen aan als belanghebbenden bij de verleende omgevingsvergunning.


De beroepsgronden



Strijd met goede ruimtelijke ordening?


12. Eisers hebben in beroep de naar voren gebrachte zienswijzen herhaald. Zij betogen dat het voorgenomen besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een vergunning met zo verstrekkende gevolgen mag alleen worden verleend ten behoeve van een bedrijf dat niet alleen als een reëel agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan kan worden gekwalificeerd maar ook anderszins kan worden beschouwd als een bedrijf waarvan het behoud op langere termijn duurzaam is verzekerd, zowel in bedrijfseconomisch opzicht als milieutechnisch. Daartoe wordt gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1268. Volgens eisers is op de vergunde locatie geen sprake van een volwaardige intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 5.1, onder a, van het bestemmingsplan ook al wordt het veebestand verdubbeld. Het plan ziet feitelijk louter op een stal op afstand bij een elders gevestigd bedrijf. De bouw daarvan rechtvaardigt niet de inbreuk op het bestemmingsplan. De vraag of het vergunde bedrijf ook voor de toekomst bestaansrecht heeft, heeft verweerder ten onrechte niet beantwoord, aldus eisers. Verder betwisten eisers dat elders met huisvesting van gespeende biggen is gestopt en dat deze uitbreiding als compensatie geldt en daarvoor nodig is. Eisers betogen dat in dat kader ook een vergelijking van de emissies in beide situaties ontbreekt. De gestelde samenhang tussen het stoppen elders en de nieuwe huisvesting is ook niet aangetoond. Dat geldt ook voor de gegeven reden dat het belang van de aanvrager bij de uitbreiding te maken heeft met verlies van akkerbouwgronden als gevolg van de verbreding van de A2 en een nieuw aan te leggen faunapassage.

13. Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan zijn de voor 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' aangewezen gronden bestemd voor: een agrarische bedrijfsuitoefening in de vorm van een volwaardige intensieve veehouderij, al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijfstak, met uitzondering van een pelsdierenhouderij;

In artikel 1.138 van het bestemmingsplan is een definitie gegeven van ‘volwaardig agrarisch bedrijf’: “een bedrijf, dat in hoofdzaak is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) wordt niet als agrarisch bedrijf aangemerkt”.

14. De rechtbank is van oordeel dat de omgevingsvergunning ziet op een volwaardige intensieve veehouderij als bedoeld in het bestemmingsplan. In zoverre is er geen strijd met het bestemmingsplan. De strijdigheid met het bestemmingsplan zit er in dit geval slechts in dat de nieuwe stal buiten het bouwblok wordt gerealiseerd en (alleen) daarop ziet de afwijking van de planregels waarvoor een vergunning is verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. Eisers hebben geen planregel in dit bestemmingsplan aangewezen op grond waarvan aanleiding zou bestaan om een toets uit te voeren zoals zij betogen. De verwijzing naar de onder 13 genoemde Afdelingsuitspraak gaat niet op, omdat het daar over een ander bestemmingsplan ging, met andere planregels, waarin verder gaande eisen aan de volwaardigheid werden gesteld dan in het bestemmingsplan waaraan de onderhavige vergunning moet worden getoetst. Ook bestaat er geen grondslag of ruimte om via de toets van een ‘goede ruimtelijke ordening’, die bij een afwijkingsbesluit geldt, aanvullende eisen te stellen aan de toekomstbestendigheid van het bedrijf. De aangevoerde beroepsgronden kunnen reeds daarom geen doel treffen.


M.e.r.-(beoordelings)plicht?


15. Verder herhalen eisers hun standpunt dat een mer-beoordeling had moeten plaatsvinden omdat het aantal vleesvarkens en het aantal gespeende biggen juist onder de daarvoor geldende drempelwaarden ligt. Omdat de aanvraag voorziet in het houden van beide diersoorten op een en dezelfde locatie, konden die activiteiten niet los van elkaar worden beschouwd en afzonderlijk worden beoordeeld. Naar aanleiding van hetgeen verweerder hierover in de nota van zienswijzen heeft gesteld, namelijk dat in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geen cumulatieverplichting bestaat en op grond van dat Besluit alleen een MER is vereist als de activiteit is vermeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r., voeren eisers aan dat duidelijk is dat de drempelwaarden in dit geval worden overschreden. Volgens eisers kan verweerders standpunt niet juist zijn omdat een bedrijf dan eindeloos diercategorieën zou kunnen toevoegen zolang dat per diercategorie onder de daarvoor geldende drempelwaarde blijft. Ten slotte betogen eisers dat wanneer de drempelwaarden van onderdeel D worden overschreden sprake is van een verplichting een MER op te stellen.

