|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:359 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | C/16/584641 / HA ZA 24-58 C/16/584641 / HA ZA 24-58 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Bestuurdersaansprakelijkheid. Geen persoonlijk ernstig verwijt.
De gedaagden waren bestuurders van bedrijf. Eisende partij heeft in opdracht van bedrijf een fabriek gebouwd waarin met asbest verontreinigd metaal kan worden verwerkt. Bedrijf was niet tevreden met de fabriek. Daarom heeft bedrijf een door eisende partij gegeven bankgarantie getrokken en een deel van de facturen van eisende partij onbetaald gelaten. Ruim een jaar later is bedrijf failliet gegaan. Eisende partij vindt dat de bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld in hun rol als bestuurders van bedrijf en de daardoor geleden schade van eisende partij moeten vergoeden. Eisende partij vordert € 7.002.625,13. De bestuurders zijn het daar niet mee eens. De rechtbank oordeelt dat de bestuurders geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn daarom niet als bestuurders aansprakelijk voor de gestelde schade van eisende partij. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/584641 / HA ZA 24-585
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eisende partij] KG,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland),
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaten: mr. A.E. Schluep en mr. E.M.J. Pardoen
tegen
1 [gedaagde partij sub 1] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde partij sub 1] ,2. [gedaagde partij sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde partij sub 2] ,
gedaagde partijen,
advocaten: mr. M.A. van der Pool en mr. H.P. Hieltjes.
1De procedure
1.1.
Deze procedure is begonnen met de dagvaarding van [eisende partij] met 52 bijlagen. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben daarop gereageerd met een conclusie van antwoord met 29 bijlagen. Vóór de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] een akte met bijlagen 53 t/m 69 ingediend. Ook [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben een akte ingediend, met bijlage 30.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 30 oktober 2025. Hierbij waren namens [eisende partij] aanwezig de heren [A] , [B] , [C] en [D] . Zij zijn de (voormalige) directeuren van [eisende partij] en werden vergezeld door mr. Schluep en mr. Pardoen. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] waren ook aanwezig, samen met mr. Van der Pool en mr. Hieltjes. De advocaten van [eisende partij] en van [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben pleitnota’s overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na de mondelinge behandeling hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] een akte met 12 bijlagen ingediend. [eisende partij] heeft daarop gereageerd met een akte. De rechtbank heeft daarna bepaald dat er een vonnis komt.
2De kern van de zaak
2.1.
[gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] waren bestuurders van [bedrijf] . [eisende partij] heeft in opdracht van [bedrijf] een fabriek gebouwd waarin met asbest verontreinigd metaal kan worden verwerkt. [bedrijf] was niet tevreden met de fabriek. Daarom heeft [bedrijf] een door [eisende partij] gegeven bankgarantie getrokken en een deel van de facturen van [eisende partij] onbetaald gelaten. Ruim een jaar later is [bedrijf] failliet gegaan. [eisende partij] vindt dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld als bestuurders van [bedrijf] en de daardoor geleden schade van [eisende partij] moeten vergoeden. [eisende partij] vordert € 7.002.625,13. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] zijn het daar niet mee eens. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn daarom niet als bestuurders aansprakelijk voor de gestelde schade van [eisende partij] .
3De beoordeling
Bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht
3.1.
Omdat [eisende partij] in het buitenland is gevestigd, moeten eerst de rechtsmacht en de bevoegdheid van de rechtbank worden vastgesteld. Ook moet het toepasselijke recht worden bepaald. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wonen in Nederland. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd. Niet ter discussie staat dat rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, bevoegd is gelet op de bepalingen over de relatieve bevoegdheid en de omvang van de eis. Ook zijn partijen het erover eens dat in deze zaak het Nederlandse recht wordt toegepast.
De samenwerking tussen [bedrijf] en [eisende partij]
3.2.
De afspraken tussen [bedrijf] en [eisende partij] zijn vastgelegd in een EPC-contract. Kenmerk van dit type contract is dat één partij – in dit geval [eisende partij] – verantwoordelijk is voor het hele proces en het product – in dit geval de fabriek – volgens de specificaties op een afgesproken moment moet opleveren. In het EPC-contract tussen partijen is afgesproken dat [bedrijf] de koopsom voor de fabriek van € 39.000.000,00 in delen moet betalen. Als een volgende stap in de ontwikkeling en realisatie van de fabriek wordt bereikt, moet [bedrijf] een bijbehorend deel van de koopsom aan [eisende partij] betalen. Dit worden in het EPC-contract ‘milestones’ genoemd.
3.3.
Eén van de milestones is de start van de ‘Hot Commissioning’, dat is de start van het proefdraaien van de machines met niet-verontreinigd metaal. In het EPC-contract is afgesproken dat als de Hot Commissioning niet op uiterlijk de afgesproken datum is gestart, [eisende partij] aan [bedrijf] een contractuele boete moet betalen. Die boete kan oplopen tot 10% van de koopsom.
3.4.
Om vast te stellen of de fabriek aan de afgesproken specificaties voldoet, is in het EPC-contract afgesproken dat een ‘Performance Test’ zal worden uitgevoerd. In het EPC-contract staat dat [eisende partij] tenminste drie van deze tests mag uitvoeren. Tussendoor kan [eisende partij] verbeteringen aanbrengen om bij de volgende test een beter resultaat te halen.
3.5.
Als onderdeel van de afspraken heeft [eisende partij] een bankgarantie laten stellen. [bedrijf] mag deze bankgarantie trekken bij een tekortkoming van [eisende partij] . De bankgarantie is gesteld voor maximaal 10% van de koopsom, dus voor € 3.900.000,00.
Het vermeend onrechtmatig handelen door [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2]
3.6.
