|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:6753 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-10-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-10-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 26/290 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beroep gegrond. De opgelegde boete kan geen standhouden, omdat vóór of tijdens het gesprek hierover niet de cautie is gegeven. | | Trefwoorden | : | aow | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/290
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (de Svb)
(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning).
Inleiding
1. Eiser ontvangt vanaf 28 november 2017 alleenstaandenpensioen op grond van de AOW.
2. Op enig moment is bij de Svb twijfel ontstaan over de woon- en leefsituatie van eiser. Mevrouw [A] heeft zich namelijk in de BRP laten inschrijven op eisers adres. Om deze reden heeft de Svb onderzoek gedaan en op basis hiervan per december 2019 de AOW herzien naar een gehuwdenpensioen. Eiser heeft bezwaar gemaakt. De Svb is in de beslissing op bezwaar van 21 mei 2025 gebleven bij de herziening, maar heeft wel de ingangsdatum gewijzigd naar januari 2020. Het beroep hiertegen is met de uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2025 ongegrond verklaard.
3. De Svb heeft vervolgens met het besluit van 21 juli 2025 (het primaire besluit) een bedrag van € 27.800,- aan te veel ontvangen pensioen teruggevorderd en een boete opgelegd van € 5.533,33. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde boete.
4. De Svb heeft het bezwaar met het besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
5. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de Svb deelgenomen.
Bestreden besluit (in essentie)
6. Svb heeft een boete opgelegd aan eiser, omdat hij niet heeft gemeld dat zijn woonsituatie is veranderd sinds 15 maart 2019. Dit had wel gemoeten, omdat het van invloed is op de hoogte van het AOW-pensioen.
7. De Svb is voor hoogte van de boete uitgegaan van 50% van het benadelingsbedrag. De boete mag echter niet hoger zijn dan de maximale boete die de strafrechter oplegt. Om deze reden is de boete lager vastgesteld dan daadwerkelijk 50% van het benadelingsbedrag. De Svb is niet gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van een boete af te zien.
Beroepsgronden (in essentie)
8. Eiser benadrukt dat hij mevrouw [A] onderdak heeft verschaft uit medemenselijkheid en liefdadigheid. De manier van onderzoek van de Svb past hier niet bij. Het heeft de aard van een opsporingsexercitie, doordat het zich richtte op een groep AOW-gerechtigden die iemand op hun adres hadden laten inschrijven. Daar komt bij dat een boete geldt als ‘criminal charge’ waarvoor bij aanvang van een gehoor de cautie moet worden gegeven. Dit is in dit geval van belang omdat tijdens het huisbezoek de eerste vragen aan eiser gelijk gericht waren op het niet doorgeven van een gezamenlijke huishouding. Het is niet correct dat de cautie pas veel later is gegeven, in een gesprek waar ook familieleden bij waren. Los van deze vormfout was de huiselijke situatie ook dermate heftig, onder andere vanwege psychiatrische interventies voor mevrouw [A] , dat in redelijkheid geen mededeling van een gezamenlijke huishouding kon worden verwacht.
Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in beroep niet is opgekomen tegen de terugvordering. Het beroep heeft daarom enkel betrekking op de opgelegde boete. In het navolgende zal de rechtbank het bestreden besluit beoordelen aan de hand van wat eiser hiertegen heeft aangevoerd.