16. De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgronden het volgende. Anders dan eisers betogen is er in dit geval geen wettelijke verplichting om een MER (milieueffectrapportage) op te stellen. Dat is het geval als de activiteit betrekking heeft op meer dan 3.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D3). In het onderhavige geval is D 14 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. relevant, waaruit volgt dat een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt in gevallen waarin een activiteit betrekking heeft op meer dan 2.000 stuks mestvarkens of 3.750 stuks gespeende biggen (biggenopfok, Rav cat. D.1.1). Wanneer, zoals in onderhavig geval, sprake is van een onderschrijding van die aantallen, is verweerder op grond van artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. gehouden een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren om vast te stellen of zich mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen. Daarvoor heeft vergunninghoudster een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld, waarin de voorgenomen activiteiten en de te verwachten effecten zijn beschreven. Bij besluit van 18 april 2019 heeft verweerder op basis daarvan beslist dat de voorgenomen activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn zodat het opstellen van een MER niet noodzakelijk is bij de voorbereiding van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Deze beslissing is appellabel geworden tegelijk met het bestreden besluit.

17. De rechtbank stelt dus vast dat er een m.e.r. beoordeling heeft plaatsgevonden, zoals in dit geval wettelijk voorschreven, en dat de beslissing hierop van 18 april 2019 door eisers niet inhoudelijk aangevochten is. Dit is ook door eisers bevestigd ter zitting. De beroepsgrond treft geen doel.


Strijd met Wet natuurbescherming.


18. Eisers voeren aan dat uit de ruimtelijke onderbouwing van [naam 2] niet kan worden afgeleid of en in hoeverre de referentiesituatie rust op een vergunning die is verleend op basis van PAS of zelfs volledig voorbijgegaan is aan de vraag of sprake is van significante gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Verweerder dient volgens eisers te beoordelen of de natuurvergunning van 29 augustus 2013 op juiste wijze is getoetst aan de Wet natuurbescherming. Een vergunning waarin een bestaande in essentie illegale situatie gehandhaafd blijft, behoort te worden geweigerd, aldus eisers. In het aanvullend beroepschrift hebben eisers aanvullend aan hun betoog gewezen op de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024. Eisers betogen dat vergunninghoudster niet beschikt over een rechtskracht bezittende natuurvergunning maar ook dat de emissiereductie van het vergunde stalsysteem 2009.12.V4 niet kan worden gebaseerd op de emissiefactoren uit de Rav. Verder betogen eisers onder meer dat niet aan het additionaliteitsvereiste is getoetst.

19. Vergunninghoudster heeft in de schriftelijke uiteenzetting betoogd dat wat er verder zij van hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd, het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb aan een eventuele vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. De juistheid van dat betoog hebben de gemachtigden van verweerder en van eisers ter zitting onderschreven en ook de rechtbank gaat van de juistheid daarvan uit. Daartoe overweegt de rechtbank dat een natuurlijk persoon of bedrijf niet kan opkomen voor een algemeen belang zoals de bepalingen van de Wet natuurbescherming. Er kan wel sprake zijn van een verwevenheid van het algemene belang met het belang van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt. Ook kunnen bedrijfseconomische belangen zo verweven zijn met het algemeen belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van het betrokken Natura 2000-gebied, dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van die belangen. In dit geval is van een duidelijke verwevenheid geen sprake nu het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (het Bunder en Elslooërbos) op een afstand van ongeveer vijf kilometer ligt. Het relativiteitsvereiste staat daarom aan vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 2.27 van de Wabo in de weg.


Emissiereductie niet aangetoond.


20. Eisers herhalen hun betoog dat in de aanvraag weliswaar wordt verwezen naar de emissiereductie die volgens de Rav bij het onderhavige stalsysteem hoort, maar dat daarbij wordt voorbijgegaan aan de door hen genoemde jurisprudentie. Of de rendementen van de Rav in de praktijk kunnen worden gehaald, is onzeker en daarvan mag niet zonder meer worden uitgegaan, aldus eisers.