Volgens [eisende partij] hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] persoonlijk ernstig verwijtbaar en dus onrechtmatig gehandeld op de volgende vier punten:
Het onbetaald laten van een deel van de Hot Commissioning Milestone
De Hot Commissioning is op 8 juni 2020 gestart. Bij deze milestone is [bedrijf] € 1.950.000,00 aan [eisende partij] verschuldigd. [bedrijf] meende volgens [eisende partij] ten onrechte dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor de start van de Hot Commissioning en dat daarom de bijbehorende milestone niet verschuldigd was. [bedrijf] heeft volgens [eisende partij] dus een deel van het verschuldigde bedrag, namelijk € 950.000,00, zonder grond onbetaald gelaten.
Het onbetaald laten van de facturen voor reserveonderdelen
[eisende partij] heeft voor de fabriek van derden reserveonderdelen gekocht en daarvoor ook derden betaald. De kosten van die reserveonderdelen zijn € 181.727,63. [eisende partij] heeft daarvoor op 31 december 2020 en 2 januari 2021 aan [bedrijf] gefactureerd. Die facturen zijn onbetaald gebleven, terwijl [bedrijf] heeft toegezegd deze te voldoen. Volgens [eisende partij] hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [bedrijf] de facturen mocht verrekenen met een contractuele boete voor het nog niet gestart zijn van de Hot Commissioning door [eisende partij] .
Het onterecht afbreken van de Performance Tests en onbetaald laten van de bijbehorende milestone
De eerste Performance Test vond plaats van 5 tot en met 12 augustus 2021. Op 13 augustus 2021 heeft [bedrijf] niet toegestaan dat nog volgende tests zouden worden uitgevoerd, wat volgens [eisende partij] in strijd is met het EPC-contract. Volgens [eisende partij] heeft [bedrijf] zich daarbij ten onrechte op het standpunt gesteld dat [bedrijf] een aanzienlijke vordering op haar had, omdat de fabriek niet aan de specificaties zou voldoen. [bedrijf] heeft daarmee ten onrechte de aan [eisende partij] verschuldigde milestone van € 1.950.000,00 voor het afronden van de Performance Tests verrekend.
Het zonder grond trekken van de bankgarantie
Na het afbreken van de Performance Tests heeft [bedrijf] op 16 augustus 2021 de bankgarantie getrokken. Volgens [eisende partij] heeft [bedrijf] dit gedaan zonder dat daarvoor een grond bestond. De bank heeft daarop € 3.900.000,00 uitbetaald aan [bedrijf] en dat bedrag vervolgens bij [eisende partij] in rekening gebracht.
3.7.
Samengevat verwijt [eisende partij] de [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] dat zij namens [bedrijf] zonder grond de bankgarantie hebben ingeroepen, omdat [bedrijf] in werkelijkheid geen vordering had op [eisende partij] die het trekken van de bankgarantie zou rechtvaardigen. Volgens [eisende partij] hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] ook willens en wetens vorderingen gefabuleerd ter verrekening en ten onrechte facturen van [eisende partij] onbetaald gelaten. En dit alles terwijl [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wisten of moesten begrijpen dat [bedrijf] geen geld had om [eisende partij] (terug) te betalen.
3.8.
[gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben de door [eisende partij] gemaakte verwijten weersproken. Zij vinden dat zij niet ernstig verwijtbaar hebben gehandeld en dus ook niet persoonlijk als bestuurders kunnen worden aangesproken tot vergoeding van schade.
Niet is voldaan aan de voorwaarden voor bestuurdersaansprakelijkheid
3.9.
In deze procedure spreekt [eisende partij] niet [bedrijf] , maar alleen haar bestuurders aan. Als uitgangspunt geldt dat de vennootschap zelf aansprakelijk is, als die vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verplichting of een onrechtmatige daad pleegt. Alleen onder bijzondere omstandigheden kunnen – naast de vennootschap – ook de bestuurders aansprakelijk zijn. Daarvoor moet aan drie voorwaarden worden voldaan:
de vennootschap is zelf tekort geschoten of heeft een onrechtmatige daad gepleegd;
de vennootschap biedt geen verhaal voor de schade; en
de bestuurders kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.
Alleen als aan deze drie voorwaarden is voldaan, kunnen bestuurders aansprakelijk zijn.
3.10.
In dit geval is rechtbank van oordeel dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, zodat niet aan de derde voorwaarde is voldaan. Dat brengt mee dat niet hoeft te worden beoordeeld of wel aan de overige voorwaarden is voldaan. Want, ook als [bedrijf] daadwerkelijk is tekort geschoten of een onrechtmatige daad heeft gepleegd tegen [eisende partij] (voorwaarde 1) én [bedrijf] inderdaad geen verhaal biedt voor de gestelde schade (voorwaarde 2), slaagt het beroep van [eisende partij] op bestuurdersaansprakelijkheid niet omdat niet aan de derde voorwaarde van een persoonlijk ernstig verwijt is voldaan.
3.11.
Dit betekent dat de rechtbank niet zal ingaan op de stellingen van [eisende partij] dat [bedrijf] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en onrechtmatig heeft gehandeld. En dus ook niet op de (geschorste) arbitrageprocedure tussen [eisende partij] en [bedrijf] die hierover gaat en waarin al een onherroepelijk vonnis is gewezen ten nadele van [bedrijf] .
3.12.
Ook zal de rechtbank niet ingaan op de vraag of [bedrijf] inderdaad geen verhaal biedt voor de door [eisende partij] gevorderde schade.
3.13.
Het antwoord op de vraag of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt – en dus op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is – is afhankelijk van de aard en ernst van de normschendig en de overige omstandigheden van het geval. In de rechtspraak worden vier verschillende situaties genoemd waarin een bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en dus naast de vennootschap kan worden aangesproken:
1. De bestuurder gaat namens de rechtspersoon een verplichting aan. De rechtspersoon schiet vervolgens tekort in de nakoming van die verplichting. De bestuurder wist bij het aangaan van de verplichting, of had toen redelijkerwijs moeten begrijpen, dat de rechtspersoon tekort zou schieten en dat deze geen verhaal zou bieden voor de schade.