Het geven van de cautie
10. De verplichting om in bepaalde gevallen de cautie te geven is neergelegd in artikel 5:10a van de Awb. Het eerste lid bepaalt dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. In het tweede lid is geregeld dat de betrokkene wordt gewaarschuwd: voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
11. De rechtbank stelt vast dat tijdens het huisbezoek van 12 november 2024 een gesprek met eiser is gevoerd waarin vragen zijn gesteld aan de hand van de checklist gezamenlijke huishouding. De informatie die van eiser verkregen is, is op deze checklist ingevuld. De Svb erkent dat de cautie niet is gegeven voorafgaand of tijdens dit gesprek. Op de zitting heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat tijdens het huisbezoek (en het toen gevoerde gesprek) alleen nog onderzoek werd gedaan naar de rechtmatigheid van het verstrekte AOW-pensioen en er nog geen redelijk vermoeden was dat een boete opgelegd kon worden. Voorafgaand aan het boetegesprek van 5 maart 2025 heeft een medewerker van de Svb wel de cautie gegeven. Uit het verslag van het boetegesprek blijkt echter dat al op basis van de informatie verkregen tijdens het gesprek met eiser op 12 november 2024 is geconcludeerd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Tijdens de zitting heeft de Svb ook aangegeven dat het boetebesluit niet is gebaseerd op de verklaring tijdens het boetegesprek.
11. De rechtbank overweegt dat voor de vraag of het (on)overkomelijk is dat voorafgaand of tijdens het gesprek bij het huisbezoek geen cautie is gegeven diverse factoren van belang zijn. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat het onder meer gaat om de vraag of het verkregen bewijs ten grondslag is gelegd aan de veroordeling. Ook is van belang of het gaat om bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de uitkeringsgerechtigde (wilsafhankelijk materiaal), zoals verklaringen. Het verkrijgen van zodanig materiaal mag worden afgedwongen ten behoeve van de vaststelling van het recht op uitkering. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal ook in verband met een “criminal charge” (wat een bestuurlijke boete is) tegen de uitkeringsgerechtigde zal worden gebruikt, zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de uitkeringsgerechtigde zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter die oordeelt over de “criminal charge” in de vereiste waarborgen te voorzien.
13. De rechtbank stelt vast dat de Svb bij het opleggen van de boete zich heeft gebaseerd op informatie verkregen tijdens het gesprek met eiser bij het huisbezoek op 12 november 2024. Voorafgaand of tijdens dit gesprek is aan eiser niet de cautie gegeven. De stelling van de Svb dat op het moment van het huisbezoek alleen nog naar de rechtmatigheid van het verstrekte AOW-pensioen onderzoek werd gedaan, dat wil zeggen naar de wijze van samenleven, maakt niet dat afgezien kon worden van het geven van de cautie. Het zal in zijn algemeenheid zo zijn dat eerst de wijze van samenleven wordt onderzocht en afhankelijk van de uitkomst daarvan bepaalde besluiten wel of niet worden genomen (herziening, terugvordering, boete). Het kon dus bij aanvang niet worden uitgesloten dat de bevindingen van het gesprek tijdens het huisbezoek ook aan de boete ten grondslag zouden worden gelegd. Bovendien is ook tijdens dit gesprek, toen er meer informatie kwam over een mogelijke gezamenlijke huishouding, niet alsnog de cautie gegeven. Het gaat daarbij voor een belangrijk deel om wilsafhankelijk materiaal, omdat de zogeheten ‘checklist gezamenlijke huishouding’ op eisers verklaringen is gebaseerd. Verder duidt de aanwezige informatie er niet op dat ook zonder de verkregen gegevens tijdens het gesprek bij het huisbezoek de boete stand zou kunnen houden. De beroepsgrond slaagt.
14. De boete kan geen standhouden. Hiermee wordt niet meer toegekomen aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
15. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen, voor zover die besluiten betrekking hebben op de opgelegde boete. Omdat, zoals gezegd, in beroep niet is opgekomen tegen de terugvordering van ten onrechte betaald AOW-pensioen, heeft deze uitspraak geen gevolgen voor de terugvordering.
16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Eiser heeft zich namelijk niet laten bijstaan door een professioneel rechtsbijstandsverlener en ook niet van andere proceskosten is gebleken. De Svb moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden van € 54,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 december 2025, voor zover dat betrekking heeft op de boete;
- herroept het primaire besluit van 21 juli 2025, voor dat betrekking heeft op de boete;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene Ouderdomswet.
ECLI:NL:RBMNE:2025:7939.
Artikel 23, vierde lid, Wetboek van Strafrecht.
Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak van 28 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1261 r.o. 4.5. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|