21. De rechtbank stelt vast dat eisers hebben gewezen op rechtbankuitspraken die aan de Afdeling worden toegeschreven. De rechtbank stelt verder vast dat de lijn die diverse rechtbanken hebben uitgezet, is bevestigd door de Afdeling. De Afdeling heeft in die zaak overwogen dat een berekening van de emissie met de Rav-emissiefactor voor in dat geval stalsysteem A1.13 in de beoogde situatie niet zonder meer kan worden gebruikt in een passende beoordeling voor een natuurvergunning. Deze jurisprudentie heeft betrekking op het verlenen van een natuurvergunning, en niet op de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en OBM. Een natuurvergunning ligt in deze zaak niet ter beoordeling voor. Voor zover al sprake zou zijn van een aanhakende natuurtoestemming, staat zoals hiervoor al is geoordeeld het relativiteitsvereiste aan een vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. De beroepsgrond slaagt daarom niet.


Conclusie


22. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling van verweerder tot vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.






griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op: 14 september 2026.




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.



























Bijlage bij de uitspraak ROE 24/4058



Artikelen relevant voor vergunningplicht (OBM) en aanhaken.


Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: “het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving”.

In artikel 2.2a, eerste lid, onder f en h, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is als activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvindt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen: “de activiteit, bedoeld in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 2000 mestvarkens behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 2°, van categorie 14 worden gehouden (f), respectievelijk in de gevallen waarin ten minste 500 en ten hoogste 3.750 gespeende biggen behorend tot de diercategorieën genoemd in kolom 2, onder 4°, van categorie 14, worden gehouden (h), met dien verstande dat deze aanwijzingen niet van toepassing is in de gevallen waarin artikel 7.18 van de Wet milieubeheer van toepassing is”.

In categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is als activiteit aangewezen: “De oprichting, wijziging, of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 2000 stuks mestvarkens (Rav Cat. D3) (onder 2°) of 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1.) (onder 4°)”.

Ingevolge artikel 5.13a van het Bor worden aan een omgevingsverguning op grond van artikel 2.2a van het Bor geen voorschriften verbonden. Dat betekent dat de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm), waaronder de in § 3.5.8 (Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven) gestelde regels van toepassing zijn op de inrichting.

Ingevolge artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor wordt een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt:

“Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.16, vijfde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt”.

Artikel 6.10a, eerste lid, van het Bor: “Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben”.


Omgevingswet


Ingevolge artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet geldt een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning voor die activiteit.

In artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is bepaald dat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, wordt verstaan onder milieubelastende activiteit: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.

Artikel 3.202 van het Bal (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: andere milieubelastende installatie)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, voor zover het gaat om het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het houden van:


meer dan 200 melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;


meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, fokstieren jonger dan 2 jaar, melkkoeien van 2 jaar en ouder, kalfkoeien van 2 jaar en ouder of zoogkoeien van 2 jaar en ouder;


meer dan 50 paarden van 3 jaar en ouder of pony’s van 3 jaar en ouder;


meer dan 50 schapen van 1 jaar en ouder of geiten;


meer dan 2.500 kippen, kalkoenen, eenden of parelhoenders;


meer dan 50 vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden of opfokzeugen van 25 kg en meer;


meer dan 50 kraamzeugen, guste zeugen, dragende zeugen en opfokzeugen van 25 kg en meer;


meer dan 500 gespeende biggen van minder dan 25 kg;


meer dan 50 vleeskalveren jonger dan 1 jaar, overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar of overig rundvee van 2 jaar en ouder; of


meer dan 50 overige landbouwhuisdieren.





Art. 3.1 van het bestemmingsplan.


Art. 3.21 van het bestemmingsplan.


Dan aangewezen in artikel 3.201 van het Bal (IPPC-installatie) die voldoet aan de definitie in de bijlage bij de Omgevingswet onder A.


Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet geldt een vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning voor die activiteit.


Zie de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.


Zie de uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.


Zie C 14 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.


Art. 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht.


ECLI:NL:RVS:2024:4909 (Amercentrale) en ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac Son).


Zie r.o. 10.51 tot en met 10.54 van genoemde overzichtsuitspraak.


“ABRvS 9 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:543 en ABRvS 9 februari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:619”.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4555, r.o. 8.3.
Link naar deze uitspraak