2. De bestuurder laat toe – actief of passief – dat de rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een contractuele verplichting. De bestuurder wist bij zijn handelen, of had toen redelijkerwijs moeten begrijpen, dat de rechtspersoon tekort zou schieten en dat deze geen verhaal zou bieden voor de schade.
3. De bestuurder laat toe – actief of passief – dat de rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een andere verplichting. De bestuurder wist bij zijn handelen, of had toen redelijkerwijs moeten begrijpen, dat de rechtspersoon tekort zou schieten en dat deze geen verhaal zou bieden voor de schade.
4. De restcategorie: de rechtspersoon schiet tekort in de nakoming van verplichtingen of pleegt een onrechtmatige daad, en de bestuurder is op grond van andere omstandigheden aansprakelijk voor de schade.
Volgens [eisende partij] hebben verschillende van deze situaties zich voorgedaan. De rechtbank volgt [eisende partij] daarin niet.
Ad 1: met het trekken van de bankgarantie is geen nieuwe verplichting aangegaan
3.14.
Niet ter discussie staat dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] bij het aangaan van het EPC-contract niet wisten dat [bedrijf] facturen niet zou kunnen betalen. Volgens [eisende partij] zijn [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] met het trekken van de bankgarantie op 16 augustus 2021 namens [bedrijf] een nieuwe (betalings)verplichting aangegaan. Dat klopt niet. Het trekken van een bankgarantie creëert op zichzelf namelijk geen nieuwe betalingsverplichting voor de partij die tot het trekken daarvan overgaat. Wel kan een verplichting tot terugbetaling ontstaan als de bankgarantie onrechtmatig blijkt te zijn getrokken, bijvoorbeeld omdat de partij die tot het trekken overgaat zelf tekort schiet in de nakoming van een contractuele verplichting of een onrechtmatige daad pleegt. Deze situatie valt dan in categorie 4 en zal daar, bij nummer 3.24 en verder, worden besproken.
Ad 2 en 3: [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wisten niet dat [bedrijf] haar verplichtingen niet zou nakomen
3.15.
[eisende partij] stelt dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op de vier momenten waarop de verwijten zien (zie hierboven onder 3.6) wisten of moesten begrijpen dat [bedrijf] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen én geen verhaal zou bieden voor de schade. De rechtbank ziet dit niet. De vier momenten waar het om gaat (de peildata) liggen tussen 30 september 2020 (de datum waarop de Hot Commissioning milestone had moeten zijn betaald) en 16 augustus 2021 (de dag waarop de bankgarantie is getrokken). De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] voldoende hebben weersproken dat zij in deze periode wisten of hadden moeten begrijpen dat [bedrijf] haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel komt.
[bedrijf] kreeg nog nieuwe financieringen en is nog ruim een jaar operationeel geweest
3.16.
[eisende partij] heeft gesteld dat [bedrijf] slechts tot 22 juli 2020 – de beoogde datum van oplevering van de fabriek – voorzien was van voldoende financiering. Volgens [eisende partij] wisten [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] daarom op de vier momenten – die allemaal ná 22 juli 2020 liggen –dat [bedrijf] geen geld meer had en betalingsverplichtingen ten opzichte van [eisende partij] niet zou kunnen voldoen. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben dit gemotiveerd betwist. Zij hebben erop gewezen dat [bedrijf] ook ná 22 juli 2020 nieuwe financieringen heeft verkregen van banken en aandeelhouders. Daarnaast hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] erop gewezen dat [bedrijf] ná het beëindigen van de samenwerking met [eisende partij] in augustus 2021 nog ruim een jaar operationeel is geweest, ondanks de problemen met de fabriek en het gebrek aan productiecapaciteit. Het faillissement van [bedrijf] volgde pas in november 2022. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op de genoemde peildata niet hoefden te voorzien dat [bedrijf] niet in staat zou zijn haar verplichtingen te voldoen én geen verhaal zou bieden.
De behoefte aan inkomsten staat niet gelijk aan financiële problemen
3.17.
[eisende partij] heeft nog aangevoerd dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] al vóór het trekken van de bankgarantie zelf hebben verklaard dat [bedrijf] behoefte had aan inkomsten en daarom zo snel mogelijk operationeel moest worden. Hieruit zou volgen dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wisten of moesten vermoeden dat [bedrijf] geen geld meer had om [eisende partij] te betalen. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] weerspreken niet dat zij in de relevante periode gezegd hebben dat [bedrijf] behoefte had aan inkomsten en dat zij daarom aandrongen op commerciële productie. Maar zij betwisten wel dat zij toen wisten of moesten begrijpen dat [bedrijf] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen of geen verhaal zou bieden. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben tijdens de mondeling behandeling uitgelegd dat het voor het vertrouwen van de markt, financiers en aandeelhouders belangrijk was dat de fabriek op korte termijn operationeel zou worden en inkomsten zou generen. De rechtbank vindt deze uitleg niet onbegrijpelijk. [eisende partij] heeft ten onrechte aan de behoefte aan inkomsten de conclusie verbonden dat [bedrijf] op dat moment niet in staat zou zijn haar verplichtingen tegenover [eisende partij] te voldoen en dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] dat ook wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten. De stelling van [eisende partij] is daarom onvoldoende onderbouwd.
Niet gebleken is dat op de peildata rekening werd gehouden met een faillissement van [bedrijf]
3.18.
Uit de door [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] na de zitting overgelegde stukken blijkt dat een kantoorgenoot van de advocaat van [bedrijf] werkzaamheden voor [bedrijf] heeft verricht. Dit is gebeurd in de periode ná het trekken van de bankgarantie en vóór de daadwerkelijke uitbetaling door de bank. De regel op de urenspecificatie waarin is omschreven wat deze kantoorgenoot heeft gedaan, is zwartgelakt. Volgens [eisende partij] gaat het om een advocaat die ook als curator optreedt. [eisende partij] leidt hieruit af dat [bedrijf] op dat moment kennelijk dus rekening hield met een faillissement.
3.19.
De rechtbank is van oordeel dat deze conclusie niet kan worden getrokken. Bij gebreke aan verdere informatie over de werkzaamheden en de achtergrond daarvan, is deze stelling van [eisende partij] onvoldoende onderbouwd. Uit het feit dat een advocaat die ook als curator optreedt op één dag werkzaamheden in rekening brengt bij [bedrijf] , kan niet worden geconcludeerd dat [bedrijf] toen al rekening hield of moest houden met een faillissement. Ook uit de overige stukken is niet gebleken dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op de peildata voorzagen dat [bedrijf] failliet zou gaan.
De bankgarantie was niet nodig om faillissement af te wenden
3.20.
Volgens [eisende partij] hebben [gedaagde partij sub 1] een [gedaagde partij sub 2] precies een maand nadat de bankgarantie was getrokken, bij een zitting in een andere procedure verklaard dat [bedrijf] geen geld had om [eisende partij] te betalen en dat [bedrijf] het geld van de bankgarantie nodig had om haar bedrijfsvoering te bekostigen. Ook hieruit zou volgen dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wisten dat [bedrijf] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.
3.21.
[gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben weersproken dat zij deze uitspraken hebben gedaan. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben toegelicht hoe [eisende partij] een verkeerde uitleg geeft aan wat zij tijdens de betreffende zitting hebben gezegd. Het gaat om een zitting in de kort geding procedure over het beslag dat [eisende partij] , in reactie op het trekken van de bankgarantie, op de bankrekeningen van [bedrijf] had laten leggen. Door het beslag was [bedrijf] niet meer in staat betalingen te doen. Het beslag trof namelijk niet alleen de geblokkeerde rekening waarop de € 3.900.000,00 was gestort, maar alle rekeningen van [bedrijf] . De rechtbank is het met [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] eens dat uit de mededeling dat [bedrijf] groot en spoedeisend belang had bij het opheffen van het beslag niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op het moment van het trekken van de bankgarantie of daarvoor wisten of hadden moeten weten dat [bedrijf] niet aan haar verplichtingen kon voldoen en geen verhaal zou bieden.
Verpanding aan de bank betekent niet dat [bedrijf] niet aan verplichtingen kan voldoen
3.22.
Als zekerheid voor de door de bank verstrekte financiering heeft [bedrijf] al haar goederen aan de bank in onderpand gegeven. De bank kan zich daarop verhalen als [bedrijf] niet aan haar verplichtingen uit de financieringsovereenkomst voldoet. [eisende partij] stelt dat deze verpanding tot gevolg heeft dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wisten, of moesten weten, dat [bedrijf] haar verplichtingen tegenover derden niet zou kunnen nakomen. Het pandrecht van de bank gaat dan immers voor. Ook hier is de rechtbank het niet mee eens. De bank heeft de financiering verstrekt zodat [bedrijf] aan haar verplichtingen tegenover derden kan voldoen. Van het uitwinnen van het pandrecht – met als gevolg dat verplichtingen tegenover derden niet meer kunnen worden voldaan – is daarom geen sprake. [eisende partij] heeft ook niet gesteld dat het pandrecht van de bank aan het nakomen van de verplichtingen van [bedrijf] tegenover [eisende partij] in de weg heeft gestaan.
Tussenconclusie: geen bestuurdersaansprakelijkheid op grond van situatie 2 of 3
3.23.
De stelling van [eisende partij] dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op de vier verweten momenten wisten of hadden moeten begrijpen dat [bedrijf] haar verplichtingen niet zou nakomen of geen verhaal zou bieden, slaagt gelet op het voorgaande niet. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] kan ook op die grond geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt dat tot aansprakelijkheid leidt.
Ad 4: ook geen aansprakelijkheid op grond van andere omstandigheden
3.24.
Voor de restcategorie, hierboven genoemd in 3.13 onder 4, is niet vereist dat de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. Het gaat hier om uitzonderlijke gevallen, waarin de bestuurder een zeer ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze drempel voor aansprakelijkheid is in deze situatie doorgaans dus (nog) hoger dan in de andere drie situaties. De door [eisende partij] in dit kader genoemde verwijten halen deze drempel niet.
3.25.
[eisende partij] stelt dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] in 2021 doelbewust aanstuurden op het trekken van de bankgarantie. Volgens [eisende partij] was dit bijzonder roekeloos omdat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wisten, of moesten weten, dat voor het trekken van de bankgarantie geen technische of juridische grond bestond en dat het trekken van de bankgarantie [eisende partij] in grote financiële problemen zou brengen. [eisende partij] maakt [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] dus drie verwijten:
i) zij stuurden doelbewust aan op het trekken van de bankgarantie;
ii) zij wisten of moesten weten dat daarvoor geen grond bestond; en
iii) zij wisten of moesten weten dat het [eisende partij] in grote problemen zou brengen.
( i) [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben niet doelbewust aangestuurd op het trekken van de bankgarantie
3.26.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] voldoende hebben weersproken dat zij doelbewust aanstuurden op het trekken van de bankgarantie. Uit de stukken blijkt dat voor het trekken van de bankgarantie niet meer nodig was dan alleen de verklaring van [bedrijf] aan de bank dat [eisende partij] haar contractuele verplichtingen niet was nagekomen. Afgesproken is dat zodra [bedrijf] vaststelt dat [eisende partij] tekortschiet in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, [bedrijf] de bankgarantie kan trekken. Uit de stukken blijkt dat [bedrijf] er al in 2020 van overtuigd was dat [eisende partij] tekortschoot in haar verplichtingen uit hoofde van het EPC-contract en zij daarom vanaf toen al de bankgarantie had kunnen trekken. Maar [bedrijf] deed dit toen nog niet en wachtte daarmee tot 16 augustus 2021. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] stuurden dus niet pas in augustus 2021 aan op het trekken van de bankgarantie. Het verwijt van [eisende partij] dat zij dit wel hebben gedaan, is daarom onjuist. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] waren er toen namelijk al geruime tijd van overtuigd dat de bevoegdheid om de bankgarantie te trekken al bestond. [bedrijf] heeft zich in dit kader laten adviseren door advocaten. Het was voor [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] dus niet de vraag of zij de bankgarantie mochten trekken, maar of [bedrijf] die bevoegdheid zou gaan gebruiken en, zo ja, wanneer.
(ii) Er was een technische en juridische basis voor het trekken van de bankgarantie
3.27.
[gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] kan ook niet worden verweten dat het daadwerkelijk trekken van die garantie bijzonder roekeloos was. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] mochten er toen namelijk van uitgaan dat er een technische en juridische basis was voor het trekken van de bankgarantie.
De technische basis
3.28.
[eisende partij] stelt dat voor het trekken van de bankgarantie de technische basis ontbrak. In de context van de bestuurdersaansprakelijkheid gaat het dan om de vraag of [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat zij niet konden menen dat die technische basis – de conclusie dat de fabriek niet aan de technische eisen voldeed – er wel was. De rechtbank beantwoordt die vraag met ‘nee’.
3.29.
Allereerst is daarvoor van belang dat niet in geschil is dat de oplevering van de fabriek ernstig was vertraagd. In het EPC-contract was ervan uitgegaan dat de periode van Hot Commissioning maximaal 40 dagen zou duren. Aan het einde van die periode zou door middel van de Performance Tests moeten worden vastgesteld of de fabriek aan de technische eisen voldoet. De Hot Commissioning is uiteindelijk gestart op 8 juni 2020. En 40 dagen later was de fabriek nog niet klaar voor de Performance Tests. En na zeven maanden ook niet. Op 18 januari 2021 hebben [bedrijf] en [eisende partij] samen vastgesteld dat de fabriek nog niet aan de technische vereisten voldeed en hebben zij een ‘Provisional Acceptance Certificate’ getekend. In dat document is afgesproken dat [bedrijf] de fabriek al in gebruik mocht nemen en dat [eisende partij] de werkzaamheden aan de fabriek zou voortzetten totdat alsnog aan de technische vereisten zou zijn voldaan. Pas vanaf 5 augustus 2021, en dus 14 maanden na de start van de Hot Commissioning, vindt op aandringen van [bedrijf] de eerste Performance Test plaats. Uit de grote vertraging en de weerstand bij [eisende partij] om tot de Performance Test over te gaan, hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] afgeleid dat de fabriek toen waarschijnlijk nog steeds niet aan technische vereisten voldeed. De rechtbank vindt dit niet onbegrijpelijk.
3.30.
Ten tweede is van belang dat [bedrijf] volgens [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] ten tijde van de Performance Test het vertrouwen had verloren dat de fabriek in de toekomst alsnog aan de technische vereisten zou kunnen voldoen. Op de zitting hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] verteld dat [bedrijf] al in februari 2021 constateerde dat de fabriek door de wijze waarop [eisende partij] deze ontworpen en gebouwd had niet aan de specificaties zou kunnen voldoen en dat een extra investering van € 10 à 15 miljoen nodig zou zijn om wel op niveau te komen. Vast staat dat een dergelijke investering niet is gedaan. Na de eerste Performance Test concludeerde [bedrijf] dat de prestaties ver verwijderd zijn van de overeengekomen criteria. Achteraf is dat bevestigd in een rapport van DNV. [eisende partij] heeft wel kanttekeningen geplaatst bij dat rapport, maar ook na verwerking van die opmerkingen is de conclusie van DNV gelijk gebleven.
3.31.
Ten derde is van belang dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] , toen zij op 13 augustus 2021 de conclusie trokken dat niet aan de technische vereisten werd voldaan en ook niet te verwachten was dat daaraan zou kunnen worden voldaan, daarvoor steun vonden in het rapport van DNV. Vast staat dat DNV al sinds 2017 bij het project betrokken was. DNV was aanwezig bij de Performance Test in augustus 2021 en heeft daarover gerapporteerd. Volgens DNV zijn de “overall” prestaties niet bereikt en is daarin tekortgeschoten tijdens de Performance Test. De prestaties van de fabriek waren toen op 50% van het niveau dat zou moeten worden gehaald. DNV uit in het rapport ‘grote twijfels’ over de vraag of de afgesproken resultaten met een verbeterslag alsnog kunnen worden bereikt.
3.32.
[eisende partij] heeft deze conclusies van DNV betwist. Ter onderbouwing verwijst [eisende partij] naar haar reactie van 4 oktober 2021 op het rapport van DNV van 13 september 2021, het rapport van EY van 8 december 2021 en op de problemen die [bedrijf] eind 2021 en in 2022 had met de aanlevering van voldoende grondstoffen voor de fabriek. Hieruit zou volgen dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] bij het inroepen van de bankgarantie niet konden menen dat de fabriek niet aan de technische eisen voldeed. Deze betwisting is onvoldoende. [eisende partij] verwijst namelijk naar omstandigheden van ná 13 augustus 2021, de datum waarop [bedrijf] de Performance Tests afbrak, en ná 16 augustus 2021, de datum waarop [bedrijf] vervolgens de bankgarantie trok. Daaruit volgt niet dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] er ook al daarvóór van uit moesten gaan dat de advisering door DNV onjuist was. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] mochten ten tijde van het afbreken van de Performance Tests en het trekken van de bankgarantie dan ook vertrouwen op de juistheid van de advisering door DNV. [eisende partij] heeft nog opgemerkt dat het relevante DNV rapport alleen over de eerste dag van deze Performance Test gaat. Over de tweede en derde dag wordt daarin nog geen verslag gedaan. Maar anders dan [eisende partij] veronderstelt, betekent dit niet dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] niet mochten vertrouwen op de onderbouwde conclusies die DNV trok naar aanleiding van de eerste dag. Zeker niet gelet op de eerder constatering van [eisende partij] en [bedrijf] begin 2021 dat de fabriek niet aan de technische vereisten voldeed.
3.33.
De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen of de inschatting van [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] over de technische prestaties van de fabriek en de advisering door DNV juist waren. Maar dat is voor de beoordeling van deze zaak ook niet van doorslaggevend belang. Want ook als achteraf zou worden vastgesteld dat deze inschatting onjuist was – denkbaar is dat de prestaties na aanpassingen en volgende Performance Tests aanzienlijk zouden zijn verbeterd, maar [eisende partij] heeft daarvoor de kans niet gekregen – brengt dit nog niet mee dat [gedaagde partij sub 1] in [gedaagde partij sub 2] hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij hadden namelijk, mede op basis van de advisering van DNV, navolgbare aanleiding om te denken dat de prestaties van de fabriek ver onder het afgesproken niveau lagen en dat [bedrijf] daarom een aanzienlijke vordering tegen [eisende partij] zou hebben. Dat later in de arbitrageprocedure is geoordeeld dat [bedrijf] uitging van een onjuiste interpretatie van het EPC-contract, maakt dit niet anders. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben, op grond van het beeld dat zij destijds hadden van de technische prestaties van de fabriek, en de juridische consequenties daarvan als bestuurders van [bedrijf] besloten de samenwerking met [eisende partij] te beëindigden en de schade van [bedrijf] zoveel mogelijk te beperken. Dit laatste behoort bij uitstek tot het domein van een bestuurder van een vennootschap.
De juridische basis 1: de advisering door de advocaat
3.34.
[eisende partij] stelt dat de bankgarantie zonder deugdelijke juridische basis is getrokken. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] vinden dat hen ook op dit punt geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat zij zich daarin hebben laten adviseren door een advocaat. Volgens [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] volgden zij de interpretatie van het EPC-contract en het advies daarover van de advocaat. Op de zitting hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] verklaard dat zij de advocaat steeds op de hoogte hielden van de ontwikkelingen tussen [bedrijf] en [eisende partij] en dat zij zich daarin voortdurend lieten adviseren. Dat was nodig omdat [bedrijf] zich nog in de opstartfase bevond en zelf nog geen inkomen genereerde. Bij het opstellen van het EPC-contract werd [bedrijf] geadviseerd door de advocaat die gespecialiseerd is in dit type contracten en ook bij de discussie die tussen [bedrijf] en [eisende partij] ontstond tijdens de bouw van de fabriek was deze advocaat steeds betrokken. De advocaat adviseerde [bedrijf] bovendien al eind 2020 dat niet aan de voorwaarden voor de start van de Hot Commissioning was voldaan en dat [bedrijf] daarom de bijbehorende milestone niet hoefde te betalen en aanspraak kon maken op een contractuele boete. Die boete liep per week op, tot na een half jaar het maximum van 10% van de koopsom zou zijn bereikt. Op basis van dit advies heeft [bedrijf] een deel van de milestone onbetaald gelaten en de facturen voor de reserveonderdelen verrekend met de verschuldigde contractuele boete.
3.35.
[eisende partij] heeft niet weersproken dat de advocaat van [bedrijf] op 26 oktober 2020 en op 10 februari 2021 heeft geadviseerd dat de bankgarantie mocht worden getrokken. De advocaat adviseerde dit alleen niet overhaast te doen, maar te wachten tot het moment dat de schade die [bedrijf] op [eisende partij] wilde verhalen hoger zou zijn dan de verrekening van de contractuele boete die [bedrijf] in het najaar van 2020 had ingezet. De rechtbank stelt vast dat de uitgangspositie van [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op basis daarvan was dat [bedrijf] de bankgarantie al mocht trekken, maar dat daarmee werd gewacht tot het moment dat dit daadwerkelijk nodig zou zijn.
3.36.
Vóór het daadwerkelijk trekken van de bankgarantie heeft het betreffende advocatenkantoor geholpen bij het opstellen van de brief aan de bank. Daaruit blijkt niet dat door de advocaat van [bedrijf] geadviseerd werd op dat moment de bankgarantie te trekken, zoals [eisende partij] heeft aangevoerd. Maar het tegenovergestelde blijkt daaruit evenmin. Door de advocaat werd niet teruggekomen op het eerdere advies over het trekken van de bankgarantie. De assistentie van het advocatenkantoor was dus in feite de uitvoering van wat eerder al was geadviseerd. Met het trekken van de bankgarantie handelde [bedrijf] dus nog in lijn met de eerdere advisering door de advocaat.
3.37.
Uit de stukken volgt bovendien dat de advocaat vervolgens ook heeft geadviseerd rondom het moment van het afbreken van de Performance Tests en het nadien trekken van de bankgarantie. In de stukken die [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] ná de zitting hebben overgelegd is namelijk te lezen dat meerdere keren telefonisch overleg heeft plaatsgevonden met de advocaat. De rechtbank is het met [eisende partij] eens dat uit deze stukken niet blijkt dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] in het telefonisch overleg is geadviseerd de bankgarantie te trekken. Maar anders dan [eisende partij] heeft aangevoerd, kan uit alleen de beperkte tijdsduur van de advisering door de advocaat niet worden afgeleid dat een dergelijk advies niet kan zijn gegeven. Een advocaat die al vanaf het opstellen van het EPC-contract betrokken is, kan in de opgegeven 12 minuten het rapport van DNV van 3 pagina’s lezen en daarover in de opgegeven 48 minuten telefonisch adviseren. Zonder verdere onderbouwing door [eisende partij] gaat de rechtbank er niet van uit dat dit onmogelijk is.
3.38.
In een e-mail van 13 augustus 2021 aan [eisende partij] zet [bedrijf] uiteen wat haar standpunt is over het niet voldoen van de fabriek, het beëindigen van de Performance Tests en over de claim van [bedrijf] tegen [eisende partij] . In de door [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] overgelegde stukken is te lezen dat het concept van deze e-mail voorafgaand aan het uitsturen daarvan naar [eisende partij] tenminste twee keer schriftelijk aan de advocaat is voorgelegd voordat deze naar [eisende partij] is uitgestuurd. Tussen partijen staat niet ter discussie dat uit de urenspecificatie van de advocaat blijkt dat hij ook daadwerkelijk tijd heeft besteed aan het lezen van het concept van de e-mail en aan telefonisch overleg met [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] . Ook staat in de door [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] overgelegde correspondentie dat de opmerkingen van de advocaat in de e-mail zijn verwerkt. De stelling van [eisende partij] dat onbekend is of de advocaat wijzigingen of aanvullingen heeft voorgesteld en of die dan zijn overgenomen, is daarom onjuist. Op grond van het voorgaande hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] voelde onderbouwd dat zij zich juridisch hebben laten adviseren over het beëindigen van de Performance Tests en het trekken van de bankgarantie en van die advisering zijn uitgegaan.
3.39.
Voor de beoordeling van deze zaak is niet van doorslaggevend belang of de advisering door de advocaat juridisch juist was. Ook als namelijk achteraf zou blijken dat die advisering onjuist was – zoals nadien is geoordeeld in het arbitrale vonnis tussen [eisende partij] en [bedrijf] – gaat het nu alleen om de vraag of [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op het moment van de handelingen die [eisende partij] hen verwijt, mochten vertrouwen op het juridische advies van de advocaat of dat hen – door dit te volgen – een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. En daarvoor geldt dat een bestuurder in beginsel mag vertrouwen op het advies van een advocaat. Niet valt in te zien waarom [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] eraan moesten twijfelen dat de interpretatie en van het EPC-contract door de advocaat en het daarover gegeven juridische advies juist waren. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] konden er daarom op dat moment redelijkerwijs van uitgaan dat [bedrijf] de Hot Commissioning milestone niet hoefde te betalen, de rekeningen voor de reserveonderdelen mocht verrekenen, de Performance Tests mocht afbreken en de bankgarantie mocht trekken. Ook als die interpretatie en advisering achteraf inderdaad onjuist blijken te zijn, zoals [eisende partij] betoogt en ook in het arbitraal vonnis is geoordeeld, maakt dit niet dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] door het volgen daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De juridische basis 2: de onderbouwing van de vorderingen van [bedrijf]
3.40.
[eisende partij] stelt dat er voor [bedrijf] geen aanleiding was de bankgarantie te trekken, omdat [bedrijf] haar vorderingen nog kon verrekenen met de vorderingen van [eisende partij] op [bedrijf] .
3.41.
Ten aanzien van de vorderingen van [eisende partij] op [bedrijf] overweegt de rechtbank dat [eisende partij] één vordering noemt die niet in deze procedure wordt genoemd, maar wel het bedrag van de bankgarantie doet overstijgen. Die vordering is daarmee cruciaal voor de stelling dat [bedrijf] haar (vermeende) vorderingen nog had kunnen verrekenen en niet tot het trekken van de bankgarantie over hoefde te gaan. Het gaat om een vordering van € 3.180.493,83 voor ‘additional works’. Die vordering heeft [eisende partij] op 20 oktober 2021 aan [bedrijf] gemeld. Daaruit volgt dat [bedrijf] op het moment van het trekken van de bankgarantie nog niet bekend was met deze vordering. [bedrijf] kon deze vordering dus ook niet betrekken in de beoordeling of zij haar vorderingen nog kon verrekenen met vorderingen van [eisende partij] .
3.42.
Ten aanzien van de vorderingen van [bedrijf] op [eisende partij] overweegt de rechtbank dat in de e-mail van 13 augustus 2021 wel bedragen worden genoemd, maar de onderbouwing daarvan minimaal is. Uit de toelichting die [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] op de zitting en in de akte na de zitting hebben gegeven, begrijpt de rechtbank dat [bedrijf] enerzijds uitgaat van de in het EPC-contract afgesproken maximale aansprakelijkheid van [eisende partij] en anderzijds ten behoeve van het treffen van een schikking de eigen schade begroot op hetzelfde bedrag als de dan bekende vorderingen van [eisende partij] op [bedrijf] .
In artikel 28 van het EPC-Contract is de aansprakelijkheid van [eisende partij] namelijk begrensd op 13% van de koopsom. Daarvan was volgens [bedrijf] een groot deel – 10%, dat is € 3.900.000,00 – al volgelopen met de contractuele boete die in de ogen van [bedrijf] was verbeurd. In de e-mail van 13 augustus 2021 maakt [bedrijf] daarom aanspraak op de resterende 3%, dat is € 1.170.000,00.
Van de koopsom was nog € 2.900.000,00 onbetaald gebleven. Dat is het restant ter grootte van € 950.000,00 van de Hot Commissioning milestone en de gehele Final Acceptance Certificate milestone van € 1.950.000,00. [bedrijf] onderbouwt in de e-mail niet wat de vergoeding zou moeten zijn voor het feit dat de fabriek minder presteert dan vooraf was overeengekomen. Op de zitting hebben [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wel uitgelegd dat in het voorjaar van 2021 was begroot dat een aanvullende investering van € 10 à 15 miljoen nodig was om alsnog op de vooraf overeengekomen prestaties te komen. Ten opzichte van die inschatting stelt [bedrijf] in de e-mail van 13 augustus 2021 kennelijk aan [eisende partij] voor om tegenover de vordering van [eisende partij] van € 2.900.000,00 een vordering van [bedrijf] van gelijke grootte te zetten. [bedrijf] noemt daarmee een bedrag dat lager is dan de eerdere inschatting van benodigde extra investeringen.
3.43.
De rechtbank is op grond van deze overwegingen van oordeel dat niet gebleken is van volledig uit de lucht gegrepen vorderingen, die zouden zijn gefabriceerd met het enkele doel om de bankgarantie te trekken. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] kan geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt van de wijze waarop zij tot de bedragen zijn gekomen die in de e-mail van 13 augustus 2021 zijn genoemd.
(iii) De gevolgen van het trekken van de bankgarantie voor [eisende partij]
3.44.
[eisende partij] heeft gesteld dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] wisten dat het trekken van de bankgarantie grote gevolgen zou hebben voor [eisende partij] . [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben dit niet betwist. Voor zover [eisende partij] meent dat daarom de bankgarantie niet had mogen worden getrokken, is de rechtbank het daar niet mee eens. In de bankgarantie is omschreven onder welke omstandigheden tot het trekken daarvan mag worden overgegaan. Daar is niet opgenomen dat de garantie niet mag worden getrokken als dit grote gevolgen heeft voor [eisende partij] . Bovendien staat vast dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben gewacht met het door [bedrijf] laten trekken van de bankgarantie tot het moment dat zij, op grond van de het beeld dat zij destijds hadden van de technische prestaties van de fabriek en de juridische consequenties daarvan, besloten de samenwerking met [eisende partij] te beëindigden. Dat was het moment om de schade van [bedrijf] zoveel mogelijk te beperken. Dat het handelen in het belang van de eigen vennootschap – [bedrijf] – grote gevolgen heeft voor de contractspartij – [eisende partij] – betekent niet dat van het handelen in het belang van de eigen vennootschap moet worden afgezien. Dat laatste, handelen in het belang van de vennootschap, is namelijk de taak van de bestuurder.
Niet gebleken is dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] persoonlijk voordeel hebben genoten
3.45.
Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] als bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, vindt de rechtbank het verder van belang dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] zelf geen voordeel hebben gehad van het handelen dat [eisende partij] hen verwijt. Niet is gebleken dat zij zichzelf op enige manier hebben bevoordeeld. Dit is in lijn met wat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben aangevoerd, namelijk dat zij steeds alleen hebben gehandeld in het belang van [bedrijf] , de vennootschap waarvan zij bestuurder waren.
Conclusie: [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de gestelde schade
3.46.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] niet zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat hun een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt op de vier door [eisende partij] genoemde punten. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben voldoende onderbouwd dat zij op de peildata niet wisten of hoefden te weten dat [bedrijf] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Ook op andere gronden is niet gebleken van persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben voldoende onderbouwd dat zij hebben gehandeld op basis van en in overeenstemming met de advisering door de technisch adviseur en de advocaat van [bedrijf] . Dat later, dus ná het handelen van [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] , in de arbitrageprocedure anders is geoordeeld over die advisering, doet hier niet aan af. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hebben dus niet onrechtmatig gehandeld tegenover [eisende partij] en zijn daarom niet aansprakelijk voor de door [eisende partij] gestelde schade.
[gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hoeven de kosten van procedures in Duitsland niet te vergoeden
3.47.
[eisende partij] heeft in Duitsland geprocedeerd tegen haar bank over het laten trekken van de bankgarantie door [bedrijf] . [eisende partij] wil nu de kosten van die procedures verhalen op [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] . Het gaat om € 20.897,50 voor procedures bij het Landgericht en het Oberlandgericht. Dit zijn kosten die zijn gemaakt ter voorkoming van schade. Dat de procedures niet succesvol waren, is niet van belang. [eisende partij] kan deze kosten niet op [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] verhalen. Omdat zij niet als bestuurders aansprakelijk zijn voor het trekken van de bankgarantie door [bedrijf] , zijn zij ook niet aansprakelijk voor de kosten van procedures van [eisende partij] tegen de bank over het laten trekken van de bankgarantie.
[gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hoeven de beslagkosten niet te vergoeden
3.48.
In reactie op het trekken van de bankgarantie, heeft [eisende partij] beslag laten leggen op de rekeningen van [bedrijf] . Na een procedure daarover is het beslag opgeheven. In de nu voorliggende zaak heeft [eisende partij] gevorderd dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] de kosten van het beslag en de procedure daarover vergoeden. De rechtbank wijst die vordering af. [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] zijn namelijk niet als bestuurders aansprakelijk voor het trekken van de bankgarantie door [bedrijf] , zodat ook deze vordering niet wordt toegewezen.
[eisende partij] moet de proceskosten van [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] vergoeden
3.49.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.626,00
- salaris advocaat
€
10.892,50
(2,5 punten × € 4.357,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
13.696,50
3.50.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.51.
De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door partijen is gevraagd. Dit betekent dat [eisende partij] ook de proceskosten moet betalen als hoger beroep wordt ingesteld.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
4.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 13.696,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 en als [eisende partij] niet binnen die veertien dagen heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van de vijftiende dag na de genoemde aanschrijving tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [eisende partij] in de kosten van betekening als [eisende partij] niet binnen veertien dagen na aanschrijving heeft betaald en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over die kosten, met ingang van de dag na de dag van betekening tot de dag van volledige betaling,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Snoo, mr. K.G.F. van der Kraats en mr. C.A.J. van Yperen en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026
[bedrijf] is de afkorting van [bedrijf] B.V. Voor de leesbaarheid wordt de afkorting [bedrijf] gebruikt.
EPC staat voor Engineering, Procurement en Construction.
Arbitraal vonnis NAI 26 oktober 2023, NAI nr. 4941.
Zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/ […] ).
Zie Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)
Ook de arbiters komen in het arbitraal vonnis, paragraaf 3.20, tot die conclusie.
Zie voor een vergelijkbaar oordeel: Gerechtshof Den Haag 1 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:866
De laatste termijn van de koopsom, te betalen bij de oplevering van de fabriek.
Dergelijke kosten zijn op grond van artikel 6:96, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek onderdeel van de schade die moet worden vergoed. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|